Jeugd en volwassenen

Een onderzoek naar de reactie van volwassenen naar aanleiding van de opkomst van de jeugdbeweging tussen 1900 en 1940.     

“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het handelen”,[1]

Inhoud
 1.
Onderwerp, opzet en methode.

 2. Jeugdbeweging en onderwijs.

 3.Geschiedschrijving

 4.Christelijke en nationale deugden

 5.Respect voor elkaars godsdienstige en maatschappelijke    opvatting

 6.Broederschap

 7.Respect voor de Beste

 8.Socialistische levenshouding

 9.Samenvatting

10.Literatuuropgave


1. Onderwerp, opzet en methode.
Onderwerp

  Tussen 1900 en 1940 namen volwassenen zoals ouders en pedagogen het initiatief het onderwijs te vernieuwen en ging de overheid zich in toenemende mate bemoeien met de zorg voor de jeugd. Het een en ander was een reactie op de opkomst van de jeugdbeweging. Volwassenen waren bang geworden dat het optreden van de jeugdigen ‘uit de hand’ zou lopen.
  
Het biologisch fenomeen van jong en oud had rond 1900 de historische gestalte aangenomen van een generatietegenstelling. Groepen van jeugdigen zetten zich af tegen de levensstijl en het cultuurideaal van de volwassenen en sloten zich aaneen in zelfgeleide jeugdbonden.  Hoe het kon gebeuren dat volwassenen bang werden voor het optreden van jeugdigen moet beantwoord worden uit het op enig moment in Europa ontstaan van een aanbidding van de jeugd. [2]
  Door de industrialisatie was de samenleving in het teken komen te staan van de vooruitgang. Alles werd verwacht van de toekomst. De jeugd werd geroepen en niet de hogere leeftijdsklassen. Jeugd en leven waren de leuzen geworden. Jeugd werd gezien als identiek met vernieuwing, jong-zijn betekende: bij-de-tijd. Algemeen werd door volwassenen het standpunt aangehangen dat de maatschappelijke ontwikkeling het werk was van de jeugdigen.

Opzet en methode
Onderzocht wordt welke gebeurtenissen van doorslaggevende betekenis waren: feiten. Geen gebeurtenis is echter zuiver en objectief van doorslaggevende betekenis. Feiten zijn niet zomaar gegeven, komen niet zomaar uit het historische gegeven naar boven drijven, hebben nimmer een immanente zin of betekenis. Gebeurtenissen worden als feiten aangeduid als gevolg van een keuze die gemaakt wordt. Ze zijn niet altijd en overal hetzelfde. Ze zijn afhankelijk van wat onder geschiedenis verstaan wordt en zijn dus onvermijdelijk gekleurd. Als criterium wordt dan genomen het antwoord op de vraag of ze al dan niet relevant zijn voor wat onderzocht wordt, of ze iets bieden wat van waarde of betekenis wordt gezien. Wanneer een daad niet alleen voor het individu van betekenis was, maar ook een mondiale of nationale betekenis had, was het gebruikelijk dit een historisch feit te noemen.
Tegelijk waren dit unieke, éénmalige en niet zich eindeloos herhalende, gebeurtenissen. Ook nu nog noemen we dit een historisch feit. Maar naast het unieke gebeuren en de unieke daden met een grote draagwijdte van de groten der aarde, is er nu ook oog gekomen voor de historische betekenis van de, zich duizendvoudig, herhalende handelingen uit het dagelijkse leven van de doorsnee vertegenwoordigers van alle rangen en standen. Niet ieder van deze daden op zichzelf maar in hun totaliteit. Vooral in de sociale en culturele geschiedenis gaat het zelfs minder om het unieke gebeuren en de unieke daden van de groten der aarde, maar meer om dat wat binnen een bepaald cultuurpatroon algemeen gangbaar was. Zelfs kleine gebeurtenissen die op zichzelf onbeduidend lijken, kunnen in groter verband wel degelijk van historische betekenis blijken te zijn.
  Wat als een historisch feit gezien wordt is een zuiver subjectieve aangelegenheid. Het laat zich immers niet eenduidig bepalen en is ook allerminst een enkelvoudig gegeven. Een oude munt is niet slechts een voorwerp; het is de uitdrukking van bepaalde maatschappelijke verhoudingen, van een bepaald vorstelijk of stedelijk beleid. Het speelde mogelijk een dominerende of ondergeschikte rol in het handelsverkeer. Een moordaanslag op een leidend politicus op een bepaalde plaats en tijd en gepleegd door een bepaald persoon, is niet zomaar een enkelvoudig historisch feit. Een dergelijke politieke moord drukt een extreme conflictsituatie uit, waarbij meestal twee vijandige wereldbeschouwingen op elkaar stoten. De moordaanslag laat zich niet losmaken uit het geheel van de politieke situatie, van de voorafgaande publiciteit, van de bedekte of openlijke aanmoediging tot een dergelijke daad van bepaalde zijde, van de gedragingen van het slachtoffer, van de karakters der betrokkenen, van een reeks bijkomende schijnbare toevalligheden. Noch de moordenaar noch het slachtoffer kunnen als geheel op zichzelf staande personen opgevat worden.
Ieder historisch feit verwijst naar een uiterst complexe werkelijkheid. Zelfs een niet-politieke moord, die bovendien nog niet eens begaan werd, kan bij nadere ontleding een uiterst complex historisch gegeven blijken.
  Een historisch feit is allerminst de harde duidelijk gevormde bouwsteen die de historicus in groten getale hanteert om een stevig gemetseld verhaal te krijgen. Hieruit volgt hoe belangrijk het is om de herkomst van de historische feiten nauwkeurig aan te geven in een beschouwing over de geschiedenis. Het is méér dan een zaak van vertrouwen.
  In dit onderzoek zal getracht worden een beeld van het verleden te re-construeren. Hierbij gaat het om de samenhang bloot te leggen tussen het denken en het handelen.
  De term ideeën wordt gebruikt omdat woorden als theorieën en filosofieën een consistente, afgeronde en tegelijk systematisch ontwikkelde gedachtegang veronderstellen waar alleen op het hoogste intellectuele niveau sprake van is.
  Filosofisch-wetenschappelijk ontwikkelde gedachtestelsels ontstaan of herleven in de hoofden van slechts enkele originele denkers; meer vereenvoudigde gedachten worden weergegeven door de intellectuele kaders in boeken, tijdschriften en lezingen en onderlinge discussies; min of meer kant en klare bevindingen en conclusies worden weergegeven door de groep der activisten in dagbladen, manifesten en redevoeringen; vage voorstellingen in de vorm van leuzen en slagzinnen vernemen we via mondelinge kontakten onder de brede massa van sympathisanten.
  Onderscheid kan worden gemaakt tussen een objectief moment: welke gebeurtenissen en omstandigheden waren er gaande binnen een gegeven maatschappelijke totaliteit, en een subjectief moment: hoe hebben de betrokkenen de hun gegeven gebeurtenissen en omstandigheden beleefd en ervaren, wat waren hun beweegredenen om in beweging te komen, tot welk doel moest hun optreden leiden. Kortom: het gaat om het verschaffen van inzicht. Het gaat er om het specifieke, het bijzondere, van een historische situatie bloot te leggen.
Niet wordt teleologisch te werk gegaan: naar een welgevallige of gewenste situatie toeschrijven, niet wordt uitgegaan van het gelijk van de één of het ongelijk van de ander, niet gaat het er om oordelen te geven, of om te vertellen wat aangenaam in de oren klinkt.
  Pogingen om uitgaande van een veronderstelde algemene menselijke natuur te komen tot universele psychologische wetten ter verklaring van het historisch en maatschappelijk proces hebben weinig of niets opgeleverd. Meestal worden sociale verschijnselen dan herleid tot een psychologistisch simplisme. Ook verregaande abstracties onttrekken het zicht op de sociale werkelijkheid vaak meer dan dat ze het zicht verhelderen doordat essentiële verschillen tussen verschijnselen worden uitgewist.
Gedachten zijn niet automatisch een gevolg van de sociale herkomst van een denker. Gedachten ontstaan niet vrijelijk in de hoofden van geniale mannen of vrouwen, stammen niet rechtstreeks, automatisch uit de maatschappelijke achtergrond van de denker, zijn geen passieve afbeeldingen of weerspiegelingen van het maatschappelijk leven die zich onafhankelijk daarvan voltrekken in de hoofden van denkers.
Gedachten ontstaan in, vormen en ontwikkelen zich door, de ontwikkelingen in het maatschappelijk leven. Dat een bepaalde sociale groepering een gedachte heeft uitgewerkt en tracht dit te verwezenlijken, betekend niet automatisch dat daarmee ook de belangen van die sociale groepering zijn gediend.
De juistheid van een gedachte wordt niet bepaald doordat het verkondigd wordt door een persoon van een bepaald ras of geslacht, of door een persoon met een bepaalde afkomst of leeftijd, of door een persoon met een bepaalde maatschappelijke positie, of een persoon met een bepaalde godsdienstige of politieke achtergrond, of doordat het afkomstig is van de degene die het te berde brengt. Ideeën en opvattingen van een politiek heersende sociale groepering berusten niet altijd op vooroordelen, ook zijn het niet altijd ideologieën die het eigen belang (moeten) dienen.
  De juistheid van een idee of opvatting en het belang wat er mee gediend wordt dient altijd gezocht te worden in het sociale gebeuren zelf.

2. Jeugd en onderwijs.
G. Harmsen (1922-2005) beschrijft in Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940, de voornaamste gebeurtenissen en verschijnselen die zich tijdens de ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse vrije en linkse jeugdbeweging hebben voorgedaan tussen 1850 en 1940. De wisselwerking tussen de opkomst van de jeugdbeweging enerzijds en het optreden van volwassenen anderzijds viel buiten het bestek van zijn onderzoek.
B.A. Knoppers komt in Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung, tot de conclusie dat een zelfstandig door de jeugd geleidde organisatie in Nederland ‘bijnahe nicht besteht’, over volwassenen komt de schrijver tot de conclusie dat deze maar weinig interesse hadden voor de jeugdbeweging, en het optreden van de overheid wordt slechts zijdelings aangehaald en niet in verband gebracht met de jeugdbeweging.
[3]
J.H. Gunnungh, Wzn. noemt in De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, het jaar 1898 als een keerpunt in de geschiedenis van de pedagogie.
[4]
I. van der Velde, brengt in: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940, het streven onder volwassenen het onderwijs te vernieuwen in de periode 1900-1916 in verband met bezwaren tegen de klassikale school en het klassikaal onderwijs, in de periode 1916-1931 in verband met buitenlandse invloeden en in de periode 1931-1940 in verband met een wijziging in de wijze waarop de leerstof wordt aangeboden.
[5]
S.J.C. Freudenthal-Lutter geeft in: Naar de school van morgen, een summier overzicht van enkele pogingen van volwassenen het onderwijs te vernieuwen.
[6]
Th. Van Tijn stelt in: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag, ook in: Student, en in: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd zijn door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen.
[7]
Die zouden hun uitdrukking vinden in de politieke arena, maar ook in die van de opvoeding en in die van het onderwijs. Dit laatste zou dan op twee manieren plaatsvinden: in de eerste plaats zou er telkens - al voor de theoretisch-didactische problemen rijzen – een opmerkelijk vergrootte aandrang komen van de kant van de ouders van tot dusver van onderricht meer of minder verstoken kinderen om hun spruiten wel naar de betreffende onderwijsinstellingen te sturen. Hierdoor zou er in een korte tijd een tekort ontstaan aan onderwijscapaciteit (geld, ruimte, leerkrachten enz.). In de tweede plaats zou er een veranderde visie op doelstellingen en methoden van het onderwijs ontstaan. Ten derde zou dat een uitvloeisel zijn van een veranderde visie op de maatschappij (onderwijs bereid voor op het leven in de maatschappij en aard en inhoud daarvan hangen dus af van de visie die men heeft van de maatschappij), anderzijds zouden juist door de toeloop naar onderwijsinstellingen uit de minder gevormde milieus nieuwe pedagogisch-didactische problemen rijzen.
H. Verwey-Jonker haalt in Emancipatiebewegingen in Nederland, de zelfstandige door jeugdigen gevormde en geleidde organisaties slechts zijdelings aan.
[8]
N.L. Dodde, stelt in Het Nederlandse onderwijs veranderd, dat in plaats van daadwerkelijke vernieuwing en verbetering van het onderwijs in de periode 1898 tot 1963 slechts over een verandering van het onderwijs gesproken kan worden.
[9]
De angst was ingegeven doordat op enig moment in Europa een aanbidding van de jeugd was ontstaan: de maatschappelijke ontwikkeling zou het werk zijn van de jeugdigen.
[10]
Door de industrialisatie was de samenleving in het teken komen te staan van de vooruitgang. Alles werd verwacht van de toekomst. Dit had de jeugd geroepen en niet de hogere leeftijdsklassen. Jeugd en leven werden de leuzen. Jeugd werd gezien als identiek met vernieuwing, jong-zijn betekende: bij-de-tijd.

