Onderwijsvernieuwing in Nederland 

Onderwijsvernieuwing in Nederland in de periode 1900 tot 1940.   



Vernieuwing van het onderwijs tussen 1900 en 1940.

Cornelis Oostwal

 

“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het handelen”,[1]

 

Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopie¨en, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de auteur.

 

Contact: cornelisoostwal@Gmail.com

Bijgewerkt: 6-11-2018

 

I Onderwerp en uitwerking.

In het democratiseringsproces dat zich over de tweede helft van de 19 e en de eerste helft van de 20 e eeuw uitstrekte, waren verschillende emancipatiestrevingen naar voren geschoven waarvan die van de arbeidersklasse de belangrijkste, meest omvattende en verststrekkende was. Daarnaast en hierdoor gestimuleerd was ook de jeugd strijd gaan voeren voor een gelijkberechtigde positie. Voor de jeugd hield democratisering in: erkenning van het eigen karakter van de jeugdfase en de speciale eisen die deze stelde. Ze had dit weten te bereiken door de autoritaire gezins- en schoolsfeer te ontvluchten en soms ook noodgedwongen, door zich er tegen te verzetten. [2]
De jeugdbeweging was een eerste rectie op een maatschappij die ten gevolge van een toenemende industrialisatie, urbanisatie, technificatie en afbraak van patriarchale verhoudingen in gezin en bedrijf een geheel ander karakter had gekregen.
Volwassenen stonden in het algemeen dan wel niet echt vijandig tegenover de jeugd maar ook niet echt positief.

Doordat de maatschappij door de industrialisatie was gemobiliseerd in het teken van de vooruitgang, waarin alles werd verwacht van de jeugd, was zelfs de gedachte ontstaan dat de gehele maatschappelijke ontwikkeling het werk was van de jongere generatie. [3]
Dit leidde onder bepaalde groepen van volwassenen tot angst voor het ‘uit de hand’ lopen van het optreden van de jeugdigen.  In dit onderzoek wordt een schets gegeven van
de onderwijsvernieuwingen en toenemende bemoeienis van de regering met de zorg voor de jeugd om het jeugdoptreden ‘in geordende banen’ te leiden.


