Cornelis Oostwal

“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het  handelen”.

Opkomst van de jeugdbeweging en vernieuwing van het onderwijs.

 

“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het handelen”,[1]


1. Onderwerp en theoretische beschouwingen


De industrialisatie had geleid tot ingrijpende sociale veranderingen zoals: urbanisatie, secularisatie, democratisering, de opkomst van een arbeidersbeweging, en andere emancipatiestrevingen zoals die van de vrouw, van de kleine luyden, en van het katholieke volksdeel. De gevolgen hiervan voor de jeugd waren dat de door de volwassenen overgeleverde tradities en gewoonten niet meer aansloten bij het feitelijk leven van de jeugd.

De jongeren verzetten zich tegen de druk van de traditie, tegen het autoritaire karakter van de volwassenenwereld en tegen de innerlijke leegheid van veel maatschappelijke gebruiken en omgang. Van een jeugdbeweging werd sprake toen jeugdigen zich nadrukkelijk tegen de gehele levensstijl en het cultuurideaal van de volwassenen in het eigen land afzetten. Dit was het geval rond de wisseling van de negentiende en de twintigste eeuw met het jongerenverzet tegen de burgerlijke 'sofa-cultuur' en hun dwepen met de volkscultuur (liederen, dansen). Het herontdekken van de natuur maakte deel uit van dit verzet der grootstedelijke jeugd. In Duitsland leidde dit tot het ontstaan van de ‘Wandervogel’, in Engeland tot de 'scout movement’, in Nederland tot de 'Kweekelingenbond'. Als consequentie van hun verzet tegen de burgerlijke levensstijl namen deze jeugdbewegingen ascetische leefregels aan (geheelonthouding, niet-roken, vegetarisme, eenvoudige kleding, geen bioskoopbezoek) en streefden naar soberder en natuurlijker activiteiten (trekken langs jeugdherbergen, kamperen, naturisme). In Engeland en Duitsland waren het jongens uit de gegoede burgerij, in Nederland jongeren (jongens en meisjes) uit de zeer arme burgerij, en vanaf 1912 ook uit de bovenlaag van de arbeidersklasse.

In Engeland en Duitsland koesterden de jongens een mannelijk stoerheidsideaal. In Nederland kwamen de jongeren op voor de gemeenschappelijke omgang tussen jongens en meisjes, dat overigens, kenmerkend voor de vrije jeugdbeweging, a-seksueel van aard was.

Het ging zowel in Duitsland als in Engeland om een in opzet a-politieke beweging. Het vrije jeugdidealisme dat aan de Duitse en Nederlandse jeugdbeweging meer ten grondslag lag dan aan de scout-mouvement gaf uitdrukking aan de verwachting dat door een totale levenshervorming de kille, verzakelijkte maatschappij weer een echte, levens-warme gemeenschap zou worden. De vrije jeugdbeweging die tijdens het interbellum haar grootste bloei beleefde was een zaak van uitsluitend jongeren.

Overal kwamen jongeren op voor het recht om zelf het leven vorm te geven en hier zelf de verantwoording voor te dragen. Zij wezen iedere bevoogding af. De banden met de organisaties van volwassenen werden in de meeste gevallen verbroken. Er ontstonden aparte jeugdbonden. De jeugdbeweging in eigenlijke zin keerde zich tegen het patriarchaat.

Volwassenen (overheid, legerautoriteiten, pedagogen, kerkelijke instanties, leidende figuren uit de sociaaldemocratie en de vakorganisatie) gaan het jongerenverzet uit angst dat het ‘uit de hand loopt’ in "geordende banen" leiden.

Dit leidde omstreeks 1900 tot een conflict tussen de generaties. Het ontstond onder de jeugd aan de rijkskweekscholen, maar breidde zich uit naar de arbeidersjeugd.
In Nederland nam dit conflict de vorm aan van de jeugdbeweging: groepen van jeugdigen die – zich distantiërend van de volwassenen en hun wereld - gegrepen door humanitaire en sociale idealen – en gedreven door romantische sentimenten -  zich aaneensluiten en zonder hulp of leiding van volwassenen voor hun sociale en humanitaire idealen gaan ijveren.
[2]

Hoewel de opeenvolging der generaties een universeel biologisch verschijnsel is, doet een maatschappelijk generatieconflict zich alleen voor onder specifieke historische omstandigheden. Dit deed zich voor toen door de industrialisatie de samenleving in het teken was gekomen van de vooruitgang, toen alles werd verwacht van de toekomst. Dit riep de jeugd en niet de hogere leeftijdsklassen. Jeugd en leven werden de leuzen. Jeugd werd gezien als identiek met vernieuwing, jong-zijn betekende: bij-de-tijd. Op enig moment was in Europa sprake van een aanbidding van de jeugd.[3]
De gedachte was ontstaan dat de maatschappelijke ontwikkeling het werk was van de jeugdigen. Toen de jeugd zich dan aaneensloot namen volwassenen uit angst dat het optreden van de jeugd ‘uit de hand’ zou lopen het initiatief het onderwijs te  vernieuwen en zich in toenemende mate met de zorg van de jeugd te bemoeien.
Deze wisselwerking tussen de opkomst van de jeugdbeweging enerzijds en het optreden van volwassenen anderzijds is het onderwerp van dit onderzoek.

Wat is een historisch feit.
Bij een ideeëngeschiedenis wordt onderzocht welke gebeurtenissen van doorslaggevende betekenis waren: feiten. Geen gebeurtenis is echter zuiver en objectief van doorslaggevende betekenis. Feiten zijn niet zomaar gegeven, komen niet zomaar uit het historische gegeven naar boven drijven, hebben nimmer een immanente zin of betekenis. Gebeurtenissen worden als feiten aangeduid als gevolg van een keuze die gemaakt wordt. Ze zijn niet altijd en overal hetzelfde. Ze zijn afhankelijk van wat onder geschiedenis verstaan wordt en zijn dus onvermijdelijk gekleurd. Als criterium wordt dan genomen het antwoord op de vraag of ze al dan niet relevant zijn voor wat onderzocht wordt, of ze iets bieden wat van waarde of betekenis wordt gezien.
Wanneer een daad niet alleen voor het individu van betekenis was, maar ook een mondiale of nationale betekenis had, was het gebruikelijk dit een historisch feit te noemen.
Tegelijk waren dit unieke, éénmalige en niet zich eindeloos herhalende, gebeurtenissen. Ook nu nog noemen we dit een historisch feit. Maar naast het unieke gebeuren en de unieke daden met een grote draagwijdte van de groten der aarde, is er nu ook oog gekomen voor de historische betekenis van de, zich duizendvoudig, herhalende handelingen uit het dagelijkse leven van de doorsnee vertegenwoordigers van alle rangen en standen. Niet ieder van deze daden op zichzelf maar in hun totaliteit. Vooral in de sociale en culturele geschiedenis gaat het zelfs minder om het unieke gebeuren en de unieke daden van de groten der aarde, maar meer om dat wat binnen een bepaald cultuurpatroon algemeen gangbaar was. Zelfs kleine gebeurtenissen die op zichzelf onbeduidend lijken, kunnen in groter verband wel degelijk van historische betekenis blijken te zijn.
Wat als een historisch feit gezien wordt is een zuiver subjectieve aangelegenheid. Het laat zich immers niet eenduidig bepalen en is ook allerminst een enkelvoudig gegeven. Een oude munt is niet slechts een voorwerp; het is de uitdrukking van bepaalde maatschappelijke verhoudingen, van een bepaald vorstelijk of stedelijk beleid. Het speelde mogelijk een dominerende of ondergeschikte rol in het handelsverkeer. Een moordaanslag op een leidend politicus op een bepaalde plaats en tijd en gepleegd door een bepaald persoon, is niet zomaar een enkelvoudig historisch feit. Een dergelijke politieke moord drukt een extreme conflictsituatie uit, waarbij meestal twee vijandige wereldbeschouwingen op elkaar stoten. De moordaanslag laat zich niet losmaken uit het geheel van de politieke situatie, van de voorafgaande publiciteit, van de bedekte of openlijke aanmoediging tot een dergelijke daad van bepaalde zijde, van de gedragingen van het slachtoffer, van de karakters der betrokkenen, van een reeks bijkomende schijnbare toevalligheden. Noch de moordenaar noch het slachtoffer kunnen als geheel op zichzelf staande personen opgevat worden.
Ieder historisch feit verwijst naar een uiterst complexe werkelijkheid. Zelfs een niet-politieke moord, die bovendien nog niet eens begaan werd, kan bij nadere ontleding een uiterst complex historisch gegeven blijken.
Een historisch feit is allerminst de harde duidelijk gevormde bouwsteen die de historicus in groten getale hanteert om een stevig gemetseld verhaal te krijgen. Hieruit volgt hoe belangrijk het is om de herkomst van de historische feiten nauwkeurig aan te geven in een beschouwing over de geschiedenis. Het is méér dan een zaak van vertrouwen.
In dit onderzoek zal getracht worden een beeld van het verleden te re-construeren. Hierbij gaat het om de samenhang bloot te leggen tussen het denken en het handelen.
Ik gebruik de term ideeën omdat woorden als theorieën en filosofieën een consistente, afgeronde en tegelijk systematisch ontwikkelde gedachtegang veronderstellen waar alleen op het hoogste intellectuele niveau sprake van is.
Filosofisch-wetenschappelijk ontwikkelde gedachtestelsels ontstaan of herleven, aanvankelijk los van bewegingen en zelfs voor dat hier sprake van is, treffen we aan in de hoofden van slechts enkele originele denkers; meer vereenvoudigde gedachten worden weergegeven door de intellectuele kaders in boeken, tijdschriften en lezingen en onderlinge discussies; min of meer kant en klare bevindingen en conclusies worden weergeven door de groep der activisten in dagbladen, manifesten en redevoeringen; vage voorstellingen in de vorm van leuzen en slagzinnen vernemen we via mondelinge kontakten onder de brede massa van sympathisanten.
Onderscheid kan gemaakt worden tussen een objectief moment: welke gebeurtenissen en omstandigheden waren er gaande binnen een gegeven maatschappelijke totaliteit, en een subjectief moment: hoe hebben de betrokkenen de hun gegeven gebeurtenissen en omstandigheden beleefd en ervaren, wat waren hun beweegredenen om in beweging te komen, tot welk doel moest hun optreden leiden. Kortom: het gaat om het verschaffen van inzicht.
Het gaat er om het specifieke, het bijzondere, van een historische situatie bloot te leggen.
Niet wordt teleologisch te werk gegaan: naar een welgevallige of gewenste situatie toeschrijven. Niet wordt uitgegaan van het gelijk van de één of het ongelijk van de ander. Niet gaat het er om oordelen te geven, of om te vertellen wat aangenaam in de oren klinkt.
Pogingen om uitgaande van een veronderstelde algemene menselijke natuur te komen tot universele psychologische wetten ter verklaring van historische en maatschappelijke processen hebben weinig of niets opgeleverd. Meestal worden sociale verschijnselen dan herleid tot een psychologistisch simplisme.
Ook verregaande abstracties onttrekken het zicht op de sociale werkelijkheid vaak meer dan dat ze het zicht verhelderen doordat essentiële verschillen tussen verschijnselen worden uitgewist.
Een voorbeeld is het begrip verzuiling. Met dit begrip wordt het gedrag van het rooms-katholieke, protestantse en socialistische volksdeel onder één algemene noemer gebracht. Geheel onduidelijk blijft waar de verzuilingstheoretici de groep van christensocialisten, de groep van sociaal-liberalen en de niet geringe groep van christelijke leden van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen laten.
Met het gebruik van het begrip verzuiling worden essentiële verschillen tussen de verschijnselen uitgewist. Het geeft ons geen inzicht in de verschillende plaatsen die deze volksdelen in georganiseerd verband innemen. Voor het begrijpen van ontvoogdingsprocessen is het juist van belang inzicht te krijgen in de specifieke verschillen, en niet in de overeenkomsten.
Kortom het begrip verzuiling onttrekt meer het zicht aan de sociale werkelijkheid dan dat dit begrip het zicht op de sociale werkelijkheid verheldert.
Gedachten zijn niet automatisch een gevolg van de sociale herkomst van een denker. Gedachten ontstaan niet vrijelijk in de hoofden van geniale mannen of vrouwen, stammen niet rechtstreeks, automatisch uit de maatschappelijke achtergrond van de denker, zijn geen passieve afbeeldingen of weerspiegelingen van het maatschappelijk leven die zich onafhankelijk daarvan voltrekken in de hoofden van denkers.
Gedachten ontstaan in, vormen en ontwikkelen zich door, de ontwikkelingen in het maatschappelijk leven. Dat een bepaalde sociale groepering een gedachte heeft uitgewerkt en tracht dit te verwezenlijken, betekend niet automatisch dat daarmee ook de belangen van die sociale groepering zijn gediend.
De juistheid van een gedachte wordt niet bepaald doordat het verkondigd wordt door een persoon van een bepaald ras of geslacht, met een bepaalde afkomst of leeftijd, met een bepaalde maatschappelijke positie, met een bepaalde godsdienstige of politieke achtergrond, doordat het afkomstig is van degene die het te berde bracht.
Ideeën en opvattingen van een politiek heersende sociale groepering berusten niet altijd op vooroordelen, ook zijn het niet altijd ideologieën die het eigen belang (moeten) dienen.
De juistheid van een idee of opvatting en het belang wat er mee gediend wordt dient altijd gezocht te worden in het sociale gebeuren zelf.