Onderricht en opvoeding in het verleden.
Bij de Grieken had het onderricht tot doel de jeugd kennis en vaardigheden bij te brengen die nodig werd geacht voor het uitoefenen van een publieke functie zoals: klassieke talen, klassieke literatuur, kunst en geschiedenis, plus een gezonde ontwikkeling van het lichaam. Het ging hierbij om: het bereiken van perfectie, de vorming van een cultureel ontwikkeld mens en de voorbereiding op het burgerschap. 'Opvoeding houdt in lichaam en ziel alle perfectie geven waar zij vatbaar voor zijn', zei Plato.
Ook bij de Romeinen lag de nadruk op het bijbrengen van kennis en vaardigheden. Een goed opgeleid man had een publieke functie en nam actief deel aan het publieke leven. Alle scholing werd beschouwd als een voorbereiding op deze rol. Naarmate de Romeinen meer ideeën overnamen van de Grieken begonnen ook de culturele doelen van opvoeding en scholing belangrijker te worden, en de vorming van iemand tot 'vir bonus' ('gentleman' of 'bonhomme').
In het Mattheus-evangelie 18.3 geeft Christus het dringende advies te worden gelijk de kinderen: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet veranderd, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’.
De Franse filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) roept op in Emile ou l’éducation, de opvoeding aan te laten sluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind en deze niet te richten op het toekomstige leven van volwassene.
De Zweedse, sterk door Nietzsche beïnvloede, pacifiste Ellen Key (1849-1926), proclameert in: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, (waarin ze de vrouw ziet als intellectueel de mindere van de man, wat haar niet verhinderde op te komen voor het vrouwenkiesrecht en de arbeidersbeweging te steunen), de 20 e eeuw tot ‘de eeuw van het kind’ en verhief het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm.
[11]
De Nederlandse proletarierskinderen zouden hier weinig van merken zo schrijft H.R. Roland Holst-van der Schalk in Kapitaal en Arbeid in Nederland, want de nieuwe eeuw bracht aanvankelijk, wat de oude ook had gebracht: uitbuiting, ellende, en verwaarlozing.
Key was hiermee overigens niet de eerste die het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm verhief. De Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero (106 tot 43) zag het kind al als ‘speculum naturae’ als ‘spiegel der natuur’. Het doel de jeugd voor te bereiden op een rol in het publieke leven gold ook in de zeventiende en achttiende eeuw. Tevens werd het doel van de geleidelijke en natuurlijke ontplooiing van iemands talenten geïntroduceerd.
Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd jeugdigen een religieus besef bijgebracht. Het religieus-zedenkundige leesboek, met voorbeelden uit de Bijbelse geschiedenis, waarin de godsdienst wordt verheerlijkt vierde hoogtij. De invoering van de onderwijswet van 1857, waarin naast vakken als lezen, schrijven, en rekenen ook geschiedenis, aardrijkskunde en zingen verplicht werd gesteld, markeerde de overgang naar een onderricht waarin gestreefd werd die kennis en vaardigheden bij te brengen die de jeugdigen moest voorbereiden op de uitoefening van een beroep of ambacht. Bijgebracht werd wat nodig gevonden werd om het de jeugdige, wanneer deze de school verliet bij het bereiken van het tiende levensjaar, aan het einde van de leerplichtige leeftijd, zonder dat de gehele zesjarige schoolperiode was doorlopen, mogelijk te maken het tot loop- of fietsjongen of loswerkman zoals dat toen heette, te kunnen brengen. Latere initiatieven zoals de invoering van handenarbeid, gymnastiek, zelfwerkzaamheid, concentratie van de leerstof, zaakonderwijs hadden alle tot doel het onderricht doelgerichter en efficiënter te laten plaatsvinden.
Als protest tegen het ‘rationalisme’ werden scholen opgericht waar de leerlingen op voet van gelijkheid verkeerden met hun onderwijzer. Zo richtte Cecil Reddie in 1889 in Engeland zijn New School op, Herman Lietz in 1898 in Duitsland zijn Landerziehungsheim, en Edmond Demolins in 1899 in Frankrijk zijn L'Ecole des Roches.
Dikwijls worden in onderwijskringen in Nederland buitenlandse initiatieven aangehaald welke bekend zijn geworden onder de naam Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht.
Helen Parkhurst (1887-1973) die aan de éénmansschool in de plaats Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes zich geplaats zag voor de taak de kinderen van de opdringende emigrantenstroom van diverse nationaliteiten en zeer verschillend intellectueel niveau in een nog dun bevolkt land ‘in de smeltkroes’ van het onderwijs om te vormen tot loyale staatsburgers, schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken. Ze kon met financiële steun van de welgestelde familie Crane in 1919 The Children's University School, openen.
Peter Petersen (1884-1952) die in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd werd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas steeds uit minder jeugdigen bestond, maakte een einde aan de jaarklassen. Hij vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet de jeugdigen in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en liet de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd.
Célestin Freinet (1896-1966) die in 1920 op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd werd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen waardoor de jeugdigen weinig gemotiveerd het onderricht volgden, bood jeugdigen de mogelijkheid om zich aan de hand van de eigen interesse en belangstelling te verdiepen in door hen zelf gekozen onderwerpen.
Maria Montessori (1870-1952) die in 1907 in Rome in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome geconfronteerd werd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling, liet om de jeugdigen de mogelijkheid te geven zich intellectueel te ontwikkelen met eigen gemaakt materiaal voelen, horen, zien en ruiken.
Ze weerde de sprookjes uit haar school, verving het vrije tekenen door het omtrekken van geometrische figuren om tot een vaste hand van schrijven te komen en oefende de zintuigen niet aan geluiden en kleuren in de natuur, maar aan rammelbusjes en kleurenspoeltjes.
Pestalozzi liet uit armoede de jeugdigen, wat in de klassikale school als bedrog gestraft werd, elkaar helpen. De natuurlijke ontplooiing van de vermogens van het individuele kind en het leren niet door luisteren maar door eigen activiteit staat op de voorgrond bij O. Decroly met zijn ‘école pour la vie et par la vie’ in Brussel, zijn globalisatietheorie, zijn ‘leren uit het volle leven’ en zijn ‘centres d’intérêt’, en Georg Kerschensteiner met zijn ‘Arbeidsschule’.
Leo Tolstoj richtte voor de boerenkinderen van Jasnaja Poljana een winterschool op - zomers werden de kinderen geacht genoeg in het boerenbedrijf te leren. Op het eind van de eeuw krijgt in Engeland, in Frankrijk, ten slotte ook in Duitsland de gedachte van een ‘vrije school gestalte: anti-intellectualistisch, contact met de natuur en vorming van het gevoelsleven, veel lichaamsbeweging, schoolgemeenschap met min of meer uitgebreid zelfbestuur en zelfverzorging in huis en tuin, scholing van de kunstzinnige aanleg.
In Engeland werkte op die basis het in 1899 gestichte Abbotsholme, en in Frankrijk verrees in hetzelfde jaar de Ecole des Roches. In Duitsland ijverde G. Wyneken, een geëxalteerde idealist, voor een Freie Schulgemeinde, een Duitse uitgave van de Amerikaanse school city, die hij in 1906 in Wickersdorf verwezenlijkte. In 1899 stichtte dr. Lietz zijn Landerziehungsheim in Ilsenburg, in 1910 Paul Geheeb zijn Odenwaldschule. Voor de Eerste Wereldoorlog waren er minstens twintig van zulke vernieuwingsscholen in Duitsland en een tachtigtal in West-Europa.


3. Geschiedschrijving.
Het heden is een resultante van alle gegroeide krachten en tradities van het verleden. Het verleden laat sporen na d.m.v. bronnen. De historicus bouwt een beeld van het verleden op d.m.v. de bronnen. De bronnen zijn echter onvolledig, zodat het beeld ook wel onvolledig moet zijn. Omdat het maatschappelijk gebeuren voortgekomen is uit de menselijke geest en tegelijkertijd in de menselijke geest bestaat, beïnvloed de mens en maatschappijopvatting van de historicus de beschrijving van het verleden.

Deze invloed kan een positieve zijn: hij heeft het zelf ervaren en kent het daardoor van binnen uit (betrokkenheid), doch deze beïnvloeding kan ook negatief zijn: hij ziet het soms te gekleurd (ideologische bevangenheid).
Een aantal factoren maken de totstandkoming van een volkomen juist, volledig en definitief beeld van het verleden onmogelijk: de bronnen zijn dikwijls incompleet, onbetrouwbaar, eenzijdig en gekleurd en de historicus is een mens met beperkingen vanwege de tijd waarin hij leeft, en het land en de plaats waar hij woont. Ook speelt het maatschappelijk milieu waarin de historicus is opgegroeid een rol, en diens godsdienstige en politieke gezindheid, en zijn ideeën en opvattingen die zo vertrouwd zijn dat ze als vanzelfsprekend voorkomen. Bij de historicus spelen ook nog een rol de persoonlijke eigenaardigheden die versterkt zijn door aanleg, temperament, opgedane persoonlijke ervaringen en aangetroffen omstandigheden.
In de natuur kan van een verschijnsel dat volledig aanwezig is en in zijn geheel kan worden waargenomen studie worden gemaakt, naar aanleiding hiervan hypothesen worden opgesteld, en het resultaat van de bevindingen worden geverifieerd door waarneming en experiment.
In de maatschappij/historische wetenschap is dit niet mogelijk. Het historisch proces omvat het gebeuren wat achter ons ligt, het gebeuren wat zich op dit moment in het hier en nu afspeelt, en het omvat het grote scala aan denkbare mogelijkheden die in het historisch proces besloten liggen.
Het heden is de voortschuivende scheidingslijn tussen verleden en toekomst. Een bepaalde ver of minder ver achter ons liggende fase van het historisch proces is niet meer als zodanig aanwezig, al werkt het verleden in het heden=contemporaine-gebeuren, door, het is immers de uitkomst van het verleden. Het verleden heeft sporen nagelaten. Het heden is in feite één groot door het verleden achtergelaten spoor. Elke dag nemen we van iets anders afscheid, zonder het te weten.

4. Christelijke en nationale deugden

Omstreeks 1900 nemen volwassenen het initiatief de jeugd christelijke en nationale deugden bij te brengen. Vanaf het einde van de jaren zeventig in de negentiende eeuw had over Europa een zware economische depresssie gehangen. Ook in Nederland waren de gevolgen hiervan gevoeld. Het was een periode van slechte tijden. De textielindustrie beleefde slechte tijden, in de bouwvakken heerste grote werkloosheid. De kou maakte de nood onder de arbeiders bijzonder schrijnend. De crises in de landbouw die omstreeks 1870 begon had de gevolgen van die in de industrie nog een keer verergerd. Duizenden arbeiders, werkzaam op het platteland in de agrarische industrie, waren naar de steden getrokken in de hoop daar werk te vinden, met als gevolg dat de menigte der werklozen buitengewoon toenam. Anderen bleven in hun gemeente, in leven gehouden door de karige giften der diaconieën of burgerlijke armbesturen.
De arbeiders leden door het ontbreken van werkgelegenheid en onder de schommelingen hierin in de tweede helft van de 19e eeuw. Massale en langdurige werkloosheid vooral in de winter had een belangrijk deel van de bevolking aan de rand van het bestaansminimum of zelfs daaronder gebracht. De honger was overal. De wet uit 1854 waarmee de taak van de overheid in het ondersteunen van de armen was beperkt en overgelaten aan kerken en particuliere instellingen had de honger in omvang doen toenemen. Werklozen en armen hadden zich zo goed mogelijk zien te redden. Alleen in uiterste noodzaak sprong de overheid bij. De lange duur van de werkloosheid en de armoede had de gezondheid, de geestelijke en lichamelijke conditie en de vakbekwaamheid aangetast.
Na 1895 volgde dan op de lange economische depressie een opleving en een kapitalistische bloeiperiode, weliswaar onderbroken door geregeld terugkerende crisissen die kort van duur waren. De banken, de handel en de industrie maakten weer winst, de werkloosheid onder de arbeiders daalde, de landbouw fleurde op, de tuinbouw kwam op. In de grote havensteden kwam de handel handen te kort; vele nieuwe fabrieken verrezen.

De jeugdigen hadden de gevolgen van de crises ook gemerkt. Doordat in Nederland in het economisch gebeuren het ambacht en kleinbedrijf nog lang domineerden vergeleken met de omringende landen, gingen jeugdigen, die op 11 à 12 jarige leeftijd van school kwamen, dan ook aan het werk bij een kleine baas als loopjongen, drukkers- of zettersleerling, schildersknecht, sigarenmaker, aankomend horlogemaker, diamantslijpersleerling, winkelbediende, timmermansjongen, meubelmakersjongen. De crises had geleid tot een verscherpte concurrentie tussen enerzijds bedrijven die over voldoende financiele middelen beschikten om gebruik te kunnen maken van de stoommachine en over te gaan naar een fabrieksmatige productie waardoor ze sneller konden produceren met minder kosten, en anderzijds de bedrijven die de kosten voor een uitbreiding van de fabrieksmatige productie niet konden opbrengen, waardoor bij hen de afzet van producten verminderde. Deze laatste bedrijven kregen moeite het hoofd boven water te houden en wentelden de kosten hiervan af op de jongeren door het loon te verlagen of door dit zo laag mogelijk te houden. Dit was voor de leerlingen in de werkplaatsen onaanvaardbaar. Ze sloten zich aaneen en organiseerden zich in jongeliedenbonden. In Recht van Allen van 15 april 1885 werd voor de eerste keer melding gemaakt van de oprichting van een jongeliedenbond. In de loop van 1885 werden jongeliedenbonden opgezet in de Zaanstreek, Groningen, Den Haag, Rotterdam, Sneek en Amsterdam.
De jeugdigen hielden demonstraties, colporteerden en verspreidden manifesten. De 19 jarige L.Schotting moest zich voor het verspreiden van een strooibiljet bij de rechter verantwoorden, en hoorde 2 maanden gevangenisstraf tegen zich eisen.
[12]
K.A.Bos en C.G.Tieleman werden in Amsterdam voor het verspreiden van een strooibiljet veroordeeld tot een gevangenisstraf: Bos voor 8 maanden en C.G.Tieleman tot 6 maanden.
[13]
Een ander (Lucas) werd in Den Haag wegens het verspreiden van opruiende geschriften veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf.
[14]
Er werden kranten gelezen, boeken en brochures. Een enkeling las Multatuli, Buchner en jaargangen van De Dageraad, weer een ander las het Communistisch Manifest, en op een ander maakte Het Sociaal Sprookje van Gerhard grote indruk.
[15]
Darwin, Kropotkin en Domela Nieuwenhuis werden gelezen. De jeugdigen  lieten zich door H. Roland Holst-van der Schalk de beginselen van een socialistische wereldbeschouwing bijbrengen.
[16]
Ze waren dikwijls afgevaardigde in een of ander comité zoals: de zaak Hogerhuis, de Algemene Werkstaking, de eerste Mei. Ze trokken door de straten al zingend op de melodie van de Marseillaise. Hun straatbetogingen gingen bijna nooit gepaard zonder kloppartijen met de politie en bij hun propaganda- en colportagetochten viel dikwijls meer slaag, dan er lectuur werd verkocht. Soms colporteerden ze gewapend met knuppels als verdedigingsmiddel tegen de handtastelijkheden van een vijandig gezinde bevolking.
[17]
Ze gingen dikwijls ‘s nachts motto’s plakken en kalken.
In 1885 vormden plaatselijke jongeliedenbonden de landelijke Sociaal-Democratische Jongelieden Bond (SDJB) die zich aansloot bij de door Domela Nieuwenhuis geleidde Sociaal Democratische Bond (SDB)
.

Toelichting: De SDB was op 12 februari 1882 ontstaan uit plaatselijke sociaal-democratische verenigingen. De eerste vereniging was opgericht op 7 juli 1878 in Amsterdam door Willem Ansing (1837-1900). Deze door Ansing opgerichte Sociaal-Democratische Vereeniging (SDV) was een 'gemengde' vereniging: hiervan konden niet alleen handwerkslieden lid worden, maar ook onderwijzers, kantoorbedienden, winkelhouders en een ieder die met de beginselen kon instemmen.[18]
Tot de leden behoorden: Willem Ansing, Klaas Ris (1821-1902) en Hendrik Gerhard (1829-1886). In Haarlem, Den Haag en Rotterdam ontstonden later soortgelijke sociaal-democratische verenigingen.
Bernardus Hermanus Heldt (1841-1914), Ansing en Gerhard hadden contact gekregen met de toen 33-jarige Lutherse predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919). Domela Nieuwenhuis was met grote felheid opgekomen voor invoering van het algemeen kiesrecht, en had gesproken over socialisme. Zijn propaganda sloeg aan bij duizenden. Hij meende dat het tijd was voor een krachtige organisatie die zich hiervoor zou inzetten. Hij had het christelijk geloof losgelaten, en was een overtuigde atheïst geworden. Op 1 september 1897 nam hij afscheid als predikant en werd weldra de erkende leider van het Nederlandse socialisme.
Nadat ook in Rotterdam een Sociaal-Democratische Vereeniging was opgericht hadden de plaatselijke verenigingen zich aaneengesloten en ontstond in 1881 de landelijke Sociaal-Democratische Bond (SDB) met als voorzitter H.Gerhard, enkele jaren later overgenomen door: Ferdinand Domela Nieuwenhuis, geboren in Amsterdam (1846) als zoon van een hoogleraar aan het Luthers seminarium. Hij werd Luthers predikant maar trad in 1879 af. Onbarmhartig trok hij van leer tegen de vijf machten die, zo zag hij het, in samenspanning de arbeiders knevelden en hun alle rechten onthielden, de vijf K’s: Kapitaal, Kazerne, Kerk, Kroeg en Koning.
Teleurgesteld door het weinige dat door Domela Nieuwenhuis bereikt is kunnen worden werd hij anarchist. Verbeteringen verwachtte hij slechts van een opeenvolging van elkaar aanvullende en versterkende, tenslotte op revolutie uitlopende werkstakingen.
Binnen de SDB ontstond een stroming die juist iets verwachtte van een stapsgewijze hervorming door middel van wetgeving via het parlement en zo hoopte te komen tot een geleidelijke opheffing van de sociale misstanden.
De minderheid zag hervormingswerk binnen de bestaande maatschappij en verwezenlijking van het socialisme twee kanten van een en dezelfde politiek. Tot deze minderheid behoorde o.a. de Friese advocaat: Pieter Jelles Troelstra (1860-1930),
in Leeuwarden geboren als zoon van een gezeten burger (zijn vader was ontvanger), meester in de rechten, socialist, en volgeling van Domela Nieuwenhuis geworden door de peilloze ellende die hij op het Friese platteland in die jaren aanschouwd had. Troelstra trad in 1894 uit de SDB en richtte met elf gelijkgezinden (de ‘twaalf apostelen’) in Zwolle de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) op.