Theoretische beschouwingen.
In dit onderzoek zal de ideeëngeschiedenis worden nagegaan van het verleden. Hierbij gaat het er om de samenhang bloot te leggen tussen het denken en het handelen. De term ideeën wordt gebruikt omdat woorden als theorieën en filosofieën een consistente, afgeronde en tegelijk systematisch ontwikkelde gedachtegang veronderstellen waar alleen op het hoogste intellectuele niveau sprake van is.
Ideeën ontstaan of herleven, aanvankelijk los van bewegingen en zelfs voor dat hier sprake van is, in de hoofden van enkelingen.
Er is wat genoemd kan worden een objectief moment: welke gebeurtenissen en omtandigheden waren er gaande binnen een gegeven maatschappelijke totaliteit, en er is met wat genoemd kan worden een subjectief moment: hoe hebben de betrokkenen de hun gegeven gebeurtenissen en omstandigheden beleefd en ervaren, wat waren hun beweegredenen om in beweging te komen, tot welk doel moest hun optreden leiden. Kortom: het gaat om het verschaffen van inzicht.
Het gaat om het specifieke, het bijzondere, van een historische situatie bloot te leggen.
Niet wordt teleologisch te werk gegaan: naar een welgevallige of gewenste situatie toeschrijven. Niet wordt uitgegaan van het gelijk van de één of het ongelijk van de ander. Niet gaat het er om oordelen te geven, of om te vertellen wat aangenaam in de oren klinkt.
Pogingen om uitgaande van een veronderstelde algemene menselijke natuur te komen tot universele psychologische wetten ter verklaring van historische en maatschappelijke processen hebben weinig of niets opgeleverd. Meestal worden sociale verschijnselen dan herleid tot een psychologistisch simplisme.
Ook verregaande abstracties onttrekken het zicht op de sociale werkelijkheid vaak meer dan dat ze het zicht verhelderen doordat essentiële verschillen tussen verschijnselen worden uitgewist.
Filosofisch-wetenschappelijk ontwikkelde gedachtestelsels treffen we aan in de hoofden van slechts enkele originele denkers; meer vereenvoudigde gedachten worden weergegeven door de intellectuele kaders in boeken, tijdschriften en lezingen en onderlinge discussies; min of meer kant en klare bevindingen en conclusies worden weergeven door de groep der activisten in dagbladen, manifesten en redevoeringen; vage voorstellingen in de vorm van leuzen en slagzinnen vernemen we via mondelinge kontakten onder de brede massa van sympathisanten.
Gedachten zijn niet automatisch een gevolg van de sociale herkomst van een denker. Gedachten ontstaan niet vrijelijk in de hoofden van geniale mannen of vrouwen, stammen niet rechtstreeks, automatisch uit de maatschappelijke achtergrond van de denker, zijn geen passieve afbeeldingen of weerspiegelingen van het maatschappelijk leven die zich onafhankelijk daarvan voltrekken in de hoofden van denkers.
Gedachten ontstaan in, vormen en ontwikkelen zich door, de ontwikkelingen in het maatschappelijk leven. Dat een bepaalde sociale groepering een gedachte heeft uitgewerkt en tracht dit te verwezenlijken, betekend niet automatisch dat daarmee ook de belangen van die sociale groepering zijn gediend.
De juistheid van een gedachte wordt niet bepaald doordat het verkondigd wordt door een persoon van een bepaald ras of geslacht, met een bepaalde afkomst of leeftijd, met een bepaalde maatschappelijke positie, met een bepaalde godsdienstige of politieke achtergrond, doordat het afkomstig is van degene die het te berde bracht.
Ideeën en opvattingen van een politiek heersende sociale groepering berusten niet altijd op vooroordelen, ook zijn het niet altijd ideologieën die het eigen belang (moeten) dienen.
De juistheid van een idee of opvatting en het belang wat er mee gediend wordt dient altijd gezocht te worden in het sociale gebeuren zelf.