Wat is er tot dusver over geschreven.
G.Harmsen (1922-2005) beschrijft in Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940, de voornaamste gebeurtenissen en verschijnselen die zich tijdens de ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse vrije en linkse jeugdbeweging hebben voorgedaan tussen 1850 en 1940. De wisselwerking tussen de opkomst van de jeugdbeweging enerzijds en het optreden van volwassenen anderzijds viel buiten het bestek van zijn onderzoek.
B.A. Knoppers komt in Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung, tot de conclusie dat een zelfstandig door de jeugd geleidde organisatie in Nederland ‘bijnahe nicht besteht’, over volwassenen komt de schrijver tot de conclusie dat deze maar weinig interesse hadden voor de jeugdbeweging, en het optreden van de overheid wordt slechts zijdelings aangehaald en niet in verband gebracht met de jeugdbeweging.
J.H. Gunnungh, Wzn. noemt in De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, het jaar 1898 als een keerpunt in de geschiedenis van de pedagogie.
I. van der Velde, brengt in: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940, het streven onder volwassenen het onderwijs te vernieuwen in de periode 1900-1916 in verband met bezwaren tegen de klassikale school en het klassikaal onderwijs, in de periode 1916-1931 in verband met buitenlandse invloeden en in de periode 1931-1940 in verband met een wijziging in de wijze waarop de leerstof wordt aangeboden.
S.J.C. Freudenthal-Lutter geeft in: Naar de school van morgen, een summier overzicht van enkele pogingen van volwassenen het onderwijs te vernieuwen.
Th. Van Tijn stelt in: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag, ook in: Student, en in: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd zijn door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen.
Die zouden hun uitdrukking vinden in de politieke arena, maar ook in die van de opvoeding en in die van het onderwijs. Dit laatste zou dan op twee manieren plaatsvinden: in de eerste plaats zou er telkens - al voor de theoretisch-didactische problemen rijzen – een opmerkelijk vergrootte aandrang komen van de kant van de ouders van tot dusver van onderricht meer of minder verstoken kinderen om hun spruiten wel naar de betreffende onderwijsinstellingen te sturen. Hierdoor zou er in een korte tijd een tekort ontstaan aan onderwijscapaciteit (geld, ruimte, leerkrachten enz.). In de tweede plaats zou er een veranderde visie op doelstellingen en methoden van het onderwijs ontstaan. Ten derde zou dat een uitvloeisel zijn van een veranderde visie op de maatschappij (onderwijs bereid voor op het leven in de maatschappij en aard en inhoud daarvan hangen dus af van de visie die men heeft van de maatschappij), anderzijds zouden juist door de toeloop naar onderwijsinstellingen uit de minder gevormde milieus nieuwe pedagogisch-didactische problemen rijzen.
H. Verwey-Jonker haalt in Emancipatiebewegingen in Nederland, de zelfstandige door jeugdigen gevormde en geleidde organisaties slechts zijdelings aan.
N.L. Dodde, stelt in Het Nederlandse onderwijs veranderd, dat in plaats van daadwerkelijke vernieuwing en verbetering van het onderwijs in de periode 1898 tot 1963 slechts over een verandering van het onderwijs gesproken kan worden.
[1]

Opvoeding in het verleden.
Bij de Grieken had het onderricht geen pedagogisch doel. Het had tot doel de jeugd kennis en vaardigheden bij te brengen die nodig werd geacht voor het uitoefenen van een publieke functie zoals: klassieke talen, klassieke literatuur, kunst en geschiedenis, plus een gezonde ontwikkeling van het lichaam. Het ging hierbij om: het bereiken van perfectie, de vorming van een cultureel ontwikkeld mens en de voorbereiding op het burgerschap. 'Opvoeding houdt in lichaam en ziel alle perfectie geven waar zij vatbaar voor zijn', zei Plato.
Ook bij de Romeinen lag de nadruk op het bijbrengen van kennis en vaardigheden. Een goed opgeleid man had een publieke functie en nam actief deel aan het publieke leven. Alle scholing werd beschouwd als een voorbereiding op deze rol. Naarmate de Romeinen meer ideeën overnamen van de Grieken begonnen ook de culturele doelen van opvoeding en scholing belangrijker te worden, en de vorming van iemand tot 'vir bonus' ('gentleman' of 'bonhomme').
In het Mattheus-evangelie 18.3 geeft Christus het dringende advies te worden gelijk de kinderen: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet veranderd, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’.
De Franse filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) roept op in Emile ou l’éducation, de opvoeding aan te laten sluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind en deze niet te richten op het toekomstige leven van volwassene.
De Zweedse, sterk door Nietzsche beïnvloede, pacifiste Ellen Key (1849-1926), proclameert in: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, (waarin ze de vrouw ziet als intellectueel de mindere van de man, wat haar niet verhinderde op te komen voor het vrouwenkiesrecht en de arbeidersbeweging te steunen), de 20 e eeuw tot ‘de eeuw van het kind’ en verhief het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm.
De Nederlandse proletarierskinderen zouden hier weinig van merken zo schrijft H.R. Roland Holst-van der Schalk in Kapitaal en Arbeid in Nederland, want de nieuwe eeuw bracht aanvankelijk, wat de oude ook had gebracht: uitbuiting, ellende, en verwaarlozing.
Key was hiermee overigens niet de eerste die het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm verhief. De Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero (106 tot 43) zag het kind al als ‘speculum naturae’ als ‘spiegel der natuur’. Het doel de jeugd voor te bereiden op een rol in het publieke leven gold ook in de zeventiende en achttiende eeuw. Tevens werd het doel van de geleidelijke en natuurlijke ontplooiing van iemands talenten geïntroduceerd.
Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd jeugdigen een religieus besef bijgebracht. Het religieus-zedenkundige leesboek, met voorbeelden uit de Bijbelse geschiedenis, waarin de godsdienst wordt verheerlijkt vierde hoogtij. De invoering van de onderwijswet van 1857, waarin naast vakken als lezen, schrijven, en rekenen ook geschiedenis, aardrijkskunde en zingen verplicht werd gesteld, markeerde de overgang naar een onderricht waarin gestreefd werd die kennis en vaardigheden bij te brengen die de jeugdigen moest voorbereiden op de uitoefening van een beroep of ambacht. Bijgebracht werd wat nodig gevonden werd om het de jeugdige, wanneer deze de school verliet bij het bereiken van het tiende levensjaar, aan het einde van de leerplichtige leeftijd, zonder dat de gehele zesjarige schoolperiode was doorlopen, mogelijk te maken het tot loop- of fietsjongen of loswerkman zoals dat toen heette, te kunnen brengen. Latere initiatieven zoals de invoering van handenarbeid, gymnastiek, zelfwerkzaamheid, concentratie van de leerstof, zaakonderwijs hadden alle tot doel het onderricht doelgerichter en efficiënter te laten plaatsvinden.
Als protest tegen het ‘rationalisme’ werden scholen opgericht waar de leerlingen op voet van gelijkheid verkeerden met hun onderwijzer. Zo richtte  Cecil Reddie in 1889 in Engeland zijn New School op, Herman Lietz in 1898 in Duitsland zijn Landerziehungsheim, en Edmond Demolins in 1899 in Frankrijk zijn L'Ecole des Roches.
Dikwijls worden in onderwijskringen in Nederland buitenlandse initiatieven aangehaald welke bekend zijn geworden onder de naam Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht.
Helen Parkhurst (1887-1973) die aan de éénmansschool in de plaats Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes zich geplaats zag voor de taak de kinderen van de opdringende emigrantenstroom van diverse  nationaliteiten en zeer verschillend intellectueel niveau in een nog dun bevolkt land ‘in de smeltkroes’ van het onderwijs om te vormen tot loyale staatsburgers, schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken. Ze kon met financiële steun van de welgestelde familie Crane in 1919 The Children's University School, openen.
Peter Petersen (1884-1952) die in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd werd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas steeds uit minder jeugdigen bestond, maakte een einde aan de jaarklassen. Hij vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet de jeugdigen in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en liet de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd.
Célestin Freinet (1896-1966) die in 1920 op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd werd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen waardoor de jeugdigen weinig gemotiveerd het onderricht volgden, bood jeugdigen de mogelijkheid om zich aan de hand van de eigen interesse en belangstelling te verdiepen in door hen zelf gekozen onderwerpen.
Maria Montessori (1870-1952) die in 1907 in Rome in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome geconfronteerd werd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling, liet om de jeugdigen de mogelijkheid te geven zich intellectueel te ontwikkelen met eigen gemaakt materiaal voelen, horen, zien en ruiken.
Ze weerde de sprookjes uit haar school, verving het vrije tekenen door het omtrekken van geometrische figuren om tot een vaste hand van schrijven te komen en oefende de zintuigen niet aan geluiden en kleuren in de natuur, maar aan rammelbusjes en kleurenspoeltjes.
Pestalozzi liet uit armoede de jeugdigen, wat in de klassikale school als bedrog gestraft werd, elkaar helpen. Itard en Seguin kozen in hun onderricht aan defecte kinderen een individuele methode. De natuurlijke ontplooiing van de vermogens van het individuele kind en het leren niet door luisteren maar door eigen activiteit staat op de voorgrond bij O. Decroly met zijn ‘école pour la vie et par la vie’ in Brussel, zijn globalisatietheorie, zijn ‘leren uit het volle leven’ en zijn ‘centres d’intérêt’, en Georg Kerschensteiner met zijn ‘Arbeidsschule’.
Leo Tolstoj richtte voor de boerenkinderen van Jasnaja Poljana  een winterschool op - zomers werden de kinderen geacht genoeg in het boerenbedrijf te leren. Op het eind van de eeuw krijgt in Engeland, in Frankrijk, ten slotte ook in Duitsland de gedachte van een ‘vrije school gestalte : anti-intellectualistisch, contact met de natuur en vorming van het gevoelsleven, veel lichaamsbeweging, schoolgemeenschap met min of meer uitgebreid zelfbestuur en zelfverzorging in huis en tuin, scholing van de kunstzinnige aanleg.
In Engeland werkte op die basis het in 1899 gestichte Abbotsholme, en in Frankrijk verrees in hetzelfde jaar de Ecole des Roches. In Duitsland ijverde G.Wyneken, een geëxalteerde idealist, voor een Freie Schulgemeinde, een Duitse uitgave van de Amerikaanse school city, die hij in 1906 in Wickersdorf verwezenlijkte. In 1899 stichtte dr. Lietz zijn Landerziehungsheim in Ilsenburg, in 1910 Paul Geheeb zijn Odenwaldschule. Voor de Eerste Wereldoorlog waren er minstens twintig van zulke vernieuwingsscholen in Duitsland en een tachtigtal in West-Europa. De door Romein in ‘De eeuw van het Kind’ vermelde school van Rudolf Steiner en de Kindergemeenschap van Kees Boeke zijn van een later datum en van een geheel andere aard, zoals uit dit onderzoek zal blijken.
Alle hiervoor beschreven initiatieven hadden géén pedagogisch doel, ook al hadden ze mogelijk wel pedagogische gevolgen. De initiatieven hadden tot doel het onderricht doelgerichter en efficiënter te laten plaatsvinden of hadden een ethisch gedreven achtergrond.
Daar waar volwassenen onderricht gaven aan uitsluitend vrouwelijke jeugdigen, was het doel hen te beschermen tegen de omgang met de andere sekse, hen te beschermen tegen de invloed der niet-gelovigen of om vaardigheden bij te brengen die voortvloeiden uit de taken die van hen werden verwacht.
Met de opkomst van de jeugdbeweging in Nederland kreeg het onderricht een opvoedkundig doel.

Waaruit bestaat geschiedschrijving.
Aan de geschied-kennis zoals die in historische publicaties voorkomt kunnen drie kanten worden onderscheiden.
Ten eerste: de activiteit van de geschiedschrijver en de persoonlijke psychologische en andere problemen van de betrokkene; ten tweede: de geschiedkennis in zijn kant en klare gepubliceerde vorm; ten derde: de invloed van de geschiedkennis op het historisch proces zelf , wanneer dit is gepubliceerd.
Er is een grote verscheidenheid aan historische werken. Er zijn de oude historische overleveringen in mythische vorm, zoals het heldenepos, het Nibelungenlied en de Ilias, maar ook de latere verhalende werken. Deze werken kunnen worden gezien als geschied-schrijving in de letterlijke betekenis van het woord.
Er zijn ook bespiegelende werken van theologische, wijsgerige of theoretische aard, die zich met de zin en het wezen van de geschiedenis bezighouden: geschied-beschouwing.
Tenslotte ontstond er in de 19e eeuw een kritische bestudering van het historisch proces: geschied-wetenschap.
Deze drie tezamen geschied-schrijving, geschied-beschouwing en geschied-wetenschap, kunnen ook worden aangeduid als: geschied-kennis. Ook kan hiervoor wel het woord geschied-schrijving worden gebruikt.
In de natuur kan van een verschijnsel dat volledig aanwezig is en in zijn geheel kan worden waargenomen studie worden gemaakt, naar aanleiding hiervan hypothesen worden opgesteld, en het resultaat van de bevindingen worden geverifieerd door waarneming en experiment. In de maatschappij/historische wetenschap is dit niet mogelijk.
Het historisch proces omvat het gebeuren wat achter ons ligt, het gebeuren wat zich op dit moment afspeelt, en het grote scala aan denkbare mogelijkheden die in het historisch proces besloten ligt.
Het heden is de voortschuivende scheidingslijn tussen verleden en toekomst. Een bepaalde ver of minder ver achter ons liggende fase van het historisch proces is niet meer als zodanig aanwezig, al werkt het verleden in het heden, contemporaine-gebeuren, door, het heden vormt immers de uitkomst van het verleden. Het verleden heeft sporen nagelaten. Gerealiseerd moet worden dat het heden, het contemporaine-gebeuren, één groot door het verleden achtergelaten spoor is. Immers: elke dag nemen we van iets anders afscheid, zonder het te weten.
De historische kennis wordt geput uit sporen of resten van het verleden: gebruiksvoorwerpen, wapens, gebouwen, uitingen van beeldende kunst; kronieken, oorkonden, brieven, rekeningen, etc.; legenden, plaatsnamen, spreekwoorden, folkloristische gebruiken. Aan de hand van deze bronnen wordt getracht het verleden te reconstrueren.
Een aantal factoren maken de totstandkoming van een volkomen juist, volledig en definitief beeld van het verleden onmogelijk: de bronnen zijn incompleet, onbetrouwbaar, eenzijdig en gekleurd. Maar ook doordat de historicus een mens is met beperkingen vanwege de tijd waarin hij leeft, en het land en de plaats waar hij woont. Ook speelt het maatschappelijke milieu waarin de historicus is opgegroeid een rol, maar ook diens godsdienstige en politieke gezindheid, en diens ideeën en opvattingen die zo vertrouwd zijn dat deze als vanzelfsprekend voorkomen. Tenslotte spelen bij de historicus ook nog een rol de persoonlijke eigenaardigheden die versterkt zijn door aanleg, temperament, opgedane persoonlijke ervaringen en aangetroffen omstandigheden.