Toen de jeugdigen in de SDJB ook kozen voor de anti-parlementaire weg en de naam SDJB veranderen in Socialistische Jongelieden Bond
(SJB), werden bepaalde groepen van volwassenen bang dat het optreden van de jeugdigen zou leiden tot een nieuwe periode van werkloosheid. Zij gaan de jeugd christelijke en nationale deugden bijbrengen.

Zelfbeheersing
Jentje Johan Kleefstra (1860-1929), onderwijzer en lid van de SDAP, was duidelijk getroffen door het optreden van de jeugdigen: Rijst niet het beeld voor u op van de lange slungel die met de neus in de wind, een hoge boord onder de kin, een partij geleerdheid onder de arm, overal met zijn waanwijheid te koop loopt? Denkt ge niet aan den bengel, die vagabondeert langs ’s Heeren wegen, alsof de heele wereld zijn domein is? die u met een brutaal gezicht staat te treiteren, uw tuin afstroopt, uw eigendom beschadigd en om God noch zijn gebod iets geeft? Of is uw ergernis meer opgewekt door de nufjes, die reeds als dames behandeld willen worden, terwijl ze nog in de korte rokken zijn en de neus optrekken voor alles, wat zuivere, ronde natuur is. [19]
Kleefstra liet de jeugdigen aan de Brinioschool in Hilversum sport beoefenen: voetballen, korfballen, tennissen, gymnastiek beoefenen, zwemmen, schaatsen, schoolwandelingen en fietstochtjes maken.[20]

Sport was in het laatste kwart van de 19e eeuw ‘als vermaak’ uit Engeland overgewaaid, en werd nu in Nederland als een a-politieke bezigheid door de jeugd uit het financiel beter gesitueerde deel van de bevolking beoefend.

In het laatste decennium van de negentiende eeuw had zich in de SDAP een sociaal-darwinistisch denken gevormd waarin geloofd werd dat door de ontwikkeling van de mens de gemeenschap zich vanzelf zou ingroeien tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen en de sociale misstanden vanzelf zouden verdwijnen. Woordvoerder van dit denken was: Adriaan Henri Gerhard (1858-1948). Gerhard was mede-oprichter van de SDAP en zeer populair. Zijn Sociaal Sprookje werd verschillende malen gedrukt en voorgelezen op vergade­ringen.
Gerhard had: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, in het nederlands vertaald en laten verschijnen.[21]
Van de bioloog Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919) was in 1899 Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie verschenen. Het boek was een ongeevenaard sukses – er werd een drie miljoen exemplaren in meer dan twintig talen van verkocht.    
Haeckel was aanhanger van een monistisch denken. Hij zag het organisch leven: het leven van mens, plant en dier, én het anorganisch leven: maatschappelijk leven als één geheel.[22]
Haeckel geloofde dat door de doorgaande ontwikkeling van de mens zowel in zijn biologische staat als in zijn staat als maatschappelijk wezen, de gemeenschap vanzelf zou ingroeien tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen.
Hackel had zich laten inspireren door de Engelse bioloog Charles Darwin (1809-1882). Darwin had, mogelijk gemaakt door de overweldigende hoeveelheid gegevens door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie die hem ter beschikking stonden, gesteld dat de natuur niet een voor eens en altijd vaststaand gebeuren was, maar een niet eindigende evolutie doormaakte. Darwin had gesteld dat door middel van een proces van natuurlijke selectie de soort die het meest de eigenschappen had zich onder bepaalde gegeven omstandigheden te handhaven overleefd. [23]
Darwin had zich laten inspireren door de dominee Thomas Malthus (1766-1834). Malthus had in An Essay on the Principle of Population, dat in 1798 voor het eerst verscheen onder de schuilnaam: J. Johnson, gesteld dat de omvang van de bevolking altijd twee keer zo groot zou zijn dan de hoeveelheid beschikbare voedingsmiddelen (behoudens rampen of epidemien) en dat in zo’n situatie van over-bevolking het zwakke deel van de bevolking zou overlijden en het sterke deel in leven blijven.[24]
Malthus’ demografische verelendungstheorie bleek overigens onjuist: het is de vraag naar arbeidskracht dat de hoogte van het loon bepaald. Malthus reageerde echter op de omstandigheden die hij in zijn tijd zag, n.l. dat een stijgend gebrek aan voedsel samenging met een stijging van het aantal kinderen. Immers, met een zo groot mogelijk aantal kinderen kon het gezin zich in leven houden.
De voorzitter van de Maatschappij van Nijverheid duidde op een vergadering kindersterfte en werkloosheid letterlijk aan als ‘twee verschijnselen die wijzen op een normaal en krachtig zich uitzettende bevolking. Zij zijn de kanalen waarlangs het overtollige afvloeit.[25]
Het resultaat was de Nieuw-Malthusiaanse Bond, die werd opgericht in 1881, en een voorlichtingscampagne begon waarin een zogenaamd ‘middelelenboekje’ centraal stond.

Verantwoordelijkheidsbesef
Het kabinet Pierson Goeman-Borgesius (1897-1901) laat jeugdigen die door de rechter zijn veroordeeld niet meer opsluiten maar opvoeden in het gezin. Voogdijraden krijgen de taak de rechter te adviseren, en gezinsvoogden, verenigd in de Pro Juventute verenigingen, de taak de leiding over te nemen van het gezin. Het kabinet was het arbeiderskind met iets andere ogen gaan zien: het was gepromoveerd van ‘schooiertje’ en ‘boefje’ tot het ‘misdeelde kind’.
Rond de eeuwwisseling van de negentiende eeuw had zich een sociaal-liberaal denken gevormd waarin geloofd werd dat door opvoeding een einde zou komen aan sociale misstanden. Woordvoerder van dit denken was: Adriaan Cort van der Linden (1846-1935). Cort van der Linden was hoogleraar in de staathuishoudkunde en statistiek en minister van justitie in het kabinet. Hij zag de staat niet meer slechts als een noodzakelijk kwaad, met geen ander doel dan het scheppen van de voorwaarden voor een onbelemmerde ontwikkeling van alle mogelijkheden, maar zag de staat ook om ‘te waken voor een regtvaardige verdeeling van de maatschappelijke productie’.[26]
Cort van de Linden zag als doel van de staat te beogen:’dat iedere arbeider, ieder die werkt inderdaad het loon ontvangt van zijn verdienste, en het als de natuurlijke plicht van de staat te beslissen over de wijze hoe het goed wordt verdeeld.[27]
Hij zag het als taak van de staat te zorgen voor onderwijs ‘omdat toch reeds de verschillen in het vermogen der ouders verschillen te wegbrengen in de verschillende stelling der kinderen welke door gene wetgeving geheel kunnen worden weggenomen’. [28]
Cort van der Linden zag als noodzakelijke voorwaarde om de armoede te verhelpen de vermeerdering van kennis:‘Vermeerdering van kennis zal de arbeiders bewaren voor de onbeperkte overgave aan volksmenners. [29]
Maar als allerbelangrijkste zag Cort van der Linden de verhoging van het zedelijk peil: ‘Matigheid, orde, spaarzaamheid zijn er noodig om van de werkman een zelfstandig man te maken’, en stelt verder Ten slotte heeft de werkman zijn eigen lot in handen.’ [30]
Als ‘voornaamste hefboom tot verheffing van de werkende stand’ zag Cort van de Linden dan de opvoeding.[31]
 
Plichtsbesef
Hélène Mercier (1839-1910) geeft de jeugdigen in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan in Ons Huis aan de Rozenstraat de mogelijkheid zich algemeen te ontwikkelen: er is een bibliotheek en een leeszaal, er wordt een praatavond of een zondagavondbijeenkomst georganiseerd, een lezing, voordracht of tentoonstelling gehouden, onderricht gegeven in de Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen en in verstellen, in muziek maken, in toneel spelen.[32]
Mercier publiceerde in het Sociaal Weekblad, waarin behalve zij gepubliceerd werd door: H.L. Drucker, H. Goeman Borgesius, B.H. Pekelharing, H.P.G. Quack, J.C. van Marken.
In het eerste decennium de negentiende eeuw had zich onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen een vrijzinnig-democratisch denken gevormd waarin geloofd werd dat met voldoende algemene kennis sociale misstanden zouden verdwijnen. Woordvoerder van dit denken was Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905). Kerdijk had de studie rechten gevolgd aan de Rijksuniversiteit van Utrecht en in 1902 de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) opgericht. Kerdijk was woordvoerder van een onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen zich gevormd denken waarin geloofd werd doormet voldoende algemene kennis sociale misstanden zouden verdwijnen.
Kerdijk had zich op zijn beurt laten inspireren door het werk van Charlotte Knappert (1860-1952). Knappert had de Mulo gevolgd, de acte Frans gehaald en het diploma godsdienstonderwijzeres.
Zij had in 1899 in Leiden toen een grote brand had gewoed in een katoenfabriek waarbij honderden vrouwen werkloos waren geworden Het Leidse Volkshuis geopend. Het was bedoeld als werkverschaffing, maar was door Knappert omgezet tot een maatschappelijk cultureel centrum. Ze organiseerde er voor dienstmeisjes en vrouwelijke jeugdigen die werkzaam waren op de fabriek, leesonderricht en onderricht in het herstellen van kleding, bood verpleging aan in de wijk, hield een spaarkas, gaf gelegenheid gebruik te maken van een bibliotheek, hield wandelingen, had een zangkoor voor arbeiders en organiseerde er vakantiedagen voor de bezoekers.
Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren.
In Nederland waren socialistische studenten betrokken geweest bij de eerste pogingen om tot Toynbee-werk te komen.
Na de dood van Arnold was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.

Tevredenheid
De uitgever Eduard Benjamin Ter HorstJr. (1865-1905) laat in 1904 verhalen verschijnen over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin.
De verhalen verschenen in 1904 voor het eerst onder de titel ‘Het boek van Ot en Sien’.[33]
Ter HorstJr had zich laten inspireren door
de minister president Abraham Kuyper (1837-1920). Kuyper, ‘Abraham de Geweldige’, hoe werd hij niet door een deel van het volk vereerd, had in 1901 een eclatante verkiezingsoverwinning behaald. Hij had zich in 1903 in felle bewoordingen gekeerd tegen de op 8 januari gehouden spoorwegstaking door deze te veroordelen als een politiek revolutionaire-, anarchistische actie en misdadige woeling. Kuyper was woordvoeder van een in de jaren tachtig van de negentiende eeuw zich gevormd een vrijzinnig-protestants denken waarin het gezin werd gezien als ‘de wortel en de kiem . . . waar heel de Staat uit opwast; niet volgens uitvinding der menschen, maar volgens het bestel van den levenden God’.[34]
Kuyper, domineeszoon uit Maassluis, was vier jaar lang, van 1863 tot 1867, predikant in het Betuwse
Lingedorp Beesd. Vanuit Beesd vertrok hij naar Utrecht, vanuit Utrecht in 1870 naar Amsterdam waar hij hoofdredacteur werd van het weekblad De Heraut. Op 1 april 1872 deed hij het eerste nummer verschijnen van een eigen politiek dagblad, De Standaard. Zeven jaar later was tot eerste voorzitter gekozen van het Centraal Comite van Anti-Revolutionaire Kiesverenigingen. Het eerste artikel van het ontworpen beginselprogram verklaarde: ‘De Anti-Revolutionaire of Christelijk-Historische richting vertegenwoordigt voorzoveel ons land aangaat, de grondtoon van ons volkskarakter. Kuyper, gesterkt door de oprichting van een eigen  universiteit, de Vrije (1880), had eerst binnen, spoedig naast - en tenslotte tegenover - de Hervormde Kerk -  een kerkelijke richting van ‘klagenden’ (de Doleantie) gevestigd dat in 1892 tot de Gereformeerde  kerken in Nederland leidde samen met een deel  van de Afgescheidenen die in de jaren ’30 en ’40 in opstand gekomen waren  tegen de geestesgesteldheid van de Nederlands Hervormde Kerk – dat had geleid tot de eerste afscheiding: Acte van Afscheiding of Wederkeer, o.l.v. de predikant Hendrik de Cock - een ander deel bleef als Christelijk Gereformeerde Kerken na 1892 een eigen pad volgen. Naar aanleiding van de pro-Duitse houding in de oorlog van de Gereformeerde Kerken in Nederland zou zich in 1944 onder de leiding van Klaas Schilder een groep van gelovigen afscheiden, zich noemend naar het artikel waarop de gelovigen zich baseerden: Artikel 31, ook wel bekend onder de naam Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.
Hij was ‘sinds 1872 . . . dag in, dag uit met De Standaard in de gezinnen gekomen; die hadden die krant gespeld. Week in, week uit sprak hij hen toe door middel van zijn kerkdijk weekblad De Heraut. Hij schreef boeken voor hen, hij doceerde voor hun voormannen,’ - aan de Vrije Universiteit in zes vakken tegelijk! - hij leerde hen denken en doen. Hij verhief hen tot groten en noemde hen kleine luyden. Toen hij stierf, overleed hun predikant, hun politieke leider, hun hoogleraar, hun herder, die hen tot predikanten, leiders, leraren en herders had verkozen. Zijn portret stond op het harmonium in de mooie kamer, zijn in koper gedreven beeltenis hing aan de muur, zijn boeken stonden als kostbare werken op de boekenplanken’ aldus A. C. de Gooyer, zelf opgegroeid in een gezin waar de zolders kraakten van Kuypers blad dat exemplaar voor exemplaar, vanaf 1872 bewaard was. [35]
Kuyper richtte in 1879 de Anti- Revolutionaire Partij (ARP) op en in 1880 de Vrije Universiteit in Amsterdam, die hij had geopend met zijn rede: Soevereiniteit in eigen kring. Hij
had in De Standaard een serie van opstellen laten verschijnen onder de titel: Antirevolutionair ook in uw huisgezin waarin hij schreef dat de beslissing over de positie, waarin we geboren zouden worden, niet aan ons stond, maar aan een macht buiten ons’. [36]
Hij had in een in 1889 verschenen opstel: Handenarbeid opgeroepen arbeiders bij te brengen ‘met weinig tevreden leeren zijn’.[37]
Kuyper had op het in 1891 door de christelijke werknemersorganisatie Patrimonium georganiseerde Sociaal-Congres in zijn openingsrede: ‘Het sociale vraagstuk en de christelijke religie’ het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot veroordeeld als ‘de dienst van Mammon’, en de toehorende arbeiders opgeroepen af te zien van verbetering van het lot om in de plaats daarvan ‘het eeuwige leven’ op de voorgrond te stellen. Kuyper had de toehorende arbeiders ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’ in het vooruitzicht gesteld en er op gewezen dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.[38]
Al jaren had de Vereeniging van Werkgevers op Scheepvaartgebied zich verzet tegen de invloed van vakorganisaties en geweigerd deze te erkennen. In 1900 hadden verschillende vakverenigingen van arbeiders uit de haven en bij de scheepvaartbedrijven zich verenigd in een Federatie. Eind 1902 besloot deze Federatie het lidmaatschap verplicht te maken en verbood het de georganiseerde arbeiders samen te werken met de ongeorganiseerden. Het idee was vooral voortgekomen vanwege de arbeiders bij het overslagbedrijf Blaauwhoedenveem die niet georganiseerd waren doordat de directie dit niet toestond. Toen op 8 januari twee arbeiders van het Blaauwhoedenveem goederen kwamen halen, bij de firma W.Muller en Co. hadden de arbeiders daar geweigerd de goederen mee te geven. Dit had tot hun ontslag geleid en tot staking van het gehele personeel. In korte tijd had de staking zich uitgebreid onder alle haven- en transportbedrijven.
Ook bij het Blaauwhoedenveem hadden de georganiseerde spoorwegarbeiders geweigerd samen te werken met de ongeorganiseerde arbeiders. Toen greep bij de spoorwegen de staking eveneens snel om zich heen. Jarenlang hadden de grieven zich opgehoopt. De kleinste overtredingen waren streng bestraft, zelfs waren arbeiders gedwongen verantwoording af te leggen over hun werk voor de vakbeweging, waarbij ze urenlang in de houding moesten staan! Op 29 januari was de staking onder de spoorwegarbeiders op het Centraal Station algeheel. De staking had zich uitgebreid tot de spoorwegarbeiders van alle Amsterdamse stations. Doordat de spoorwegdirectie geweigerd had te wijken was op een druk bezochte vergadering van de stakers besloten de staking uit te breiden tot acht belangrijke spoorwegknooppunten. De directie, overrompeld door de gebeurtenissen en naar haar eigen mening onvoldoende gesteund door regering, leger en politie, had capituleerd. Op 31 januari 1903, even na middernacht had de directie bekend gemaakt dat de georganiseerde arbeiders niet hoefden samen te werken met de ongeorganiseerden, dat er geen strafmaatregelen zouden volgen, dat de ontslagen arbeiders weer in dienst konden komen, dat het loon over de stakingsdagen uitbetaald zou worden en dat ze de vakorganisaties zouden erkennen als gesprek en onderhandelingspartner.
De confessionele regering onder de leiding van Kuyper diende een wetsontwerp in dat staken bij de overheid en de spoorwegen verbood. In de arbeidersbeweging sprak men van 'worgwetten'.