Opvoeding in het verleden.
De Grieken brachten de jeugd groot voor de uitoefening van een publieke functie. Kennis en vaardigheden werd bijgebracht zoals: klassieke talen, klassieke literatuur, kunst en geschiedenis, plus een gezonde ontwikkeling van het lichaam. Het ging om: het bereiken van perfectie, de vorming van een cultureel ontwikkeld mens. Plato zei: 'Opvoeding houdt in lichaam en ziel alle perfectie geven waar zij vatbaar voor zijn'.
De Romeinen legden de nadruk in de opvoeding ook op de uitoefening van een publieke functie en een actieve deelname aan het publieke leven. Zij beschouwden alle scholing als een voorbereiding op deze rol, waaronder ook culturele doelen: de vorming van iemand tot 'vir bonus' ('gentleman' of 'bonhomme'). De Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero (106 tot 43) zag het kind als ‘speculum naturae’ als ‘spiegel der natuur’ en om de jeugd voor te bereiden op een rol in het publieke leven introduceerde hij de geleidelijke en natuurlijke ontplooiing van iemands talenten.
Christus geeft in het Mattheus-evangelie 18.3 volwassenen het dringende advies te worden gelijk de kinderen: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet veranderd, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’. Hier is sprake van het bijbrengen van een zedelijke, levensbeschouwelijke en politieke houding.
In de middeleeuwen werd de jeugd grootgebracht voor het bestaan van volwassene: de 'homo universalis'.
Erasmus (1490-1520) zag als doel van de opvoeding: de geest het zaad van toewijding laten ontvangen; de vrije kunsten leren liefhebben en grondig kennen; voorbereiding op de plichten des levens en gewennen aan de beginselen van wellevendheid.
Kant (1724-1804) zag als doel van de opvoeding de jeugd voor te bereiden op het toekomstige bestaan als volwassene: ’met het oog op een mogelijke betere staat’.
D
e Franse filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) roept in Emile ou l’éducation op, de opvoeding aan te laten sluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind en deze niet te richten op het toekomstige leven van volwassene.
De Zweedse, sterk door Nietzsche beïnvloede, pacifiste Ellen Key (1849-1926), proclameert in: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, (de 20 e eeuw tot ‘de eeuw van het kind’ en verhief het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm, waarmee zij overigens niet de eerste was.  Ze zag de vrouw weliswaar als intellectueel de mindere van de man, maar het verhinderde haar niet op te komen voor het vrouwenkiesrecht en de arbeidersbeweging te steunen.
[4]
H.R. Roland Holst-van der Schalk schrijft in Kapitaal en Arbeid in Nederland, dat de Nederlandse proletarierskinderen hier weinig van merkten want de nieuwe eeuw bracht aanvankelijk, wat de oude ook had gebracht: uitbuiting, ellende, en verwaarlozing.
[5]
Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd jeugdigen een religieus besef bijgebracht. Het religieus-zedenkundige leesboek, met voorbeelden uit de Bijbelse geschiedenis, waarin de godsdienst wordt verheerlijkt vierde hoogtij.
De invoering van de onderwijswet van 1857, waarin naast vakken als lezen, schrijven, en rekenen ook geschiedenis, aardrijkskunde en zingen verplicht werd gesteld, markeerde de overgang naar een onderricht waarin gestreefd werd jeugdigen die kennis en vaardigheden bij te brengen die hen moest voorbereiden op de uitoefening van een beroep of ambacht. Bijgebracht werd wat nodig gevonden werd om het de jeugdige, wanneer deze de school verliet bij het bereiken van het tiende levensjaar, aan het einde van de leerplichtige leeftijd, zonder dat de gehele zesjarige schoolperiode was doorlopen, mogelijk te maken het tot loop- of fietsjongen of loswerkman, zoals dat toen heette, te kunnen brengen. Latere initiatieven zoals de invoering van handenarbeid, gymnastiek, zelfwerkzaamheid, concentratie van de leerstof, zaakonderwijs hadden alle tot doel dit onderricht doelgerichter en efficiënter te laten plaatsvinden.
Cecil Reddie richtte in 1889 in Engeland zijn New School op, Herman Lietz in 1898 in Duitsland zijn Landerziehungsheim, en Edmond Demolins in 1899 in Frankrijk zijn L'Ecole des Roches waar de leerlingen op voet van gelijkheid verkeerden met hun onderwijzer als protest tegen het ‘rationalisme’.
Dikwijls worden in onderwijskringen in Nederland buitenlandse initiatieven aangehaald welke bekend zijn geworden onder de naam Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht. Zo zag Helen Parkhurst (1887-1973) zich aan de éénmansschool in Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes geplaatst voor de taak de kinderen van de opdringende emigrantenstroom van diverse nationaliteiten en zeer verschillend intellectueel niveau in een nog dunbevolkt land ‘in de smeltkroes’ van het onderwijs om te vormen tot loyale staatsburgers. Ze schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken. Ze kon met financiële steun van de welgestelde familie Crane in 1919 The Children's University School, openen. Peter Petersen (1884-1952) werd in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas steeds uit minder jeugdigen bestond. Hij maakte een einde aan de jaarklassen, vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet ze in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd.
Célestin Freinet (1896-1966) werd in 1920 op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen waardoor de jeugdigen weinig gemotiveerd het onderricht volgden. Hij bood jeugdigen de mogelijkheid zich aan de hand van de eigen interesse en belangstelling te verdiepen in door hen zelfgekozen onderwerpen. Maria Montessori (1870-1952) werd in 1907 in Rome in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome geconfronteerd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling. Zij liet om de jeugdigen de mogelijkheid te geven zich intellectueel te ontwikkelen met eigen gemaakt materiaal voelen, horen, zien en ruiken.
Ze weerde sprookjes uit haar school, verving het vrije tekenen door het omtrekken van geometrische figuren om zo een vaste hand van schrijven bij te brengen en oefende de zintuigen niet aan geluiden en kleuren in de natuur, maar aan rammelbusjes en kleurenspoeltjes. Pestalozzi liet uit armoede, de jeugdigen elkaar helpen. Bij O. Decroly stond in Brussel de natuurlijke ontplooiing van de vermogens van het kind en het leren niet door luisteren maar door eigen activiteit op de voorgrond met zijn ‘école pour la vie et par la vie’ en zijn ‘leren uit het volle leven’ en zijn ‘centres d’intérêt’. Georg Kerschensteiner had zijn ‘Arbeidsschule’. Leo Tolstoj richtte voor de boerenkinderen van Jasnaja Poljana een winterschool op - zomers werden de kinderen geacht genoeg in het boerenbedrijf te leren. Al deze buitenlandse initiatieven hadden als doel het onderricht doelgerichter en efficienter te laten plaatsvinden.
Op het eind van de eeuw kreeg in Engeland, in Frankrijk, ten slotte ook in Duitsland de gedachte van een ‘vrije’ school gestalte: anti-intellectualistisch, contact met de natuur, vorming van het gevoelsleven en veel lichaamsbeweging. Een schoolgemeenschap met min of meer uitgebreid zelfbestuur en zelfverzorging in huis en tuin en scholing van de kunstzinnige aanleg. In Engeland werkte op die basis het in 1899 gestichte Abbotsholme, en in Frankrijk verrees in hetzelfde jaar de Ecole des Roches. In Duitsland ijverde G. Wyneken, een geëxalteerde idealist, voor een Freie Schulgemeinde, een Duitse uitgave van de Amerikaanse school-city, die hij in 1906 in Wickersdorf verwezenlijkte. In 1899 stichtte dr. Lietz zijn Landerziehungsheim in Ilsenburg, in 1910 Paul Geheeb zijn Odenwaldschule. Voor de Eerste Wereldoorlog waren er minstens twintig van zulke vernieuwingsscholen in Duitsland en een tachtigtal in West-Europa.

