Onderwijsvernieuwing in Nederland tussen 1900 en 1940

Onderwijsvernieuwing in Nederland tussen 1900 tot 1940.   

 

Onderwijsvernieuwing in Nederland tussen 1900 en 1940.

Cornelis Oostwal


“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het
handelen”, [1]


Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de auteur.

Contact: cornelisoostwal@Gmail.com
Bijgewerkt: 3-12-2019

 

 

 

Inhoud

1) Inleiding

Onderwerp
Maatschappelijke achtergronden

Theoretische beschouwingen

Jeugdigen en volwassenen

Opvoeding in het verleden

2) Nationale en christelijke deugden
1) Zelfbeheersing
2) Verantwoordelijkheidsbesef

3) Saamhorigheid
4) Tevredenheid

5) Plichtsbesef  
6) Werklust
7) Naastenliefde

3) Democratische gezindheid
a) Religieus-humanistische levenshouding

b) Besef van algehele broederschap.

1) Respect voor een ieders aanleg
2) Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling
3) Respect voor een ieders temperament
c) Een organisch-harmonisch wereldbeeld.
1) Respect voor de leider
2) Respect voor de beste
4) Personalistisch-socialistische levenshouding.
Kameraadschap, gemeenschapszin, arbeidsvreugde
5) Samenvatting

 

1.Inleiding

Onderwerp
Toen omstreeks 1900 de volksjeugd strijd ging voeren voor een gelijkberechtigde positie ten opzichte van de volwassenen gingen volwassenen zoals: ouders en pedagogen, het onderwijs vernieuwen en ging de overheid zich in toenemende mate met de zorg voor de jeugd bemoeien.

Maatschappelijke achtergronden
Een jeugd die strijd voerde voor een gelijkberechtigde positie ten opzichte van de volwassenen alleen kon niet bewerkstelligen dat volwassenen tot optreden werden aangezet. Bij volwassenen moet een algemeen gevoelde verontrusting hebben geleefd. De vraag is dan ook van belang: welke betekenis had de jeugd in het leven van volwassenen, en wat waren de politiek-maatschappelijke omstandigheden die volwassenen tot optreden aanzetten.
De betekenis van de jeugd voor volwassenen. De maatschappij was door de industrialisatie gemobiliseerd in het teken van de vooruitgang waarin alles werd verwacht van de toekomst en de jeugd en niet de hogere leeftijdsklassen. Jeugd en leven waren de leuzen geworden. Jeugd werd gezien als identiek met vernieuwing, jong-zijn betekende: bij-de-tijd. De gedachte was ontstaan dat de gehele maatschappelijke ontwikkeling het werk was van jeugdigen en er ontstond onder volwassenen angst dat het optreden van de jeugdigen ‘uit de hand’ zou lopen.[2]
De politiek-maatschappelijke achtergrond. De arbeiders hadden gehoor gegeven aan de oproep van Karl Marx (1818-1883) nationale arbeiderspartijen op te richten. In Oostenrijk werd in 1872 een socialistische partij opgericht; in Duitsland voegden in 1875 de twee bestaande arbeiderspartijen zich samen tot de Socialistische Arbeiders Partij (SAP); in Denemarken sloten in 1880 de plaatselijke politieke arbeiderspartijen zich aaneen tot een partij; in Nederland kwam in 1881 de Sociaal-Democratische Bond (SDB) tot stand; in Frankrijk waren de arbeiders nog te verdeeld om tot een socialistische arbeiderspartij te komen, maar daar was in 1884 wel een uitgebreide sociale verzekeringswet voor de mijnen tot stand gekomen; in Zwitserland was in 1888 een sociaal-democratische partij opgericht; in Hongarije was in 1890 een socialistische partij van de grond gekomen; op 1 mei 1890 was de eerste internationale Dag van de Arbeid gevierd voor de achturige werkdag met grote demonstraties in meerdere landen, waaronder Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije, Italië, Spanje, België, Nederland, Denemarken, Noorwegen, Zweden en de Verenigde Staten; in Italië was in 1892 de Partito Socialista Italiano opgericht en in 1892 in Polen de Polska Partia Socjalistyczna (PPS); in België was in 1894 een arbeiderspartij tot stand gekomen; in Nederland was in 1894 de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) opgericht; in Zweden was het in 1898 tot een zelfstandige vakbondscentrale gekomen ; in Rusland was in 1898 de Russische Sociaal-Democratische Arbeiders Partij opgericht; in Russisch-Polen was in 1900 de Sociaaldemocratie van Polen en Litouwen tot stand gekomen; in Nederland was in 1909 de Sociaal-Democratische Partij opgericht toen een groep van leden van de SDAP zich had afgesplitst.
Zo waren er omstreeks 1900 in bijna alle landen op het vaste land van Europa zelfstandige arbeiderspartijen en vakbonden opgericht die als gemeenschappelijk doel hadden: de maatschappij om te vormen van een kapitalistische naar een socialistische door een democratisering van de politieke macht waarbij stakingen niet werden uitsloten.[3]
Deze ontwikkelingen hadden onder volwassenen met een afkeer van socialisme en de arbeidersbeweging geleid tot een stemming van pessimisme, en een vrees voor chaos en wereldondergang.
Theoretische beschouwingen.
In deze schets zal de nadruk liggen op de samenhang tussen het denken = ideeën en het handelen. De term ideeën wordt gebruikt in de plaats van woorden als theorieën of filosofieën omdat deze begrippen een consistente, afgeronde en systematisch ontwikkelde gedachtegang veronderstellen. Hiervan is echter alleen op het hoogst intellectuele niveau sprake. Het denken in de vorm van ideeën ontstaat of herleeft, aanvankelijk los van bewegingen en zelfs voordat hiervan sprake is, in de hoofden van enkelingen.
Er is, wat genoemd kan worden, een objectief moment: welke gebeurtenissen en omtandigheden waren er gaande binnen een gegeven maatschappelijke totaliteit, en er is, wat genoemd kan worden, een subjectief moment: hoe hebben de betrokkenen de hun gegeven gebeurtenissen en omstandigheden beleefd en ervaren, wat waren hun beweegredenen om in beweging te komen, tot welk doel moest hun optreden leiden. Het doel van beide moment is het verkrijgen van inzicht.
Het gaat om het specifieke, het bijzondere, van een historische situatie bloot te leggen. Dit gebeurd niet door teleologisch te werk te gaan: toeschrijven naar een welgevallige of gewenste situatie, niet door uit te gaan van het gelijk van de één of het ongelijk van de ander, niet door oordelen te geven, niet door te vertellen wat aangenaam in de oren klinkt.
Pogingen om ter verklaring van historische en maatschappelijke processen uit te gaan van een veronderstelde algemene menselijke natuur om zo te komen tot universele psychologische wetten hebben weinig of niets opgeleverd. Meestal worden sociale verschijnselen dan herleid tot een psychologistisch simplisme. Ook verregaande abstracties onttrekken het zicht op de sociale werkelijkheid vaak meer dan dat ze het zicht verhelderen doordat essentiële verschillen tussen verschijnselen worden uitgewist.
Filosofisch-wetenschappelijk ontwikkelde gedachtestelsels treffen we aan: in de hoofden van slechts enkele originele denkers; meer vereenvoudigde gedachten worden weergegeven door de intellectuele kaders in boeken, tijdschriften en lezingen en onderlinge discussies; min of meer kant en klare bevindingen en conclusies worden weergeven door de groep der activisten in dagbladen, manifesten en redevoeringen; vage voorstellingen in de vorm van leuzen en slagzinnen vernemen we via mondelinge kontakten onder de brede massa van sympathisanten.
Gedachten zijn niet automatisch een gevolg van de sociale herkomst van een denker, ontstaan niet vrijelijk in de hoofden van geniale mannen of vrouwen, stammen niet rechtstreeks, automatisch uit de maatschappelijke achtergrond van de denker, zijn geen passieve afbeeldingen of weerspiegelingen van het maatschappelijk leven die zich onafhankelijk daarvan voltrekken in de hoofden van denkers.
Gedachten ontstaan in, vormen en ontwikkelen zich door de ontwikkelingen in het maatschappelijk leven. Dat een bepaalde groep van personen een gedachte heeft uitgewerkt en tracht dit te verwezenlijken betekend niet automatisch dat daarmee ook de belangen van die groep van personen worden gediend.
De juistheid van een gedachte hangt niet af van het ras of het geslacht van de persoon die de gedachte verkondigd, of van de afkomst of leeftijd, of van de maatschappelijke positie, of van de godsdienstige of politieke achtergrond, of doordat het afkomstig is van degene die het te berde brengt.
Ideeën en opvattingen van een politiek heersende sociale groepering berusten niet altijd op vooroordelen, ook zijn het niet altijd ideologieën: gedachten die doen voorkomen alsof hiermee het belang van anderen is gediendt maar dat in feite het eigen belang moet dienen.
De juistheid van een idee of opvatting en het belang wat er mee gediend wordt moet altijd gezocht worden in het sociale gebeuren zelf.
Bij een geschiedenis van een sociaal verschijnsel wordt onderzocht welke gebeurtenissen van doorslaggevende betekenis waren: feiten. Geen gebeurtenis is echter zuiver en objectief van doorslaggevende betekenis. Feiten zijn niet zomaar gegeven, komen niet zomaar uit het historische gegeven naar boven drijven, hebben nimmer een immanente zin of betekenis. Gebeurtenissen worden als feiten aangeduid als gevolg van een keuze die gemaakt wordt. Ze zijn niet altijd en overal hetzelfde. Ze zijn afhankelijk van wat onder geschiedenis verstaan wordt en zijn dus onvermijdelijk gekleurd. Als criterium wordt dan genomen het antwoord op de vraag of ze al dan niet relevant zijn voor wat onderzocht wordt, of ze iets bieden wat van waarde of betekenis wordt gezien.
Wanneer een daad niet alleen voor het individu van betekenis was, maar ook een mondiale of nationale betekenis had, was het gebruikelijk dit een historisch feit te noemen. Tegelijk waren dit unieke, éénmalige en niet zich eindeloos herhalende, gebeurtenissen. Ook nu nog wordt dit een historisch feit genoemd.
Maar naast het unieke gebeuren en de unieke daden met een grote draagwijdte van de groten der aarde, is er ook de historische betekenis van de, zich duizendvoudig, herhalende handelingen uit het dagelijkse leven van de doorsnee vertegenwoordigers van alle rangen en standen. Niet ieder van deze daden op zichzelf maar in hun totaliteit. Het gaat hierbij minder om het unieke gebeuren en de unieke daden van de groten der aarde, maar meer om dat wat binnen een bepaald cultuurpatroon algemeen gangbaar was. Zelfs kleine gebeurtenissen die op zichzelf onbeduidend lijken, kunnen in groter verband wel degelijk van historische betekenis zijn.
Wat als een historisch feit gezien wordt is een zuiver subjectieve aangelegenheid. Het laat zich immers niet eenduidig bepalen en is ook allerminst een enkelvoudig gegeven. Een oude munt is niet slechts een voorwerp; het is de uitdrukking van bepaalde maatschappelijke verhoudingen, van een bepaald vorstelijk of stedelijk beleid. Het speelde mogelijk een dominerende of ondergeschikte rol in het handelsverkeer. Een moordaanslag op een leidend politicus op een bepaalde plaats en tijd en gepleegd door een bepaald persoon, is niet zomaar een enkelvoudig historisch feit. Een dergelijke politieke moord drukt een extreme conflictsituatie uit, waarbij meestal twee vijandige wereldbeschouwingen op elkaar stoten. De moordaanslag laat zich niet losmaken uit het geheel van de politieke situatie, van de voorafgaande publicistiek, van de bedekte of openlijke aanmoediging tot een dergelijke daad van bepaalde zijde, van de gedragingen van het slachtoffer, van de karakters der betrokkenen, van een reeks bijkomende schijnbare toevalligheden. Noch de moordenaar noch het slachtoffer kunnen als geheel op zichzelf staande personen opgevat worden.
Ieder historisch feit verwijst naar een uiterst complexe werkelijkheid. Zelfs een niet-politieke moord, die bovendien nog niet eens begaan werd, kan bij nadere ontleding een uiterst complex historisch gegeven blijken.
Een historisch feit is allerminst de harde duidelijk gevormde bouwsteen die de historicus in groten getale hanteert om een stevig gemetseld verhaal te krijgen. Van groot belang is het om de herkomst van de historische feiten nauwkeurig aan te geven in een beschouwing over de geschiedenis, het is méér dan een zaak van vertrouwen.
Jeugdigen en volwassenen
In Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging beschrijft G. Harmsen de voornaamste gebeurtenissen en verschijnselen van de Nederlandse jeugdbeweging.[4]
In Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung, stelt B.A.Knoppers dat een zelfstandig door de jeugd geleidde organisatie in Nederland ‘bijnahe nicht besteht’, en stelt over volwassenen dat deze maar weinig interesse hadden voor het optreden van de jeugd, haalt het optreden van de overheid slechts zijdelings aan en brengt dit niet in verband met het optreden van de jeugdigen.[5]
 In De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, noemt J.H.Gunningh Wzn. het jaar 1898 als een keerpunt in de geschiedenis van de pedagogie. [6]
In: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940, brengt I. van der Velde het streven onder volwassenen het onderwijs te vernieuwen in de periode 1900-1916 in verband met bezwaren tegen de klassikale school en het klassikaal onderwijs, in de periode 1916-1931 in verband met buitenlandse invloeden en in de periode 1931-1940 in verband met een wijziging in de wijze waarop de leerstof wordt aangeboden.[7]
In: Naar de school van morgen, geeft S.J.C.Freudenthal-Lutter een summier overzicht van enkele pogingen van volwassenen het onderwijs te vernieuwen. [8]
In: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag, stelt Th.van Tijn dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd zijn door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen.[9]
Die zouden hun uitdrukking hebben gevonden in de politieke arena, maar ook in die van de opvoeding en het onderwijs. Dit laatste zou dan op twee manieren hebben plaatsgevonden: in de eerste plaats zou er telkens - al voor de theoretisch-didactische problemen rezen – een opmerkelijk vergrootte aandrang zijn gekomen van de kant van de ouders van tot dusver van onderricht meer of minder verstoken kinderen om hun spruiten wel naar de betreffende onderwijsinstellingen te sturen. Hierdoor zou er in een korte tijd een tekort zijn ontstaan aan onderwijscapaciteit (geld, ruimte, leerkrachten enz.). In de tweede plaats zou er een veranderde visie op doelstellingen en methoden van het onderwijs zijn ontstaan. Ten derde zou dat een uitvloeisel zijn van een veranderde visie op de maatschappij (onderwijs bereid voor op het leven in de maatschappij en aard en inhoud daarvan hangen dus af van de visie die men heeft van de maatschappij), anderzijds zouden juist door de toeloop naar onderwijsinstellingen uit de minder gevormde milieus nieuwe pedagogisch-didactische problemen zijn gerezen.
In Emancipatiebewegingen in Nederland, haalt H.Verwey-Jonker de zelfstandige door jeugdigen gevormde en geleidde organisaties slechts zijdelings aan. [10]
In Het Nederlandse onderwijs veranderd, stelt N.L.Dodde dat in plaats van daadwerkelijke vernieuwing en verbetering van het onderwijs in de periode 1898 tot 1963 slechts over een verandering van het onderwijs gesproken kan worden.[11]
In Met de moed van de hoop. Studies over de vernieuwing van opvoeding, onderwijs en maatschappij in Nederland in de periode 1930-1984 wijst C.J.J.A. Morsch op buitenlandse initiatieven.[12]
In onderwijskringen in Nederland worden dikwijls buitenlandse initiatieven aangehaald, waaronder Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht, ook wel aangeduid als ‘reform-onderwijs.
Helen Parkhurst (1887-1973) die zich aan de éénmansschool in de plaats Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes geplaatst zag voor de taak de kinderen van de emigranten met een zeer verschillende intellectuele ontwikkeling onderwijs te geven schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken.
Peter Petersen (1884-1952) die in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd werd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas uit steeds minder jeugdigen bestond maakte een einde aan de jaarklassen, vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet de jeugdigen in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en liet de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd.
Célestin Freinet (1896-1966) die in 1920 op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd werd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen liet de jeugdigen aan de hand van de eigen interesse en belangstelling zich verdiepen in door hen zelfgekozen onderwerpen.
Maria Montessori (1870-1952) die in 1907 in Rome in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome geconfronteerd werd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling liet de jeugdigen met zelf gemaakt materiaal voelen, horen, zien en ruiken, weerde sprookjes, verving het vrije tekenen door het omtrekken van geometrische figuren om tot een vaste hand van schrijven te komen en oefende de zintuigen met rammelbusjes en kleurenspoeltjes.
Ook waren er voor de Eerste Wereldoorlog scholen in West-Europa waar volwassenen op voet van gelijkheid verkeerden met de jeugdigen zoals: Abbotsholme in Engeland, de Ecole des Roches in Frankrijk, de Freie Schulgemeinde in Wickersdorf (Dl), het Landerziehungsheim in Ilsenburg, de Odenwaldschule.
Tolstoj (1828-1910) richtte een school op om de kinderen van de boeren die in de winter geen bezigheden hadden, wat onderricht te geven. Dikwijls worden deze initiatieven gezien als inspiratie voor initiatieven in Nederland of er wordt op zijn minst een samenhang verondersteld tussen beide. Uit het voorliggende onderzoek zal blijken of deze veronderstellingen kloppen.
Opvoeding in het verleden.
De Grieken brachten de jeugd groot voor de uitoefening van een publieke functie door kennis en vaardigheden bij te brengen zoals: klassieke talen, klassieke literatuur, kunst en geschiedenis, plus een gezonde ontwikkeling van het lichaam. Het ging om: het bereiken van perfectie, de vorming van een cultureel ontwikkeld mens. Plato zei: 'Opvoeding houdt in lichaam en ziel alle perfectie geven waar zij vatbaar voor zijn'.
De Romeinen legden de nadruk in de opvoeding ook op de uitoefening van een publieke functie en een actieve deelname aan het publieke leven. Zij beschouwden alle scholing als een voorbereiding op deze rol, waaronder ook culturele doelen: de vorming van iemand tot 'vir bonus' ('gentleman' of 'bonhomme'). De Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero (106 tot 43) zag het kind als ‘speculum naturae’ als ‘spiegel der natuur’ en om de jeugd voor te bereiden op een rol in het publieke leven introduceerde hij de geleidelijke en natuurlijke ontplooiing van iemands talenten.
Christus geeft in het Mattheus-evangelie 18.3 volwassenen het dringende advies te worden gelijk de kinderen: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet veranderd, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’.
In de middeleeuwen werd de jeugd grootgebracht voor het bestaan van volwassene: de 'homo universalis'.
Erasmus (1490-1520) zag als doel van de opvoeding: de geest het zaad van toewijding laten ontvangen; de vrije kunsten leren liefhebben en grondig kennen; voorbereiding op de plichten des levens en gewennen aan de beginselen van wellevendheid.
Kant (1724-1804) zag als doel van de opvoeding de jeugd voor te bereiden op het toekomstige bestaan als volwassene: ’met het oog op een mogelijke betere staat’.
De Franse filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) roept in Emile ou l’éducation op, de opvoeding aan te laten sluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind en deze niet te richten op het toekomstige leven van volwassene.
De Zweedse, sterk door Nietzsche beïnvloede, pacifiste Ellen Key (1849-1926), proclameert in: Barnets arhundrade (in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind ) de 20 e eeuw tot ‘de eeuw van het kind’ en verhief het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm.  

Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd jeugdigen een religieus besef bijgebracht. Het religieus-zedenkundige leesboek, met voorbeelden uit de Bijbelse geschiedenis, waarin de godsdienst wordt verheerlijkt vierde hoogtij.
De invoering van de onderwijswet van 1857, waarin naast vakken als lezen, schrijven, en rekenen ook geschiedenis, aardrijkskunde en zingen verplicht werd gesteld, markeerde de overgang naar een onderricht waarin gestreefd werd jeugdigen die kennis en vaardigheden bij te brengen die hen moest voorbereiden op de uitoefening van een beroep of ambacht. Bijgebracht werd wat nodig gevonden werd om het de jeugdige, wanneer deze de school verliet bij het bereiken van het tiende levensjaar, aan het einde van de leerplichtige leeftijd, zonder dat de gehele zesjarige schoolperiode was doorlopen, mogelijk te maken het tot loop- of fietsjongen of loswerkman, zoals dat toen heette, te kunnen brengen

2. Angst voor werkloosheid
Omstreeks 1900 nemen volwassenen met een hang naar het orthodoxe calvinisme en liberalisme het initiatief de jeugd nationale en christelijke deugden bij te brengen.

Vanaf 1884 had zich een economische crises voorgedaan die voor veel arbeiders werkloosheid had gebracht. De depressie was gevallen in een tijdvak waarin de economische activiteit vanaf 1873 dalende was. Er werden minder grond- en hulpstoffen gebruikt zoals: ijzer, staal, en hout, en in mindere mate invoer van stoom en andere werktuigen. In vele bedrijfstakken was de helft of driekwart van de arbeiders zonder werk. Het was in Amsterdam tot straatdemonstraties gekomen waarbij, indien er gezongen werd of langs drukke wegen gedemonstreerd, door de politie opgetreden werd. Toen een demonstratie door Amsterdam trok, groeide die aan tot ongeveer 3000 man, met in het midden van de stoet borden die gedragen werden met het opschrift: Werk en brood voor allen, wij eisen geen aalmoes maar werk. De textielindustrie beleefde slechte tijden, in de bouwvakken heerste grote werkloosheid. De kou had de nood onder de arbeiders bijzonder schrijnend gemaakt.
De crises in de landbouw die in 1878 losbarstte was nog eens groter dan die in de nijverheid.[13]
In de Verenigde Staten was door een toename van de immigratie en snelle uitgifte van land de productie van graan geweldig toegenomen, dat dankzij de verbeterde transportmiddelen: spoor en stoomboot, gemakkelijk en dus goedkoop naar Europa vervoerd kon worden, wat een forse daling van de graanprijzen in Nederland tot gevolg had. De daling van de prijs voor graan had ook een daling van andere producten tot gevolg: bonen, erwten, aardappelen, suikerbieten. Duizenden arbeiders, werkzaam op het platteland in de agrarische industrie, waren naar de steden getrokken in de hoop daar werk te vinden, met als gevolg dat de menigte der werklozen buitengewoon toenam. Anderen bleven in hun gemeente, in leven gehouden door de karige giften der diaconieën of burgerlijke armbesturen.
Massale en langdurige werkloosheid vooral in de winter had een belangrijk deel van de bevolking aan de rand van het bestaansminimum of zelfs daaronder gebracht. De honger was overal. De wet uit 1854 waarmee de taak van de overheid in het ondersteunen van de armen was beperkt en overgelaten aan kerken en particuliere instellingen had de honger in omvang doen toenemen. Werklozen en armen hadden zich zo goed mogelijk zien te redden. Alleen in uiterste noodzaak sprong de overheid bij.

Ook de arbeidersjeugd die op 11 à 12-jarige leeftijd aan het werk was gegaan als loopjongen, drukkers- of zetters leerling, schilders knecht, sigarenmaker, aankomend horlogemaker, diamantslijpers leerling, winkelbediende, timmermansjongen, meubelmaker had de gevolgen van de crises gemerkt. De crises had geleid tot een verscherpte concurrentie tussen enerzijds bedrijven die over voldoende financiële middelen beschikten om gebruik te kunnen maken van de stoommachine en over te gaan naar een fabrieksmatige productie waardoor ze sneller konden produceren met minder kosten, en de bedrijven anderzijds die de kosten voor een uitbreiding van de fabrieksmatige productie niet konden opbrengen, waardoor bij hen de afzet van producten verminderde. Toen deze laatste bedrijven moeite kregen het hoofd boven water te houden hadden ze de kosten hiervan afgewenteld op de jongeren door het loon te verlagen of door dit zo laag mogelijk te houden. De jeugdigen voor wie dit onaanvaardbaar was hadden zich in 1885 aaneengesloten in plaatselijke socialistische jongelieden bonden (SJB’s) die zich op 12 augustus 1888 aaneen hadden gesloten tot de landelijke Sociaal-Democratische Jongelieden Bond (SDJB). Deze was in zijn geheel lid geworden van de toen door de Lutherse predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) geleidde Sociaal-Democratische Bond (SDB).[14]
Domela Nieuwenhuis, geboren in Amsterdam als zoon van een hoogleraar aan het Luthers seminarium was Luthers predikant geworden, maar in 1879 afgetreden. Hij was een overtuigd atheïst geworden. 
Onbarmhartig had hij van leer getrokken tegen de vijf K’s: Kapitaal, Kazerne, Kerk, Kroeg en Koning, de machten die, zo zag hij het, in samenspanning de arbeiders knevelden en hun alle rechten onthielden. Hij was in 1887 lid van de Tweede Kamer geworden voor het district Schoterland. Zijn propaganda had aangeslagen bij duizenden.
De concrete actie van de jeugdigen richtte zich tegen de remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’. Hiermee liet de jeugd uit het financieel goed gesitueerde deel van de bevolking hun militaire verplichting verrichten door het financieel slecht gesitueerde deel van de bevolking: de arbeidersjeugd.[15]
De militaire-dienstplicht door de mannelijke jeugdigen ging in het jaar in waarin zij negentien werden. De regering had van tevoren het aantal vastgesteld, in de regel was dat 60.000. Tegen de 15.000 vielen af op medische, soms ook op andere gronden. De resterende ruim 45.000 werden in twee groepen verdeeld: de buitengewoon dienstplichtigen die, als tenminste de materiele omstandigheden het toelieten, in buitengewone omstandigheden opgeroepen konden worden, en de gewoon dienstplichtigen die voor eerste oefening moesten opkomen. Deze groep was op 19.500 man gesteld. Van alle fysiek geschikten kregen dus velen vijstelling: wegens broederdienst (uit elk gezien behoefde slechts een zoon op te komen), wegens kostwinnerschap, wegens persoonlijke onmisbaarheid of wegens het bekleden van, of in opleiding zijn voor, een geestelijk of godsdienstig-menslievend ambt. Waren deze vrijstellingen verleend, dan waren er nog altijd meer dan 19.500 oproepbare. Dan ging het lot beslissen. De namen werden genummerd; de nummers werden tijdens de jaarlijkse zitting van de vaste lotingscommissie in de Ridderzaal in Den Haag door middel van een draaiende trommel getrokken en met de onderhavige naam ving de inlijving aan, net zo lang tot er 19.500 bijeen waren. De remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’ maakte het mogelijk dat jeugdigen die door de loting aangewezen waren hun militaire verplichtingen te verrichten konden afkopen door deze door een ander te laten verrichten. Dit had ertoe geleid dat jeugdigen uit de financieel beter gesitueerde sociale laag van de bevolking hun militaire verplichting tegen een vergoeding lieten verrichten door leeftijdsgenoten uit de financieel slecht gesitueerde sociale laag: de laag der arbeiders.
Tegen deze wet hielden de jeugdigen tegen de tijd dat de uitslag van de loting bekend werd gemaakt bij de lokalen van de aanstaande militairen demonstraties, colporteerden er en verspreidden er manifesten.

Na 1890 was aan de lange economische depressieperiode een einde gekomen. De banken, de handel en de industrie hadden weer winst gemaakt, de werkloosheid onder de arbeiders was gedaald, de landbouw was opgefleurd, de tuinbouw was opgekomen, in de grote havensteden was de handel handen te kort gekomen, vele nieuwe fabrieken waren verrezen.
Binnen de door Domela Nieuwenhuis geleide SDB waren debatten ontstaan over de betekenis van de parlementaire democratie en de weg die gekozen moest worden naar een op socialistische wijze ingerichte samenleving: door een opeenvolging van elkaar aanvullende en versterkende, tenslotte op revolutie uitlopende werkstakingen of een stapsgewijze hervorming door middel van wetgeving via het parlement.
Domela Nieuwenhuis koos voor de eerste weg: de anti-parlementaire weg, de Friese advocaat Pieter Jelles Troelstra (1860-1930) voor de tweede: de parlementaire. Troelstra had in 1894 zijn lidmaatschap van de SDB beëindigd en samen met elf gelijkgezinden, (de ‘twaalf apostelen’), de Sociaal-Democratische  Arbeiders Partij (SDAP) opgericht.
Ook door de jeugdigen binnen de Sociaal Democratische Jongelieden Bond (SDJB) werd gediscussieerd over de vraag welke weg te kiezen naar een op socialistische wijze ingerichte samenleving. Als de meerderheid van de jeugdigen kiest voor de anti-parlementaire weg en de naam SDJB in 1896 veranderen in Socialistische Jongelieden Bond (SJB) nemen volwassenen met een hang naar het orthodoxe calvinisme en liberalisme, uit angst dat het optreden van de socialistische arbeidersjeugd zou leiden tot een nieuwe periode van werkloosheid, het initiatief de jeugd nationale en christelijke deugden bij te brengen.