De uitgever Ter HorstJr. was opgegroeid in Groningen. Zijn vader Ter HorstSr. (1828-1896) was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de boek- en papierwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860). Toen Wolters overleed in juli 1860 en zijn echtgenote in december van hetzelfde jaar was de boek- en papierwinkel overgegaan naar de broer van Wolters’ echtgenote: Ter HorstSr. Deze had op zijn beurt de boek- en papierwinkel op 15 augustus 1894 over gedaan aan zijn zoon.
TerHorstJr. had Hindricus Scheepstra (1859-1913) verzocht verhalen te schrijven over het dagelijkse huislijk leven van een gezin. Scheepstra was opgegroeid in Roden, op het Drentse platteland. Hij was leraar aan de Rijkskweekschool in Groningen en had vele door de uitgever Wolters (ter Horst Sr. en Jr.) uitgegeven schoolboeken geschreven zoals: Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893), en Ambachten en bedrijven (1903), een handleiding bij een serie illustraties van beroepen en ambachten, en samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899), waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Ook was Scheepstra sinds jaren redacteur van De Schoolwereld, een door Wolters uitgegeven periodiek.
TerHorstJr. had Scheepstra verzocht zich bij het schrijven laten bijstaan door Gerard Jan Ligthart (1859-1916). Ligthart was opgegroeid in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan in een orthodox protestants gezin. Van hem was slechts een enkel artikel verschenen. Hij was na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas, zoals gebruikelijk was onder zijn leeftijdsgenoten. Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan én geen kind van wie de ouders of leerkrachten vonden dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht. Jan had aan een lagere school een baantje aangenomen als hulpje, en in de avonduren de opleiding voor onderwijzer gevolgd. De eerste keer dat Ligthart examen deed voor de opleiding die hem de bevoegdheid moest geven aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school mislukte. Nadat de tweede poging sukses had was Ligthart in 1885 aangesteld als hoofd van een school in de Tullinghstraat in Den Haag.
Hij werd lid van het bestuur van het in 1842 opgerichtte Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) waarvan vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid waren. Het NOG zette zich in voor het ophouden van de stand en voor verdieping van het beroep. De leiding in de strijd voor verbetering van het lot van het onderwijzend personeel was dan ook niet in handen van het NOG, maar van de vele jaren later, in 1874, opgerichtte Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO). De BNO zette zich in zowel voor verbetering van het onderricht en voor de belangen van de jeugd, als voor het belang van de onderwijzer. De leden van de BNO stonden op het standpunt dat tussen beider belangen een onverbrekelijk verband bestond: ze voerde actie voor een betere salariëring, voor een grotere zelfstandigheid voor de klasseonderwijzer, voor schoolvoeding en kleding van overheidswege, voor schoolartsen en voor gezondheid- en vakantiekolonies. Het NOG en de BNO bestreden elkaar dikwijls op bepaalde punten te vuur en te zwaard. Het kwam voor dat onderwijzers bij de aanstelling moesten beloven zich niet aan te zullen sluiten bij de BNO.

Het Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) was in 1842 opgericht.
De Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO) was opgericht in 1874.
Uit een fusie van het NOG en de BNO ontstond in 1946 de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV). Uit een fusie van het NOV met de Nederlandse Bond van Leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs (NBLNO) ontstond in 1966 de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP).
De ABOP fuseerde met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs (AVMO), de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs (CVHMO) en de Vereniging Sint-Bonaventura. Uit de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) ontstond in 1997 de Algemene Onderwijs Bond (AOB).


De door TerHorstJr. uitgebrachte verhalen verschenen in 1904 voor het eerst onder de titel ‘Het boek van Ot en Sien’.[39]
In de verhalen wordt het dagelijkse bestaan beschreven van een gezin dat op het platteland woont in een ruime vrijstaande comfortabele woning bewoont, met een moeder die geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht en een vader die de kost verdient als hoofdarbeider. Het is een gezin ‘waar van jongsaf Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’. [40]
Het zijn romantische verhalen waarin de bucolische idylle de boventoon voert. Het hierin beschreven bestaan stond in schril contrast met het feitelijke bestaan van de bevolking op het platteland. De omstandigheden waaronder de arbeiders leefden waren erbarmelijk: volkomen verwaarloosd, dikwijls in leemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd, verstoken van alle middelen van bestaan.[41]
Het in de verhalen beschreven dagelijkse bestaan stond in een even groot contrast met het feitelijke bestaan van de bevolking op het platteland, met het dagelijkse leven in de volksbuurten van de grote steden waar de grootste groep van de jeugdige lezers zijn bestaan had. Hier was het dagelijkse bestaan niet veel beter dan op het platteland.
In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden naamloze stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, waar ratten en wandluizen de nimmer ontbrekende gasten waren. Waar een waterleiding meestal ontbrak en dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. De moeders en de vaders werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie.
De keuze van Ter HostJr. om Scheepstra bij het schrijven te laten bijstaan door Ligthart hield verband met de achtergrond van diens maatschappelijke opvattingen: het gereformeerde geloof van Abraham Kuyper, waarvan Ligthart blijk had gegeven aanhanger te zijn. De gereformeerde predikant C.W.Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was.[42]
De predikant Willem Banning (1888-1971) beschrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.[43]
De uitgever Ter HorstJr., een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van een zekere grilligheid’ [44], had in het voorjaar van 1899 het door hem uitgegeven, en sinds jaar en dag door Scheepstra geredigeerde, periodiek De schoolwereld. Weekblad van het lager onderwijs in Nederland en de koloniën abrupt beeindigd en al na enkele maanden een nieuw laten verschijnen. Dat had als titel gekregen: School en Leven met als ondertitel: Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin en als redacteur was aangesteld: Jan Ligthart.
Ligtharts’ openingsartikel: Een woordje aan ’t slot, deed veel stof opwaaien: het deed de lezers te veel denken aan een preek.[45]
De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943) leverde enkele bijdragen aan School en Leven maar kwam in conflict met Ligthart. Thijssen kon niet anders oordelen dan dat Ligthart zich liet inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen.
Ter HorstJr. liet op door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalenbundels als auteur vermelden: Ligthart en als mede-auteur: Scheepstra, en op de her-uitgave van een door Scheepstra en Walstra geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten) als mede-auteur vermelden: Ligthart en de naam van de feitelijke auteur: Walstra onvermeld.
De wandplaten met een illustratie van een handarbeider die Ter HorstJr. Liet maken laten weinig medegevoel en begrip zien. Ze bieden een beeld van een arbeider ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’.[46].
Een beeld zoals ook de predikant J.P.Hasebroek (1812-1896) geeft over de Zeeuwse arbeiders: De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid. [47]
Ook deze predikant leek het aan medegevoel en begrip te ontbreken.
Ter HorstJr. had de wandplaten laten maken door de in de toenmalige plattelands gemeente Groningen opgegroeide Cornelis Jetses (1873-1955). Jetses had de wandplaten gemaakt naar voorbeeld van de illustraties van de Groningse onderwijzer Brugsma. Ter Horst Jr. liet ook het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkelde Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, door Jetses voorzien van afbeeldingen die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien.
Het schrijverschap leverde Ligthart en Scheepstra geen windeieren op: Ligthart belegde zijn geld in een perceel bosgrond, en Scheepstra kocht een herenhuis op ‘stand’ aan de Ossenmarkt in Groningen.

Saamhorigheid
A
an de Humanitaire School in Laren laten de leerkrachten: Deutman-De Meijer, Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Bertha Kofman, Nelly Korver, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot de leerlingen elkaar helpen en samenwerken.[48]
Tussen 1896 en de eerste wereldoorlog had zich het Nederlandse Tolstojanisme of Christen-anarchisme of Humanitaire Idealisme zoals het ook wel werd genoemd gevormd, waarin geloofd werd dat samenwerking en wederzijdse hulp sociale misstanden zouden opheffen.  [49]
Woordvoerder van dit Tolstojanisme was de hoogleraar Jacob (Koos) van Rees (1854-1924). Van Rees een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’, . . . een mensenvriend, maar niet zonder heersersneigingen [50], had in zijn woonhuis enkele kamers beschikbaar gesteld voor het onderricht en huisvesting van de onderwijzers en sprong bij  wanneer er een financieel tekort dreigde te ontstaan. Hij had in Blaricum eerder een kolonie opgericht waaraan een einde was gekomen toen de plaatselijke bevolking de gebouwen van de kolonie vernielden uit woede van de gevolgen van de op 8 januari 1903 gehouden spoorwegstaking.
Omstreeks 1900 was de Russische edelman Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910) plotseling met veel werken voor de dag gekomen. [51]
Hij werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19 e eeuw gezien die een enorme indruk maakte.
Tolstoj was de zoon van een der oudste grafelijke families in het tsarenrijk. Ze zouden in de veertiende eeuw met een schare van volgelingen uit het westen zijn gekomen, om zich in de Oekraine te vestigen. Hun aanzien was gestegen en hun rijkdom toegenomen. Ze behoorden onder Peter I in elk geval tot de voornaamste adellijke geslachten. Lev Nikolajevitsj scheen voorbestemd tot een loopbaan in de hogere regionen van de maatschappij. Tolstoi sloot zich aan bij het expeditieleger dat van 1851 tot 1853 in de Kaukassus opereerde om de opstandige bergvolken te temmen. De militaire realiteit in de Kaukasus die voor Tolstoj aanvankelijk een woest en vurig spel spel, sloeg als snel om in een verwerpelijke gruwel. Het lot had hem tot landjonker, tot grootgrondbezitter gemaakt. Hij had Jasjana Poljana geerfd en daarmee de verantwoordelijkheid over duizend lijfeigenen: geknechten, onwetend, onmondig. Tolstoj’s zorg was het aan de onwetendheid van deze bezitloze boerenmassa een einde te maken. Het schoolexperiment was steeds een van Tolstoj’s lievelingsdenkbeelden geweest. Hij maakte op het einde van de vijfiger jaren zijn eerste westeuropese reis: Italie, Frankrijk, Zwiteserland, Duitsland.
Tolstojanen in Nederland lieten zich inspireren door Kropotkin. Kropotkin was meer wetenschappelijk ingesteld dan Tolstoj. Kropotkin had kritiek geuit op Darwin's kijk op de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens die het bestaan veronderstelde van een strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en een strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest. Kropotkin had er op gewezen dat in de Middeleeuwen, toen feodale en communale samenlevingsvormen nog domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking en wederzijdse hulp de ontwikkeling van de gemeenschap hadden bevorderd.  [52]

Werklust
Aan de Engendaalschool in Soest laat Lodewijk van Mierop (1876-1930) de jeugdigen een stukje grond bewerken. [53]
Omstreeks 1900 waren bij bepaalde groepen van intellectuelen kolonies zeer in trek.  [54]
Als voorbeeld stond de kolonie Walden die in 1898 in Bussum was opgericht door de arts Frederik Willem van Eeden (1860-1932).
Van Eeden ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde[55],            
geloofde dat op kolonies voor een ieder die wilde werken een gelukkig leven mogelijk was. Zijn kolonie Walden had zich ontwikkeld van een amateuristisch tuinbouwbedrijf zonder duidelijke reglementen tot een principieel antikapitalistische commune, die zich niet anarchistisch noemde maar in de praktijk wel uitging van gemeenschappelijke besluitvorming en vrijwillige beheersing van egoïsme. Het economische zwaartepunt lag in latere jaren niet meer in land- of tuinbouw maar in enkele coöperatieve bedrijven, waarvan de bakkerij tot lang na de opheffing van Walden floreerde. Van Eeden had verkondigd dat er in West-Europa en Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op komst was en zijn plannen ontworpen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij. Hij stelde dat het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting berustte: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’. [56]
Van Eeden nam het bestaan aan van drie standen: zij die het inkomen verkrijgen uit de opbrengst van geld: grondbezitters, aandeelhouders, renteniers; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij de overheid of uit het verrichten van arbeid als zelfstandige beroepsbeoefenaar: lakeien, ambtenaren, artsen, advocaten; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij particulieren: fabrieksarbeiders, dagloners. [57]

Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levensvoorwaarden en -omstandigheden af. Hij zag als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze.[58]
Van Eeden was enige tijd aanhanger van de hoogleraar in de filosofie en pre-fascist: G.J.P.J.Bolland (1854-1922), had in De Nieuwe Gids, waarvan hij redacteur was, geschreven dat de gedachten die hij had verwoord in zijn Redekunstige grondslag van verstandhouding, grote overeenkomst vertoonden met die van Bolland.[59]
Van Eeden zou bij een andere gelegenheid spreken over ‘de vriendelijke, goedhartige en naief-geniale professor. [60]
Hij was een der initiatiefnemers van de in 1916 opgerichte Internationale School voor Wijsbegeerte.
Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or Life in the woods laten verschijnen.
Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.[61]

Naastenliefde
De onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) laat de jeugdigen aan de school in Vledderveen (Grn) op een perceel dalgrond waar een afbeelding is gemaakt van Nederland, Europa en Amerika de verdeling van consumptiegoederen naspelen.[62]
Volwassenen die zich niet thuis voelden bij de SDAP geloofden dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een betere verdeling van consumptiegoederen. Woordvoerder van deze volwassenen was de predikant Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938). De Ligt was het niet oneens met de strijd van de SDAP tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten, maar hij wees het hele culturele en geestelijke klimaat van de SDAP af.
In de SDAP werd het christelijk geloof afgewezen als zijnde in strijd met de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én gezien als in strijd met de menselijke waardigheid doordat het mensen van strijd voor lotsverbetering afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakt.[63]
De Ligt studeerde van 1903 tot 1910 theologie. Hij was gedurende deze periode aanhanger van de orthodox-protestant en pre-fascist G.J.P.J. Bolland (1854-1922).