 2. Christelijke en nationale deugden

Inleiding
Vanaf het einde van de jaren zeventig in de negentiende eeuw hing over Europa een zware economische depressie. Ook in Nederland werden de gevolgen hiervan gevoeld. Er brak een periode aan van slechte tijden. De textielindustrie beleefde slechte tijden, in de bouwvakken heerste grote werkloosheid. De kou maakte de nood onder de arbeiders bijzonder schrijnend. De Sociaal-Democratische Vereniging groeide binnen enkele jaren uit tot de Sociaal-Democratische Bond (SDB). De propaganda van de Lutherse predikant Domela Nieuwenhuis sloeg aan bij duizenden. Hij had het christelijk geloof losgelaten en was een consequente atheïst geworden. De Amsterdamse smid Willem Ansing had Domela horen spre­ken en was daar diep van onder de indruk. Hij vond dat de werk­lieden mensen nodig hadden die het woord konden voeren omdat ze daarvoor geleerd hadden. Ansing probeerde Domela te winnen voor de zaak van de arbei­ders. Deze hapte gretig toe en werd rond 1880 de vormge­ver en de centrale figuur van de Sociaal-­Democratische Bond (SDB). Deze stelde zich aanvankelijk tegen­over de anar­chisten, die er ook al waren, op parlementair standpunt. Domela zat als enige socialist in de Tweede Kamer en werd daar met de nek aangeke­ken en zelfs, op één uitzonde­ring na, niet ge­groet. Het leek of de vijand­schap van hem af gleed en dat was zijn kracht. Er vonden talrijke optochten van werklozen plaats en stakingen van werkenden. De stem van Domela was in de grote steden begonnen, maar zich uitgebreid naar de industriële streken: de Zaanstreek, Twente, en later Maastricht. Het leek alsof er een sterke politieke en economische organisatie uit de grond gestamp werd.
Domela schiep door zijn kameroptreden de arbeiders­klasse als poli­tieke cate­gorie. De arbeidersklasse was en is een uiterst heterogeen geheel en lijkt in niets op de geïdealiseerde homoge­ne massa van de latere linkse intellectuelen. Domela ver­enigde de acties van de stede­lijke handwer­kers, de onge­sch­ool­de fa­briek­s­ar­bei­ders in de Twentse textiel, de Maas­trichtse arbe­iders in de aardewerk- en glasfa­brieken van Re­gout, de turf­stekers in het Noor­den, de pol­derjongens en havenarbeiders die aanvanke­lijk rond 1889 los van elkaar in actie kwa­men.

De crises in de landbouw van omstreeks 1890 had de gevolgen van die in de industrie nog verergerd. Duizenden arbeiders, werkzaam op het platteland in de agrarische industrie, waren naar de steden getrokken in de hoop daar werk te vinden, met als gevolg dat de menigte der werklozen buitengewoon toenam. Anderen bleven in hun gemeente, in leven gehouden door de karige giften der diaconieën of burgerlijke armbesturen.
In de tweede helft van de 19e eeuw leed de arbeidende volksklasse door het ontbreken van werkgelegenheid en onder de schommelingen hierin. Massale en langdurige werkloosheid vooral in de winter had een belangrijk deel van de bevolking aan de rand van het bestaansminimum of zelfs daaronder gebracht. De honger was overal. De wet uit 1854 waarmee de taak van de overheid in het ondersteunen van de armen was beperkt en overgelaten aan kerken en particuliere instellingen had de honger in omvang doen toenemen. Werklozen en armen hadden zich zo goed mogelijk zien te redden. Alleen in uiterste noodzaak sprong de overheid bij. De lange duur van de werkloosheid en de armoede had de gezondheid, de geestelijke en lichamelijke conditie en de vakbekwaamheid aangetast.

Na 1895 was op de lange economische depressie een opleving en een kapitalistische bloeiperiode gevolgd, weliswaar onderbroken door geregeld terugkerende crisissen die kort van duur waren. De banken, de handel en de industrie maakten weer winst, de werkloosheid onder de arbeiders daalde, de landbouw fleurde op, de tuinbouw kwam op. In de grote havensteden kwam de handel handen te kort; vele nieuwe fabrieken verrezen.

Ook de jeugdigen hadden de gevolgen van de crises gemerkt. Doordat
in Nederland in het economisch gebeuren het ambacht en kleinbedrijf nog lang domineerden vergeleken met de omringende landen, gingen jeugdigen, die op 11 à 12 jarige leeftijd van school kwamen dan ook aan het werk bij een kleine baas als loopjongen, drukkers- of zettersleerling, schildersknecht, sigarenmaker, aankomend horlogemaker, diamantslijpersleerling, winkelbediende, timmermansjongen, meubelmakersjongen. De crises had geleid tot een verscherpte concurrentie tussen enerzijds bedrijven die over voldoende financiële middelen beschikten om gebruik te kunnen maken van de stoommachine en over te gaan naar een fabrieksmatige productie waardoor ze sneller konden produceren met minder kosten, en anderzijds de bedrijven die de kosten voor een uitbreiding van de fabrieksmatige productie niet konden opbrengen, waardoor bij hen de afzet van producten verminderde. Deze laatste bedrijven hadden moeite gekregen het hoofd boven water te houden en hadden de kosten hiervan afgewenteld op de jongeren door het loon te verlagen of door dit zo laag mogelijk te houden. Dit was voor de leerlingen in de werkplaatsen onaanvaardbaar. Ze sloten zich aaneen en organiseerden zich in jongeliedenbonden. In Recht van Allen van 15 april 1885 werd voor de eerste keer melding gemaakt van de oprichting van een jongeliedenbond. In de loop van 1885 werden jongeliedenbonden opgezet in de Zaanstreek, Groningen, Den Haag, Rotterdam, Sneek en Amsterdam. De plaatselijke jongeliedenbonden sloten zich in 1885 aaneen tot de landelijke Sociaal-Democratische Jongelieden Bond (SDJB).
In de Sociaal Democratische Bond (SDB) vond, na heftige debatten over de betekenis van de parlementaire democratie en over de vraag of het een middel was om te komen tot maatschappelijke her­vorming of alleen een agitatiemiddel om het werkende volk wakker te schudden, een scheuring plaats. De voorstanders van de parlementaire weg richtten in 1894 de Sociaal-Democra­tische Arbeiderspartij (SDAP) op. Toen zich ook onder de jeugdigen in de SDJB de vraag voordeed welke weg gekozen moest worden: de parlementaire- of de anti-parlementaireweg en de voorstanders van een anti-parlementaire weg in de meerderheid bleken was de naam SDJB in 1898 veranderd in Socialistische Jongelieden Bond (SJB).
De jeugdigen hielden demonstraties, colporteerden en verspreidden manifesten. Toen de 19 jarige L.Schotting zich voor het verspreiden van een strooibiljet bij de rechter moest verantwoorden hoorde hij 2 maanden gevangenisstraf tegen zich eisen.
[4]
K.A.Bos en C.G.Tieleman werden in Amsterdam voor het verspreiden van een strooibiljet veroordeeld tot een gevangenisstraf: Bos voor 8 maanden en C.G.Tieleman tot 6 maanden.
[5]
Een ander (Lucas) werd in Den Haag wegens het verspreiden van opruiende geschriften veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf.
[6]
De jeugdigen lazen kranten, boeken en brochures, een enkeling las Multatuli, Buchner en jaargangen van De Dageraad, weer een ander las het Communistisch Manifest, op een ander maakte Het Sociaal Sprookje van Gerhard grote indruk, ook lazen ze Darwin, Kropotkin en Domela Nieuwenhuis en ze lieten zich door H. Roland Holst-van der Schalk de beginselen van de socialistische wereldbeschouwing bijbrengen.
[7]
De jeugdigen waren dikwijls te herkennen aan hun slappe hoed à la Domela, en hun lange losse das, waren dikwijls afgevaardigde in een of ander comité zoals: de zaak Hogerhuis, de Algemene Werkstaking, de eerste Mei en zongen op de wijs van de Marseillaise wanneer ze door de straten trokken.
De jeugdigen hielden straatbetogingen die bijna zonder uitzondering gepaard gingen met kloppartijen met de politie, kregen bij hun propaganda- en colportagetochten door de steden en veelal ook daarbuiten dikwijls meer slaag, dan ze lectuur verkochten, colporteerden ze wel gewapend met knuppels om zich te kunnen weren tegen de handtastelijkheden van een vijandig gezinde bevolking. De jeugdigen grepen elke gebeurtenis aan zich tegen de politie te kunnen verzetten, ook toen enkelen terugkwamen van een boottochtje naar Deventer, en met ontrold vaandel door de stad trokken.
[8]
De jeugdigen colporteerden, plakten motto's, hielden propaganda tochten, verspreidden opruiende strooibiljetten en gingen in de nacht er op uit om motto’s te plakken en te kalken.
De jeugdigen ijverden voor het socialistische ideaal zonder onderscheid van richting, d.w.z. zonder dat zij zich aan een bepaalde politieke partij bonden. Maar na 1908 begon de sociaal-democratische SDAP meer invloed uit te oefenen op de jeugdigen dan de anarchistische.
Onder volwassenen met een afkeer van het orthodoxe calvinisme en het liberalisme enerzijds en een vrees voor de hardheid en ruwheid van de socialistische arbeidersbeweging en het daarmee samenhangende felle atheïsme anderzijds rees angst dat het optreden van de socialistische arbeidersjeugd zou leiden tot een nieuwe periode van werkloosheid. Zij gaan de jeugd nationale en christelijke deugden bijbrengen.


Zelfbeheersing
De onderwijzer Jentje Johan Kleefstra (1860-1929) laat aan de Brinioschool in Hilversum de jeugdigen sport beoefenen: voetbal, korfbal, tennis, gymnastiek, zwemmen, schaatsen, en schoolwandelingen en fietstochtjes maken.[9]     

Toelichting: Sport was in het laatste kwart van de 19e eeuw ‘als vermaak’ uit Engeland overgewaaid, en werd nu in Nederland als een a-politieke bezigheid door de jeugd uit de hogere lagen van de bevolking beoefend. 

Kleefstra over de jeugd: Rijst niet het beeld voor u op van de lange slungel die met de neus in de wind, een hoge boord onder de kin, een partij geleerdheid onder de arm, overal met zijn waanwijheid te koop loopt? Denkt ge niet aan den bengel, die vagabondeert langs ’s Heeren wegen, alsof de heele wereld zijn domein is? die u met een brutaal gezicht staat te treiteren, uw tuin afstroopt, uw eigendom beschadigd en om God noch zijn gebod iets geeft? Of is uw ergernis meer opgewekt door de nufjes, die reeds als dames behandeld willen worden, terwijl ze nog in de korte rokken zijn en de neus optrekken voor alles, wat zuivere, ronde natuur is. [10]
Kleefstra had zich laten inspireren door het denken van Adriaan Henri Gerhard (1858-1948). Gerhard was een der oprichters van de SDAP en woordvoerder van een in het laatste decennium van de negentiende eeuw gevormd sociaal-darwinistisch denken.
Gerhard, de zoon van de oude Gerhard, was zeer populair. Zijn Sociaal Sprookje werd verschillende malen gedrukt en voorgelezen op vergade­ringen. Hij had: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, in het Nederlands vertaald en laten verschijnen.[11]
Van de bioloog Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919) was in 1899 Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie verschenen. Het boek was een ongeevenaard sukses – een drie miljoen exemplaren in meer dan twintig talen.    
Haeckel was aanhanger van het monistisch denken, een denken waarin het organisch leven: het leven van mens, plant en dier, én het maatschappelijk leven als één geheel werd gezien.[12]
Haeckel geloofde dat door de doorgaande ontwikkeling van de mens zowel in zijn biologische staat als in zijn staat als maatschappelijk wezen, de gemeenschap vanzelf zou ingroeien tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen.
Hackel had zich laten inspireren door de Engelse bioloog Charles Darwin (1809-1882). Darwin had, mogelijk gemaakt door de overweldigende hoeveelheid gegevens door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie die hem ter beschikking stonden, gesteld dat de natuur niet een voor eens en altijd vaststaand gebeuren was, maar een niet eindigende evolutie doormaakte. Door middel van een proces van natuurlijke selectie hadden de soorten die het meest de eigenschappen hadden zich onder gegeven omstandigheden te handhaven overleefd. [13]
Darwin had zich laten inspireren door de dominee Thomas Malthus (1766-1834). Malthus had in An Essay on the Principle of Population, dat in 1798 voor het eerst verscheen onder de schuilnaam: J. Johnson, gesteld dat de omvang van de bevolking altijd twee keer zo groot zal zijn dan er voedingsmiddelen beschikbaar zijn (behoudens rampen of epidemien), en dat in zo’n situatie van over-bevolking het zwakke deel van de bevolking zou overlijden en het sterke deel blijven leven.[14]