Nationale en christelijke deugden
Zelfbeheersing
De onderwijzer Jentje Johan Kleefstra (1860-1929) laat aan de Brinioschool in Hilversum sport beoefenen: voetballen, schaatsen, zwemmen, korfballen, wandelen.[16]

Sport was in het laatste kwart van de 19e eeuw ‘als vermaak’ uit Engeland overgewaaid. Het werd in de financieel betere gesitueerde lagen van de Nederlandse bevolking gezien als een a-politieke vorm van vrijetijdsbesteding voor jonge mannen.

Kleefstra: Rijst niet het beeld voor u op van de lange slungel die met de neus in de wind, een hoge boord onder de kin, een partij geleerdheid onder de arm, overal met zijn waanwijsheid te koop loopt? Denkt ge niet aan den bengel, die vagabondeert langs ’s Heeren wegen, alsof de heele wereld zijn domein is? die u met een brutaal gezicht staat te treiteren, uw tuin afstroopt, uw eigendom beschadigd en om God noch zijn gebod iets geeft? Of is uw ergernis meer opgewekt door de nufjes, die reeds als dames behandeld willen worden, terwijl ze nog in de korte rokken zijn en de neus optrekken voor alles, wat zuivere, ronde natuur is. [17]
Vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw had zich onder sociaal-democraten een sociaal-darwinistisch denken van de westerse wereld meester gemaakt waarin aangenomen werd dat door de algehele ontwikkeling van de mens, zowel in zijn biologische staat als in zijn staat als maatschappelijk wezen, sociale misstanden vanzelf zouden verdwijnen. Dit denken had zich in het laatste decennium der negentiende eeuw ook meester gemaakt van de volwassenen binnen de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Woordvoerder van dit denken was Adriaan Henri Gerhard (1858-1948). Gerhard was een der oprichters van de SDAP die groot aanzien genoot: zijn Sociaal Sprookje werd verschillende malen gedrukt en voorgelezen op vergade­ringen.[18]
Hij had het boek: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, in het Nederlands vertaald.[19]
Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919) was bioloog die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie laten verschijnen.[20]
Het boek was een ongeëvenaard succes: er werd in honderden publicaties en tijdschriften over gepubliceerd, het werd uitgegeven in meer dan twintig talen en er werden drie miljoen exemplaren van verkocht.[21]
Haeckel was popularisator van een door de successen van de natuurwetenschappen gevormde monistische-filosofie waarin het organisch leven: mens, plant en dier, én het an-organisch leven: de menselijke geschiedenis, als één geheel werd gezien en werd aangenomen dat de mens zowel in zijn biologische staat als in zijn staat als maatschappelijk wezen zich doorgaand zou ontwikkelen zou ingroeien tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen.
Haeckel had zich laten inspireren door de Engelse bioloog Charles Darwin (1809-1882) die erop had gewezen dat door de natuurlijke selectie of teeltkeus die soort behouden blijft die het best aangepast is aan de omstandigheden.[22]
Darwin was de eerste die de historische methode in de biologie toepaste. Mogelijk gemaakt door de overweldigende hoeveelheid feitenmateriaal door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie die hem ter beschikking stonden was Darwin tot de conclusie gekomen dat alle tegenwoordig levende soorten van dieren en planten niet onveranderlijk zijn. De organische wereld maakte een doorgaande evolutie door niet slechts wat de uiterlijke eigenschappen (soort) betreft, maar ook wat betreft de innerlijke hoedanigheden: het functioneren van het hart en de longen, de ontwikkeling van het zenuwstelsel en de zintuigen en de kracht der instincten. De gehele tegenwoordige organische wereld, planten zowel als dieren en dus ook de mens was het resultaat van een ontwikkelingsproces, dat miljoenen jaren duurde. Onafhankelijk van Darwin was de zoöloog Alfred Russel Wallace (1923-1913), die uitvoerig onderzoek had gedaan in o.a. de Indische Archipel, tot dezelfde conclusie gekomen. Darwin en Wallace hadden hierover op 1 juli 1858 gezamenlijk een verklaring afgelegd voor de Linnean Society of Londen.
Darwin was tot zijn conclusie gekomen door de Engelse geestelijke Thomas Robert Malthus (1766-1834). Malthus had gesteld dat wanneer zich geen rampen of epidemieën voordeden, de omvang van de bevolking toenam als een meetkundige reeks: 1, 2, 4, 8, 16, 32, 64 enz.: twee ouders, vier grootouders, acht overgrootouders enz. en dat de hoeveelheid voedingsmiddelen, onder de meest gunstige omstandigheden, toenam in een rekenkundige reeks: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 enz. waardoor er periodiek (elke 25 jaren) een periode was waarin de omvang van de bevolking twee keer zo groot was, dan de hoeveelheid beschikbare voedingsmiddelen en dat in deze periode van ‘overbevolking’ het zwakke deel van de bevolking overleed.[23]
Deze ‘demografische verelendungstheorie’ was onjuist gebleken. Gebleken was dat wanneer in Engeland het aantal mensen steeg het aanbod van arbeidskrachten toenam en dat als gevolg daarvan de hoogte van het loon zo ver daalde dat een gedeelte van de bevolking overleed, totdat door de gedaalde omvang van de bevolking het aanbod van arbeidskrachten was afgenomen en de lonen weer stegen. Om grote gezinnen te voorkomen had Malthus voorgesteld geen armen-ondersteuning toe te staan.
Had Malthus gesteld dat er op enig moment te weinig voedsel was,  Neo-Malthusianen in Nederland waren tot de omgekeerde conclusie gekomen: zij stelden dat er gewoon teveel mensen waren en bepleitten te komen tot het verkleinen van de omvang van de bevolking door een vrijwillige geboortebeperking. Met dit het doel werd in 1881 de Nieuw-Malthusiaanse Bond opgerichtdat de voorlichtingsbrochure uitgaf ‘De middelen ter voorkoming van groote gezinnen’ en een zogenaamd ‘middelenboekje’ verstrekte.[24]

Verantwoordelijkheidsbesef
De regering Pierson (1897-1901) laat jeugdigen die door de rechter zijn veroordeeld niet meer opsluiten, maar opvoeden in het eigen gezin. Voogdijraden kregen de taak de rechter te adviseren en gezinsvoogden, verenigd in de Pro Juventute verenigingen, de leiding van het gezin.
Rond de wisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw had zich onder sociaal-liberalen een denken gevormd waarin werd aangenomen dat door een betere opvoeding een einde zou komen aan sociale misstanden.[25]
Woordvoerder van dit denken was de hoogleraar in de staathuishoudkunde en statistiek: Adriaan Cort van der Linden (1846-1935). Cort van der Linden had gesteld dat het de werklieden ontbrak aan matigheid, orde en spaarzaamheid, en dat ze daar zelf verantwoordelijk voor waren.[26]

Saamhorigheid
Aan de Humanitaire School in Laren mogen de jeugdigen elkaar helpen en samenwerken.[27]
Tussen 1896 en de Eerste Wereldoorlog had zich onder een bepaalde groep van intellectuelen een denken gevormd waarin geloofd werd dat samenwerking en wederzijdse hulp, de ontwikkeling naar een betere gemeenschap zou bevorderen. Woordvoerder van dit Christen-anarchisme, of Humanitaire Idealisme of Tolstojanisme, zoals het ook wel werd genoemd was de hoogleraar Jacob (Koos) van Rees (1854-1924). Van Rees had in zijn woonhuis in Laren enkele kamers beschikbaar gesteld voor het onderricht en voor huisvesting van de onderwijzers en sprong bij wanneer er een financieel tekort dreigde te ontstaan. Van Rees: ‘een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’, . . . een mensenvriend, maar niet zonder heersersneigingen [28] had in Blaricum eerder een kolonie opgericht waaraan een einde was gekomen toen de plaatselijke bevolking de gebouwen van de kolonie hadden vernield uit woede van de gevolgen van de op 8 januari 1903 gehouden spoorwegstaking.
De Russische edelman Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910) was omstreeks 1900 plotseling met veel werken voor de dag gekomen. [29]
Hij werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19 e eeuw gezien die een enorme indruk maakte. Tolstoj was de zoon van een der oudste grafelijke families in het tsarenrijk. Ze zouden in de veertiende eeuw met een schare van volgelingen uit het westen zijn gekomen, om zich in de Oekraïne te vestigen. Hun aanzien was gestegen en hun rijkdom toegenomen. Tolstoj erfde het landgoed Jasjana Poljana waar hij de kinderen van de boerenbevolking onderricht liet geven tijdens de wintermaanden wanneer er voor hen niet veel te doen was.

Aanhangers van Tolstoj (ook wel geschreven als Tolstoy) in Nederland lieten zich inspireren door de vorst, politicus, historicus en bioloog: Peter Kropotkin (1842-1921). Kropotkin was een man van de wetenschap.[30]
Kropotkin aanvaardde de evolutietheorie van Darwin, maar had kritiek op het door hem aangenomen selectiebeginsel waarin de strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en de strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest de evolutie van levensvormen zou bevorderen. Kropotkin had erop gewezen dat in het tsaristisch Rusland, waar feodale en communale samenlevingsvormen domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking, en van wederzijdse hulp, de ontwikkeling van de gemeenschap hadden bevorderd.
[31]

Tevredenheid
De uitgever Eduard Benjamin Ter HorstJr. (1865-1905) laat verhalen schrijven over het dagelijkse huiselijk gezinsleven onder de titel: Dicht bij Huis, gevolgd door Nog bij Moeder, later onder de titel: Het boek van Ot en Sien [32] en wandplaten maken met een illustratie van het dagelijkse leven van een handarbeider.
In het eerste decennium der negentiende eeuw had zich onder orthodox-protestantse volwassenen een denken gevormd waarin werd aangenomen dat een ieders plaats in het sociale leven bepaald was door een kracht buiten de mens.
Woordvoerder van dit denken was
de hoogleraar in de theologie: Abraham Kuyper (1837-1920). Kuyper was hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam waar zijn woord een onbegrensd gezag genoot. Hij had leidinggegeven aan een afsplitsing van de Hervormde Kerk waaruit samen met andere groepen van gelovigen de Gereformeerde Kerken in Nederland waren ontstaan.

Verschillende predikanten, waaronder H.P. Scholten, Hendrik de Cock van Ulrum en A. Brummelkamp van Hattem waren in botsing gekomen met de in 1816 gevormde Nederlands Hervormde Kerk. Zij werden alle door de kerkelijke autoriteiten geschorst of afgezet. De Cock had zich met zijn volgelingen in 1934 meester gemaakt van het kerkgebouw in Ulrum, Middelstum, Uithuizermeeden, Groningen enz.
In 1886 had er een tweede afscheiding plaatsgevonden: Doleantie, o.l.v. Abraham Kuyper. Kuyper wilde met zijn Doleantie meer zeggenschap tegenover de protestantse kerkvorsten. Hij gaf leiding aan het samengaan van de twee groepen van afgescheidenen met nog anderen die in 1892 leidden tot de vorming van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Toen in de Tweede Wereldoorlog de Gereformeerde Kerken het gebod uit Romeinen XIII: ‘Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd’ letterlijk namen door de Duitse bezetter te zien als de boven hen gestelde macht, was dit in 1944 voor de hoogleraar Klaas Schilder reden zich af te scheiden. Hij erkende de Duitse bezetter niet als een boven de mens gestelde macht, voor hem was dat de Koningin. Schilder wees hiermee de Duitse bezetter op religieuze gronden af, niet op humanitaire. De afgescheidenen gingen verder als: Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, ook wel als Artikel 31, het artikel uit de bijbel waarop zij hun besluit baseerden.

Kuyper had in het door hem opgerichte dagblad: De Dageraad, in een serie van opstellen over de maatschappelijke funktie van het gezin in de samenleving gesteld dat het gezin gezien moest worden als ‘de wortel en de kiem (is) waar heel de Staat uit opwast, niet volgens uitvinding der menschen, maar volgens het bestel van den levenden God’, en dat hierin de vader ‘eene macht is, die bepaalt hoe het moet, en waaraan het kind zich heeft te onderwerpen’.
[33]
Hij had verder gesteld dat de jeugd het besef moest worden bijgebracht van eerbied voor een boven ons staand gezag’, en het besef dat ‘de beslissing over de positie, waarin we geboren zouden worden, niet aan ons stond, maar aan een macht buiten ons’.[34]
Kuyper had in een eerder verschenen opstel opgeroepen arbeiders bij te brengen ‘met weinig tevreden leeren zijn’.[35]
Op een in 1891 gehouden congres: Het  Sociale vraagstuk en de christelijke religie had Kuyper het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot veroordeeld als een dienst van Mamon, de aanwezige arbeiders opgeroepen af te zien van verbetering van het lot, hun in de plaats daarvan ‘het eeuwige leven’ in het vooruitzicht gesteld en ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’ en ze ervoor gewaarschuwd dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.
[36]
Als ministerpresident van het naar hem genoemde kabinet had Kuyper de in januari 1903 gehouden spoorwegstaking veroordeeld als een misdrijf: ‘misdrijf was het, om voor zoo gering doel zulk een beweging te ontketenen, misdrijf, om het spoorwegverkeer, eerste voorwaarde voor 's lands welvaart, stil te leggen, misdrijf, een van de belangrijkste organen, die de overheid tot uitoefening van haar taak noodig had, te verlammen. Dit misdrijf moest als zoodanig gequalificeerd en in het Wetboek van Strafrecht gebracht worden, te meer, daar het werd aanbevolen, geloofd en gepredikt. Ging men dit drijven niet te keer, dan zou de overheid ondergeschikt worden aan het bestuur van een federatie. Men mocht voorzichtig zijn, zoo waarschuwde Kuyper, het gevaar was nog niet geweken, het bestond nog.’ [37]
Kuypers’ oordeel werd in hetzelfde jaar door koningin Emma in de troonreden nog eens duidelijk herhaald: het was ‘eene misdadige woeling’.[38]
Een veem als Blaauwhoed had geen middel onbeproefd gelaten om de invloed van de arbeidersorganisaties uit te schakelen; de Vereeniging van Werkgevers op Scheepvaartgebied verzette zich eveneens tegen de invloed van de organisaties van arbeiders en had geweigerd deze te erkennen als vertegenwoordiger van de werknemers. Eind 1902 stelde een in 1900 opgerichte Federatie van arbeiders het lidmaatschap van de Federatie verplicht voor iedere in de haven en bij de scheepvaartbedrijven werkzame arbeider en verbood de leden samen te werken met de niet bij de Federatie aangesloten arbeiders. De aanleiding hiervan was het voor de arbeiders geldende verbod van de directie van het overslagbedrijf Blaauwhoedenveem lid te zijn van de Federatie.
Toen op 8 januari arbeiders van het Blaauwhoedenveem die niet lid waren van de Federatie bij de firma W.Muller en Co. goederen kwam halen en deze geweigerd werden door wel bij de Federatie aangesloten arbeiders werden deze arbeiders ontslagen. Dit leidde tot een staking van het gehele personeel. In korte tijd breidde de staking zich uit onder alle haven- en transportbedrijven uit. Als ook de spoorwegarbeiders die lid zijn van de Federatie weigeren samen te werken met niet bij de Federatie aangesloten arbeiders grijpt ook bij de spoorwegen de staking snel om zich heen.
De staking was een uiting van jarenlang opgekropte grieven. De kleinste overtredingen waren streng bestraft. Zelfs werden arbeiders gedwongen verantwoording af te leggen over hun activiteiten voor de vakorganisaties, waarbij ze urenlang onbeweeglijk moesten staan! Op 29 januari staakten op het Centraal Station in Amsterdam alle spoorwegarbeiders. De staking breidde zich uit tot de spoorwegarbeiders van alle Amsterdamse stations.