De Ligt had zich in 1910 aangesloten bij de in 1907 opgerichtte Bond van Christen-Socialisten (BVCS). Bij de BVCS sloten zich volwassenen aan uit anti-revolutionaire en christelijk historische kringen en volwassenen rond het christelijke weekblad Algemeen Welzijn die geloofden dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een betere verdeling van consumptiegoederen.
De Ligt schreef in 1914 een nieuw beginselprogramma voor de BVCS: God Uzelf Uw Naaste waarin hij opriep het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.[64]

Nabeschouwing
Deze volwassenen hadden allen een afkeer van het orthodoxe calvinisme en het liberalisme enerzijds en een vrees voor de hardheid en ruwheid van de socialistische arbeidersbeweging en het daarmee samenhangende felle atheisme anderzijds. Ze hadden een liberaal wereldbeeld. Ze verwachtten dat een ieder tevreden zou zijn met de bestaande gegeven maatschappij en de plaats hierin. Verwacht werd dat sociale misstanden vanzelf zouden verdwijnen wanneer de eigen houding maar beterde.

5. Respect voor een ieders godsdienstige- en / of maatschappelijke overtuiging.
In 1864 was in Londen de 'Internationale Arbeiders Associatie', kortweg 'De Internationale' opgericht. Hierin hadden vakbondsleiders uit Europa en de Verenigde Staten elkaar gevonden. Engelse en Franse vakbondsleiders hadden hiertoe het initiatief genomen. Op het Brusselse congres der  Socialistische Internationale in 1900 in Parijs hadden de aangesloten nationale partijen de opdracht gekregen anti-militaristische socialistische jeugdbonden op te richten. De SDAP-leding kweet zich met weinig enthousiasme van deze taak want aan de opstandige jongeren-clubs waar ze in hun jonge jaren in de oude beweging van Domela Nieuwnhuis mee te maken hadden gehad of zelfs lid van geweest waren, dachten ze met weinig geestdrift terug. Henriette Roland Holst werd de drijvende kracht en wist door te zetten: op 10 mei 1901 werd de Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’ opgericht.[65]

Het strijdpunt was en bleef: moesten jongeren onder leiding van ouderen politiek opgevoed worden en zich het partijstandpunt eigen maken zonder zelf met eventueel een afwijkende mening aan de politieke diskussie deel te mogen nemen of: mochten de jongeren zonder inmenging van ouderen een eigen socialistich standpunt innemen en eigenmachtig actie voeren?

Doordat De Zaaier na de mislukte tweede spoorwegstaking in 1903 veel leden verloor, en er nog nauwelijks contact was tussen de plaatselijke afdelingen, richtte de SDAP op 23 april 1905 een nieuwe De Zaaier op. Nu was het doel het in socialistische zin opvoeden van de jeugd. De strijd tegen het militarisme werd niet meer gezien als een zaak voor jeugdigen!
Op het eerste congres van de ‘nieuwe’ De Zaaier op 8 april 1906, besloten de jeugdigen zich in te zetten het wezen en het karakter van het militarisme duidelijk te maken en elk jaar een openbare vergadering te houden.
Toen enkele door Karl Marx geinspireerde leden in de SDAP buiten de deur gezet waren en de Sociaal-Democratische Partij (SDP) oprichtten sloten de jeugdigen van de nieuwe De Zaaier zich hierbij aan.
Dit was voor het bestuur van de SDAP reden de band met De Zaaier te verbreken.
De volwassenen in de SDAP hadden van aanvang af geen affiniteit met de jeugdigen, ze stonden zelfs vijandig tegenover hen. De SDAP was voorstander van een parlementaire weg naar sociale verbeteringen, en de jeugdigen hadden er blijk van gegeven een groot voorstander te zijn van de anti-parlementaire weg. De ‘revolutionaire’ romantiek van de jeugdigen had de volwassenen in de SDAP afgestoten en had zelfs tot een afkeer van de arbeidersjeugdbeweging geleid.
In 1911 was vanuit de SDAP een nieuwe jeugdorganisatie opgericht: Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP) met als doel het bevorderen van de algemene ontwikkeling van de jongeren door middel van kursussen in staatshuishoudkunde, geschiedenis, Nederlandse taal, administratie. Het was de jongeren niet toegestaan aktie of strijd te voeren, en niet toegestaan politiek te bedrijven of deel te nemen aan betogingen en akties.
De jongeren
bleven ontevreden met de lessen van ‘schoolmeesters in taal en sterrenkunde’ en gaven aan politiek te willen bedrijven, meer zelfstandigheid te willen, een landelijke organisatie te willen vormen, een landelijk blad te willen uitgeven en af wilden van de verplichting om met 18 jaar lid te worden van de SDAP.
Dan verzoekt het lid in de Tweede Kamer voor de SDAP: A.H.Gerhard de regering onderzoek te doen naar ‘de aard en omvang van organisaties die zich bezig houden met de vorming der niet-leerplichtige jeugd en deze commissie de bevoegdheid te geven denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen’.
[66]
Deze commissie wordt dan door het liberale kabinet-Cort van der Linden (1913-1918) in 1917 ingestelt, met als lid Gerhard.
In haar in 1919 uitgebrachte verslag vermeld ze geconstateerd te hebben‘dat het verreweg grootste deel der oudere jeugd geenerlei onderwijs meer ontvangt’, en adviseert, om de jeugd beter voor te bereiden op ‘de uitoefening van de staatsburgerlijke plichten en rechten colleges in het leven te roepen met de naam van jeugdraden . . met als opperste een centraal college’. [67]
In 1920 stelt het, inmiddels, confessionele kabinet Ruys de Beerenbrouck (1918-1922), een typisch representant van de ‘jonkheren-wereld’ die rekenen kon op de sympathie van een groot gedeelte van de clerus, vooral van de z.g. hogere clerus, een Centrale Jeugd Raad in met als taak voor de jeugd die niet bij een jeugdorganisatie is aangesloten ontwikkelings- en ontspannningsaktiviteiten te organiseren.
Het kabinet bestaande uit: Rooms Katholieke Staats Partij, Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie had zich laten leiden door de ontwikkelingen binnen de SDAP.
De leiding van de SDAP en van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) hadden in 1918 een Centrale voor Jeugdontwikkeling opgericht.
Ontevreden leden in Amsterdam hadden de JOderSDAP
verlaten en een eigen zelfstandige politieke jeugdbeweging opgericht: Amsterdamse Jeugd Organisatie. [68]
Deze AJO was gefuseerd met de afdeling Amsterdam van de Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’, dat in 1910 gekozen had voor de,
door enkele marxisten uit de SDAP, opgerichtte Sociaal-Democratische Partij (SDP).[69]
De leiding van de SDAP en van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) waren toen met het initiatief gekomen de jeugdigen aan de hand van ontwikkelings- en ontspanningsaktiviteiten bij te brengen respect te hebben voor elkaars uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging. Ze hadden toen in 1918 een Centrale voor Jeugdontwikkeling opgericht die in 1920 werd omgezet in een Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen, verder bekend als Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). [70]

Als tegenhanger van het op SDAP-leest geschoeide ontwikkelings- en ontspanningswerk werden Volkshogescholen opgericht met als doel ‘het geven van een zedelijk-geestelijke ontwikkeling aan volwassen personen als grondslag voor vernieuwing der volkscultuur en versterking van de volksgemeenschap’. (Statuten 1939). De eerste kwam in Bakkeveen (1932) voor jonge boeren, werklozen en studenten.

Aan de scholen voor maatschappelijk werk, later genoemd: sociale academies, kwamen opleidingen voor jeugd en jongerenwerk (sociaal-kultureelwerk). Organisaties die kampementen organiseerden en zich bedienden van door het rijk beschikbaar gesteld kampeermateriaal werden gewaarschuwd voor het kunnen ontstaan van een onzedelijke sfeer, waarmee bedoeld werd o.a. het niet eerbiedigen van elkaars uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging. Aanbevolen werd te komen tot een hierarchiese centralistische organisatie om toezicht te kunnen houden en eventueel de nodige maatregelen te kunnen nemen.
Het gemeentebestuur van Rotterdam benoemde op 26 mei 1921 een Adviserend Ambtenaar inzake de Opvoeding van de rijpere jeugd en richtte op 10 januari 1922 de Rotterdamse Jeugd Raad op. Het gemeentebestuur van Amsterdam stelde op 1 januari 1923 een tijdelijk ambtenaar aan belast met het toezicht op de van gemeentewege gesubsidieerde verenigingen welke zich bezig houden met Toynbeewerk en Vrije Jeugdvorming.

Religieus-socialistische levenshouding

In Amsterdam laat het lid van de Gemeenteraad en wethouder voor het onderwijs voor de SDAP: Eduard (Eliazer) Polak (1880-1962), de jeugdigen aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes zelf beslissen welke taak ze uitvoeren, welk materiaal ze gebruiken, en of ze zitten of staan.
In de SDAP werd geloofd dat gekomen kon worden tot overbrugging van een ieders godsdienstige, levens- of politieke overtuiging.
Woordvoerder van dit religieus-socialisme was Willem Banning (1888-1971). Banning had de opleiding voor onderwijzer gevolgd aan de Rijkskweekschool in Haarlem en op later leeftijd de opleiding voor predikant. Hij was in 1915 betrokken bij de oprichting van het Religieus Socialistisch Verbond en in 1919 bij de oprichting van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (AG). De AG moest tegenwicht bieden aan het proletarisch- en marxistisch-socialisme van de arbeidersbeweging en aan het daarmee verbonden felle atheïsme.[71]
De AG organiseerde bijeenkomsten waar de deelnemers kennis konden maken met elkaars godsdienstige, levens- of politieke overtuiging.
Banning had tijdens de opleiding voor predikant kennis gemaakt met het op het christendom geïnspireerde religieus denken van de hoogleraar in de godgeleerdheid Karel Hendrik Roessingh (1886-1925). Roessingh had als student in Engeland kennis gemaakt met de Woodbrookers en in 1916 in Nederland de Vereniging der Woodbrookers opgericht. Woodbrookers hingen een op het christendom geïnspireerde religie aan waarin geloofd werd in reconcilliation: door respect te hebben voor een ieders persoonlijke overtuiging zouden verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging worden overbrugd. De aanhangers (Quakers) hadden in Selly Oak, in de buurt van het Engelse Birmingham, hun Woodbrooke College waarvoor de welgestelde George Cadbury (aanhanger der Quakers) zijn woonhuis en bijbehorende tuinen, Woodbrooke, beschikbaar stelde. Naast Woodbrooke werd Westhill het meest bekend.
Roessingh had bij zijn aanstelling als hoogleraar in de godgeleerdheid opgeroepen ‘persoonlijkheden’ te worden door ‘niet ons eigen geweten te onderwerpen aan het voorschrift van eene kerk, aan de wet van een staat, aan het gezag van een ander mensch’, maar af te gaan op de eigen persoonlijke overtuiging.[72]

6. Broederschap

Eerste wereldoorlog
In de periode voor 1914 waren de spanningen tussen de grote europese mogendheden voortdurend toegenomen, een bewapeningswedloop kwam op gang en verschillende keren leek een oorlog nabij. De strijd op wereldschaal om een herverdeling van koloniën, invloedssferen en afzetmarkten tussen het na 1870 snel opkomende Duitse industriële kapitalisme en de over de gehele wereld gevestigde macht van het oude Britse kapitalisme kon niet anders dan op een wereldoorlog uitlopen. Bij de wedren om koloniën of invloedssferen, niet alleen voor de afzet van produkten maar steeds meer ook voor het beleggen van kapitaal, waren Duitsland, Italië en Japan te laat gekomen. Alleen op kosten van Engeland, Frankrijk, België of Nederland konden zij nog aan koloniën komen. Door het militaire bondgenootschap tussen Frankrijk, Rusland en Engeland enerzijds en Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië anderzijds, moest een eventuele oorlog wel het karakter krijgen van een wereldoorlog. De strijd tussen Frankrijk en Duitsland om Elzas-Lotharingen en tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije om invloed op de Balkan versterkte de ekonomiese tegenstellingen, vooral die tussen Engeland en Duitsland.
Multi-nationale ondernemingen plunderden met behulp van de militaire macht, ekonomies achtergebleven gebieden door middel van zeer voordelige kapitaalsbeleggingen in plantages, mijnen, olievelden, spoorwegen en in mindere mate in fabrieken.
De botsende belangen der imperialistiese mogendheden leidden op 3 augustus 1914 tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog tussen het Duitse en Oostenrijkse keizerrijk aan de ene kant en het Britse en Franse imperium met het Russiese tsarisme aan de andere kant. In 1917 zouden de Verenigde Staten zich aan de zijde van Frankrijk en Engeland scharen. Doordat Duitse legers België direkt binnenvielen en onder de voet liepen teneinde sneller Parijs te kunnen bereiken, leek ook voor Nederland de oorlog zeer nabij. Het leger werd gemobiliseerd. Vele arbeiders werden plotseling onder de wapenen geroepen wat het ekonomisch leven ontwrichtte.
Het overgrote deel van de bevolking kreeg te maken met een periode van gebrek. De productie van arbeids- en verbruiksmiddelen werd voor een balangrijk deel omgezet in de productie van oorlogsmaterieel. De producten van land- en tuinbouw en die van de visserij vonden gretig aftrek onder de oorlogvoerenden. Grote voorraden levensmiddelen werden aan het buitenland verkocht. Het percentage werkozen steeg van 7,4% tot 27%. Grote hoeveelheden aardappelen en groenten, rijst en cacaopoeder werden in reusachtige hoeveelheden aan Duitsland verkocht. Met medewerking van de minister van landouw: Posthuma, werden enorme hoeveelheden zuivelproducten, eieren en groenten gexporteerd. Door de uitvoer van vee was de veestapel onrustbarend verminderd. Ook transportmiddelen werden aan het buitenland verkocht. Nederland was een hongerland geworden.
Het zgn. ‘Ellendekongres’ van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in november 1915 had een onheilspellende daling van het levenspeil aan het licht gebracht, ook bij de niet bij het NVV aangesloten arbeiders. De verhoging van de lonen, zelfs van de sociaalkrachtigste arbeidersgroepen, bleek aanmerkelijk achtergebleven de stijging der prijzen, die toen al voor de voornaamste levensbenodigdheden op 30% werd geschat. Er vonden talrijke stakingen plaats: metaalbewerkers, loodgieters, slagers, chauffeurs, grondwerkers, steenzetters, melkslijters en nog andere categorieën legden in de loop van dat jaar het werk neer om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden af te dwingen. In de textielindustrie in Tilburg kwam het tot een staking. Mijnwerkers staakten gedurende ongeveer twee weken. In Rotterdam staakten de havenarbeiders. Er waren hongeropstootjes. In de zomer van 1917 was in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan bijna geen aardappel meer te koop, terwijl er in de Prinsengracht schepen vol met aardappels lagen, bestemd voor de export. Dit leidde tot het Aardappeloproer. Er vonden plunderingen plaats, demonstraties en gewelddadigheden. In de kazernes van de Harskamp vond een soldatenoproer plaats. De levensmiddelenpolitiek van de regering had als gevolg dat een groot deel der stedelijke bevolking honger leed.
Doordat de uitvoer doorging, werd Nederland verdacht, met als gevolg dat Nederland door Amerika werd gerantsoeneerd, maar ook dat Nederlandse graanschepen in beslag werden genomen, dat de uitvoer van koloniale producten uit Indonesië naar Nederland werd gehinderd. Elke uitvoer van levensmiddelen werd onmogelijk gemaakt en de invoer van voedsel voor mens en dier, evenals die van kunstmest, tot een minimum beperkt. Deze rantsoenerings-politiek leidde tot een totale ineenstorting van de Nederlandse invoer van overzee gedurende het laatste oorlogsjaar. In de laatste jaren van de oorlog had de bevolking gebrek aan voedsel, kleding, grondstoffen, halffabricaten, steenkool, petroleum.