Verantwoordelijkheidsbesef
Het kabinet Pierson Goeman-Borgesius (1897-1901) laat jeugdigen die door de rechter zijn veroordeeld niet meer opsluiten, maar opvoeden. Voogdijraden kregen de taak de rechter te adviseren, en gezinsvoogden, verenigd in de Pro Juventute verenigingen, de leiding van het gezin. Het kabinet was het arbeiderskind met iets andere ogen gaan zien: het was gepromoveerd van ‘schooiertje’ en ‘boefje’ tot het ‘misdeelde kind’.
Het kabinet had zich laten leiden door het denken van de minister van Justitie Adriaan Cort van der Linden (1846-1935). Cort van de Linden was hoogleraar in de staatshuishoudkunde en statistiek aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam en woordvoerder van een rond de eeuwwisseling van de negentiende eeuw zich gevormd sociaal-liberaal denken waarin het ook als een taak van de staat gezien werd ‘te waken voor een regtvaardige verdeeling van de maatschappelijke productie’.[15]
Cort van der linden zag als een van de grote vraagstukken van zijn tijd: ’het ideaal te verwezenlijken dat iedere arbeider, ieder die werkt inderdaad het loon ontvangt van zijn verdienste’.[16]
Hij had gesteld dat een oplossing van de armoede de vermeerdering van kennis was bij de werklieden. [17]
Om hen ‘te bewaren voor de onbeperkte overgave aan volksmenners’ was deze vermeerdering nodig, maar het ontbrak de werklieden vooral aan de deugden ‘Matigheid, orde en spaarzaamheid’, en daar waren ze zelf verantwoordelijk voor aldus Cort van der Linden. Hij zag opvoeding dan ook als de ‘voornaamste hefboom’ de arbeiders deze deugden bij te brengen.[18]

Plichtsbesef
Hélène Mercier (1839-1910) geeft in Ons Huis aan de Rozenstraat in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan jeugdigen de gelegenheid gebruik te maken van een bibliotheek en een leeszaal, deel te nemen aan een praatavond of een zondagavondbijeenkomst, een lezing of voordracht bij te wonen, een tentoonstelling te bezoeken, onderricht te volgen in Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen en in verstellen, in muziek maken, in toneel spelen.[19]
Mercier had zich laten inspireren door het denken van Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905). Kerdijk was woordvoerder van een in het eerste decennium der negentiende eeuw onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen gevormd vrijzinnig-liberale denken. Kerdijk was opgegroeid in een welgesteld gezin, had privé-onderwijs gevolgd en de studie rechten aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Hij was redacteur van het Sociaal Weekblad, waarin publiceerden: H.L. Drucker, H. Goeman Borgesius, B.H. Pekelharing, H.P.G. Quack, J.C. van Marken en Hélène Mercier en medeoprichter van de Vrijzinnig Democratische Bond.
Kerdijk had zich laten inspireren door Charlotte Knappert (1860-1952). Knappert had in 1899 in Leiden toen een grote brand had gewoed in een katoenfabriek waarbij honderden vrouwen werkloos waren geworden Het Leidse Volkshuis geopend. Dit was bedoeld als werkverschaffing, maar was door Knappert omgezet tot een maatschappelijk cultureel centrum. Ze organiseerde er voor dienstmeisjes en vrouwelijke jeugdigen die werkzaam waren op de fabriek, leesonderricht en onderricht in het herstellen van kleding, bood verpleging aan in de wijk, hield een spaarkas, gaf gelegenheid gebruik te maken van een bibliotheek, hield wandelingen, had een zangkoor voor arbeiders en organiseerde er vakantiedagen voor de bezoekers.
Knappert had de Mulo gevolgd, de acte Frans gehaald en het diploma godsdienstonderwijzeres. Ze had in 1896 de brochure De Arbeidskerk in Engeland van John Trevar vertaald en uitgegeven.
Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren.
In Nederland waren socialistische studenten betrokken geweest bij de eerste pogingen om tot Toynbee-werk te komen.
Na de dood van Arnold was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.

Tevredenheid
De uitgever: Eduard Benjamin Ter HorstJr. (1865-1905) brengt in 1904 een serie verhalen uit over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin onder de titel: Nog bij moeder, en brengt in 1906 deze verhalen verzameld uit onder de titel: Het boek van Ot en Sien.[20]
In de verhalen wordt het dagelijkse bestaan van een gezin beschreven dat op het Drentse platteland zijn bestaan heeft. Het gezin bewoont een ruime vrijstaande comfortabele woning, heeft een moeder die geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht en heeft een vader heeft die de kost verdient als hoofdarbeider. Het is een gezin ‘waar van jongsaf Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’. [21]
Het zijn romantische verhalen waarin de bucolische idylle de boventoon voert. Het hierin beschreven bestaan stond in schril contrast met het feitelijke bestaan van de bevolking op het Drentse platteland omstreeks 1900. Omstreeks het begin van de twintigste eeuw waren de omstandigheden waaronder de arbeiders op het platteland eind negentiende eeuw leefden erbarmelijk: volkomen verwaarloosd, in leemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd, verstoken van alle middelen van bestaan.[22]
Een predikant die de werk- en leefsituatie in Overijsel vergeleek met die in Drenthe, kwam tot het oordeel in Drenthe woningen te hebben gezien zoo slecht als hij ze in Overijsel nooit had gezien.[23]
Het in de verhalen over Ot en Sien beschreven dagelijkse bestaan stond niet alleen in schril contrast met het feitelijke bestaan van de bevolking op het Drentse platteland omstreeks 1900 maar evenzo ook met het dagelijkse leven in de volksbuurten van de grote steden waar de grootste groep van de jeugdige lezers zijn bestaan had. Hier was het dagelijkse bestaan niet veel beter dan het in Drenthe was.
In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden naamloze stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, waar ratten en wandluizen de nimmer ontbrekende gasten waren. Waar een waterleiding meestal ontbrak en dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. De moeders en de vaders werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie.

De verhalen die door Ter HorstJr. werden uitgebracht waren opvoedend-romantisch van toon en geheel vanuit het standpunt van de gegoede burgerij geschreven.
TerHorstJr. had zich laten inspireren door het denken van de predikant Abraham Kuyper (1837-1920) waarvan hij kennis had gekregen toen hij samen met de Groningse predikant S.D.van Veen (1856-1924) een uitgebreide reis door Europa maakte om illustraties te verzamelen voor een nieuw uit te geven bijbel.
Kuyper had in 1880 een serie van opstellen laten verschijnen onder de titel: Antirevolutionair ook in uw huisgezin waarin hij had geschreven hoe hij het gezin zag als van belang voor het maatschappelijk leven. Het gezin is ‘de wortel en de kiem . . . waar heel de Staat  uit opwast; niet volgens uitvinding der menschen, maar volgens het bestel van den levenden God’.[24]
Of we geboren zijn ‘Op een zolderkamertje in een slop, of in de wieg eens prinsen’, geconstateerd moet worden: ‘dat er een geschiedenis achter ons ligt, waarvan wij het resultaat hebben te aanvaarden gelijk we het vinden’, waaruit volgt ‘de plicht om tevreden met zijn staat te wezen’, aldus Kuyper.[25]
Kuypers’ conclusie: dat de beslissing over de positie, waarin we geboren zouden worden, niet aan ons stond, maar aan een macht buiten ons.[26]
Kuyper had het dagblad De Standaard opgericht waarvan het eerste nummer verscheen op 1 april 1872, was in januari 1874 lid geworden van de Tweede Kamer, had in 1879 de Anti- Revolutionaire Partij (ARP) opgericht en in 1880 de Vrije Universiteit in Amsterdam die hij had geopend met zijn rede: Soevereiniteit in eigen kring. Kuyper had in 1889 een opstel Handenarbeid, laten verschijnen waarin hij opgeroepen had arbeiders bij te brengen ‘met weinig tevreden leeren zijn’.[27]
Op het in 1891 door de christelijke werknemersorganisatie Patrimonium georganiseerd Sociaal-Congres had Kuyper in zijn openingsrede ‘Het sociale vraagstuk en de christelijke religie’ het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot veroordeeld als ‘de dienst van Mamon’, de toehorende arbeiders opgeroepen af te zien van verbetering van het lot en in plaats daarvan ‘het eeuwige leven’ op de voorgrond te stellen, ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’ in het vooruitzicht gesteld en er op gewezen dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.[28]
Kuyper gaf leiding aan de afsplitsing van de hervormde kerk waaruit samen met andere groepen van gelovigen in 1892 de Gereformeerde Kerken ontstonden.

Toelichting: Vanuit de in 1816 gevormde Nederlands Hervormde Kerk vond in 1834 de eerste afscheiding plaats (Acte van Afscheiding of Wederkeer) o.l.v. de  predikant Hendrik de Cock; in 1886 vond er een tweede afscheiding plaats: Doleantie, o.l.v. Abraham Kuyper; in 1892 vormden de twee groepen van afgescheidenen samen met nog anderen onder de leiding van Abraham Kuyper de Gereformeerde Kerken in Nederland. Naar aanleiding van de pro-Duitse houding in de oorlog van de Gereformeerde Kerken in Nederland scheidde zich in 1944 onder de leiding van Klaas Schilder een groep van gelovigen af, zich noemend naar het artikel waarop de gelovigen zich baseerden: Artikel 31, ook wel bekend onder de naam Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.

Kuyper
werd in 1901 minister-president en zou zich in 1903 in felle bewoordingen keren tegen de gehouden spoorwegstaking door deze te  veroordelen als een politiek revolutionaire-, anarchistische actie en misdadige woeling.
Ter HorstJr. was opgegroeid in Groningen in een Nederlands Hervormd gezin. Zijn vader Ter HorstSr. (1828-1896) was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de boek- en papierwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860). Wolters overleed in juli 1860 en zijn echtgenote in december van hetzelfde jaar. Aangezien nageslacht ontbrak, was de boek- en papierwinkel overgegaan naar de broer van Wolters’ echtgenote: Ter Horst Sr. Hij deed op zijn beurt de boek- en papierwinkel op 15 augustus 1894 over aan zijn zoon.
TerHorstJr. had in 1897 de in Roden, op het Drentse platteland, opgegroeide Hindricus Scheepstra (1859-1913) verzocht verhalen te schrijven over het dagelijkse huislijk leven van een gezin, zich bij het schrijven te laten bijstaan door de onderwijzer Gerard Jan Ligthart (1859-1916).
Scheepstra (1859-1913) was opgegroeid in Roden op het Drentse platteland. Hij was leraar geworden aan de Rijkskweekschool in Groningen, had vele door de uitgever Wolters (ter Horst Sr. en Jr.) uitgegeven schoolboeken geschreven zoals: Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893), en Ambachten en bedrijven (1903), een handleiding bij een serie illustraties van beroepen en ambachten, en samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899), waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Ook was Scheepstra sinds jaren redacteur van De Schoolwereld, een door Wolters uitgegeven periodiek.
Op het moment dat Scheepstra de ontmoeting had met Ligthart (1859-1916) was van de laatste nog slechts een enkel artikel verschenen. Ligthart was opgegroeid in een orthodox-protestants gezin in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan en na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas, zoals gebruikelijk was onder zijn leeftijdsgenoten. Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan én geen kind van wie de ouders of leerkrachten vonden dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht. Jan had aan een lagere school een baantje aangenomen als hulpje, en in de avonduren de opleiding voor onderwijzer gevolgd. De eerste poging de bevoegdheid te krijgen aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school mislukte, maar de tweede poging had sukses en in 1885 werd Ligthart aangesteld als hoofd van een school in de Tullinghstraat in Den Haag.
Ligthart was lid van het bestuur van het in 1842 opgerichte Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG). Van het NOG werden vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid. Het NOG zette zich in voor het ophouden van de stand en voor verdieping van het beroep. De leiding in de strijd voor verbetering van het lot van het onderwijzend personeel was dan ook niet in handen van het NOG, maar van de vele jaren later, in 1874, opgerichte Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO). De BNO zette zich in zowel voor verbetering van het onderricht en voor de belangen van de jeugd, als voor het belang van de onderwijzer. De leden van de BNO stonden op het standpunt dat tussen beider belangen een onverbrekelijk verband bestond: ze voerde actie voor een betere salariëring, voor een grotere zelfstandigheid voor de klasseonderwijzer, voor schoolvoeding en kleding van overheidswege, voor schoolartsen en voor gezondheid- en vakantiekolonies.

Toelichting: In 1946 ontstond uit een fusie van het Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) en de Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO): de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV).
In 1966 ontstond uit een fusie van de NOV en de Nederlandse Bond van Leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs NBLNO: de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP).
 In 1997 fuseerde de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL).
Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs (AVMO), de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs (CVHMO) en de Vereniging Sint-Bonaventura.
Uit de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) ontstond: de Algemene Onderwijs Bond (AOB).