Toen de spoorwegdirectie weigerde te wijken werd op een drukbezochte vergadering van de stakers besloten de staking uit te breiden tot acht belangrijke spoorwegknooppunten. De spoorwegdirectie, overrompeld door de gebeurtenissen en naar haar eigen mening onvoldoende gesteund door regering, leger en politie, capituleerde. Op zaterdag 31 januari 1903, even na middernacht maakte de directie bekend dat de georganiseerde arbeiders niet hoefden samen te werken met de ongeorganiseerde arbeiders, dat er geen strafmaatregelen zouden volgen, dat de ontslagen arbeiders weer in dienst zouden komen, dat het loon over de stakingsdagen uitbetaald zou worden en dat de vakorganisaties erkend zouden worden als gespreks- en onderhandelingspartner.[39]
Nadat de regering, de directie en de burgerij van de schrik bekomen waren, zochten zij een weg om het verloren prestige te herwinnen. De confessionele regering Kuyper diende een wetsontwerp in dat staken bij de overheid en de spoorwegen verbood en waarin elke pressie op arbeiders die niet aan de staking deelnamen en het werk van de stakende arbeiders wilden overnemen, strafbaar was gesteld. Men sprak in de arbeidersbeweging van 'worgwetten'.


De uitgever TerHorstJr. was in Groningen geboren als zoon van Eduard Benjamin TerHorst (1828-1896) en Anna Berendina Gerhards (1840-1865). Vader TerHorst was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de papier- en boekwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860). Toen het echtpaar Wolters in 1860 overleed was vanwege het ontbreken van nakomelingen TerHorst eigenaar geworden van de papier- en boekwinkel, die hij op zijn beurt in 1894 had overgedaan aan zijn zoon.
TerHorstJr. had de
verhalen over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin laten schrijven door Hindricus Scheepstra (1859-1913) die zich bij het schrijven had laten bijstaan door Gerard Jan Ligthart (1859-1916).
Scheepstra was opgegroeid op het platteland van Drenthe en leraar aan de Rijkskweekschool in Groningen. Hij had vele door de uitgever Wolters (ter Horst Sr. en Jr.) uitgegeven schoolboeken geschreven zoals: Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893), Ambachten en bedrijven (1903), samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) een Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899) waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. De ontdekking van het ‘zaakonderwijs’ wordt ten onrechte toegeschreven aan Ligthart. Ook was Scheepstra sinds jaren redacteur van De Schoolwereld, een door Wolters uitgegeven periodiek.
Ligthart was opgegroeid in de Amsterdamse volksbuurt: De Jordaan en na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas, wat gebruikelijk was onder zijn leeftijdsgenoten, maar kwekeling geworden, wat betekende dat hem aan een lagere school door de hoofdonderwijzer het vak geleerd werd van onderwijzer en dat hij in de avonduren verdere studie volgde.

Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan én geen kind van wie de ouders of leerkrachten dachten dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht.
Ligthart slaagde bij de tweede poging voor het examen van de opleiding die hem de bevoegdheid moest geven aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school. Hij kreeg in 1885 een aanstelling als hoofd van een school in de Tullinghstraat in Den Haag en werd lid van het bestuur van het in 1842 opgerichte Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) waarvan vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid waren.
Het in 1842 opgerichte NOG fuseerde in 1946 met in 1874 opgerichte Bond van Nederlandse Onderwijzers (opgericht 1874). Hieruit ontstond de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV). Uit een fusie van de NOV met de Nederlandse Bond van Leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs (NBLNO) ontstond in 1966 de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP). De ABOP fuseerde in 1997 met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs, de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs en de Vereniging Sint-Bonaventura. Uit de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) ontstond in 1997 de Algemene Onderwijs Bond (AOB).
In de door TerHorstJr. uitgegeven en door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalen wordt het dagelijkse bestaan weergegeven van een gezin dat op het platteland een ruime vrijstaande comfortabele woning bewoont met een moeder die geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht en een vader die de kost verdient als hoofdarbeider. Het is een gezin ‘waar van jongsaf Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’.
[40]
In deze romantische verhalen waarin de bucolische idylle (het land en herdersleven) de boventoon voert staat het beschreven bestaan op het platteland in schril contrast met het feitelijke bestaan van de overgrote meerderheid van de bevolking.
De omstandigheden waaronder de arbeiders op het platteland leefden waren erbarmelijk: volkomen verwaarloosd, dikwijls in lemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd, verstoken van alle middelen van bestaan.
[41]
Het in de verhalen beschreven dagelijkse bestaan stond ook in schril contrast met het dagelijkse bestaan van de jeugdigen in de steden. Bij de volkstelling uit 1899 bleek dat in Nederland bijna een kwart van de bevolking (23%) in een eenkamerwoning gehuisvest was; dat percentage bedroeg voor de stad Rotterdam en de provincie Groningen 58%, voor de provincie Drenthe zelfs 62%.
In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden naamloze stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, waar ratten en wandluizen de nimmer ontbrekende gasten waren. Waar een waterleiding meestal ontbrak en dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. De moeders en de vaders werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie.
Dat Scheepstra zich door de uitgever moest laten bijstaan bij het schrijven door Ligthart hield verband met de achtergrond van Ligtharts maatschappelijke opvattingen: het gereformeerde geloof, waarvan Ligthart blijk had gegeven aanhanger te zijn. De gereformeerde predikant C.W. Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was.
[42]
De predikant Willem Banning (1888-1971) beschrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.
[43]
Van de onderwijzer Ligthart, van wie nog slechts een enkel artikel was verschenen, had de uitgever Ter HorstJr., een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van een zekere grilligheid’
[44] een bijna mythisch figuur gecreëerd.
TerHorstJr. had in het voorjaar van 1899 het periodiek: De schoolwereld. Weekblad van het lager onderwijs in Nederland en de koloniën (met M.J. Koenen en de onderwijzers W.K. Walstra en P.H. Mulder als redacteur) dat sinds jaren door Scheepstra werd geredigeerd, abrupt beëindigd en drie maanden later een nieuw periodiek laten verschijnen, nu met als titel: School en Leven en als ondertitel: Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin en als redacteur aangesteld: Ligthart. Het hierin door Ligthart geschreven openingsartikel: Een woordje aan ’t slot, deed veel stof opwaaien: het had de lezers te veel doen denken aan een preek.
[45]
De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943), die enkele bijdragen aan School en Leven had geleverd, was in conflict gekomen met Ligthart. Thijssen had niet anders kunnen oordelen dan dat Ligthart zich had laten inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen.
Ook had TerHorstJr. op door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalenbundels Ligthart als auteur laten vermelden en Scheepstra als mede-auteur, en de naam van Walstra, de feitelijke auteur van een door hem samen met Scheepstra geschreven heruitgave van een Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten) waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien, onvermeld gelaten en de naam van Ligthart als mede-auteur vermeld, hiermede ten onrechte de suggestie wekkend dat Ligthart de ontdekker is van het ‘zaakonderwijs’.
De wandplaten met een illustratie van een handarbeider zijn analoog aan Ligthart’s beschrijving van een arbeider als iemand ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’.
[46].
Analoog is de beschrijving van Ligthart ook aan die van de predikant J.P. Hasebroek (1812-1896): De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid.
[47]
TerHorstJr had de wandplaten met een afbeelding van het dagelijks leven van een arbeider laten maken door de in de toenmalige plattelandsgemeente Groningen opgegroeide

Cornelis Jetses (1873-1955). Jetses had de wandplaten gemaakt naar voorbeeld van illustraties die gemaakt waren door de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868).[48]


Plichtsbesef 
In Ons Huis in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan wordt jeugdigen de mogelijkheid geboden de kennis te vermeerderen. Er kan gebruik worden gemaakt van een bibliotheek en een leeszaal, deelgenomen worden aan een praatavond, aan een zondagavondbijeenkomst, een lezing of een voordracht worden gevolgd, een tentoonstelling worden bezocht, onderricht worden gevolgd in de Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen, in kleding verstellen, in muziek maken, in toneel spelen.[49]
In het eerste decennium van de twintigste eeuw had zich onder vrijzinnig-democraten een denken gevormd waarin werd aangenomen dat met voldoende algemene kennis vanzelf een einde zou komen aan sociale misstanden. Woordvoerder van dit zich onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen gevormd denken was de oprichter van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB): Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905). Kerdijk had rechten gestudeerd aan de Rijksuniversiteit van Utrecht en zich laten inspireren door het werk van E.C.Knappert (1860-1952). Knappert had eerder in Leiden in het Leidse volkshuis geopend aan werkloos geworden dienstmeisjes en andere vrouwelijke jeugdigen de mogelijkheid geboden onderricht te volgen in Nederland, in het herstellen van kleding, in verpleging, gelegenheid te maken van een bibliotheek, wandeltochten te maken, een zangkoor voor arbeiders en vakantiedagen voor de bezoekers.
Knappert had de Mulo gevolgd, de acte Frans gehaald en het diploma godsdienstonderwijzeres. In 1896 had ze de brochure De Arbeidskerk in Engeland van John Trevar vertaald en gepropageerd die een socialisme voorstond waarin aan intellectuelen de leiding werd toegedacht.

In 1915 werd ze directrice van de Amsterdamse School voor Maatschappelijk Werk. Toen Knappert in 1926 met pensioen ging had ze haar intrek genomen in een huisje op het terrein van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Bentveld.
Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren.
In Nederland waren socialistische studenten betrokken geweest bij de eerste pogingen om tot het Toynbee-werk te komen.
Na de dood van Arnold was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.

Werklust
Aan de Engendaalschool in Soest mogen  jeugdigen in de schooltuin werken.[50]
In het eerste decennium der negentiende eeuw had zich onder bepaalde groepen van intellectuelen en kunstenaars een denken gevormd waarin werd aangenomen dat voor een ieder die wilde werken een gelukkig bestaan mogelijk was. Woordvoerder van deze humanitaire-idealisten was de arts Frederik Willem van Eeden (1860-1932). Van Eeden ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde’ behoorde tot die groep van intellectuelen bij wie omstreeks 1900 productieve associaties (kolonies) zeer in trek waren.[51]
Ze hadden kritiek op het kapitalisme, en trachtten door het oprichten van communistische productieve associaties een aanvang te maken met een communistische maatschappij.[52]
Van Eeden had in 1898 in Bussum zijn productieve associatie: Walden opgericht. Hij nam aan dat er in West-Europa en Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op komst was en had zijn plan ontworpen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij.[53]
Hoever de kolonie Walden buiten de realiteit van het leven stond, illustreert de kijk van een paar arbeidersjongens op deze zaak: 'In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we op een zondag er heen waren gelopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zoals dat toen genoemd werd, en z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar weer naar Amsterdam terug.[54]
Van Eeden stelde dat het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting berustte: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’. [55]
Van Eeden nam het bestaan aan van drie standen: zij die het inkomen verkrijgen uit de opbrengst van geld: grondbezitters, aandeelhouders, renteniers; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij de overheid of uit het verrichten van arbeid als zelfstandige beroepsbeoefenaar: lakeien, ambtenaren, artsen, advocaten; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij particulieren: fabrieksarbeiders, dagloners. [56]
Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levensvoorwaarden en -omstandigheden af, wat hem er niet van weerhouden had zijn hele vermogen op het spel te zetten voor hulp aan de slachtoffers van de spoorwegstaking van 1903. Hij schreef in Waarvoor werkt gij, als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving te zien een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze.[57]
Van Eeden was bewonderaar van de Oosterse theosoof Abindranath Tagore (1861-1941) en enige tijd aanhanger van het denken van de in Groningen in een straatarm gezin geboren hoogleraar in de filosofie, en pre-fascist: G.J.P.J. Bolland (1854-1922). Van Eeden had in De Nieuwe Gids, waarvan hij redacteur was, geschreven dat de gedachten die hij had verwoord in zijn Redekunstige grondslag van verstandhouding, grote overeenkomst vertoonden met die van Bolland.[58]
Van Eeden zou bij een andere gelegenheid spreken over ‘de vriendelijke, goedhartige en naïef-geniale professor.[59]
Van Eeden richtte later de Bond van de koninklijken van geest op, waarmee hij zijn stempel wilde drukken op de cultuur en politiek van Europa,
De kolonie Walden ontwikkelde van een amateuristisch tuinbouwbedrijf zonder duidelijke reglementen tot een antikapitalistische commune, die niet anarchistisch werd genoemd maar in de praktijk wel uitging van gemeenschappelijke besluitvorming en vrijwillige beheersing van egoïsme. Het economisch zwaartepunt lag in latere jaren niet meer in land- of tuinbouw maar in enkele coöperatieve bedrijven, waarvan de bakkerij tot lang na de opheffing van Walden floreerde.
Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or Life in the woods laten verschijnen.
Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.[60]