In
Rusland was in 1917 een einde gekomen aan de heerschappij van de dynastie van de Romanov’s die zo’n 300 jaar lang had geregeerd. Er was veel onvrede in Rusland door de heersende armoede. In 1898 was in Rusland de Russische Sociaaldemocratische Arbeiders Partij (RSDAP) opgericht. De RSDAP was in 1903 nog verboden door haar radicale ideeën maar was wel steeds meer in opkomst. Een scheuring had in 1903 geleid tot het ontstaan van twee groepen: de Bolsjewieken (bolsjinstvo=meerderheid) steunden op de arbeiders en de boeren en wilden niet samenwerken met de liberale oppositie; de Mensjewieken (minderheid) steunden op de kleine middenstanders en de grondeigenaren en wilden wel samenwerken met de liberale oppositie. Tsaar Nicolaas II verklaarde in 1904 de oorlog aan Japan: de Tsaar was van mening dat Japan zijn grenzen te veel richting Russisch grondgebied had uitgebreid. Deze oorlogsverklaring gevoegd bij de armoede onder de bevolking leidde in 1905 tot de eerste Russische revolutie. Tsaar Nicholaas II moest een deel van zijn alleenschappij afstaan aan een in 1906 ingesteld parlement: de Doema. Er werd een raad van arbeiders opgericht, Sowjet, die geleid werd door Leon Trotski (1879-1940). De sovjet- afgevaardigden werden democratisch gekozen en erkend als het hoogste gezag in het land. Er ontstonden al snel meerdere sovjets voor verschillende groepen arbeiders zoals spoorwegarbeiders en fabrieksarbeiders.
De onvrede onder de bevolking was gebleven. Dit leidde in 1917 tussen 8 en 15 maart (februari volgens de Russische jaartelling) tot de Februari-revolutie. De familie Romanov werd naar Jekaterinenburg verbannen waar ze in 1918 met geweld om het leven werd gebracht.
De Doema stelde een Voorlopige Regering in.
Het nieuwe bewind van liberalen en gematigde socialisten had echter de oorlog met Duitsland voortgezet en maakte geen haast met het verdelen van het grondbezit onder de boeren. Tegenover deze Voorlopige Regering stonden de raden (sovjets) van arbeiders, boeren en soldaten.
De sovjets waren hier fel op tegen omdat de oorlog Rusland al miljoenen slachtoffers had gekost. Er ontstond een strijd tussen de Mensjewieken en de Bolsjewieken. De Mensjewieken zaten in de Voorlopige Regering en de Bolsjewieken waren vertegenwoordigd in de Sovjets. De meeste arbeiders steunden de Bolsjewieken omdat zij de meest radicale veranderingen wilden doorvoeren. De verliezen en de nog steeds aanwezige armoede zorgden weer voor onrust.
De leider van de Bolsjewieken:
Vladimir Lenin (1870-1924) wenste ‘alle grond aan de boeren, alle macht aan de sovjets, alle fabrieken aan de arbeiders en vrede met Duitsland’. Hij was na een mislukte staatsgreep in de zomer van 1917 naar Finland gevlucht, maar kwam nu in september terug. De sovjets onder de leiding van Lenin zetten de Voorlopige Regering af tijdens de Oktoberrevolutie (1917). Lenin sloot vrede met Duitsland in het verdrag van Brest-Litovsk (1917), haaldeneen streep door alle buitenlandse leningen en beleggingen en onteigende alle productiemidellen.
Pogingen van diverse Europese mogendheden, de Verenigde Staten en Japan, om door militaire interventie het revolutionaire bewind ten val te brengen en de rijke Russische bodemschatten in handen te krijgen, mislukten, na een jarenlange bloedige en wrede oorlog.
De Russische Revolutie oefende grote invloed uit op het politiek en maatschappelijk gebeuren in de rest van Europa en Azië. In november 1918 maakten revolutionaire bewegingen een einde aan het Duitse keizerrijk, het Oostenrijkse keizerrijk en
het Ottomaanse rijk. 
In de omliggende landen werden de regeringen en de gegoede burgerij nerveus. De regering in Nederland kwam, in de hoop gevrijwaard te blijven van ‘revolutionaire woelingen’, met allerlei verbeteringen: de wettelijke achturendag werd ingevoerd, het algemeen mannenkiesrecht en kort daarop het vrouwenkiesrecht, de hoogte van het ouderdomspensioen werd verhoogd en de leeftijd waarop het inging verlaagd, aan de gezinnen der miliciens die het leven hadden gelaten als gevolg van de bommen op de Zeven Provincien werden ettelijke miljoenen als schadeloosstelling uitgekeerd en het loon van het personeel in dienst van de gemeentelijke en landelijke overheid werd sprongsgewijs verhoogd.
Het waren de dagen van de ‘bibber-bourgeoisie’.
De burgemeester van Rotterdam, Zimmerman, was zo door paniek bevangen dat hij, om de onvermijdelijke omwenteling in elk geval ordentelijk te laten plaatsvinden, twee vakbondsleiders: A. Heykoop en J. Brautigam, bij zich riep en zei dat hij ‘van plan was om ook in geval van een revolutionaire beweging’ (die hij voorzag) ‘in ieder geval (zijn) best te doen voor het behoud der orde’; de waterleiding, de electrische centrale, de gasfabriek, de banken zou hij ongestoord laten voortwerken, op de stations zou hij de orde handhaven. Voor alle zekerheid maakte Zimmerman nog een résumé van het besprokene. Wat konden zijn gesprekspartners anders concluderen dan dat de burgemeester van ’s lands tweede stad capituleerde nog voor de revolutie ingezet was? Hij overhandigde op 9 november 1918, op het moment dat de Duitse revolutie dreigde over te slaan naar Nederland, nog net niet de sleutel van de stad. Heykoop en Brautigam waren, nog vóór zij Zimmerman bezochten, door de voorzitter van de machtige Scheepvaartvereniging Zuid, P. Nijgh, ontvangen, ‘die er van overtuigd was dat de Duitse gebeurtenissen hier zouden doorzetten’; hij beloofde schielijk verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Minister-president Ruys sprak die avond in Den Haag met de liberale en vrijzinnig-democratische leiders: ‘Huns inziens was alles verloren. De revolutie was niet te keren. We moesten maar wat toegeven, bijv. een paar socialisten in het kabinet opnemen.’
De leiding van de Rooms-Katholieke Staatspartij liet een manifest waarin tot trouw aan Koningin en ministers werd opgeroepen, in een oplaag van een half miljoen exemplaren drukken.
Aalberse, de rooms-katholieke minister van arbeid, deed het voorstel troepen uit de noordelijke en zuidelijke provincies naar Amsterdam, Rotterdam en Den Haag te zenden. De minister van oorlog keurde het voornemen goed maar wees er op dat er geen geld voor was. De organisatoren in Leeuwarden hadden f 10.000 nodig. Nog voor sluitingstijd van de postkantoren, had de Rotterdamse scheepvaartmagnaat dr. A . G. Kröller ze ter beschikking gesteld.
De redactie van De Telegraaf meldde aan de voorzitter van de SDAP 'dat zij bereid waren, vooral met de veelverbreide Courant, een eventueele revolutie te steunen'.[73].
De Bijzondere Vrijwillige Landstorm, bewapende burgers die het reguliere leger ondersteunden, groeide snel van honderden tot duizenden, vooral afkomstig uit antirevolutionaire en rooms-katholieke kringen. Door de confessionele partijen en door de liberalen en vrijzinnig-democraten werd opgeroepen tot steun aan het wettig gezag.
De confessionele vakbeweging wist in zeer korte tijd een massale actie te ontketenen ter ondersteuning van het gezag. Er kwam een 'Hoofd-comité van actie tegen de revolutie' tot stand en het vorstenhuis werd het middelpunt van een betoon van aanhankelijkheid. De ledentallen van de confessionele vakcentrales stegen met 100%. De leiding van het NVV vond het nodig uit te spreken dat zij uitsluitend legale (wettige) wegen wilde gaan bij het verbeteren van de positie van de arbeiders.
Angst, gehechtheid aan staatsbestel en vorstin, ontlaadden zich in demonstraties waarvan de grootste en indrukwekkendste op maandag

18 november 1918 op het Malieveld in Den Haag werd gehouden. Al om half twaalf waren alle straten die er heen voerden, zwart van de mensen. Anderhalf uur later verscheen de Koningin. Haar rijtuig bleef stilstaan. Een troep dol-enthousiaste soldaten spande de paarden af en trok het rijtuig verder voort. Er was een zee van mensen, en veel vlaggen van verenigingen, in meerderheid roomse vaandels.

Het rijtuig, met nog steeds de Koningin, haar echtgenoot prins Hendrik

en haar negenjarig dochtertje, prinses Juliana er in, werd het

Voorhout opgetrokken waar het paleis stond van de zes-en-vijftigjarige

Koningin-moeder Emma. Deze schrok eerst toen zij het rijtuig zonder

paarden zag aankomen. Ze dacht dat de Revolutie was uitgebroken en dat de

Koningin door het volk gevankelijk was meegevoerd. Maar toen ze boven

alles uit de juichkreten en het Wilhelmus hoorde, begreep ze wat dit alles

betekende. Ze kwam op het balkon en werd even geestdriftig toegejuicht.


Politiek geinteresseerde arbeidersjeugd
De politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd was diep onder de indruk gekomen van het gebrek en de nood in de arbeidersgezinnen en het bloedvergieten zonder zin met een niet meer goed voor te stellen omvang. De jeugd streefde naar een radicaal pacifisme en een niet minder radicale maatschappelijke vernieuwing. Ze demonstreerden, hielden protestvergaderingen, staakten zelfs hier en daar en veroordeelden politieke partijen. Ze raakte in geestdrift voor de Sovjet-Unie waar de Oktoberrevolutie had plaats gevonden.

De jonge Dirk Struik (1894-2000) schrijft over de Russische Revolutie: ‘Ze was een prachtige zonsopgang — alle denkende menselijke wezens hebben meegedaan om deze epoche te verheerlijken’ en voegde hier aan toe: ‘De revolutie bracht nieuwe hoop na het bloedige bankroet van het kapitalisme, ze bood uitzicht op een nieuwe mensheid, en toonde de macht van de marxistische gedachte’.[74]
Struik herhaalde in zijn memoires de woorden van Hegel over de Franse Revolutie: “Ze was een prachtige zonsopgang — alle denkende menselijke wezens hebben meegedaan om deze epoche te verheerlijken” en voegde hier in zijn eigen woorden aan toe: ‘De revolutie bracht nieuwe hoop na het bloedige bankroet van het kapitalisme, ze bood uitzicht op een nieuwe mensheid,entoondedemachtvandemarxistische gedachte’.[75]
De socioloog Karl Mannheim wijst er op dat een ‘Polarerlebnis’ voor een bepaalde generatie bepalend is voor de rest van het leven waardoor alle latere ervaringen als door een magneetpool gericht, gekleurd worden. [76]
In de laatste maanden van de oorlog was de lucht vol geweest van berichten en geruchten over opstanden en revolutie. In Harderwijk was het gekomen tot de vorming van een soldatenraad, die onderhandelde met de officieren over betere voeding, meer soldij en direct verlof. De Zaaier voegde in 1917 eerst aan haar naam toe: Revolutionair-Socialistische Jeugdbond en in 1918: Communistische Jeugdbond. Leden van de Sociaal-Anarchistische Jeugdorganisaties (SAJO) ontvreemdden begin 1918 explosief materiaal uit een opslagplaats voor munitie en springstoffen in de omgeving van Amsterdam met het doel een aanslag te plegen op het gebouw van De Beurs in Amsterdam, (de aanslag mislukte en de jeugdigen werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van 12 tot 6 maanden). Herman Groenendaal weigerde de militaire dienst te vervullen, werd daarvoor gearresteerd, ging hiervoor in hongerstaking met als gevolg dat er wekenlang demonstraties, protestvergaderingen en hier en daar stakingen plaatsvonden waarbij duizenden arbeiders betrokken waren. Twee andere jeugdigen, Albert de Jong en Bart de Ligt, werden veroordeeld wegens opruiing tot resp. 19 en 27 dagen gevangenisstraf.
Terwijl november 1918 aangetoond had dat er nauwelijks krachten waren die de parlementaire democratie en, met haar, de constitutionele monarchie wilden omverwerpen, leek wat gebeurd was, voor bepaalde groepen van volwassenen voldoende om de jeugd een besef van algehele broederschap bij te brengen.  


Respect voor een ieders interesse.
De onderwijzer Berend Wouters laat aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen elke jeugdige aan de hand van de interesse kiezen een aktiviteit met de hand te verrichten zoals het verrichten van werk in de werkplaats of in de tuin, of een aktviteit met ‘het hoofd’ zoals het deelnemen aan een groepsspel of het beoefenen van kunst.
In de Theosofische Vereniging werd geloofd dat een ieders sociale positie een zaak was van interesse en belangstelling en dat dit door een kracht buiten de mens (reincarnatie) was bepaald. Wouters had zich op 10 mei 1903 onder nummer 23648 als lid van de Theosofische Vereniging laten inschrijven.
De theosofische vereniging was in 1875 in New York opgericht. Het werd een groot succes met vele vertakkingen over de wereld. In 1910 waren er bijna zevenhonderd loges, verdeeld over ruim zestien landen, met in totaal bijna 17.000 leden. De Nederlandse vereniging, het 'zevende blad aan de lotus', was opgericht in 1897 en onderverdeeld in loges, met zo'n dertienhonderd leden, waarvan ruim driehonderd in Indie.
De theosophie was een schepping van Helena Petrovna von Hahn (1831-1891), geboren in de Oekraine in het financiel beter gesitueerd deel van de bevolking. Ze was op achttienjarige leeftijd gehuwd met Nikofor Blavatsky, ondergouverneur van de provincie Jerevan en ging verder door het leven als Helena Petrovna Blavatsky. Na een paar maanden huwelijk ging ze er vandoor naar Constantinopel, waar ze zich als paardrijdster aansloot bij een circus. Kort daarop ontmoette ze de Hongaarse operazanger Mitrovitsj, met wie ze gehuwd schijnt te zijn. Later dook ze op in Parijs als assistente van Daniel Dunglas Home (
1833-1886), een in Schotland geboren spiritistisch medium, en ze dook op als dirigente van een Servisch koor. Een paar jaar later weer, het is dan 1874, treffen we haar aan op de boerderij van een spiritistenfamilie in Vermont. Daar ontmoette ze kolonel Olcott, van wie gezegd wordt dat zijn baard een stuk echter was dan zijn militaire rang. Samen ontdekten ze dat Blavatsky occulte gaven zou bezittten. Ze besloten zich te organiseren en richtten op 13 september 1875 de Theosophical Society op met als doel te komen tot een sfeer van algehele broederschap, zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur.
Twee jaar later verscheen Blavatsky's: Isis ontsluierd, sterk antichristelijke, antimaterialistische, mystieke verhalen. Sommigen spraken van goddelijke inspiratie, anderen beweerden dat Blavatsky plagiaat had gepleegd van met name het werk van de Engelse dichter, (toneel) schrijver,
literatuurcriticus en politicus: Sir Edward Bulwer-Lytton (1803-1873).
Niet lang na de publikatie van dit boek, waarvan de eerste druk na tien dagen uitverkocht was en de schrijfster evenveel lof als laster en schandaal bracht, verlieten Olcott en Blavatsky de Verenigde Staten en plantten ze de theosofische maatschappij over naar India. In 1880 bekeerden beiden zich tot het boeddhisme. Ook aan het verblijf in India kwam door schandaal een einde. Vervalsingen kwamen aan het licht, trucages werden blootgelegd. Blavatsky verdween naar Europa en schreef haar tweede meesterwerk: De geheime leer, dat net voor haar overlijden in 1891 uitkwam. Het was een poging tot verzoening van religie en wetenschap.

Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling.
De onderwijzer Johann Hermann Bolt laat aan de Pallas-Athene School in Amersfoort de jeugdigen uit verschillende leerjaren met een verschillende mate van geestelijke ontwikkeling gezamenlijk onderricht volgen.[77]
In de Theosofische Vereniging na de dood van Blavatsky werd geloofd dat een ieders sociale positie een zaak was van geestelijke ontwikkeling en dat dit bepaald was door een kracht buiten de mens (reincarnatie). Bolt had zich op 26 maart 1915 onder nummer 58560 als lid van de Theosofische Vereniging ingeschreven.
De Theosofische Vereniging was na de dood van Blavatsky onder de leiding gekomen van Annie (Wood) Besant (1847-1933). Besant had eerder een leidende funktie binnen de Anglicaanse kerk en in 1911 de jonge Indier Jiddu Krishnamurtie (1895-1986) aangewezen als de opvolger van Jezus, de nieuwe wereldleraar. Om de jonge Indier te ontmoeten kwamen op de jaarlijkse Sterkampen in Ommen, die tussen 1923 en 1930 plaatsvonden, vele duizenden aanhangers uit alle delen van de wereld bijeen.
Ook Besant geloofde in reïncarnatie: het geloof aan een onpersoonlijk en toch individueel voortbestaand ik. Ze beweerde onder meer Hypathia en Giordano Bruno te zijn geweest.

Respect voor een ieders temperament
Aan de Vrije School in Den Haag wordt in het onderricht rekening gehouden met het temperament van de jeugdigen.[78]
Geloofd werd dat een ieders sociale positie een zaak was van temperament.
Woordvoerder van dit denken was Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925). Steiner was tien jaar lid van de Theosofische Vereniging. Hij richtte in 1913
zijn Antroposofisch Gesellschaft op toen Annie Besant in Krishnamurti de toekomstige wereldleraar ontdekt meende te hebben. Steiner kreeg in 1919 in Stuttgard de leiding over de Freie Waldorfschule. De school was opgezet door Emil Mohlt (1878-1936), eigenaar van de sigaretten fabriek Waldorf-Astoria om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen.
Steiner onderscheidde vier temperamenten: sanguinisch
(opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) of cholerisch (opvliegend).[79]
De Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) had gewezen op de aanwezigheid van vier onderling kwalitatief verschillende stoffen: de vaste aarde, het vloeibare water, de gasvormige lucht en het gloeiende verterende vuur; de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322) had gewezen op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren; de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) had gewezen op de aanwezigheid in het menselijk lichaam van vier lichaamsvochten: sanguis (bloed), flegma (slijm), melancholie (zwarte gal) en cholera (gele gal); de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) had geschreven over de leer der temperamenten; de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) had de theorie ontwikkeld dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van in de kosmos voorkomende elementen zon en maan.[80]

Respect voor een ieders sociale positie.
De onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) geeft aan de Hillegomschool in Amsterdam de jeugdigen geen lesrooster met afgepaste tijden voor de verschillende vakken; geen vastgesteld leerplan met afgebakende leerstof; en geen vaste methode van onderricht.[81]
Groeneweg was aanhanger van het denken van Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944).[82]
Schoenmaekers had in Rome bij de jezuïeten de opleiding gevolgd tot priester. Hij had zich op enig moment afgekeerd van de kerk maar niet van het roomse (katholieke) denken. Hij zag zich zelfs ‘katholieker dan de roomsche kerk, katholieker dan de paus’.[83]
De van huis uit niet onbemiddelde Schoenmaekers beschikte over een meeslepend redenaarstalent, duldde geen tegenspraak en vermeed elke diskussie met andersdenkenden. Hij zag, overeenkomstig de katholieke leer van het corporatisme, een ieders sociale positie waar niets aan te veranderen valt zoals in een lichaan elk orgaan een eigen plaats en taak heeft waar niets aan valt te veranderen. Schoenmaekers zocht in Amsterdam aansluiting bij de kring van vrijzinnige christenen en vrijdenkers, bij de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia vincit anymos', dat hem het lidmaatschap weigerde, en was korte tijd lid van de Theosofische Vereeniging.
Schoenmaekers leek enige tijd gehoor te vinden bij enkele kunstenaars die bekend werden als De Stijl waaronder: Theo van Doesburg (pseudoniem van Christian Emil Marie Küpper), Piet Mondriaan, Vilmos Huszár, Bart van der Leck, J.J.P. Oud, Jan Wils, Robert van 't Hoff, Peter Alma, Gerrit Rietveld, Georges Vantongerloo en Chris Beekman.

Nabeschouwing
De volwassenen hadden een organisch wereldbeeld waarbinnen de termen corporatisme en solidarisme funktioneerden. Ze verwachtten dat een ieder tevreden was met de plaats in het sociale gebeuren al kon de ene plaats een financiel betere zijn dan een andere, en al kon de ene positie een maatschappelijk sterkere zijn dan een andere. Maar dit is in het menselijk lichaam met de hersenen en de benen ook het geval.

7. Respect voor de beste.
Op 8 juni 1918 hadden gymnasiasten de Gymnasiasten Geheel Onthouders Bond (GGOB) opgericht. [84]
Onder kwekelingen was het propageren van de geheelonthouding niet ongewoon. De overweging was dat de houding van de onderwijzer als volksopvoeder in deze aangelegenheid bijzonder belangrijk was en dat zijn voorbeeld veel gewicht in de schaal legde.
Van bijna alle leden van de GGOB had de vader een beroep als predikant, architect, arts, onderwijzer of medewerker bij de posterijen, spoorwegen of gemeente, grote of kleine middenstander, winkelier, handelaar, grossier. Slechts van een enkel lid was de vader monteur, kleermaker of smid.[85]

Na een debat in december 1918 in de GGOB over de vraag of hbs’ers als lid toegelaten moesten worden, en er over deze vraag in het debat geen uitsluitsel kwam, kwamen de hbs’ers enige maanden later op 11 januari 1919 met een eigen bond: de HBS-Geheel Onthouders Bond (HBS-GOB).[86]
Enige maanden later, op 8 juni 1919, ontstond door een fusie van de hbs’ers en de gymnasiasten de Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden (NBAS) waaraan ook de studenten aan de opleiding voor onderwijzer zich aaneen sloten.
[87]
Kwekelingen hadden op 2 maart 1906 de Kwekelingen Geheel Onthouders Club (KGOC) opgericht. Toen zich hierbij een club uit Haarlem, Middelburg, Deventer en Den Haag aansloot ontstond hieruit op 25 april 1906 de Kweekelingen Geheel Onthouders Bond (KGOB). De leden van de KGOB voelden er niets voor de arbeidersjeugd als lid toe te laten, ook niet na lange schriftelijke en mondelinge diskussies.
[88]
De aanstaande onderwijzers wilden samengaan met de gymnasiasten en hbs’ers, maar de gymnasiasten en de hbs’ers voelden hier aanvankelijk niets voor. Zij zagen de geestelijke afstand tussen zichzelf en de aanstaande onderwijzers in de KGOB als te groot.
Toch werd er in januari 1920 een commissie ingestelt die de wenselijkheid en de mogelijkheid van een eventuele fusie van de NBAS en de KGOB ging onderzoeken. Deze commissie besloot dat de NBAS en KGOB zelfstandig zouden blijven, maar dat er op een aantal zaken zou worden samengewerkt. Een voorstel om één gezamenlijke bond te vormen met afzonderlijke afdelingen voor elke categorie studenten (gymnasiasten, hbs’ers, kwekelingen) werd afgewezen. Toen leden van de KGOB zich individueel aanmeldden als lid van de NBAS kwam het in augustus 1921 toch tot een fusie van NBAS en KGOB.
[89]
Als ook de jeugdigen van de scholen met Meer Uitgebreid Lager Onderwijs (MULO), eerder scholen van financiel minder gesitueerden dan van minder begaafden, zich als lid van de NBAS aanmelden dan laat Cornelis Boeke (1884-1954) aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap in Bilthoven de jeugdigen allerlei voorkomende werkzaamheden verrichten zoals: koken, kranten drukken, een winkel beheren, groenten en fruit kweken, afwassen, schoonmaken, opruimen, besluiten nemen niet bij meerderheid, maar bij volledige overeenstemming van stemmen en de beste kiezen als leider. De school werd werkplaats genoemd, de onderwijzer medewerker en de jeugdige werker.
De hoogleraar in de rechten: J.J. van der Leeuw (1893-1934) had in 1920 in zijn proefschrift: Historisch-Idealistische Politiek opgeroepen een begin te maken met de opbouw van ‘een aristo-democratie’, een samenleving waar op alle terreinen van het maatschappelijk leven ‘groepverbanden‘ gevormd zijn, waaruit de ‘beste’ gekozen wordt als hoofd, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen is.
[90]
Van der Leeuw
geloofde dat door de beste te kiezen als Hoofd de verschillen in godsdienstige-, levens- of politieke overtuiging zouden worden overbrugd.[91]
Hij zag de financieel beter gesitueerden van de bevolking als de intellectueel meer begaafden. Van der Leeuw had, toen hij nog student in de rechten was in Leiden, uit Londen de Practisch Idealisten Asssociatie (PIA) in Nederland geïntroduceerd. In de PIA sloot de jeugd uit de zeer gegoede kringen zich aaneen.[92]
Ook Boeke was lid van de PIA. In de PIA was een ieder medewerker, elke plaatselijke afdeling had haar leider, de plaatselijke leiders vertegenwoordigden hun afdeling in de Raad der Leiders, en besluiten werden genomen niet bij meerderheid, maar bij overeenstemming van stemmen. Bij het toetreden tot de PIA werd van de leden verwacht een beginselverklaring te ondertekenen waarin ze verklaarden:
Wij willen de mensheid dienen, in plaats van eigen eer en voordeel na te jagen. Wij willen onze lagere natuur beheersen, in plaats van haar onbeteugeld te laten. Wij willen de innerlijke werkelijkheid der dingen onderscheiden van hun uiterlijke schijn. Met alle gelijkgezinden willen wij in eenheid samenwerken om, bezield door deze idealen, een betere samenleving te vormen en we zullen ons hierbij door geen uiterlijke verschillen laten verdelen.
[93]
Diverse leden van de PIA werden lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de Sterkampen op het landgoed Eerde in Ommen waar ook elk jaar een kamp van de PIA plaatsvond.
Boeke was lid van het bestuur van de plaatselijke afdeling van de Nederlands Christelijke Studenten Vereniging (NCSV). De NCSV was eerste stap van de jeugd uit de zeer gegoede kringen zich aaneen te sluiten. De vader van Boeke was directeur van de HBS, de vader van Van der leeuw was firmant van de Van Nelle fabriek (een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam), een ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en van weer een ander was de vader directeur van de glasfabriek in Leerdam.
Van der Leeuw sloot zich later aan bij de Theosofische Vereniging, was nauw betrokken bij de zomerkampen rond Krishnamurti in Ommen en werd in 1930 voorzitter van de Nederlandse Afdeling van de Theosofische Vereniging.

Nabeschouwing
Ook deze volwassenen verwachtten dat een ieder tevreden was met de plaats in het sociale gebeuren. Als gegeven werd aangenomen dat de ene plaats in het sociale gebeuren een financiel betere kon zijn dan een andere of een maatschappelijk sterkere was dan een andere. Aan anderen kenden ze wel een maatschappelijk en intellectueel en financiel mindere plaats toe dan zij zelf hadden.

 

8. Socialistiche levenshouding.

Inleiding
Toen op zwarte donderdag 24 oktober 1929 de koersen van de aandelen op de New-Yorkse effectenbeurs ineen stortten brak er een economische depressie uit met een omvang, duur en intensiteit zoals de wereld voordien nooit heeft gekend.[94]
De crises was mondiaal; niet slechts in de Verenigde Staten, niet slechts in de kapitalistische wereld, maar over de gehele aarde tot in de grondstoffenlanden toe was de werking merkbaar. Door het ongeëvenaard grote aantal kapitaalverliezen en faillissementen liep de werkloosheid in de ettelijke miljoenen. De werkloosheid nam massa­le en hardnekkige vormen aan. De algemene prijsdaling trof de boeren extra-hard. De prijs voor tarwe daalde in vier jaar tijd met bijna de helft, die van rogge, boter, varkensvlees met meer dan de helft. Er was vrijwel geen landbouwer die nog de eindjes aan elkaar kon knopen; hoe hard er ook gewerkt werd, de bedrijven loonden niet meer.

Uit het gehele economische leven (bedrijf na bedrijf moest de productie inkrimpen of zelfs stopzetten) werden de arbeiders bij tienduizenden ontslagen. Door middel van loonsverlagingen trachtten de ondernemers hun bedrijf rendabel te houden, althans de verhezen te beperken. Die bedrijven welke niet onder de arbeidsinspectie vielen, vertoonden de neiging, van hun arbeiders buitensporige prestaties te vergen. Wie nog als zelfstandige in het

economisch verkeer stond, deed vaak zijn uiterste best om te voorkomen dat hij om werklozensteun moest aankloppen. Chauffeurs, en in het bijzonder de z.g. ‘eigen rijders’ (eigenaars van een vrachtauto die zelf hun wagen bestuurden) maakten ‘dagen, ja weken achtereen, arbeidstijden van 16 tot 18 uur per dag, of van 24 tot 48 uren aaneen. Er waren gevallen bekend welke nog zeer veel verder gaan en waarbij de betrokken chauffeurs weken achtereen slechts een nacht per week nachtrust op hun bed konden genieten, terwijl zij voor de rest hun rust bij stukjes en beetjes maar in de cabine van hun auto tussen de ongelimiteerde werkuren door moesten trachten te verkrijgen.
De inkomstendaling van arbeiders en beter-gesitueerden was een katastrofe voor de middenstand, speciaal voor de winkeliers. Duizenden winkels werden opgeheven, andere verwisselden van eigenaar. De grote massa verarmde steeds meer waardoor er steeds minder producten werden gekocht. Er ontstond overproductie. Het bankwezen, de industrie, de handel, de scheepvaart, voelden de neerslag van de economische crises. De landbouw evenals de landbouw-verwerkende bedrijven kregen slag op slag. De tuinbouw stortte in doordat naburige landen hun grenzen geheel of bijna geheel afsloten voor haar producten. De vissersvloot lag voor een groot deel werkeloos in de havens. Gebouwd werd er haast niet meer. De meeste bedrijven gingen bij de dag achteruit. Het aantal werklozen werd steeds groter en loonsverlagingen waren niet van de lucht.[95]

Bedrijfsleven en regering waren door de diepe crisis volledig verrast. Men leefde in beide milieus in de ban van de liberale economie (drie generaties lang in het hoger onderwijs gedoceerd) die, voorzover zij dan schoorvoetend

bereid was te erkennen dat economische malaise van tijd tot tijd voorkwam, in elk geval hardnekkig de overtuiging koesterde dat het niet op de weg van de overheid lag, die malaise actief te bestrijden. De economie heette slechts gebaat bij ‘het vrije spel der maatschappelijke krachten’; de overheid diende zich te beperken. Zij mocht dan op grondslag van de bestaande bedrijvigheid sociaal-beschermende maatregelen nemen en zelf op enkele sectoren, voornamelijk met haar openbare nutsbedrijven, als producente optreden – in wezen, zo zag men het, ging die bedrijvigheid buiten haar om. Haar taak was het, vooral met het oog op het buitenlands ruilverkeer, het vertrouwen in de stabiliteit van de valuta hoog te houden. Dat bevorderde zij, zo meende men, door de begroting in evenwicht te houden, zo weinig mogelijk schulden te maken, bestaande schulden af te lossen. Als kenmerk voor de gezondheid van een economie gold dat de buitenlandse betalingsbalans in evenwicht was; toonde die balans jaar na jaar een nadelig saldo, dan zou uit het betrokken land goud afvloeien: de dekking van de bankbiljetten zou verminderen, buitenlanders zouden hun kapitalen terugtrekken - het proces zou eindigen met devaluatie, verdere vermindering van vertrouwen, verdere malaise.