Het NOG en de BNO bestreden elkaar dikwijls op bepaalde punten te vuur en te zwaard. Het kwam voor dat onderwijzers bij de aanstelling moesten beloven zich niet aan te zullen sluiten bij de BNO.
De keuze van Ter HostJr. voor Ligthart hield verband met de achtergrond van diens maatschappelijke opvattingen: het gereformeerde geloof van Abraham Kuyper, waarvan Ligthart blijk had gegeven aanhanger te zijn. De gereformeerde predikant C.W.Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was.[29]
De predikant Willem Banning (1888-1971) beschrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.[30]
Ter HorstJr., een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van een zekere grilligheid’ [31], had in het voorjaar van 1899 abrupt het door hem uitgegeven, en sinds jaar en dag door Scheepstra geredigeerde, periodiek De Schoolwereld: weekblad van het lager onderwijs in Nederland en de koloniën beëindigd en na enkele maanden al een nieuw periodiek uitgebracht dat de titel had gekregen: School en Leven, en met de ondertitel: Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin. werd verwezen naar het door Kuyper zo belangrijk gevonden huisgezin. TerHorstJr. had als redacteur van het nieuwe periodiek aangesteld: Jan Ligthart.
Ligtharts’ openingsartikel: Een woordje aan ’t slot, deed veel stof opwaaien: het deed de lezers te veel denken aan een preek.[32]
De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943) leverde enkele bijdragen aan School en Leven maar kwam in conflict met Ligthart. Thijssen kon niet anders oordelen dan dat Ligthart zich liet inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen.
Ter HorstJr. liet op door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalenbundels als auteur vermelden Ligthart en als mede-auteur: Scheepstra, en op de her-uitgave van een door Scheepstra en Walstra geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten) was als mede-auteur vermeld: Ligthart en de naam van de feitelijke auteur: Walstra onvermeld gebleven. De wandplaten met een illustratie van een handarbeider die Ter Horst Jr. uitbracht werden gemaakt door de in de toenmalige plattelands gemeente Groningen opgegroeide Cornelis Jetses (1873-1955). Jetses maakte de wandplaten naar voorbeeld van de illustraties van de Groningse onderwijzer Brugsma. De wandplaten boden een beeld van een arbeider ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’.[33]
Een beeld waaruit weinig medegevoel en begrip sprak.
Een beeld zoals ook de predikant J.P.Hasebroek (1812-1896) schetst wanneer hij schrijft: De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid. [34]
Deze predikant lijkt het ook aan medegevoel en begrip te ontbreken.
De uitgever Ter Horst Jr. liet ook het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkelde Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, door Jetses van afbeeldingen voorzien die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien.[35]

Saamhorigheid
A
an de Humanitaire School in Laren laten leerkrachten de jeugdigen gezamenlijk activiteiten doen zoals: bijen verzorgen, timmeren, schilderen, in de schooltuin werken, houtbewerken en elkaar daarbij helpen.[36]
Onder volwassenen had zich tussen 1896 en de eerste wereldoorlog het Nederlandse Tolstojanisme of Christen-anarchisme of Humanitaire Idealisme zoals het ook wel werd genoemd gevormd. De ideologie der Tolstojanen kenmerkte zich, behalve door een ver doorgevoerde levenshervorming zoals niet-roken, geheelonthouding, vegetarisme, geen gebruik van opwekkende drank en het dragen van reform kleding, vooral door een afkeer van geweld.[37]
Woordvoeder van dit denken was de hoogleraar Jacob (Koos) van Rees (1854-1924): ‘een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’,  . . .  een mensenvriend, maar niet zonder heersersneigingen. [38]
Hij had in zijn woonhuis in Laren enkele kamers beschikbaar gesteld voor het onderricht en huisvesting van de onderwijzers en sprong bij wanneer er een financieel tekort dreigde te ontstaan.
Omstreeks 1900 was de Russische edelman Leo (Ljewin) Tolstoj (1828-1910) plotseling met veel werken voor de dag gekomen. Hij werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19e eeuw gezien. [39]
Tolstojanen hadden zich op hun beurt laten inspireren door de Russische vorst Peter Kropotkin (1842-1921). Kropotkin was meer wetenschappelijk ingesteld dan Tolstoj. Kropotkin had kritiek geuit op Darwin's kijk op de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens die het bestaan veronderstelde van een strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en een strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest. Kropotkin had er  op gewezen dat in de Middeleeuwen, toen feodale en communale samenlevingsvormen nog domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking en wederzijdse hulp de ontwikkeling van de gemeenschap hadden bevorderd.  [40]

Werklust
Lodewijk van Mierop (1876-1930) laat aan de Engendaalschool in Soest, later voortgezet onder de naam: Van der Huchtschool, de jeugdigen een stukje grond bewerken.[41]
Van Mierop had zich laten inspireren door Frederik Willem van Eeden (1860-1932). Van Eden behoorde tot die groep van intelllectuelen bij wie omstreeks 1900 kolonies zeer in trek waren.[42]
Van Eeden richtte in 1898 zijn kolonie Walden op in Bussum, Van Rees zijn kolonie in Soest en C.S. Kylstra zijn kolonie in Blaricum.
Van Eden was arts en woordvoerder van deze christen-anarchisten. Hij geloofde dat op kolonies (heiligingslevensgemeenschappen, productieve associaties) voor een ieder die wil werken een gelukkig leven mogelijk was. Van Eeden geloofde dat er in West-Europa en Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op komst was en had plannen ontworpen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij. G. Stuiveling beschrijft van Eeden als ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde’. [43]            
Van Eeden vond dat het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting berustte: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’. [44]
Van Eeden nam het bestaan aan van drie standen: zij die het inkomen verkrijgen uit de opbrengst van geld: grondbezitters, aandeelhouders, renteniers; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij de overheid of uit het verrichten van arbeid als zelfstandige beroepsbeoefenaar: lakeien, ambtenaren, artsen, advocaten; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij particulieren: fabrieksarbeiders, dagloners. [45]
Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levensvoorwaarden en -omstandigheden af. Hij zag als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze.[46]
Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or Life in the woods laten verschijnen.
Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.[47]

Naastenliefde
De onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) laat aan de school in Vledderveen (Grn) op een perceel dalgrond waar hij een afbeelding heeft gemaakt van Nederland, Europa en Amerika, jeugdigen de verdeling van consumptiegoederen te laten naspelen.[48]
Borgman had zich laten inspireren door het denken van de predikant Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938). De Ligt behoorde tot die groep van volwassenen die zich niet thuis konden voelen bij de SDAP. Het was niet zo dat zij het oneens waren met de strijd van de SDAP tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten, maar ze wezen het hele culturele en geestelijke klimaat van de SDAP af waarin het christelijke geloof werd afgewezen als zijnde in strijd met de menselijke waardigheid én de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én als een kracht die de mensen van strijd voor lotsverbetering afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakte.[49]
De Ligt had zich in 1910 aangesloten bij de in 1907 opgerichtte Bond van Christen-Socialisten (BVCS). Bij de BVCS sloten zich aan volwassenen uit anti-revolutionaire en christelijk historische kringen en volwassenen rond het christelijke weekblad Algemeen Welzijn. De Ligt schreef in 1914 een nieuw beginselprogramma voor de BVCS: God Uzelf Uw Naaste waarin hij opriep het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.[50]

 3. De regering stelt een onderzoek in.

De regering stelt in 1914 een onderzoek in naar ‘de aard en omvang van organisaties die zich bezig houden met de vorming der niet-leerplichtige jeugd en deze commissie de bevoegdheid te geven denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen’.[51]

Het onderzoek was ingesteld op verzoek van het lid van de Tweede kamer voor de SDAP: Gerhard. Gerhard had meegemaakt hoe de op 10 mei 1901 door volwassenen uit de SDAP opgezette Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’ veel leden verloor en het landelijk contact tussen de afzonderlijke plaatselijke bonden was verlopen, en dat op 23 april 1905 door volwassenen uit de SDAP een nieuwe De Zaaier was opgericht.
Gerhard had meegemaakt hoe enkele jeugdigen van deze nieuwe De Zaaier zich in 1910 aansloten bij de, door enkele marxisten uit de SDAP opgerichttte Sociaal-Democratische Partij (SDP), en dat volwassenen uit de SDAP in 1911 toen de Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP) hadden opgericht, waarvan het bestuur geheel onder de toezicht was gekomen van volwassenen en het de jeugdigen was verboden actie of strijd te voeren, politiek te bedrijven of deel te nemen aan betogingen en acties en hoe de jeugdigen toen hadden aangegeven behoefte te hebben aan het bedrijven van politiek, een landelijke organisatie te willen vormen, een landelijk blad te willen uitgeven en af  te willen van de verplichting om met 18 jaar lid te worden van de SDAP. Dit alles was voor Gerhard aanleiding geweest de regering het verzoek te doen ‘denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen’.

4. Socialistische gezindheid

Inleiding

Op 1 augustus 1914 brak de eerste wereldoorlog uit. Het overgrote deel van de bevolking kreeg te maken met een periode van gebrek. De productie van arbeids- en verbruiksmiddelen werd voor een belangrijk deel omgezet in de productie van oorlogsmaterieel. De producten van land- en tuinbouw en die van de visserij vonden gretig aftrek onder de oorlogvoerenden. Grote voorraden levensmiddelen werden aan het buitenland verkocht. Het percentage werklozen steeg van 7,4% tot 27%. Grote hoeveelheden aardappelen en groenten, rijst en cacaopoeder werden in reusachtige hoeveelheden aan Duitsland verkocht. Met medewerking van de minister van landouw: Posthuma, werden enorme hoeveelheden  zuivelproducten, eieren en groenten geëxporteerd. Door de uitvoer van vee  was de veestapel onrustbarend verminderd. Ook transportmiddelen werden aan het buitenland verkocht.
Nederland was een hongerland geworden. Het zgn. ‘Ellendekongres’ van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in november 1915 had een onheilspellende daling van het levenspeil aan het licht gebracht, ook bij de niet bij het NVV aangesloten arbeiders. De verhoging van de lonen, zelfs van de sociaalkrachtigste arbeidersgroepen, bleek aanmerkelijk achtergebleven      de stijging der prijzen, die toen al voor de voornaamste levensbenodigdheden op 30% werd geschat. Er vonden talrijke stakingen plaats: metaalbewerkers, loodgieters, slagers, chauffeurs, grondwerkers, steenzetters, melkslijters en nog andere categorieën legden in de loop van dat jaar het werk neer om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden af te dwingen. In de textielindustrie in Tilburg kwam het tot een staking. Mijnwerkers staakten gedurende ongeveer twee weken. In Rotterdam staakten de havenarbeiders. Er waren hongeropstootjes. In de zomer van 1917 was in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan bijna geen aardappel meer te koop, terwijl er in de Prinsengracht schepen vol met aardappels lagen, bestemd voor de export. Dit leidde tot het Aardappeloproer. Er vonden plunderingen plaats, demonstraties en gewelddadigheden. In de kazernes van de Harskamp vond een soldatenoproer plaats. De levensmiddelenpolitiek van de regering had als gevolg dat een groot deel der stedelijke bevolking honger leed.
Doordat de uitvoer doorging, werd Nederland verdacht, met als gevolg dat Nederland door Amerika werd gerantsoeneerd, maar ook dat Nederlandse graanschepen in beslag werden genomen, dat de uitvoer van koloniale producten uit Indonesië naar Nederland werd gehinderd. Elke uitvoer van levensmiddelen werd onmogelijk gemaakt en de invoer van voedsel voor mens en dier, evenals die van kunstmest, tot een minimum beperkt. Deze rantsoenerings-politiek leidde tot een totale ineenstorting van de Nederlandse invoer van overzee gedurende het laatste oorlogsjaar. In de laatste jaren van de oorlog had de bevolking gebrek aan voedsel, kleding, grondstoffen, halffabricaten, steenkool, petroleum.
Een zinloze, gruwelijke massaslachting was Nederland bespaard gebleven en dat gold ook voor revoluties. De hoop op een maat­schappelijke vernieuwing was hoog­gespannen.

Na de oorlog kwam de regering, in de hoop gevrijwaard te blijven van ‘revolutionaire woelingen’, in 1917 had in de Sovjet-Unie de Russische revolutie plaatsgevonden, en de drie keizerrijken die er nog waren, waren gesneuveld, met allerlei verbeteringen.
De wettelijke achturendag werd ingevoerd, het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd en kort daarop kwam het vrouwenkiesrecht tot stand, de hoogte van het ouderdomspensioen werd verhoogd en de leeftijd waarop het inging verlaagd, aan de gezinnen der miliciens die het leven hadden gelaten als gevolg van de bommen op de Zeven Provinciën werden ettelijke miljoenen als schadeloosstelling uitgekeerd en het loon van het personeel in dienst van de gemeentelijke en landelijke overheid sprongsgewijs verhoogd.
Het waren de dagen van de ‘bibber-bourgeoisie’, zo stelt L.de Visser.

De politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd was diep onder de indruk gekomen van het gebrek en de nood in de arbeidersgezinnen en het bloedvergieten zonder zin met een niet meer goed voor te stellen omvang. Ze streefden naar een radicaal pascifisme en een niet minder radicale maatschappelijke vernieuwing, ze demonstreerden, hielden protestvergaderingen, staakten zelfs hier en daar en veroordeelden politieke partijen. Ze raakte in geestdrift voor de Sovjet-Unie waar de Russische revolutie plaatsvond (volgens de toenmalige Russische tijdrekening die van 12 maart 1917 op 27 februari 1917, en die van 7 november 1917 op 25 oktober 1917).
De socioloog Karl Mannheim wijst er op dat een ‘Polarerlebnis’ voor een bepaalde generatie bepalend is voor de rest van het leven waardoor alle latere ervaringen als door een magneetpool gericht, gekleurd worden. [52]
In de laatste maanden van de oorlog was de lucht vol van berichten en geruchten over opstanden en revolutie. In Harderwijk kwam het tot de vorming van een soldatenraad, die onderhandelde met de officieren over betere voeding, meer soldij en direct verlof. Als de Haagse afdeling van De Zaaier een wandeltocht houdt naar Delft blijken er op de plaats van samenkomst 16 politieagenten zich te hebben opgesteld om eventuele ordeverstoringen van de kant van de revolutionaire jeugd het hoofd te kunnen bieden. Er werden organisaties gevormd zoals de Vrijwillige Burgerwachten en de Nationale Bond tegen Revolutie om het hoofd te kunnen bieden aan de bedreiging van het voortbestaan van de Nederlandse.
Leden van de Sociaal-Anarchistische Jeugdorganisaties (SAJO), ontvreemden begin 1918 explosief materiaal uit een opslagplaats voor munitie en springstoffen in de omgeving van Amsterdam met het doel een aanslag te plegen op het gebouw van De Beurs in Amsterdam. De aanslag mislukte en de jeugdigen werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van 12 tot 6 maanden. Herman Groenendaal weigerde de militaire dienst te vervullen, en werd hiervoor op 6 juni 1921 gearresteerd. Hij ging hiervoor in hongerstaking met als gevolg wekenlange demonstraties, protestvergaderingen en hier en daar stakingen waarbij duizenden arbeiders betrokken waren. Twee andere jeugdigen, Albert de Jong en Bart de Ligt, werden wegens opruiing veroordeeld tot resp. 19 en 27 dagen gevangenisstraf. 
De jonge Dirk Struik (1894-2000) schrijft over de Russische Revolutie: ‘De revolutie bracht nieuwe hoop na het bloedige bankroet van het kapitalisme, ze bood uitzicht op een nieuwe mensheid, en toonde de macht van de marxistische gedachte’.[53]
De jongeren geloofden dat met de Russische revolutie de komst van een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de mensheid was ingeluid.
Uit angst dat het optreden van de politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd zou leiden tot een revolutie en weer een oorlog gaan sociaal-democratische volwassenen de jeugd bijbrengen respect te hebben voor een ieders godsdienstige, levens- of politieke overtuiging.


Respect voor een ieders godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging.

Het kabinet Ruys de Beerenbrouck laat voor de massa van de Nederlandse jeugd ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten organiseren. Ze stelt hiervoor een Centrale Jeugdraad in en geeft deze de taak die activiteiten te organiseren.
Het confessionele kabinet, samengesteld uit: Rooms Katholieke Staats Partij, Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie, had  de Centrale Jeugdraad ingesteld op verzoek van het lid van de Tweede Kamer voor de SDAP: Gerhard. Gerhard had zich laten leiden door ontwikkelingen in de SDAP.
De SDAP had in 1914 bij het uitbreken van de oorlog om de landsverdediging te versterken het antimilitarisme losgelaten. Toen dit bij de jeugdigen van de, in 1911 door de SDAP opgezette, Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP) op bezwaren had gestuit, hadden jeugdigen in Amsterdam de Amsterdamse Jeugd Organisatie opgericht. [54]
Deze AJO was in maart 1916 afgescheiden van de JOderSDAP en gefuseerd met de afdeling Amsterdam van de Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’, dat in 1910 voor de SDP had gekozen.[55]
Voor volwassenen uit de SDAP en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) was dit aanleiding in 1918 gezamenlijk te komen met een Centrale voor Jeugdontwikkeling, waarvan het bestuur geheel bestond uit volwassenen.[56]
Om de jeugd meer zeggenschap te geven was in 1920 de Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen, (verder genoemd als Arbeiders Jeugd Centrale: AJC) tot stand gekomen, met als doel de jeugd aan de hand van ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten respect bij te brengen voor een ieders godsdienstige, levens- of politieke overtuiging.

Als tegenhanger van het op SDAP-leest geschoeide ontwikkelings- en ontspanningswerk werden Volkshogescholen opgericht met als doel ‘het geven van een zedelijk-geestelijke ontwikkeling aan volwassen personen als grondslag voor vernieuwing der volkscultuur en versterking van de volksgemeenschap’.(Statuten 1939). De eerste kwam in Bakkeveen (1932) voor jonge boeren, werklozen en studenten


 Respect voor een ieders eigen mening
De leerkrachten aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes in Amsterdam laten de jeugdigen zelf beslissen welke taak ze uitvoeren, welk materiaal ze gebruiken, en of ze zitten of staan.
Het initiatief was uitgegaan van het lid van de Gemeenteraad en wethouder voor het onderwijs voor de SDAP: Eduard (Eliazer) Polak (1880-1962). Polak had zich laten inspireren door het denken van Willem Banning (1888-1971). Banning was een vooraanstaand lid van de SDAP. Hij had de opleiding voor onderwijzer gevolgd aan de Rijkskweekschool in Haarlem en op later leeftijd de opleiding voor predikant, wat hem financieel mogelijk was gemaakt door een bevriend notaris. Tijdens de opleiding voor predikant had Banning kennis gemaakt met het op het christendom geïnspireerde religieus denken van de hoogleraar in de godgeleerdheid Karel Hendrik Roessingh (1886-1925).
Roessingh had als student in Engeland kennis gemaakt met de Woodbrookers en in 1916 de Vereniging der Woodbrookers opgericht. Woodbrookers hingen een op het christendom geïnspireerde religie aan waarin geloofd werd in reconcilliation: respect voor een ieders persoonlijke overtuiging zou de verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging doen overbruggen. De aanhangers (Quakers) hadden in Selly Oak, in de buurt van het Engelse Birmingham, hun Woodbrooke College waarvoor de welgestelde George Cadbury (aanhanger der Quakers) zijn woonhuis en bijbehorende tuinen, Woodbrooke, beschikbaar stelde. Naast Woodbrooke werd Westhill het meest bekend.
Roessingh had bij zijn aanstelling als hoogleraar in de godgeleerdheid in Persoonlijkheid en Cultuur gesteld dat er in Europa sprake is van een toegenomen secularisering en dat hiermee de christelijke normen als richtlijn voor het handelen van de mens zijn weggevallen. Hij had opgeroepen ‘persoonlijkheden’ te worden door ‘niet ons eigen geweten te onderwerpen aan het voorschrift van eene kerk, aan de wet van een staat, aan het gezag van een ander mensch’, maar af te gaan op de eigen overtuiging.[57]
Banning had in 1919, om tegenwicht te bieden aan het proletarisch- en marxistisch-socialisme van de arbeidersbeweging en het daarmee verbonden felle atheïsme, de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (AG) opgericht.[58]
Door de AG werden bijeenkomsten georganiseerd waar de deelnemers kennis konden maken elkaar met als doel respect te krijgen voor een ieders godsdienstige, levens- of politieke overtuiging.
 
 
5. Broederschap

Inleiding

Ook de jeugd uit de financieel beter gesitueerde groep van de bevolking sloot zich aaneen. Voor hen golden de algemene omstandigheden zoals die hiervoor zijn geschetst.
Op 8 juni 1918 richtten gymnasiasten de Gymnasiasten Geheel Onthouders Bond (GGOB) op.[59]

Toelichting: De strijd voor de geheelonthouding was niet de minst belangrijke binnen de arbeidersbeweging. Daar was ook alle reden voor. Menig  huisvrouw kreeg toen minder dan de helft van het door de man verdiende loon in handen en wist niet hoe ze rond moest komen. Het kroeglopen bevorderde en bestendigde bovendien de aanvaarding van het  kerkelijk en wereldlijk gezag. De gesel van de drank moesten de socialisten  eerst helpen wegrukken: ‘drinkende arbeiders denken niet, denkende arbeiders drinken niet’.
De abominabele toestand en levenswijze van de arbeidersklasse maakte het noodzakelijk het werkende volk van de drankfles te houden en zo de weg vrij te maken voor een gelukkiger leven en een betere samenleving. Er moest kortom gekozen worden tussen het socialistisch ideaal en de kroeg. Het drankmisbruik werd gezien als een poging de ellende te vergeten en dus als een verschijnsel dat maatschappelijke oorzaken had.
De geheelonthouding verenigde zowel de vrijmaking van de persoonlijkheid als het maatschappelijke protest en zelfs het verlangen naar een nieuwe gemeenschap.

Van bijna alle leden had de vader een beter betaald beroep als predikant, architect, arts, onderwijzer of  medewerker bij de posterijen, spoorwegen of gemeente, grote of kleine middenstander, winkelier, handelaar, grossier. Slechts van een enkel lid was de vader monteur, kleermaker of smid.[60]
Na een debat in december 1918 in de GGOB over de vraag of hbs’ers als lid toegelaten moesten worden, en er over deze vraag in het debat geen uitsluitsel kwam, kwamen de hbs’ers enige maanden later op 11 januari 1919 met een eigen bond: de HBS-Geheel Onthouders Bond (HBS-GOB).[61]
Enige maanden later, op 8 juni 1919, ontstond door een fusie van de hbs’ers en de gymnasiasten de Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden (NBAS) waaraan ook de studenten aan de opleiding voor onderwijzer zich aaneen sloten.[62]
Op 2 maart 1906 werd de Kwekelingen Geheel Onthouders Club (KGOC) opgericht. Hierbij sloten zich aan een club uit Haarlem, Middelburg, Deventer en Den Haag. Dit leidde er toe dat op 25 april 1906 de Kweekelingen Geheel Onthouders Bond (KGOB) ontstond. De leden van de KGOB voelden er niets voor de arbeidersjeugd als lid toe te laten, ook niet na lange schriftelijke en mondelinge discussies.[63]
De aanstaande onderwijzers in de KGOB wilden samengaan met de gymnasiasten en hbs’ers, maar de gymnasiasten en de hbs’ers voelden hier aanvankelijk niets voor. Zij zagen de geestelijke afstand tussen zichzelf en de leden van de KGOB als te groot.
Toch werd er in januari 1920 een commissie ingesteld die de wenselijkheid en de mogelijkheid van een eventuele fusie van de NBAS en de KGOB ging onderzoeken. Deze commissie besloot dat de NBAS en KGOB zelfstandig zouden blijven, maar dat er op een aantal zaken zou worden samengewerkt. Een voorstel om één gezamenlijke bond te vormen waarin afzonderlijke afdelingen zouden zijn voor elke categorie studenten (gymnasiasten, hbs’ers, kwekelingen) werd afgewezen.
Toen leden van de KGOB zich individueel aanmeldden als lid van de NBAS kwam het uiteindelijk in augustus 1921 toch tot een fusie van NBAS en KGOB.[64]
Ook de jeugdigen van de scholen met Meer Uitgebreid Lager Onderwijs (MULO), in die jaren meer een school van minder financieel gesitueerden dan van minder begaafden, meldden zich aan als lid van de NBAS.
Uit angst dat het samengaan van jeugdigen uit uiteenlopende sociale lagen van de bevolking de politieke verhoudingen op scherp zouden zetten en zou kunnen leiden tot een revolutie en weer een oorlog gaan volwassenen met een samenhangende wereld- en levensbeschouwing en een hang naar theosofie, antroposofie of een op het christendom geïnspireerde religie een gevoel van gemeenschap bijbrengen.

Toelichting: In de jaren omstreeks 1900 was er een grote belangstelling voor het occulte, ook wel ‘de petites religions’. In 1900 had in Parijs het derde internationale congres plaatsgevonden van spiritisten en spiritualisten. Eerder in dat jaar was er een bijeenkomst van Berlijnse spiritistische verenigingen. De hele literatuur rond 1900, voorzover ze niet wetenschappelijk of zakelijk was, wemelde van  de woorden licht, zoeken, blijde toestanden, betere naturen, hoogstaande mensen, het hogere, en gemeenschapsgevoel.


Respect voor een ieders interesse en belangstelling
De onderwijzer Berend Wouters laat aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen de jeugdigen kiezen een activiteit met de hand te verrichten zoals: werk in de werkplaats of in de tuin, of een activiteit met ‘het hoofd’ te doen zoals: deelname aan een groepsspel of het beoefenen van kunst. Wouters had zich laten inspireren door de theosofie van de Theosofische Vereniging waarvan hij zich op 10 mei 1903 onder nummer 23648 als lid had laten ingeschreven.
De Theosofische vereniging was in 1875 opgericht door Hélène Blavatsky (1831-1891). Blavatsky was geboren in een van de hogere sociale lagen van de bevolking in de Oekraine als Hélène Petrovna von Hahn, maar was verder in het leven bekend gebleven als Hélène (ook wel madame) Blavatsky. Blavatsky had samen met enkele sympathisanten, allen ook afkomstig uit de hogere sociale lagen van de bevolking de Theosofische Vereniging opgericht met als doel ‘het vormen van een kern van de algemene broederschap der mensheid, zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur’ en hieruit volgend ‘het aanmoedigen van vergelijkende studie van godsdienst en wijsbegeerte’ en het  naspeuren van onverklaarde natuurwetten en van de ongeopenbaarde  krachten in de mens’.
Blavatsky en haar sympathisanten geloofden dat een ieders sociale positie een gevolg was van interesse en belangstelling en dat dit door reïncarnatie was bepaald.

Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling
De onderwijzer Johann Hermann Bolt laat aan de Pallas-Athene School in Amersfoort jeugdigen uit verschillende leerjaren met een verschillende mate van geestelijke ontwikkeling gezamenlijk onderricht volgen. [65]
Bolt had zich laten inspireren door de Theosofische Vereniging toen deze onder de leiding was gekomen van Annie (Wood) Besant (1847-1933) waarvan hij zich op 26 maart 1915 onder nummer 58560 had aangemeld als lid.
Besant was aanhanger van de Fabians (een groep van intellectuelen dat ijverde voor een betere verdeling van consumptiegoederen), sprak en schreef over het neomalthusianisme, voerde propaganda voor de achturendag, hielp stakingen organiseren en werd in 1907 in India gekozen tot voorzitter van de bevrijdingsbeweging. Zij achtte de theosofie meer wijsbegeerte en wetenschap dan de godsdienst in de gewone zin van het woord.[66]
Besant geloofde dat een ieders sociale positie een gevolg was van geestelijke ontwikkeling en dat dit door reïncarnatie was bepaald.
Zij stelde in haar ‘Kort begrip der theosofie’ dat het lot van de mens niet het resultaat is van goddelijke willekeur of een ziel- en zinloos noodlot, maar dat hij door de werking van karma, die onveranderlijke wet van oorzaak en gevolg, zelf in de volste zin des woords de schepper van zijn eigen lot is. En die wet op haar beurt eist de reïncarnatie ‘totdat de vrucht van iedere  misslag is hersteld, iedere fout uitgewist, tot er volmaakt medelijden, onbreekbare kracht en volkomen tederheid op aarde zal heersen, tot zelfverloochening een levenswet, opoffering voor anderen de natuuurlijke blijde aandrift der gehele natuur zal zijn geworden.[67]
Besant wees in 1911 de jonge Indier Jiddu Krishnamurtie (1895-1986) aan als de nieuwe wereldleraar, de opvolger van Jezus vanwege diens vermeende uitzonderlijke mate van geestelijke ontwikkeling.
Op de jaarlijkse Sterkampen in Ommen, die tussen 1923 en 1930 plaatsvonden, kwamen vele duizenden aanhangers van de jonge Indiër uit alle delen van de wereld bijeen om de nieuwe wereldleraar te ontmoeten.

Respect voor een ieders sociale positie.
De onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) laat aan de Hillegomschool in Amsterdam elke jeugdige zich vrij door het klaslokaal bewegen, zelf een taak kiezen en zelf uitmaken wanneer en hoe de taak wordt uitgevoerd. Er is geen lesrooster, geen vastgesteld leerplan en geen vaste methode van onderricht. Groeneweg noemde zijn onderricht Persoonlijkheidsonderwijs.[68]
Groeneweg had zich laten inspireren door de ‘Beginselen der beeldende wiskunde’ van Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944).
[69]
Schoenmaekers had in zijn ‘Beginselen der beeldende wiskunde’ uiteengezet aanhanger te zijn van het roomse solidarisme (=ander woord voor corporatisme; corporatief is afgeleid van het Latijnse woord corpora = lichaam). Schoenmaekers zag alle sociale groepen als even onmisbaar voor het sociale gebeuren. Het bestaan van verschillende sociale groepen, met tegengestelde motieven, drijfveren en belangen zorgden uiteindelijk voor harmonie en evenwicht in de samenleving.

Toelichting: De termen corporatisme en solidarisme, die vrijwel dezelfde betekenis hebben, behoren tot het zgn. organisch denken. In deze denkwijze wordt de maatschappij opgevat als een organisme, d.w.z. alle sociale groepen worden gezien als organen die ieder even onmisbaar zijn en zonder elkaar niet kunnen bestaan. In een lichaam heeft elk orgaan een eigen plaats en taak waar niets aan te veranderen valt. In deze gedachtegang zijn ook de ondernemers- en arbeidersklasse op elkaar aangewezen en even nodig. Wel is hun plaats en gewicht in het maatschappelijk bestel verschillend maar ten slotte is dit in het menselijk lichaam met de hersenen en de benen ook het geval.

Schoenmaekers had in Rolduc het gymnasium gevolgd en in Rome de door de jezuïeten geleide opleiding tot priester. Hij had zich op enig moment afgekeerd van de kerk maar niet van het roomse (katholieke) denken, hij zag zich zelfs ‘katholieker dan de roomsche kerk, katholieker dan de paus’.[70]
De van huis uit niet onbemiddelde Schoenmaekers vond in Amsterdam aansluiting bij de kring van vrijzinnige christenen en vrijdenkers, en bij het tijdschrift Levensrecht: Maandschrift ter verbreiding der vrije ideeën, waaraan o.a. meewerkten Frederik van Eeden en Domela Nieuwenhuis.
Schoenmaekers had de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia vincit anymos', vergeefs verzocht lid te mogen worden en was korte tijd lid van de Theosofische Vereeniging. De dichter Jan Greshoff  beschrijft hem als iemand die beschikte over een meeslepend redenaarstalent, maar geen tegenspraak duldde. [71]
Schoenmaekers had een korte tijd invloed op een groep van kunstenaars die zich aanduidde als De Stijl waaronder: Theo van Doesburg (pseudoniem van Christian Emil Marie Küpper), Piet Mondriaan, Vilmos Huszár, Bart van der Leck, J.J.P. Oud, Jan Wils, Robert van 't Hoff, Gerrit Rietveld, Georges Vantongerloo en Chris Beekman.
[72]
Deze kunstenaars pasten in hun kunst vlakken  en lijnen toe, geschilderd in de contrasterende primaire kleuren: geel, rood en blauw.

Respect voor een ieders temperament.
Aan de Vrije School in Den Haag worden de jeugdigen ingedeeld aan de hand van het temperament: sanguinisch (opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) of cholerisch (opvliegend). [73]
De leerkrachten hadden zich laten inspireren door de antroposofie van Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925). Steiner had in 1919 in Stuttgard de leiding gekregen over de Freie Waldorfschule. De school was opgezet door Emil Mohlt (1878-1936), eigenaar van de sigaretten fabriek Waldorf-Astoria, om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen. Steiner geloofde dat een ieders maatschappelijke positie een gevolg was van temperament en dat dit bepaald was door invloeden vanuit de kosmos.
Steiner was jarenlang lid van de Theosofische Vereniging tot Annie Besant, die de leiding had, in 1911 Jiddu Krishnamurtie aanstelde als nieuwe wereldleraar. Steiner richtte toen in 1912 zijn Antroposofisch Gesellschaft op, waarvan hij zelf de leiding nam.
Steiner had zich laten inspireren door meerdere denkers. De Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) had gewezen op de aanwezigheid van vier onderling kwalitatief verschillende stoffen: de vaste aarde, het vloeibare water, de gasvormige lucht en het gloeiende verterende vuur; de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322) had gewezen op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren; de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) had gewezen op de aanwezigheid in het menselijk lichaam van vier lichaamsvochten: sanguis (bloed), flegma (slijm), melancholie (zwarte gal) en cholera (gele gal); de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) had geschreven over de leer der temperamenten; de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) had de theorie ontwikkeld dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van in de kosmos voorkomende elementen zon en maan.[74]

Respect voor de beste
Cornelis Boeke (1884-1954) laat aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap in Bilthoven alle voorkomende werkzaamheden verrichten: koken, dagboeken bijhouden, kranten drukken, een winkel beheren, groenten en fruit kweken, afwassen, schoonmaken, opruimen, de jeugdigen uit hun midden de beste kiezen als leider, en besluiten nemen niet bij meerderheid, maar bij volledige overeenstemming van stemmen. Hij noemde de school werkplaats, de onderwijzer medewerker en de jeugdige werker.
Boeke had zich laten inspireren door het denken van J.J. van der Leeuw (1893-1934). Van der Leeuw had, toen hij nog student in de rechten was in Leiden, uit Londen de Practisch Idealisten Asssociatie (PIA) in Nederland geïntroduceerd. Na de in 1896 opgerichte Nederlandse Christelijke Studenten Vereniging (NCSV) was de PIA de tweede stap van de jeugd uit de zeer gegoede kringen zich aaneen te sluiten.[75]
De vader van Boeke was directeur van de HBS, de vader van Van der Leeuw was firmant van de Van Nelle fabriek, een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam, een ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en weer een ander was directeur van de glasfabriek in Leerdam.
De PIA was een reactie op oorlog en revolutie, en een der merkwaardigste verschijningsvormen van het jeugdidealisme.[76]
In de PIA was een ieder medewerker, elke plaatselijke afdeling had haar leider, de plaatselijke leiders vertegenwoordigden hun afdeling in de Raad der Leiders, en besluiten werden genomen bij overeenstemming van stemmen. Bij het toetreden tot de PIA werd van de leden verwacht een beginselverklaring te ondertekenen waarin ze verklaarden:
Wij willen de mensheid dienen, in plaats van eigen eer en voordeel na te jagen. Wij willen onze lagere natuur beheersen, in plaats van haar onbeteugeld te laten. Wij willen de innerlijke werkelijkheid der dingen onderscheiden van hun uiterlijke schijn. Met alle gelijkgezinden willen wij in eenheid samenwerken om, bezield door deze idealen, een betere samenleving te vormen en we zullen ons hierbij door geen uiterlijke verschillen laten verdelen. [77]
Diverse leden van de PIA waren tevens lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de Sterkampen op het landgoed Eerde in Ommen waar ook elk jaar een kamp van de PIA plaatsvond.

Van der Leeuw geloofde dat een ieders maatschappelijke positie een gevolg was van een ieders persoonlijke capaciteiten die een ieder tot de beste hadden gemaakt. Hij 

had in 1920 in zijn proefschrift: Historisch-Idealistische Politiek opgeroepen een begin te maken met de opbouw van ‘een aristo-democratie’, een samenleving waar op alle terreinen van het maatschappelijk leven ‘groepverbanden‘ gevormd zijn, waaruit de ‘beste’ gekozen wordt als hoofd, die op hun beurt uit het midden de besten kiezen voor het bestuur van grotere gemeenschappen, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen is. [78]
Van der Leeuw had tegenover het historisch materialisme een historisch-idealisme gesteld: een geestelijke omwenteling binnen in de mens.[79]
Hij geloofde dat zo verschillen in godsdienstige-, levens- of politieke overtuiging overbrugd zouden worden. Van de Leeuw sloot zich later aan bij de Theosofische Vereniging.

5. Socialistische levenshouding.

Inleiding
Op zwarte donderdag 24 oktober 1929 stortten de koersen van de aandelen op de New-Yorkse effectenbeurs ineen. Er brak een economische depressie uit met een omvang, duur en intensiteit zoals de wereld voordien nooit heeft gekend.[80]
De crises was mondiaal; niet slechts in de Verenigde Staten, niet slechts in de kapitalistische wereld, maar over de gehele aarde tot in de grondstoffenlanden toe was de werking merkbaar. Door het ongeëvenaard grote aantal kapitaalverliezen en faillissementen liep de werkloosheid in de ettelijke miljoenen. De werkloosheid nam massa­le en hardnekkige vormen aan.
De grote massa verarmde steeds meer waardoor er steeds minder producten werden gekocht. Er ontstond overproductie. Het bankwezen, de industrie, de handel, de scheepvaart, voelden de neerslag van de economische crises. De landbouw evenals de landbouw-verwerkende bedrijven kregen slag op slag. De tuinbouw stortte volslagen in doordat naburige landen hun grenzen geheel of bijna geheel afsloten voor haar producten. De vissersvloot lag voor een groot deel werkeloos in de havens. Gebouwd werd er haast niet meer. De meeste bedrijven gingen bij de dag achteruit. Het aantal werklozen werd steeds groter en loonsverlagingen waren niet van de lucht.[81]


De crises trof ook de jongeren. Het blad De Socialist, van een groep leden uit de SDAP dat oppositionele en radicale geluiden liet horen, werd gretig gelezen in de AJC en op bijeenkomsten verkocht. Een aantal jongeren stelde voor over de koloniale en ontwapeningsproblemen meer politieke voorlichting te laten geven door kritische leden uit de SDAP.
Jongeren uit de SDAP sloten zich aaneen bij de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP), opgericht door leden uit de SDAP die het lidmaatschap hadden opgezegd of geroyeerd waren als lid.

Volwassenen voor wie het socialisme een zaak was van cultuur werden bang dat het optreden van leden uit de SDAP zou leiden tot een wijziging van het economisch stelsel. Zij gaan op het landgoed Eerde te Ommen geïnspireerd door het cultuur-socialisme van Jacobus (Koos) Jan Vorrink (1891-1955) jongeren de beginselen van een socialistische levenshouding bijbrengen.

 Socialistische levenshouding

Vorrink stond in tegenstelling tot het arbeiderssocialisme dat in de eerste plaats een drastische verandering van het economisch stelsel beoogde, een verandering voor van de gezindheid van de mens dat meer van de psychologie dan van de economie uitgaat. Vorrink was onderwijzer geweest en jeugd­leider in de AJC. Hij was in 1920 aangesteld als bezoldigd bestuurder van de AJC en in 1934 tot voorzitter geko­zen van de SDAP. 