Naastenliefde
In Vledderveen (Gr.) laat de onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) de verdeling van consumptiegoederen naspelen op een perceel dalgrond waar een afbeelding was gemaakt van Nederland, Europa en Amerika. [61]
Omstreeks 1914 had zich in anti-revolutionaire en christelijk historische kringen en onder volwassenen rond het christelijk weekblad Algemeen Welzijn een denken gevormd waarin geloofd werd dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een betere verdeling van consumptiegoederen.
Woordvoerder van dit christen-socialisme was de predikant Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938). De Ligt behoorde tot die groep van personen die het weliswaar eens met de strijd van de SDAP tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten, maar afwijzend stond tegenover het culturele en geestelijke klimaat van de SDAP waarin het christelijk geloof werd afgewezen als zijnde in strijd met de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én gezien werd als in strijd met de menselijke waardigheid doordat het mensen van strijd voor lotsverbetering afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakt.[62]
De Ligt was enige tijd aanhanger van het orthodox-protestantse denken van de pre-fascist G.J.P.J. Bolland (1854-1922). De Ligt  had zich in 1910 aangesloten bij de in 1907 opgerichte Bond van Christen-Socialisten (BVCS), ook wel Religieus Socialistisch Verbond genoemd. [63]
De Ligt had in het beginselprogramma voor de BVCS: God Uzelf Uw Naaste, opgeroepen het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.[64]

3. Angst voor revolutie en oorlog

Na de Eerste Wereldoorlog nemen volwassenen met een samenhangende levens- en wereldbeschouwing en een hang naar theosofie, antroposofie of een op het christendom geïnspireerde religie het initiatief de jeugd een democratische gezindheid bij te brengen.  
De botsende belangen der Europese imperialistische mogendheden hadden op 3 augustus 1914 geleid tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Tussen het na 1870 snel opkomende Duitsland en de over de gehele wereld gevestigde macht van Engeland was een strijd uitgebroken om een herverdeling van koloniën, invloedssferen en afzetmarkten.
De economische tegenstelling tussen Engeland en Duitsland was versterkt door de strijd tussen Frankrijk en Duitsland om Elzas-Lotharingen en door de strijd tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije om invloed op de Balkan.
Bij de wedren om koloniën of invloedssferen, niet alleen voor de afzet van producten maar ook steeds meer voor investeringen zoals: de suikerindustrie op Java, de winning van tin op Billiton, in plantages in Suriname waren Duitsland, Italië en Japan te laat geweest. Zij hadden alleen nog aan koloniën kunnen komen op kosten van Engeland, Frankrijk, België of Nederland.
De spanningen tussen de grote Europese mogendheden waren voortdurend toegenomen. Er was een bewapeningswedloop op gang gekomen en verschillende keren had een oorlog nabij geleken.
Door het militaire bondgenootschap tussen Frankrijk, Rusland en Engeland enerzijds en Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië anderzijds, had de oorlog het karakter gekregen van een wereldoorlog. In 1917 schaarden de Verenigde Staten zich aan de zijde van Frankrijk en Engeland.
Doordat de Duitse legers direct België waren binnengevallen en onder de voet hadden gelopen om zo sneller Parijs te kunnen bereiken, was ook voor Nederland de oorlog zeer nabij geleken. Het leger was gemobiliseerd. Vele arbeiders waren plotseling onder de wapenen geroepen wat het economisch leven had ontwricht. De productie van arbeids- en verbruiksmiddelen was voor een belangrijk deel omgezet in de productie van oorlogsmaterieel. De producten van land- en tuinbouw en die van de visserij hadden gretig aftrek gevonden onder de oorlogvoerenden. Grote voorraden levensmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Het percentage werklozen was gestegen van 7,4% tot 27%. Grote hoeveelheden aardappelen en groenten, rijst en cacaopoeder waren in reusachtige hoeveelheden aan Duitsland verkocht. Met medewerking van de minister van landbouw: Posthuma, waren enorme hoeveelheden zuivelproducten, eieren en groenten geëxporteerd. Ook transportmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Nederland was een hongerland geworden.
Het zgn. ‘Ellendekongres’ van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in november 1915 had een onheilspellende daling van het levenspeil, ook bij de georganiseerde arbeiders, aan het licht gebracht.[65]
 De verhoging van de lonen, zelfs van de sociaalkrachtigste arbeidersgroepen, bleek aanmerkelijk achtergebleven bij de stijging der prijzen, die toen al voor de voornaamste levensbenodigdheden op 30% werd geschat. Er hadden talrijke stakingen plaatsgevonden: metaalbewerkers, loodgieters, slagers, chauffeurs, grondwerkers, steenzetters, melkslijters en nog andere categorieën hadden in de loop van dat jaar het werk neergelegd om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden af te dwingen. In de textielindustrie in Tilburg was het tot een staking gekomen. Mijnwerkers hadden gedurende ongeveer twee weken gestaakt. In Rotterdam hadden de havenarbeiders gestaakt. Er waren hongeropstootjes. In de zomer van 1917 was in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan bijna geen aardappel meer te koop, terwijl er in de Prinsengracht schepen vol met aardappels lagen, bestemd voor de export. Dit had geleid tot het Aardappeloproer. Er vonden plunderingen plaats, demonstraties en gewelddadigheden. In de kazernes van de Harskamp vond een soldatenoproer plaats. De levensmiddelenpolitiek van de regering had als gevolg dat een groot deel der stedelijke bevolking honger leed.
Doordat de uitvoer door was gegaan, was Nederland verdacht geworden, met als gevolg dat Nederland door Amerika was gerantsoeneerd, maar ook dat Nederlandse graanschepen in beslag waren genomen, dat de uitvoer van koloniale producten uit Indonesië naar Nederland was gehinderd. Elke uitvoer van levensmiddelen was onmogelijk gemaakt en de invoer van voedsel voor mens en dier, evenals die van kunstmest, tot een minimum beperkt. Deze rantsoenerings-politiek had geleid tot een totale ineenstorting van de Nederlandse invoer van overzee gedurende het laatste oorlogsjaar.
In Rusland was het werkende volk na eeuwenlange onderdrukking en opgehoopte haat en wrok in opstand gekomen. Tot 1861 hadden de Russische boeren in volslagen slavernij geleefd. In dat jaar had Alexander II de slavernij afgeschaft onder de druk van de nederlaag van Rusland tegen Frankrijk en Engeland in de Krimoorlog. Daarna was er feitelijk weinig veranderd voor de boeren. De boeren hadden steun gekregen van intellectuelen die zich verzetten tegen het tsarisme. Er ontstonden twee stromingen: Mensjewieken (minderheid) en Bolsjewieken (bolsjinstvo=meerderheid). Beide stonden op revolutionair standpunt en hingen de gedachte aan dat allereerst een einde gemaakt moest worden aan de autocratisch-feodale structuur van de Russische maatschappij. De Mensjewiki stonden op het standpunt dat de leiding moest berusten bij de liberale burgerij, de bolsjewiki hadden de opvatting dat de leiding moest berusten bij boeren en arbeiders.
Tsaar Nicolaas II had in 1904 de oorlog verklaard aan Japan: de Tsaar was van mening dat Japan zijn grenzen te veel richting Russisch grondgebied had uitgebreid. Deze oorlogsverklaring gevoegd bij de armoede onder de bevolking had in 1905 geleid tot de eerste Russische revolutie. Tsaar Nicholaas II had een deel van zijn alleenheerschappij moeten afstaan aan een in 1906 ingesteld parlement: de Doema. Er was een raad van arbeiders opgericht, Sovjet, die geleid werd door Leon Trotski (1879-1940). De sovjet- afgevaardigden waren democratisch gekozen en erkend als het hoogste gezag in het land. Er waren al snel meerdere sovjets voor verschillende groepen arbeiders ontstaan zoals: spoorwegarbeiders en fabrieksarbeiders.
De onvrede onder de bevolking was gebleven. In februari 1917 aan het einde van de derde hongerwinter was voor het Russische volk de maat vol. Dit leidde tussen 8 en 15 maart (februari volgens de Russische jaartelling) tot de Februari-revolutie waarmee een einde kwam aan de heerschappij van de dynastie van de Romanov’s die zo’n 300 jaar lang had geregeerd.
De Doema, een volgens een zeer beperkt kiesrecht gekozen, uiterst gematigd college met weinig invloed, vormde uit haar midden een Voorlopige Regering steunend op een niet-gekozen vertegenwoordiging van gezeten liberale burgers die geen contact hadden met het volk, en geen ervaring hadden op het gebied van regeren. Los hiervan en daarnaast had zich een sovjetstelsel gevormd: een geheel nieuw machtsapparaat van arbeiders-, soldaten- en boerensovjets, dat tegelijk de uitvoerende en de wetgevende macht was, en tegelijk de burgerlijke en de militaire macht.
De Bolsjewiki organiseerden een opstand tegen de Voorlopige Regering. Deze vond plaats op 6 november. Zonder slag of stoot en zonder dat er een schot gelost was werd, was de Voorlopige Regering gevangengenomen. Het Sovjet Congres had de macht in handen genomen en een centrale regering gevormd met aan het hoofd Wladimir Iljitsj Oeljanow, beter bekend als: Lenin. 
Lenin sloot vrede met Duitsland in het verdrag van Brest-Litovsk (1917), haalde een streep door alle buitenlandse leningen en beleggingen en onteigende alle productiemiddelen. Interventie pogingen van diverse mogendheden: Duitsland, Engeland, Frankrijk, Tsjechie, Japan, Amerika, Turkije om het revolutionaire bewind ten val te brengen en de rijke Russische bodemschatten in handen te krijgen, mislukten.
Onder de invloed van de Russische Revolutie maakten in november 1918 revolutionaire bewegingen een einde aan het Duitse keizerrijk, kwam er een einde aan het Oostenrijkse rijk, en kwam er een einde aan het Ottomaanse rijk.
In Nederland was het liberale kabinet-Cort van der Linden, in de hoop gevrijwaard te worden van ‘revolutionaire woelingen’, met allerlei verbeteringen gekomen: de wettelijke achturendag was ingevoerd, het algemeen mannenkiesrecht en kort daarop het vrouwenkiesrecht, de hoogte van het ouderdomspensioen was verhoogd en de leeftijd waarop het inging verlaagd, aan de gezinnen der miliciens die het leven hadden gelaten als gevolg van de bommen op de Zeven Provinciën waren ettelijke miljoenen als schadeloosstelling uitgekeerd en het loon van het personeel in dienst van de gemeentelijke en landelijke overheid was sprongsgewijs verhoogd.
De burgemeester van Rotterdam, Zimmerman, had om de onvermijdelijke omwenteling in elk geval ordentelijk te laten plaatsvinden, twee vakbondsleiders: A. Heykoop en J. Brautigam, bij zich geroepen en medegedeeld dat hij ‘van plan was om ook in geval van een revolutionaire beweging’ (die hij voorzag) ‘in ieder geval (zijn) best te doen voor het behoud der orde’; de waterleiding, de elektrische centrale, de gasfabriek, de banken zou hij ongestoord laten voortwerken, op de stations zou hij de orde handhaven. [66]
Heykoop en Brautigam waren, nog vóór zij Zimmerman bezochten, door de voorzitter van de machtige Scheepvaartvereniging Zuid: P. Nijgh, ontvangen, ‘die ervan overtuigd was dat de Duitse gebeurtenissen hier zouden doorzetten’; hij had schielijk verbetering beloofd van de arbeidsvoorwaarden.
Minister-president Ruys de Beerenbrouck had die avond in Den Haag gesproken met de liberale en vrijzinnig-democratische leiders: ‘Huns inziens was alles verloren. De revolutie was niet te keren. We moesten maar wat toegeven, bijv. een paar socialisten in het kabinet opnemen.’
De redactie van De Telegraaf had aan de voorzitter van de SDAP gemeld 'dat zij bereid waren, vooral met de veel verbreide Courant, een eventuele revolutie te steunen'.[67]

De politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd was diep onder de indruk gekomen van het gebrek en de nood in de arbeidersgezinnen en het bloedvergieten zonder zin met een niet meer goed voor te stellen omvang. Ze demonstreerde, hield protestvergaderingen, staakte zelfs hier en daar en veroordeelde politieke partijen. Leden van de Sociaal-Anarchistische Jeugdorganisaties (SAJO) ontvreemden explosief materiaal uit een opslagplaats voor munitie en springstoffen in de omgeving van Amsterdam met het doel een aanslag te plegen op het gebouw van De Beurs in Amsterdam, (de aanslag mislukte en de jeugdigen werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van 12 tot 6 maanden).
Herman Groenendaal weigerde de militaire dienst te vervullen, werd daarvoor gearresteerd en ging in hongerstaking. Dit leidde tot wekenlange demonstraties, protestvergaderingen en hier en daar stakingen waarbij duizenden arbeiders betrokken waren. De jeugdigen, Albert de Jong en Bart de Ligt, werden veroordeeld tot resp. 19 en 27 dagen gevangenisstraf wegens opruiing.
Als in de ogen van jeugdigen de oude maatschappij heeft gefaald en ze met geestdrift de Russische revolutie begroeten nemen volwassenen met een samenhangende levens- en wereldbeschouwing en een hang naar theosofie, antroposofie of een op het christendom geïnspireerde religie uit angst voor een revolutie en weer een oorlog het initiatief een democratische gezindheid bij te brengen .

Democratische gezindheid

Religieus-humanistische levenshouding
In 1900 hadden op het Brusselse congres der Socialistische Internationale in Parijs de aangesloten nationale partijen de opdracht gekregen anti-militaristische socialistische jeugdbonden op te richten. Hierop hadden volwassenen in de SDAP op 10 mei 1901 de Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’ opgericht. [68]
In 1903 verloor De Zaaier na de mislukte tweede spoorwegstaking zo veel leden dat dit voor volwassenen in de SDAP aanleiding werd op 23 april 1905 opnieuw een De Zaaier op te richten, maar nu met het doel het in socialistische zin opvoeden van de jeugd.
In de SDAP was een groepering ontstaan die een stapsgewijze hervorming door middel van wetgeving via het parlement afwees en voorstander werd van een opeenvolging van elkaar aanvullende en versterkende, tenslotte op revolutie uitlopende werkstakingen. Zij richtten de Sociaal-Democratische Partij (SDP) op. Toen jeugdigen van De Zaaier zich hierbij aansloten verbrak de leiding van de SDAP de band met De Zaaier.
In 1911 richtte de leiding van de SDAP weer een nieuwe jongerenorganisatie op: Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP). Het doel hiervan was nu: bevorderen van de algemene ontwikkeling van de jeugdigen door cursussen aan te bieden in staatshuishoudkunde, geschiedenis, Nederlandse taal, administratie. De jeugdigen bleven ontevreden. Ze wilden politiek bedrijven, meer zelfstandigheid, een landelijke organisatie vormen, een landelijk blad uitgeven en af van de verplichting om met 18 jaar lid te worden van de SDAP. Toen velen de JOderSDAP verlieten deed A.H. Gerhard (zie hiervoor) de regering het verzoek een onderzoek in te stellen naar ‘de aard en omvang van organisaties die zich bezig houden met de vorming der niet-leerplichtige jeugd en deze commissie de bevoegdheid te geven denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen’.[69]
De conclusie van dit in 1917 ingestelde onderzoek was ‘dat het verreweg grootste deel der oudere jeugd geenerlei onderwijs meer ontvangt’. [70] 
De leiding van de SDAP wist uit deze bevindingen niets anders te bedenken dan om samen met de leiding van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) een Centrale voor Jeugdontwikkeling op te richten met als doel voor de aangesloten jeugdigen ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren.[71]
In navolging hiervan liet het lid van het gemeentebestuur in Amsterdam voor de SDAP en wethouder voor het onderwijs: Eduard (Eliazer) Polak (1880-1962) ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten organiseren voor jeugdigen aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes en de confessionele regering, bestaande uit: Rooms Katholieke Staats Partij, Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie lieten ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten organiseren voor de niet bij een organisatie aangesloten jeugdigen.