De crises had ook de jongeren getroffen. Het blad De Socialist, van een groep leden uit de SDAP dat oppositionele en radicale geluiden liet horen, werd gretig gelezen in de AJC en op bijeenkomsten verkocht. Een aantal jongeren stelde voor over de koloniale en ontwapeningsproblemen meer politieke voorlichting te laten geven door kritische leden uit de SDAP.
Als deze jongeren zich aansluiten bij de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP), opgericht door leden uit de SDAP die het lidmaatschap hadden opgezegd of geroyeerd waren als lid, gaan volwassenen aan de Internationale School Eerde in Ommen de jeugd de beginselen bijbrengen van een socialistische levenshouding.
In de SDAP werden kameraadschap, gemeenschapszin en arbeidsvreugde gezien als de belangrijkste waarden van een socialistische gemeenschap. [96]
Woordvoerder van dit personalistisch socialisme was Jacobus (Koos) Jan Vorrink (1891-1955). Vorrink was voorzitter van de SDAP. Hij was onderwijzer geweest en bezoldigd bestuurder van de AJC. Hij had de AJC omgevormd naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien bij de Sozialistische Arbeiter Jugend. Daar werden volksliederen gezongen en stijlvolle dansen uitgevoerd, waren de jongeren afkerig van banaliteit, hadden de jongeren de ‘burgerlijke’ confectiepakjes met stijve boorden omgewisseld voor manchesterkleding met open hemden.
Vorrink stemde geheel in met het oordeel van de directeur van een clubhuis in Rotterdam die de volksjeugd geestelijk leeg en zedelijk laf vond: de geestelijke leegheid van de gemiddelde volksjongen (is) veel en groter dan wij vroeger ooit hadden gemeend en dat hij - alle onderwijs, museums, kerken, meetings enz. ten spijt – geheel en al buiten onze cultuur voortleeft, en: Nooit heeft een jongen het voor het gezag opgenomen, nooit heeft een doen blijken, dat hij een vernieling of andere overtreding afkeurde en meegewerkt om de schuldige op te sporen.. . . ’t is niets anders dan bangigheid om in een zaak te worden gemoeid. [97]
Vorrink had zich op zijn beurt laten inspireren door de in Duitsland gevormde Belg: Hendrik de Man (1885-1953). De Man had in 1929 Der Sozialismus als Kultuurbewegung laten verschijnen.[98]
Vorrink had het boekje van De Man zo belangrijk gevonden dat hij het zelf had vertaald en uitgegeven.[99]
De Man was op zijn beurt gegrepen door de gedachten van G.L. Radbruch (1878-1949). Radbruch had gewezen op wat hij als de belangrijkste waarden van een socialistische gemeenschap zag:‘Kameradschaft, Gemeinsinn, Arbeitsfreude. [100]

Nabeschouwing
Deze volwassenen zagen het socialisme in tegenstelling tot het arbeiderssocialisme, dat in de eerste plaats een drastische verandering van het economisch stelsel beoogde, als een zaak van de psychologie, en beoogden een verandering van de gezindheid van de mens.

 

9. Samenvatting, beschouwing en conclusies.

Toen omstreeks 1900 een tegenstelling ontstond tussen de generaties namen volwassenen uit angst dat het jongerenoptreden ‘uit de hand’ zou lopen het initiatief dit ‘in geordende banen’ te leiden.

Men zag de jeugdfase niet als een waarde op zichzelf: een periode waarin de jeugd de gelegenheid geboden moet worden alles te onderzoeken en zelf uit te vinden.
De strategie van de volwassenen was erop gericht de vrije jeugdbeweging te ontkrachten door de uiterlijke vormen ervan: kleding, liederen, dansen, taal, kamperen over te nemen. Zoals de jeugdzorg: de door volwassenen geleide organisaties voor de jeugd, ook als ‘jeugdbeweging’ werd aangeduid. Een enkele keer lukte het de bestaande jeugdbeweging toch weer te integreren in de bestaande door de volwassenen geleidde organisaties. Dit was het geval in Engeland waar generaal Baden Powell erin slaagde de scout mouvement om te zetten in een imperialistische-militaire organisatie dat zijn diensten had bewezen bij de landsverdediging tijdens de Eerste Wereldoorlog.[101]

Ook in Nederland werd in die jaren in dezelfde geest een padvinderij opgezet onder het patronaat van Prins Hendrik en hoge militairen. De leden hiervan kwamen veelal uit de gegoede burgerij.

Volwassenen brachten de jeugd een hun aangehangen wereldbeeld bij: een christelijk-nationale, een religieus-socialistische, een organische, een aristocratische of een kultuur-socialistische.
In een enkel geval werd de jeugd een niet bestaande, irreele, wereld voorgehouden zoals in de verhalen over het dagelijkse huiselijk leven van Ot en Sien, een gezin dat op het platteland in een ruime comfortabele vrijstaande woning woont, met een moeder die geen betaalde werkzaamheden buitenshuis verricht en een vader die de kost verdient als hoofdarbeider. Kan men hier niet spreken van een initiatief wat geen ander gevolg kon hebben dan het domhouden van jeugdigen.

Even merkwaardig waren de herhaalde pogingen van de volwassenen in de SDAP de jeugd de wind uit de zeilen te nemen door het oprichten van eigen jeugdorganisaties, waaronder de AJC.
Het meest merkwaardige verschijnsel was wel het initiatief van volwassenen uit de financiel betere lagen van de bevolking de jeugd uit de financiel mindere sociale laag bij te brengen dat ze ook minder intellectueel begaafd zijn, zoals dit gedaan werd op de school van Kees Boeke.
In onderwijskringen in Nederland worden veelal de in dit onderzoek geschetste initiatieven aangeduid met namen die zijn ontleend aan de buitenlandse initiatieven welke bekend zijn onder de naam Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht enz. Deze buitenlandse initiatieven hadden echter een onderwijskundige achtergrond n.l. het onderricht doelgericht en efficiënt te laten plaatsvinden.
De achtergrond van de in dit onderzoek beschreven initiatieven was echter een politieke. Ze hadden alle te maken met de specifieke omstandigheden in Nederland en waren van een geheel andere orde.

 

[1] M. Bloch: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.


[2] H. Plessner: Het probleem der generaties, in: Sociologisch jaarboek. III, jrg. 1949.


[3] B. A. Knoppers: Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung. Emsdetten 1931.


[4] J. H. Gunnungh Wzn.: De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, Amsterdam 1939.


[5] I. van der Velde: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940. Groningen 1970.


[6] S. J. C. Freudenthal-Lutter: Naar de school van morgen. Alphen aan de Rijn. Blz. 141.


[7] Th. van Tijn: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag. In: Jeugd, school en wereld. Jrg. 55, 1971, no. 4; ook in: Student. Januari\februari 1972; zie ook zijn artikel: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, o.r.v.: L. Box, J. Dronkers, M. Molenaar en J. Mulder. Nijmegen 1977,


[8] H. Verwey-Jonker: Emancipatiebewegingen in Nederland. Deventer 1983.


[9] N. L. Dodde: Het Nederlandse onderwijs veranderd. Muiderberg 1983.


[10] H.  Plessner: Het probleem der generaties, in: Sociologisch jaarboek. III, jrg. 1949.

[11] E. Key: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, van J. Wesseling-van Rossum, Zutphen 1906.

 

[12] B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 541.

[13] B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 673

[14] B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 674

[15]A. H.Gerhard: Een Sociaal Sprookje, Amsterdam 1914.

[16] H. Roland Holst: De Socialistische opvoeding der jeugd. Rotterdam 1907,

[17] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz.47.

[18] B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 235.

[19] J. Kleefstra: Wat maken wij van onze jongeren. Uit: Studies in Volkskracht, Amsterdam 1905.

[20] Leerkrachten waren o.a. W.v.d. Jagt (klassieke talen), H. J. Boeken (klassieke talen) Z. Stokvis (nederlands) , K. van Damme (frans), mej. Lohman (duits), C. M. Borneman (engels), B. Vreeken (wiskunde en boekhouden), C. J. H. Raad (wiskunde en tekenen), mej. A. Kleefstra (onderwijzeres), J. A. van Schooten (tekenen), mej. W. Bolland (frans, duits, engels).

[21] A. H. Gerhard: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,


[22] E. H. P. A.Haeckel: Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie. Bonn 1901.


[23] C. Darwin: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.


[24] T. Malthus: An Essay on the Principle of Population. Malthus publiceerde het voor het eerst in 1798 onder de schuilnaam: J. Johnson.

[25] W . Drees: Zestig jaar levenservaring (1963), p. 53-5 4 en p. 91-92.

[26] A. Cort van der Linden: Volk en Staat, Groningen, 1882

[27] A. Cort van der Linden: Volk en Staat, Groningen, 1882

[28] A. Cort van der Linden: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz.194.

[29] A. Cort van der Linden: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203

[30] A. Cort van der Linden: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203

[31] A. Cort van der Linden: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 204

[32] M. Soree & M.Snepvangers: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.

[33] J. Ligthart en H.Scheepstra: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1904.

[34] A. Kuyper: Burgerbesef, standstevredenheid en vaderlandsliefde, In: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.

[35] A. C. de Gooyer: Het beeld der vad’ren. Een documentaire van het leven van het protestants-christelijke volksdeel in de twintiger en dertiger jaren (1964), p. 17.

[36] A. Kuyper: Burgerbesef, standstevredenheid en vaderlandsliefde, In: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.

[37] A. Kuyper: Handenarbeid, Amsterdam 1889.

[38] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.

[39] J. Ligthart en H.Scheepstra: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1904.

[40] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.

[41] H. Roland Holst-van der Schalk: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977.

[42] C. W. Coolsma: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.

 

[43] W. Banning: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.

[44] J. de Groot: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.

[45] J.Ligthart: Een woordje aan ‘t slot. In: School en Leven. Eerste jaargang, no.52.

[46] J.Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.

[47] J. P. Hasebroek: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.

[48] Verslag der schooljaren 1905–1908 van de Humanitiare school te Laren (N-H). Laren 1908.

[49] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.

[50] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.

[51] Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962: gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.

[52] P. Kropotkin: Mutual aid: a factor in evolution. 1902. Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.

[53] Leerkrachten waren o.a.: J.M. Telders, mw. M. van der Es, mw. P. van der Knoop, mw. T van Mierop-Mulder, Felix Ortt.

[54] Geschiedenis van het Amsterdamsch Studentenleven 1632-1923.

[55] G. Stuiveling: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.

[56] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

[57] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

[58] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

 

[59] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 229

[60] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 543,

[61] F. van Eeden: H. Thoreau, Walden or life in the woods. Londen 1908.

[62] H. L. Borgman: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K. Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph. Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H. Schuurman: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.

[63] H. Noordegraaf: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.

[64] B. de Ligt: God Uzelf Uw Naaste. 1912.

[65] G. Harmsen: Blauwe en Rode Jeugd, Nijmegen 1975, blz. 53

[66] Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer 1913/1914, blz. 1583-1584.

[67] Verslag van de staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Ingesteld bij koninklijk Besluit van 18 juni 1917 No. 58.

[68] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 133

[69] De SDP ging in 1919 verder als Communistische Partij Holland.

[70] G. Harmsen: De Rode jeugdbeweging in de jaren twintig. In: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 173.

[71] W. Banning: Wat wil en doet de arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Amsterdam 1934; ook in: Wie zijn de Woodbrookers, in: Ons werk. Geschriften van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.2, zj; en: Om de groei der gemeenschap. Arnhem 1926, en: De arbeidersbeweging als beschavingsmacht. Geschriften van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.3, zpl, zj.

[72] K. H. Roessingh: Persoonlijkheid en Cultuur. Haarlem 1916.

[73] W. H. Vliegen: Die onze kracht ontwaken deed. Deel III, p.437-438.

[74] D. Struik: Mijn socialistische jaren in Nederland. Herinneringen uit 1914-1924. In: Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1977, Nijmegen 1977, blz. 191-246.

[75] D. Struik: Mijn socialistische jaren in Nederland. Herinneringen uit 1914-1924. In: Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1977, Nijmegen 1977, blz. 191-246

[76] K. Mannheim: Das problem der Generationen. In: Kölner Vierteljahreshefte für Soziologie, VII, 1928.

[77] J. H. Bolt: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn. In Theosofia, febr.1920, jrg XXVII.

[78] Leerkrachten waren o.a. : Daniel Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn 1874-1959), Pieter Jakobus de Haan (1891-1968) en Max Leon Stibbe (1898-1973) 

[79] R.Steiner: Das geheimnis der menschlichen temperamente; Berlin, 1909.

[80] Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.


[81] L. Groeneweg: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920, blz.299. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.


[82] L. Groeneweg: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920, blz.299. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.

[83] M. H. Schoenmaekers: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde. Bussum 1916.

[84] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 229 e.v.: ‘Het lijkt niet dat dit een reactie was op de Eerste Wereldoorlog of een gevolg van de indrukken die de oorlog op de jeugd had gemaakt, of een gevolg van een toegenomen aantal leerlingen naar de middelbarescholen dat tot een wijziging had geleid van de sociale samenstelling en dat dit de ontvankelijkheid voor het jeugdidealisme had vergroot.’

[85] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 233

[86] Orgaan GGOB, jan. 1919

[87] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975. Blz. 74.

[88] In 1912 had de arbeidersjeugd de Jongelieden Geheel Onthouders Bond (JGOB) opgericht. 

[89] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 230 e.v.

[90] J. J. van der Leeuw: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.

 

[91] J. J. van der Leeuw: Het Practisch Idealisme. Baarn 1922

[92] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 241.

[93] J. J. van der Leeuw: De jongeren aan den opbouw. Den Haag 1923.

[94] J. van Santen: Weimar 1933. Democratie tussen fascisme en communisme. Nijmegen 1983, blz.85.

[95] G. Harmsen: Economische crises, massale werkloosheid, fascisme en oorlogsdreiging. In: Voor de Bevrijding van de arbeid, Nijmegen 1975, blz.172. Zie ook: L.de Jong

[96] G. L. Radbruch: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.

[97] K. Vorrink: De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925. Blz.4.

[98] H. de Man: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929, blz.45.

[99] K. Vorrink: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928

[100] G. L. Radbruch: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.

[101] Zie: G. Harmsen - Padvinderij. In: Grote Winkler Prins, deel 14 (1975), p, 822.