Vorrink had de AJC omgevormd naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien bij de Sozialistische Arbeiter Jugend. Daar werden volksliederen gezongen, stijlvolle dansen uitgevoerd, waren de jongeren afkerig van banaliteit, hadden de jongeren de ‘burgerlijke’ confectiepakjes met stijve boorden omgewisseld voor manchester kleding met open hemden.
Vorrink stemde volledig in met het oordeel van de directeur van een clubhuis in Rotterdam die de volksjeugd geestelijk leeg en zedelijk laf vond: de geestelijke leegheid van de gemiddelde volksjongen (is) veel en groter dan wij vroeger ooit hadden gemeend en dat hij - alle onderwijs, museums, kerken, meetings enz. ten spijt – geheel en al buiten onze cultuur voortleeft, en: Nooit heeft een jongen het voor het gezag opgenomen, nooit heeft een doen blijken, dat hij een vernieling of andere overtreding afkeurde en meegewerkt om de schuldige op te sporen.. . . ’t is niets anders dan bangigheid om in een zaak te worden gemoeid. [82]
Vorrink had zich laten inspireren door de Belg Hendrik de Man (1885-1953). De Man had in 1929 Der Sozialismus als Kultuurbewegung laten verschijnen.[83]
Vorrink had het boekje van De Man zo belangrijk gevonden dat hij het zelf had vertaald en uitgegeven.[84]
De Man was op zijn beurt gegrepen door de gedachten van G.L. Radbruch (1878-1949). Radbruch had gesteld dat de belangrijkste waarden van een socialistische gemeenschap waren:‘Kameradschaft, Gemeinsinn, Arbeitsfreude (kameraadschap, gemeenschapszin, arbeidsvreugde). [85]

 

Nawoord

Omstreeks 1900 toen jeugdigen zich aaneensloten in door henzelf opgerichte en geleidde organisaties om door hen gewenste idealen na te streven, werden volwassenen bang dat het optreden van de jeugdigen ‘uit de hand’ zou lopen. Om het optreden van de jeugd ‘in de hand’ te krijgen gingen ze het onderricht vernieuwen en zich in toenemende mate met de zorg voor de jeugd bemoeien.
Door de industrialisatie was de maatschappij in het teken komen te staan van de vooruitgang waarin alles werd verwacht van de toekomst. Er werd om de jeugd geroepen en niet om de hogere leeftijdsklassen. Jeugd en leven waren de leuzen geworden. Jeugd werd gezien als identiek met vernieuwing, en jong-zijn betekende: bij-de-tijd. In Europa ontstond algemeen de gedachte dat de maatschappelijke ontwikkeling het werk was van de jongere generatie. Er was kortom sprake van een aanbidding van de jeugd.
 
In vroeger tijden diende het onderricht om de jeugd voor te bereiden op de uitoefening van een beroep en was de achtergrond van een vernieuwing van het onderricht ingegeven door het inzicht dat het gegeven onderricht niet efficient en doelgericht genoeg was de jeugdigen de vereiste vaardigen bij te brengen om een beroep uit te kunnen oefenen.
Nieuw is dat met de opkomst van de jeugdbeweging volwassenen het onderricht inzetten om de jeugd een gewenste maatschappelijke houding bij te brengen. Doordat een bepaalde maatschappelijke houding altijd samenhangt met een bepaalde voorkeur voor de inrichting van de samenleving kan gesteld worden dat volwassenen het onderricht gebruikten om de jeugdigen een door hen gewenste politieke overtuiging bij te brengen.
Het initiatief van volwassenen het onderricht te vernieuwen of zich in toenemende mate met de zorg voor de jeugd te bemoeien was ingegeven door de ontwikkelingen in de groepen van zelfstandig optredende jeugdigen.
Het optreden van de jeugdigen weerspiegelde zich in het optreden van de volwassenen of anders: het optreden van de volwassenen was een afspiegeling van het optreden van de jeugdigen. 

Met betrekking tot de onderzochte initiatieven zijn overwegingen zoals I. van der Velde stelt in: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940, het onderwijs te vernieuwen in de periode 1900-1916 in verband met bezwaren tegen de klassikale school en het klassikaal onderwijs, en in de periode 1916-1931 in verband met buitenlandse invloeden en in de periode 1931-1940 in verband met een wijziging in de wijze waarop de leerstof wordt aangeboden, zijn door mij niet aangetroffen.
Bij de onderzochte initiatieven zijn ook verbanden zoals Th. Van Tijn stelt in Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd worden door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen die hun uitdrukking zouden vinden in de politieke arena, maar ook in die van de opvoeding en in die van het onderwijs als gevolg van een vergrootte aandrang van de kant van de ouders van tot dusver van onderricht meer of minder verstoken kinderen om hun spruiten wel naar de betreffende onderwijsinstellingen te sturen of door een tekort aan onderwijscapaciteit, of door een veranderde visie op doelstellingen en methoden van het onderwijs, of door een veranderde visie op de maatschappij of doordat door de toeloop naar onderwijsinstellingen uit de minder gevormde milieus nieuwe pedagogisch-didactische problemen zouden rijzen, zijn evenmin in de door mij onderzochte initiatieven aangetroffen.

De volwassenen die het initiatief namen het onderricht te vernieuwen vonden onder hun generatiegenoten meestal weinig of geen gehoor en bevonden zich daardoor in een geestelijk isolement: Van Rees, Van Eeden, e.a. Menigeen besteedde er zelfs een belangrijk gedeelte van het eigen vermogen aan (Van Rees, Van Eeden).
 
Een merkwaardige uiting was wel het initiatief van volwassenen waarin de jeugd verhalen werden aangeboden waarin het dagelijkse huiselijk leven van ‘Ot en Sien’ werd beschreven. De verhalen werden op vele scholen in Nederland door de volwassenen gebruik als leesstof, zelfs tot ver na de tweede wereldoorlog. Het succes van de verhalen moet eerder toegeschreven aan een romantisch verlangen bij de volwassenen naar een voorbije periode dan dat de leesstof aansloot bij de belevingswereld van de jeugd.

Niet kan bevestigd worden wat L.Dasberg stelt in: Grootbrengen door kleinhouden als historisch verschijnsel, dat in de gehele twintigste eeuw volwassenen jeugdigen groot brachten door ze klein te houden. In de periode 1900 tot 1920 brachten volwassenen jeugdigen groot voor het eigen bestaan van jeugdige. Deze volwassenen zagen jeugdigen als jeugdige en de jeugdfase als een waarde op zichzelf.
Na de Eerste wereldoorlog nemen bepaalde groepen van volwassenen het initiatief jeugdigen groot te brengen voor het bestaan van (toekomstige) volwassene. Deze volwassenen zagen de jeugdfase als een Vorstufe, als een voorportaal van de volwassenheid.
Pas vanaf omstreeks 1930 nemen volwassenen het initiatief jongeren groot te brengen voor het bestaan van volwassene. Deze volwassenen zagen jongeren als de voortzetters van het werk van hun vaderen.

A.de Regt stelt in: Omgang tussen ouders en kinderen, dat volwassenen uit de lagere sociale lagen van het volk jeugdigen zagen als volwassene en volwassenen uit de middelste sociale lagen jeugdigen als jeugdige. Bevestiging hiervan is in de onderzochte initiatieven niet gevonden.
In de onderzochte initiatieven was het tegenovergestelde eerder het geval. Volwassenen, gerekruteerd uit de lagere sociale lagen van het volk, kleine burgerij, keuterboeren, boerenarbeiders, aangevuld met kleine zelfstandigen, ambtenaren, en de rijkere boeren, brachten de jeugd groot voor het eigen bestaan van jeugdige en zagen jeugdigen als jeugdige.
Boekholt en de Booy stellen in Geschiedenis van de school in Nederland, vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd, dat vooral volwassenen, gerekruteerd uit de financieel betere sociale lagen van het volk de jeugd grootbrachten voor het bestaan van (toekomstige) volwassene. Dit heb ik ook in de door mij onderzocht initiatieven niet aangetroffen.

  

[1] Bloch, M: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.

[2] Harmsen, G.: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.

[3] Plessner, H.: Het probleem der generaties, in: Sociologisch jaarboek. III, jrg. 1949.

[4] Bymholt, B.:Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 541.

[5] Bynholt, blz. 673

[6] Bymholt blz 674

[7] Roland Holst, H.: De Socialistische opvoeding der jeugd. Rotterdam 1907,

[8] Harmsen, R en bl blz. 47

[9] Leerkrachten waren o.a. W.v.d. Jagt (klassieke talen), H.J.Boeken (klassieke talen) Z.Stokvis (nederlands) , K.van Damme (frans), mej. Lohman (duits), C.M.Borneman (engels), B.Vreeken (wiskunde en boekhouden), C.J.H. Raad (wiskunde en tekenen), mej.A.Kleefstra (onderwijzeres), J.A. van Schooten (tekenen), mej.W.Bolland (frans, duits, engels)

[10] Kleefstra, J.: Wat maken wij van onze jongeren. Uit: Studies in Volkskracht, Amsterdam 1905.

[11] Gerhard, A.H.: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,

[12] Haeckel, E.H.P.A: Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie. Bonn 1901.

[13] Darwin, C: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.

[14] Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population. Malthus publiceerde het voor het eerst in 1798 onder de schuilnaam: J. Johnson.

[15] Cortvd Linden:Volk en Staat, Groningen, 1882

[16] Cortvd Linden:Volk en Staat, Groningen, 1882

[17] Cort van der Linden, A.: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886.

[18] Cort van der Linden, A.: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886.

[19] Soree, M & Snepvangers, M: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.

[20] Ligthart, J en Scheepstra, H.: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1904.

[21] Ligthart, J.: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.

[22] Roland Holst-van der Schalk, H.: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977.

[23] Harmsen, G. e.a.: Van Turf en Tabak tot plastic buizen. Uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging in Steenwijk en omstreken. De Knipe 1991, blz.37.

[24] Kuyper, A: In ons Huisgezin wortelt ons staatkundig leven, In: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.

[25] Kuyper, A: Burgerbesef, standstevredenheid en vaderlandsliefde, In: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.

[26] Kuyper, A: Burgerbesef, standstevredenheid en vaderlandsliefde, In: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.

[27] Kuyper, A.: Handenarbeid, Amsterdam 1889.

[28] Kuyper, A.: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.

[29] Coolsma, C.W.: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.

[30] Banning, W.: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.

[31] Groot de, J.: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.

[32] Ligthart, J.: Een woordje aan ‘t slot. In School en Leven. Eerste jaargang, no.52.

[33] Ligthart, J.: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.

[34] Hasebroek, J.P.: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.

[35] Ligthart belegde zijn geld in een perceel bosgrond, en Scheepstra kocht een herenhuis op ‘stand’ aan de Ossenmarkt in Groningen.

[36]  Leerkrachten waren o.a: Deutman-De Meijer, Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Bertha Kofman, Nelly Korver, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot, e.a. Zie: Verslag der schooljaren 1905–1908 van de Humanitiare school te Laren (N-H). Laren 1908.

[37] Jans. R.:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.

[38] Jans. R.:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.

[39] Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962: gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.

[40] Kropotkin, P.: Mutual aid: a factor in evolution. 1902. Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.

[41] Leerkrachten waren o.a. Lodewijk van Mierop, J.M. Telders, mw. M. van der Es, mw. P. van der Knoop, mw. T van Mierop-Mulder, Felix Ortt.

[42] Geschiedenis van het Amsterdamsch Studentenleven 1632-1923.

[43] Stuiveling, G.: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.

[44] Eeden, van F.: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

[45] Eeden, F.: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

[46] Eeden, F.: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

[47] Eeden, van F.: Thoreau, H. Walden or life in the woods. Londen 1908.

[48] Borgman, H.L.: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K. Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph. Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H. Schuurman: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.

[49] Noordegraaf, H.: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.

[50] Ligt, de B.: God Uzelf Uw Naaste. 1912.

[51] Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer 1913/1914, blz. 1583-1584.

[52] Mannheim, K.: Das problem der Generationen. In: Kölner Vierteljahreshefte für Soziologie, VII, 1928.

[53] Struik, D.: Mijn socialistische jaren in Nederland. Herinneringen uit 1914-1924. In Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1977, Nijmegen 1977, blz. 191-246.

[54] Harmsen 133

[55] De SDP ging in 1919 verder als Communistische Partij Holland.

[56] Harmsen, G.: De Rode jeugdbeweging in de jaren twintig. In: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 173.

[57] Roessingh, K. H.: Persoonlijkheid en Cultuur. Haarlem 1916.

[58] Banning, W.: Wat wil en doet de arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Amsterdam 1934; ook in: Wie zijn de Woodbrookers, in: Ons werk. Geschriften van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.2, zj; en: Om de groei der gemeenschap. Arnhem 1926, en: De arbeidersbeweging als beschavingsmacht. Geschriften van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.3, zpl, zj.

[59] H 229

[60] H 233

[61] Orgaan GGOB, jan. 1919

[62] H Blen R blz 74

[63]In 1912 had de arbeidersjeugd de Jongelieden Geheel Onthouders Bond (JGOB) opgericht. 

[64] H 230 ev.

[65] Hermann Bolt, J. H.: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn.  In Theosofia, febr.1920, jrg XXVII.

[66] Besant, A.: Kort begrip der theosofie.Amsterdam 1903

[67] Besant, A.: Kort begrip der theosofie, Amsterdam 1903

[68] Groeneweg, L.: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.

 

[69]Groeneweg, L.: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920.

[70] Schoenmaekers: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde. Bussum 1916.

[71] Het Vaderland, 24-1-1957.

[72] In 1917 verscheen het tijdschrift De Stijl.

[73] Leerkrachten: Daniel Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn 1874-1959), Pieter Jakobus de Haan (1891-1968) en Max Leon Stibbe (1898-1973)

[74] Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.

[75] Harmsen 241

[76] Harmsen 239

[77] Leeuw, J.J. van der: De jongeren aan den opbouw. Den Haag 1923.

[78] Leeuw van der J. J.: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.

 

[79] Leeuw van der J.J.: Het Practisch Idealisme. Baarn 1922

[80] J. van Santen van, J.: Weimar 1933. Democratie tussen fascisme en communisme. Nijmegen 1983, blz.85.

[81] Harmsen, G.: Economische crises, massale werkloosheid, fascisme en oorlogsdreiging. In: Voor de Bevrijding van de arbeid, blz.172.

[82] Vorrink, K.: De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925. Blz.4.

[83] Man de, H.: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929, blz.45.

[84] Vorrink, K.: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928

[85] Radbruch, G.L.: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre  des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.