In de SDAP had zich na de Eerste Wereldoorlog een denken gevormd waarin werd aangenomen dat door af te gaan op de eigen persoonlijke overtuiging verschillen in godsdienstige, levens- of maatschappelijke overtuiging werden overbrugd. 
Woordvoerder van dit religieus-humanisme was de predikant Willem Banning (1888-1971). Banning had de opleiding gevolgd voor onderwijzer en op later leeftijd de opleiding tot predikant, hem financiel mogelijk gemaakt door een bevriend notaris. Tijdens zijn opleiding tot predikant had Banning kennis gemaakt met het op het christendom geïnspireerd religieus denken van de hoogleraar in de godgeleerdheid: Karel Hendrik Roessingh (1886-1925).
Roessingh had als student in Engeland kennis gemaakt met de Woodbrookers en in 1908 de Vereniging van Woodbrookers in Holland opgericht. Aanhangers van de Woodbrookers (Quakers) hadden in Selly Oak, in de buurt van het Engelse Birmingham, hun Woodbrook College, waarvoor de welgestelde George Cadbury (aanhanger der Quakers) zijn woonhuis en bijbehorende tuinen, Woodbrook, beschikbaar had gesteld. Naast Woodbrook werd Westhill het meest bekend.
Roessingh had bij zijn aanstelling als hoogleraar in de godgeleerdheid opgeroepen ‘persoonlijkheden’ te worden door ‘niet ons eigen geweten te onderwerpen aan het voorschrift van eene kerk, aan de wet van een staat, aan het gezag van een ander mensch’, maar af te gaan op de eigen persoonlijke overtuiging.[72]
Banning richtte in 1919 om tegenwicht te geven aan het proletarisch- en marxistisch-socialisme van de arbeidersbeweging en het daarmee verbonden felle atheïsme met enkele anderen de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (AG) op. Deze AG kreeg met financiële steun van o.a. H. Roland Holst-Van der Schalk in Bentveld (NH) een onderkomen waar bijeenkomsten gehouden konden worden voor werklozen, waaraan Clara Wichman en H. Roland Holst-van der Schalk regelmatig hun medewerking verleenden.[73] Later zou de AG er een onderkomen bij krijgen in Kortehemmen (Frl).[74]
Na de Tweede Wereldoorlog zou Banning voorstander worden van een ethische volkspartij en een pleitbezorger van een, op instigatie van J.de Quay (1901-1985) genoemd, ‘personalistisch socialisme’. Het begrip "personalistisch socialisme" had in en direct na de bezetting betekenis doordat het toen functioneerde als verzamelpunt van personen en groepen van verschillende aard en oorsprong.
Als tegenhanger van het op SDAP-leest geschoeide ontwikkelings- en ontspanningswerk werden Volkshogescholen opgericht met als doel ‘het geven van een zedelijk-geestelijke ontwikkeling aan volwassen personen als grondslag voor vernieuwing der volkscultuur en versterking van de volksgemeenschap’.[75]
De eerste kwam tot stand door initiatief van Jarig van der Wielen (1880-1950) in Bakkeveen (1932) voor jonge boeren, werklozen en studenten.
Aan de scholen voor maatschappelijk werk, later genoemd: Sociale Academies, kwamen opleidingen voor jeugd en jongerenwerk (sociaal-cultureel werk). De regering waarschuwden de organisaties die kampementen organiseerden en zich bedienden van door het rijk beschikbaar gesteld kampeermateriaal voor het kunnen ontstaan van een onzedelijke sfeer, waarmee bedoeld werd o.a. het niet eerbiedigen van een ieders uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging. Aanbevolen werd te komen tot een hiërarchische centralistische organisatie om toezicht te kunnen houden en eventueel de nodige maatregelen te kunnen nemen.
Het gemeentebestuur van Rotterdam benoemde op 26 mei 1921 een Adviserend Ambtenaar inzake de Opvoeding van de rijpere jeugd en richtte op 10 januari 1922 de Rotterdamse Jeugd Raad op. Het gemeentebestuur van Amsterdam stelde op 1 januari 1923 een tijdelijk ambtenaar aan belast met het toezicht op de van gemeentewege gesubsidieerde verenigingen welke zich bezighouden met Toynbeewerk en Vrije Jeugdvorming.

 

Besef van algehele broederschap.
Respect voor een ieders aanleg
De onderwijzer Berend Wouters laat aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen een activiteit verrichten met de handen of een met ‘het hoofd’.[76]
Wouters was aanhanger van het denken van Helena Blavatsky (1831-1891). Blavatsky en enkele sympathisanten hadden in 1875 de Theosophical Society opgericht en het doel van de Vereniging was te komen tot een sfeer met als doel te komen tot een sfeer van algehele broederschap zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. Wouters had zich op 10 mei 1903 onder nummer 23648 als lid van de Theosofische Vereniging laten inschrijven.
Blavatsky was geboren als Helena Petrowna von Hahn Rottenstern in de Oekraine in het financieel beter gesitueerde deel van de bevolking en gehuwd geweest met Nikofor Blavatsky. In de Theosophical Society werd een ieders maatschappelijke positie gezien als een zaak van aanleg. De Vereniging was een groot succes met vele vertakkingen over de wereld. In 1910 waren er bijna zevenhonderd loges (afdelingen), verdeeld over ruim zestien landen waaronder Nederland, met in totaal bijna 17.000 leden.

Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling.
Aan de Pallas Athene School in Amersfoort laat de onderwijzer Johann (Jo) Hermann Bolt (1883-1973) onderricht volgen in groepjes die samengesteld zijn uit verschillende leerjaren.[77]
Bolt was aanhanger van het denken
Binnen de Theosofische Vereniging had zich na de dood van Blavatsky een denken gevormd waarin een ieders maatschappelijke positie gezien werd als een zaak van geestelijke ontwikkeling. Bolt had zich op 26 maart 1915 onder nummer 58560 als lid van de gewijzigde Theosofische Vereniging laten inschrijven.[78]
Na de dood van Blavatsky was de Theosophical Society onder de leiding komen te staan van Annie (Wood) Besant (1847-1933). Besant had eerder een leidende functie binnen de Anglicaanse kerk en gesteld dat. Zij had in 1911 de jonge Indiër Jiddu Krishnamurtie (1895-1986) aangesteld als de nieuwe wereldleraar, de opvolger van Jezus. Om de jonge Indiër te ontmoeten kwamen op de jaarlijkse Sterkampen in Ommen tussen 1923 en 1930, vele duizenden aanhangers uit alle delen van de wereld bijeen.

Respect voor een ieders temperament
Aan de Vrije School in Den Haag wordt bij het onderricht rekening gehouden met het temperament van de jeugdigen.[79]
De leerkrachten o.a. Daniel (Daan) Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn (1874-1959), Pieter Jacobus de Haan (1891-1968), Max Leon Stibbe (1898-1973) waren allen aanhanger van een in het Antroposofisch Gesellschaft gevormd denken waarin een ieders maatschappelijke positie gezien werd als een zaak van temperament.
Het Antroposofisch Gesellschaft was opgericht in 1913 door Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925). Steiner was enkele jaren lid van de Theosofische Vereniging maar in 1913 met een ‘eigen’ Gesellschaft gekomen. Hij had de leiding gekregen over de Freie Waldorfschule in Stuttgard, opgezet door Emil Mohlt (1878-1936) eigenaar van de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria, om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen. Steiner nam aan dat een ieders maatschappelijke positie een zaak was van temperament en dat dit bepaald was door invloeden vanuit de kosmos: zon, maan en sterren. Geinspreerd door denkers uit de Oudheid onderscheidde hij vier temperamenten: sanguinisch (opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) of cholerisch (opvliegend). De Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) had eerder gewezen op de aanwezigheid van vier onderling kwalitatief verschillende elementen die alle door zintuigelijke waarneming bekend zijn: de vaste aarde, het vloeibare water, de gasvormige lucht en het gloeiende verterende vuur; de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322) had eerder gewezen op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren; onder invloed van de vier elementen van Aristoteles had de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) in het menselijk lichaam vier lichaamsvochten (humores) aangenomen: bloed (sanguis), slijm (flegma), zwarte gal (melancholia) en gele gal (cholera) van wier vermenging gezondheid, ziekte en verdere hoedanigheden afhingen; de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) had eerder geschreven over de leer der temperamenten: sanguiniese, flegmatische, melancholiese en choleriese; de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) had eerder de theorie ontwikkeld dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van de in de kosmos voorkomende elementen: zon en maan.[80]

c) Een organisch-harmonisch wereldbeeld.

Respect voor de leider
Aan de Hillegomschool in Amsterdam (Eerste Openbare Lagere School met Persoonlijkheidsonderwijs) geeft de onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) onderricht zonder een vast omschreven leerplan, zonder een lesrooster en zonder vaste lesmethoden.[81]
Groeneweg had zich laten inspireren door de ex-jezuit Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944). Schoenmaekers had het katholiek gymnasium gevolgd in Rolduc en de door de jezuïeten geleide opleiding tot priester in Rome. Hij had zich op enig moment afgekeerd van de roomse-kerk maar niet niet van het katholieke geloof: hij zag zich ‘katholieker dan de roomsche kerk, katholieker dan de paus’.[82]
De van huis uit niet onbemiddelde Schoenmaekers had in Amsterdam aansluiting gezocht bij de kring van vrijzinnige christenen en vrijdenkers, en in 1904 het tijdschrift Levensrecht opgericht: Maandschrift ter verbreiding der vrije ideeën, waaraan o.a. meewerkten Frederik van Eeden en Domela Nieuwenhuis.
Schoenmaekers had zich aangemeld als lid van de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia vincit anymos', wat hem was geweigerd. Hij was korte tijd lid van de afdeling Amsterdam van de Theosofische Vereeniging onder lidmaatschapsnummer 1131, was sympathisant van de antroposoof Rudolf Steiner, studeerde een jaar in Pennsylvania theologie en ging uiteindelijk in Laren (NH) wonen. In zijn Larense tijd liet Schoenmaekers veel van zich horen. Hij had contact met de daar wonende groep van kunstenaars, aangeduid met De Stijl, waaronder de schilder Piet Mondriaan (1872-1944), die lange tijd waardering had voor Schoenmaekers’ denkbeelden maar zich op den duur ergerde aan deze 'schoolmeester-paus'. De dichter Jan Greshoff beschrijft Schoenmaekers als iemand die beschikte over een meeslepend redenaarstalent, elke diskussie met andersdenkenden vermeed en geen tegenspraak duldde.[83]
Schoenmaekers had in 1916 zijn ‘Beginselen der beeldende wiskunde’ laten verschijnen.[84]
In de jaren twintig had zich in bepaalde katholieke kringen een denken gevormd waarin aangenomen werd dat de mensheid zich aan het gezag van god heeft onttrokken, hierdoor geen objectief criterium meer bezat van goed en kwaad en dus nog slechts het getal had als ordenend beginsel.
De ex-jezuit Schoenmaekers huldigde een op de middeleeuwse gildeverhoudingen geïnspireerd corporatief denken.
Corporatisme is afgeleid van het Latijnse woord corpora dat lichamen betekent. De termen corporatisme en solidarisme die vrijwel dezelfde betekenis hebben horen thuis in het zgn. organische denken.
In deze denkwijze wordt de maatschappij opgevat als een organisme, d.w.z. alle klassen en groepen worden gezien als organen die ieder even onmisbaar zijn en zonder elkaar niet kunnen bestaan, maar zoals bij het menselijk lichaam het hoofd en de ledematen niet gezien worden als gelijkwaardig, wordt dit ook zo gezien in de maatschappij, ook hier zijn er maatschappelijke functies die niet gelijkwaardig zijn aan elkaar: er zijn leiders en er zijn volgelingen, al hebben diegenen die deze kijk hebben wel de neiging, voor zichzelf een plaats aan de top te reserveren. 

Respect voor de beste
Aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap in Bilthoven laat Cornelis Boeke (1884-1954) de jeugdigen uit hun midden de beste kiezen als leider.
Boeke was aanhanger van een in de Practisch Idealisten Associatie (PIA) gevormd denken waarin een leidende positie in het maatschappelijk leven gezien werd als een zaak van de beste te zijn.
Boeke had een opleiding gevolgd aan een technische hogeschool en enkele jaren zendingswerk verricht in Syrie. Hij was lid van de Nederlandse Christen Studenten Vereniging (NCSV), de eerste stap van de jeugd uit het financieel goed gesitueerde deel van de bevolking zich aaneen te sluiten en was lid van de PIA.  
De PIA was opgericht door J.J. van der Leeuw (1893-1934), toen hij nog student was, uit Londen in Nederland geïntroduceerd. Het was na de NCSV de tweede stap van de jeugd uit het financieel zeer goed gesitueerde deel van de bevolking zich aaneen te sluiten: de vader van Boeke was directeur van de HBS, de vader van Van der Leeuw was firmant van de Van Nelle fabriek, een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam, een ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en weer een ander was directeur van de glasfabriek in Leerdam.
In de PIA waren geen leden die toekeken, allen waren medewerker, ieder was verantwoordelijk voor het werk.[85]
Bij het toetreden tot de PIA moesten de leden een verklaring ondertekenen waarin ze beloofden af te zien van het najagen van eigen eer en voordeel. [86]
Van der Leeuw hing de gedachte aan dat een leidende positie in het maatschappelijk leven een zaak was van de beste te zijn en dat respect hiervoor verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging zouden doen overbruggen.
Hij had in zijn proefschrift tot verkrijging van de graad van doctor in de rechtswetenschappen opgeroepen een begin te maken met de opbouw van ‘een aristo-democratie’, een regeringsvorm waarbij op alle terreinen van het maatschappelijk leven ‘groepverbanden ‘gevormd zijn, waaruit ‘de beste’ gekozen worden als hoofd, die op hun beurt uit het midden de beste kiezen voor het bestuur van grotere gemeenschappen, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen is. [87]
Het doet allemaal wat pre-fascistisch aan: een sterk eenhoofdig gezag.
Van der Leeuw had tegenover het historisch-materialisme een historisch-idealisme gesteld: een geestelijke omwenteling die binnen in de mens diende plaats te vinden.[88]
Diverse leden van de PIA werden lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de Sterkampen op het landgoed Eerde in Ommen waar ook elk jaar een kamp van de PIA plaatsvond. Van der Leeuw sloot zich later aan bij de Theosofische Vereniging, werd voorzitter van de Nederlandse Afdeling, en was nauw betrokken bij de zomerkampen rond Krishnamurti in Ommen.

4. Angst voor wijziging van het economisch stelsel
Omstreeks 1930 nemen volwassenen voor wie socialisme een zaak was van gezindheid het initiatief de jeugd een personalisch-socialistische levenshouding bij te brengen.
Op zwarte donderdag 24 oktober 1929 waren de koersen van de aandelen op de New-Yorkse effectenbeurs ineengestort en was er een economische depressie uitgebroken met een omvang, duur en intensiteit zoals de wereld voordien nooit had gekend. [89]
De crises was mondiaal; niet slechts in de Verenigde Staten, niet slechts in de kapitalistische wereld, maar over de gehele aarde tot in de grondstoffenlanden toe was de werking merkbaar. Er was, dat wist men, in de Verenigde Staten waanzinnig gespeculeerd op de effectenmarkt; slechts weinigen hadden zich daar zorgen over gemaakt. Fortuinen waren verloren gegaan, ook van Nederlanders die in Amerika hun fondsen belegd of mee gespeculeerd hadden en nu met één slag hun kapitalen kwijt waren geraakt. Maar daar was het niet bij gebleven. Het wegvallen van het vertrouwen in de toekomst had in de Verenigde Staten onmiddellijk geleid tot inkrimping van de productie; inkrimping van de productie tot werkloosheid; werkloosheid tot verminderde vraag; verminderde vraag tot nóg verdere productiebeperking - het was een vicieuze cirkel geworden, een spiraal die zich hardnekkig omlaag schroefde. Toen de moeilijkheden zich in de loop van 1930 overplantten naar Europa hadden de moeilijkheden zich opgestapeld. Prijzen kelderden, winsten maakten plaats voor gigantische verliezen. Het ongeëvenaard grote aantal kapitaalverliezen en faillissementen had de werkloosheid in de ettelijke miljoenen doen oplopen. De werkloosheid had massa­le en hardnekkige vormen aangenomen. De algemene prijsdaling had de boeren extra-hard getroffen. De prijs voor tarwe was in vier jaar tijd met bijna de helft gedaald, die van rogge, boter, varkensvlees met meer dan de helft. Er was vrijwel geen landbouwer die nog de eindjes aan elkaar had kunnen knopen; hoe hard er ook gewerkt werd, de bedrijven loonden niet meer. Uit het gehele economische leven (bedrijf na bedrijf had de productie moeten inkrimpen of zelfs stopzetten) waren de arbeiders bij tienduizenden ontslagen. Door middel van loonsverlagingen hadden de ondernemers getracht hun bedrijf rendabel te houden, althans de verliezen te beperken. De bedrijven die niet onder de arbeidsinspectie vielen, hadden de neiging vertoond, van hun arbeiders buitensporige prestaties te vergen. Wie nog als zelfstandige in het economisch verkeer stond, deed vaak zijn uiterste best om te voorkomen dat hij om werklozensteun moest aankloppen. Chauffeurs, en in het bijzonder zij die niet in loondienst waren maar zelf de eigenaar waren van een vrachtauto maakten dagen, ja weken achtereen, arbeidstijden van 16 tot 18 uur per dag, of van 24 tot 48 uren aaneen. Er waren gevallen bekend welke nog zeer veel verder gingen en waarbij de betrokken chauffeurs weken achtereen slechts een nacht per week nachtrust op hun bed hadden, terwijl zij voor de rest hun rust bij stukjes en beetjes maar in de cabine van hun auto tussen de ongelimiteerde werkuren door moesten trachten te verkrijgen.
De daling van het inkomen van arbeiders en financieel beter-gesitueerden was een catastrofe voor de middenstand, speciaal voor de winkeliers. Duizenden winkels waren opgeheven, andere van eigenaar verwisseld. De grote massa was steeds meer verarmd waardoor er steeds minder producten waren gekocht. Er was overproductie ontstaan. Het bankwezen, de industrie, de handel, de scheepvaart, hadden de neerslag van de economische crises gevoeld. De landbouw evenals de landbouw-verwerkende bedrijven hadden slag op slag gekregen. De tuinbouw was ingestort doordat naburige landen hun grenzen geheel of bijna geheel hadden afgesloten voor haar producten. De vissersvloot lag voor een groot deel werkeloos in de havens. Gebouwd werd er haast niet meer. De meeste bedrijven gingen bij de dag achteruit. Het aantal werklozen was steeds groter geworden en loonsverlagingen waren niet van de lucht.[90]
In 1935 was de leiding van SDAP en NVV gezamenlijk gekomen met een Plan van de Arbeid dat tot een herstel van de bestaanszekerheid moest leiden. Het was geïnspireerd op een door Hendrik de Man (1885-1953) ontworpen gelijknamig plan waarmee de Belgische socialistische partij in 1933 was gekomen. In dit plan had De Man de denkbeelden verwerkt van de in 1917 naar Amerika uitgeweken Rus: W.S.Wojtinski (1885-1960), de Duitse vakbondsleider: Fritz Tarnow (1880-1951) en het lid van het Duitse parlement voor de Sociaal Democratische Partei: Fritz Baade (1893 -1974).
Het drietal had gepleit voor een vergroting van de koopkracht, het verlenen op grote schaal van bankkredieten en het bewerkstelligen van werkverruiming door een uitgebreide politiek van openbare werken om zo de neergaande lijn van de economie om te buigen in een opgaande. Het plan had de geestdrift gewekt en niet alleen bij de arbeiders maar ook bij de middenstand en het had ook de boeren uitzicht geboden op herstel van de bestaanszekerheid.
Bij de jongeren in de Arbeiders Jeugd Centrale had de crises tot grote onzekerheid geleid.[91]
De verlammende invloed van de massale en niet eindigende werkloosheid had tot de behoefte geleid aan houvast en zakelijkheid. Ze hadden genoeg van de ‘geduldpredikers’ en de ‘geleidelijkheidsapostelen’, die steeds weer aandrongen op afwachten en vooral niets doen in deze crisestijd.[92]
De AJC had zich voornamelijk beziggehouden de werkloze jeugd in speciaal voor hen georganiseerde kampen gedurende een of meer weken wat levensvreugde te bieden waar ze een moment de dodelijke sleur van het nietsdoen en het zich overbodig voelen konden vergeten.
De jongeren discussieerden over het socialisme en hadden sympathie voor de Sovjet-Unie, het land dat in deze jaren niet door een economische depressie was geroerd. Als een niet onaanzienlijk aantal jongeren in de AJC lid wordt van de in 1932 door enkele uitgetreden of geroyeerde SDAP’ers opgerichte Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) nemen volwassenen voor wie socialisme een zaak was van gezindheid uit angst dat het optreden van de jongeren zou leiden tot een wijziging van het economisch stelsel het initiatief de jeugd een personalistisch-socialistische levenshouding bij te brengen.

Personalistisch-socialistische levenshouding.
Kameraadschap, gemeenschapszin en arbeidsvreugde
Aan de Quakerschool op het landgoed Eerde te Ommen wordt kameraadschap, gemeenschapszin en arbeidsvreugde bijgebracht.
In de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat de verwezenlijking van het socialisme diende te gebeuren in het eigen ‘persoonlijke’ leven en in de eigen levensgemeenschap. Woordvoerder van dit denken was Jacobus (Koos) Jan Vorrink (1891-1955). Vorrink was in 1934 tot voorzitter gekozen van de SDAP. Hij was onderwijzer geweest en jeugdleider in de AJC. Vorrink was in 1920 aangesteld als bezoldigd bestuurder van de AJC en had de AJC omgevormd naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien bij de Sozialistische Arbeiter Jugend. Daar bezochten de jongeren geen cafe’s, bioscopen of dancings maar trokken op vrije dagen met hun mandolines de natuur in, gingen kamperen, beoefenden het volksdansen, zongen volksliederen en voerden stijlvolle dansen uit, waren afkerig van banaliteit en niet gekleed in ‘burgerlijke’ confectiepakjes met stijve boorden maar in manchesterkleding met open hemden.
Vorrink was het geheel eens met het oordeel van de directeur van een clubhuis in Rotterdam die de volksjeugd geestelijk leeg en zedelijk laf vond: de geestelijke leegheid van de gemiddelde volksjongen (is) veel en groter dan wij vroeger ooit hadden gemeend en dat hij - alle onderwijs, museums, kerken, meetings enz. ten spijt – geheel en al buiten onze cultuur voortleeft, en: Nooit heeft een jongen het voor het gezag opgenomen, nooit heeft een doen blijken, dat hij een vernieling of andere overtreding afkeurde en meegewerkt om de schuldige op te sporen.. . . ’t is niets anders dan bangigheid om in een zaak te worden gemoeid.[93]
Vorrink zag socialisme, in tegenstelling tot het arbeiderssocialisme dat van de economie uitging en een drastische verandering van het economisch stelsel beoogde, meer als een zaak van de psychologie, als een zaak van gezindheid.[94]
Vorrink had zich laten inspireren door de in Duitsland gevormde Belg: Hendrik de Man (1885-1953) die het boekje Der Sozialismus als Kultuurbewegung had laten verschijnen.[95]
Vorrink had het boekje zo belangrijk gevonden dat hij het zelf had vertaald en uitgegeven.
De Man was op zijn beurt gegrepen door de gedachten van G.L. Radbruch (1878-1949). Radbruch zag als belangrijkste socialistische levenswaarden: ‘Kameradschaft, Gemeinsinn, Arbeitsfreude. [96]

7. Samenvatting en slotbeschouwing.
Toen in het democratiseringsproces dat zich over de tweede helft van de 19 e en de eerste helft van de 20 e eeuw uitstrekte ook de arbeidersjeugd strijd ging voeren voor een gelijkberechtigde positie ten opzichte van de volwassenen, namen volwassenen het initiatief deze jeugd een politiek-maatschappelijke kijk op mens en samenleving bij te brengen.
Buitenlandse initiatieven zoals beschreven in de inleiding waren geen inspiratie voor de initiatieven die in Nederland plaatsvonden ook was er geen samenhang tussen beide. De beschreven initiatieven van de volwassenen in Nederland hadden alle oorzaken die lagen in de Nederlandse samenleving en hadden dan ook alle een door die Nederlandse samenleving ingegeven inhoud. De inhoud van deze initiatieven waren een weerspiegeling van het optreden van de jeugdigen, niet het resultaat van de uitkomsten van enige wetenschap.

Opmerkelijk was het optreden van volwassenen in de kring van de SDAP. Er is geen politieke groepering van volwassenen geweest die zich zo heeft ingezet het optreden van de arbeidersjeugd in ‘de hand’ te houden als de SDAP.
Er zijn meerdere initiatieven genomen: de oprichting van de Zaaier op 10 mei 1901, de oprichting van een De Zaaier op 23 april 1905, de oprichting van een JOderSDAP op 16/17 april 1911 en tenslotte de oprichting van een Centrale voor Jeugdontwikkeling in maart 1918 dat als doel had voor de aangesloten (arbeiders)jeugdigen ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren.

Van wat Th.van Tijn stelt in: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag, dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd zijn door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen [97] is niets gebleken. De volwassenen die in mijn onderzoek zijn beschreven maakten geen van alle deel uit van een maatschappelijke emancipatiebeweging. Ze bleken geen affiniteit te hebben met het emancipatie streven van de jeugdigen en jongeren, sterker: ze keerden zich er juist tegen. Enkelen zoals de onderwijzer Groeneweg (respect voor de leider) en Kees Boeke (respect voor de beste) hielden er opvattingen op na die voorzichtig pre-fascistisch genoemd kunnen worden.
Van wat L.Dasberg stelt in: Grootbrengen door kleinhouden als historisch verschijnsel, dat in de twintigste eeuw volwassenen de jeugd groot brachten door ze klein te houden bleek eerder het tegendeel. [98]
Uit het door mij uitgevoerde onderzoek bleek n.l. dat in de door mij beschreven initiatieven jeugdigen groot werden gebracht voor het bestaan van (toekomstige) volwassene. Jeugdigen werden gezien als de voortzetters van het werk van hun vaderen en de jeugdfase als een periode zonder bijzondere betekenis.
van wat A.de Regt stelt in: Omgang tussen ouders en kinderen, dat volwassenen uit de lagere sociale lagen van het volk jeugdigen zagen als volwassene en volwassenen uit de middelste sociale lagen jeugdigen als jeugdige is in het door mij verrichtte onderzoek niet gebleken [99]. Verschillen tussen volwassenen uit de lagere sociale sociale lagen van het volk die uit de middelste bleken er niet te zijn in hun streven de jeugd een kijk op mens en maatschappij bij te brengen, allen immers zagen jeugdigen als (toekomstige) volwassene.
Ook wat Boekholt en de Booy stellen in Geschiedenis van de school in Nederland, vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd, dat het na 1920 vooral volwassenen, gerekruteerd uit de hogere sociale lagen van het volk zijn die de jeugd grootbrengen voor het bestaan van (toekomstige) volwassene is niet gebleken.[100]
De in mijn onderzoek beschreven volwassenen kwamen uit alle te onderscheiden sociale lagen van de bevolking en brachten alle de jeugd groot voor het bestaan van (toekomstige) volwassene. 

Bij de volwassenen die het initiatief namen het onderwijs te vernieuwen en zich in toenemende mate met de zorg voor de jeugd te gaan bemoeien was geen plaats voor rationalisme en intellectualisme, sterker nog: het werd door hen afgewezen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geraadpleegde literatuur

Banning, W.: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.

Banning, W.: Wat wil en doet de arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Amsterdam 1934; ook in: Wie zijn de Woodbrookers, in: Ons werk. Geschriften van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.2, zj; en: Om de groei der gemeenschap. Arnhem 1926, en: De arbeidersbeweging als beschavingsmacht. Geschriften van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.3, zpl, zj.
Boekholt, P.Th.F.M. en E.P. de Booy de, E. P.: Geschiedenis van de school in Nederland, vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd. Assen/ Maastricht 1987.
Bloch, M: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.
Bolt, J. H.: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn. In Theosofia, febr. 1920, jrg XXVII.
Borgman, H.L.: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916. Zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918.
Bymholt, B.: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976.
Coolsma, C.W.: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.
Cort van der Linden, A.: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886.
Cort vd Linden, A.: Volk en Staat, Groningen, 1882.
Darwin, C: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.
Dasberg, L.: Grootbrengen door kleinhouden als historisch verschijnsel. Meppel 1986.
Dekker, den K: Een tien voor vlijt. Meisjesonderwijs vanaf de oudheid tot de MMS. o.r.v. K. den Dekker, WA. Van de Heijden, H. Lucassen, M. Walboomers, in de reeks: Een tipje van de sluier, Deel 7.
Dilling, K: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918.
Dodde, N. L.: Het Nederlandse onderwijs veranderd. Muiderberg 1983
EckJr.van P.L. : De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922.
Eeden, van F.: Thoreau, H. Walden or life in the woods. Londen 1908.
Eeden, van F.: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.
Freudenthal-Lutter, S, J, C.: Naar de school van morgen. Alphen aan de Rijn, 1968.
Gerhard, A.H.: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht. Amsterdam 1899.
Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.
Groeneweg, L.: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920. Zie ook: Glimpen van de Nieuwe School, Persoonlijkheidonderwijs, Groningen 1925.

Groot de, J.: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.
Gunnungh Wzn, J.H.
: De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, Amsterdam 1939.
Haeckel, E.H.P.A: Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie. Bonn 1901.
Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer 1913/1914, blz. 1583-1584.
Harmsen, G, : Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.
Harmsen, G.: Voor de Bevrijding van de arbeid. Nijmegen 1957.
Harmsen, G. e.a.: Van Turf en Tabak tot plastic buizen. Uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging in Steenwijk en omstreken. De Knipe 1991.
Hasebroek, J.P.: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.
Jans. R.:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.
Keefstra, J.J.: Wat maken wij van onze jongeren. In Studien in Volkskracht. Amsterdam 1905.
Key E. : Barnets Arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind.
Knoppers, B.A.: Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung. Emsdetten 1931.

Kohnstamm. PH: Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925.

Kropotkin, P.: Mutual aid: a factor in evolution. 1902. Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.
Kuyper, A.: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin, Amsterdam 1880.
Kuyper, A.: Handenarbeid, Amsterdam 1889.
Kuyper, A.: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.
Leeuw van der J. J.: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.
Leeuw, J.J. van der: Het Practisch Idealisme. Baarn 1922
Leeuw, J.J. van der: De jongeren aan den opbouw. Den Haag 1923.
Ligt, de B.: God Uzelf Uw Naaste. 1912.
Ligthart, J.: Een woordje aan ‘t slot. In: School en Leven. Eerste jaargang, 1899, no.52.
Ligthart, J.: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.
Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population, Londen 1798, Dl I.
Man de, H.: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929.
Mannheim, K.: Das problem der Generationen. In: Kölner Vierteljahreshefte für Soziologie, VII, 1928.

Noordegraaf, H.: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.

Parreren, C.F. van : Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.

 

Ook: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920.
Plessner, H.: Het probleem der generaties, in: Sociologisch jaarboek. III, jrg. 1949.

Ploeg, van der W.H.: Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977.

Radbruch, G.L.: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970.
Regt de, A.: Omgang tussen ouders en kinderen. In: Arbeidersgezinnen en beschavingsarbeid. Nederland 1870-1940. Amsterdam 1984.
Roessingh, K. H.: Persoonlijkheid en Cultuur. Haarlem 1916.
Roland Holst-van der Schalk H.R
.: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Nijmegen 1977.
Santen van, J.: Weimar 1933. Democratie tussen fascisme en communisme. Nijmegen 1983.
Scheepstra, H.: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1904.

Schuurman, H: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.

Soree, M & Snepvangers, M: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.
Struik, D.: Mijn socialistische jaren in Nederland. Herinneringen uit 1914-1924. In: Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1977, Nijmegen 1977.
Stuiveling, G.: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.
Tijn, van Th: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag, In: Jeugd, school en wereld. Jrg. 55, 1971, no. 4; ook in: Student, en in: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, o.r.v.: L. Box, J. Dronkers, M. Molenaar en J. Mulder. Nijmegen 1977.
Velde van der, I.: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940. Groningen 1970.
Verslag van de staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Ingesteld bij koninklijk Besluit van 18 juni 1917 No. 58.
Verwey-Jonker, H.: Emancipatiebewegingen in Nederland. Deventer 1983.
Vorrink, K.:
De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925.
Vorrink, K.: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928.

 

 

 


[1] M. Bloch: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.


[2] Plessner, H.: Het probleem der generaties, in: Sociologisch jaarboek. III, jrg. 1949.


[3] Abendroth,W.: Sociale geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging. Nijmegen, blz 53


[4] Harmsen, G.: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.


[5] B. A. Knoppers: Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung. Emsdetten 1931.


[6] J. H. Gunnungh Wzn.: De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, Amsterdam 1939.


[7] I. van der Velde: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940. Groningen 1970.


[8] S. J. C. Freudenthal-Lutter: Naar de school van morgen. Alphen aan de Rijn. Blz. 141.


[9] Th. van Tijn: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag. In: Jeugd, school en wereld. Jrg. 55, 1971, no. 4; ook in: Student. Januari\februari 1972; zie ook zijn artikel: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, o.r.v.: L. Box, J. Dronkers, M. Molenaar en J. Mulder. Nijmegen 1977,


[10] H. Verwey-Jonker: Emancipatiebewegingen in Nederland. Deventer 1983.


[11] N. L. Dodde: Het Nederlandse onderwijs veranderd. Muiderberg 1983.


[12] Morsch, C.J.J.A: Met de moed van de hoop. Studies over de vernieuwing van opvoeding, onderwijs en maatschappij in Nederland in de periode tussen 1930 en 1984. Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor in de Sociale Wetenschappen aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen 19 december 1984.


[13] Brugmans, I. J.: De agrarische revolutie. In: Paardenkracht en mensenmacht, blz.288 e.v., Leiden 1983.


[14] G. Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw, In: Blauwe en Rode Jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.


[15] G. Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw. In Blauwe en Rode jeugd, blz. 24 ev.


[16] Overige leerkrachten waren o.a. W.v.d. Jagt (klassieke talen), H.J. Boeken (klassieke talen), Z. Stokvis (Nederlands), K. van Damme (Frans), mej. Lohman (Duits), C. M. Borneman (Engels), B. Vreeken (wiskunde en boekhouden), C. J. H. Raad (wiskunde en tekenen), mej. A. Kleefstra (onderwijzeres), J. A. van Schooten (tekenen), mej. W. Bolland (Frans, Duits, Engels)


[17] Keefstra, J.J.: Wat maken wij van onze jongeren. In Studien in Volkskracht. Amsterdam 1905,


[18] A. H. Gerhard,: Een Sociaal Sprookje, Amsterdam 1914


[19] A. H. Gerhard: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,


[20] E.H.P.H.Haeckel: Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philisofie


[21] De grote denkers der eeuwen, Ernst Haeckel en zijn monisme, Amsterdam, zj.


[22] C. Darwin: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.


 

[23] Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population, as it affects the future improvement of society with remarks on the speculations of mr. godwin, m. condorcet, and other writers. Londen 1798. Het verscheen onder de schuilnaam J.Johnson voor het eerst.


[24] De geleerde Kowalewski, trok uit hetzelfde verschijnsel van de bevolkingstoename weer de tegenovergestelde conclusie n.l. dat deze de maatschappelijke ontwikkeling stimuleerde.


[25] A. Cort van der Linden,: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203


[26] A. Cort van der Linden,: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203


[27] Opgericht 1903, leerkrachten waren o.a.: Deutman-De Meijer, Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Nelly Korver, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot


[28] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[29] Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962. Gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.


[30] Jans, R: Tolstoj en de Literaire kritiek 1900-1920, in: Tolstoj in Nederland, Bussum 1952.


[31] P. Kropotkin: Wederkeerig dienstbetoon, een factor der evolutie. Amsterdam 1904 (Mutual aid: a factor in evolution. 1902). Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.


[32] De verhalen werden voor het eerst uitgebracht uit onder de titel: Dicht bij Huis, Groningen 1902. In 1904 volgde: Nog bij Moeder, Groningen 1904. Later werden de verhalen uitgebracht onder de titel: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1906.


[33] A.Kuyper: In ons Huisgezin wortelt ons staatkundig leven, in: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam, 1880.


[34] A. Kuyper: In ons Huisgezin wortelt ons staatkundig leven, in: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[35]Kuyper, A.: Handenarbeid, Amsterdam 1889.


[36] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[37] Ruter, A.J.C.: De spoorwegstakingen van 1903. Een spiegel der arbeidersbeweging in Nederland. Leiden 1935, blz. 484.


[38] Troonrede 1903.


[39] Ruter, A.J.C.: De spoorwegstakingen van 1903. Een spiegel der arbeidersbeweging in Nederland. Leiden 1935, blz.294 ev.


[40] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


 

[41] H. Roland Holst-van der Schalk: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977. Opm: alleen de bevolking in de steen- en pannenbakkerijen langs de Gelderse rivieren hadden het mogelijk nog armer


[42] C. W. Coolsma: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.


[43] W. Banning: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.


[44] J. de Groot: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.


[45] J. Ligthart: Een woordje aan ‘t slot. In: School en Leven. Eerste jaargang, 1899, no.52.


[46] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


[47] J. P. Hasebroek: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.


[48] Jetses voorzag ook het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkelde Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, van afbeeldingen die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien.


 

[49] M. Soree & M.Snepvangers: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.


[50] Opgericht in 1913, leerkrachten waren o.a.: L. van Mierop, J.M. Telders, mw. M. van der Es, mw. P. van der Knoop, mw. T van Mierop-Mulder, Felix Ortt.


[51] G. Stuiveling: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.


[52] Geschiedenis van het Amsterdamsch Studentenleven 1632-1923.


[53] Van Eeden zette zijn hele vermogen op het spel om de slachtoffers van de spoorwegstaking van 1903 te helpen.


[54] J. Saks: De pionieren van Bussum


[55] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[56] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[57] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[58] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 229


[59] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 543,


[60] F. van Eeden: H. Thoreau, Walden or life in the woods. Londen 1908.


[61] H. L. Borgman: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K. Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph. Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H. Schuurman: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.


[62] H. Noordegraaf: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.


[63] Noordegraaf, H.: Het christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging, december 1986


[64] B. de Ligt: God Uzelf Uw Naaste. 1912.


[65] Roland Holst, H.: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II, Nijmegen 1977.


[66] Jong, L. de: De eerste wereldoorlog en zijn gevolgen, in: Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede Wereldoorlog. Dl 1, blz.42 ev


[67] W. H. Vliegen: Die onze kracht ontwaken deed. Deel III, p.437-438.


[68] G. Harmsen: Blauwe en Rode Jeugd, Nijmegen 1975, blz. 53

 

[69] Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer 1913/1914, blz. 1583-1584.


[70] Verslag van de staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Ingesteld bij koninklijk Besluit van 18 juni 1917 No 58.


[71] Deze Centrale voor Jeugdontwikkeling werd in 1920 omgezet in een Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen, verder bekend als Arbeiders Jeugd Centrale (AJC).


[72] K. H. Roessingh: Persoonlijkheid en Cultuur. Haarlem 1916.


[73] W. Banning: Wat wil en doet de arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Amsterdam 1934; ook in: Wie zijn de Woodbrookers, in: Ons werk. Geschriften van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.2, zj; en: Om de groei der gemeenschap. Arnhem 1926, en: De arbeidersbeweging als beschavingsmacht. Geschriften van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.3, zpl, zj.


[74] Lindeboom, J.: Het werkverband van de Arbeidersgemeenschap in: Geschiedenis van de Barchem beweging, 1908-1958, zpl.


[75] Statuten 1939.


[76] Wouters, B: Evolutie in idealen voor opvoeding. In: Theosofia, jrg. XXVII, 10 janauari 1920.


[77] J. H. Bolt: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn. In Theosofia, febr.1920, jrg XXVII.


[78] Zie ook C.J.J.Morsch: Met de moed van de hoop. Studies over de vernieuwing van opvoeding. onderwijs en maatschappij in Nederland in de periode tussen ± 1930 en 1984. Nijmegen 1984.


[79] C.H.Donker: De Vrije School te Den Haag, in: Pedagogische Studien, jrg V, blz 121 e.v. 1925.


[80] Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.


[81] L. Groeneweg: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920, blz.299. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs. 1937


[82] M. H.J.: Schoenmaekers: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde. Blz. 199 e.v. Bussum 1916.


[83] Zie J.Greshof in Het Vaderland 24-01-1957


[84]M. H.J.: Schoenmaekers: Beginselen der beeldende wiskunde. Bussum 1916.


[85]Leeuw, van der J.J.: De jongeren aan den opbouw, Den Haag, zj.


[86] Harmsen G.: Blauwe en Rode Jeugd, blz. 240


[87] Leeuw van der J. J.: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.

 


[88] Leeuw van der J.J.: Het Practisch Idealisme. Baarn 1922


[89] Brugmans, I. J.: Het nieuwe kapitalisme. In: Paardenkracht en mensenmacht, blz. 514 e.v. Leiden 1983.


[90] G. Harmsen: Economische crises, massale werkloosheid, fascisme en oorlogsdreiging. In: Voor de Bevrijding van de arbeid, Nijmegen 1975, blz.172. Zie ook: L.de Jong


[91] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 305.


[92] Harmsen, G: De rode jeugdbeweging in de jaren van werkloosheid en oorlogsdreiging


[93] K. Vorrink: De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925. Blz.4.


[94] K. Vorrink: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928


[95] H. de Man: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929, blz.45.


[96] G. L. Radbruch: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.


[97] Th. van Tijn: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag. In: Jeugd, school en wereld. Jrg. 55, 1971, no. 4; ook in: Student. Januari\februari 1972; zie ook zijn artikel: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, o.r.v.: L. Box, J. Dronkers, M. Molenaar en J. Mulder. Nijmegen 1977,


[98] Dasberg, L.: Grootbrengen door kleinhouden als historisch verschijnsel. Meppel 1986.


[99] Regt de, A.: Omgang tussen ouders en kinderen. In: Arbeidersgezinnen en beschavingsarbeid. Nederland 1870-1940. Amsterdam 1984.


[100] Boekholt, P.Th.F.M. en E.P. de Booy de, E. P.: Geschiedenis van de school in Nederland, vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd. Assen/ Maastricht 1987, blz.163.