Nederlandse denkers over opvoeding.
B.A. Knoppers komt in Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung, tot de conclusie dat een zelfstandig door de jeugd geleidde organisatie in Nederland ‘bijnahe nicht besteht’, over volwassenen komt de schrijver tot de conclusie dat deze maar weinig interesse hadden voor de jeugdbeweging, en het optreden van de overheid wordt slechts zijdelings aangehaald en niet in verband gebracht met de jeugdbeweging.
[6]
J.H. Gunnungh, Wzn. noemt in De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, het jaar 1898 als een keerpunt in de geschiedenis van de pedagogie.
[7]
I. van der Velde, brengt in: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940, het streven onder volwassenen het onderwijs te vernieuwen in de periode 1900-1916 in verband met bezwaren tegen de klassikale school en het klassikaal onderwijs, in de periode 1916-1931 in verband met buitenlandse invloeden en in de periode 1931-1940 in verband met een wijziging in de wijze waarop de leerstof wordt aangeboden.
[8]
S.J.C. Freudenthal-Lutter geeft in: Naar de school van morgen, een summier overzicht van enkele pogingen van volwassenen het onderwijs te vernieuwen.
[9]
Th. Van Tijn stelt in: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag, ook in: Student, en in: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd zijn door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen.
[10]
Die zouden hun uitdrukking vinden in de politieke arena, maar ook in die van de opvoeding en in die van het onderwijs. Dit laatste zou dan op twee manieren plaatsvinden: in de eerste plaats zou er telkens - al voor de theoretisch-didactische problemen rijzen – een opmerkelijk vergrootte aandrang komen van de kant van de ouders van tot dusver van onderricht meer of minder verstoken kinderen om hun spruiten wel naar de betreffende onderwijsinstellingen te sturen. Hierdoor zou er in een korte tijd een tekort ontstaan aan onderwijscapaciteit (geld, ruimte, leerkrachten enz.). In de tweede plaats zou er een veranderde visie op doelstellingen en methoden van het onderwijs ontstaan. Ten derde zou dat een uitvloeisel zijn van een veranderde visie op de maatschappij (onderwijs bereid voor op het leven in de maatschappij en aard en inhoud daarvan hangen dus af van de visie die men heeft van de maatschappij), anderzijds zouden juist door de toeloop naar onderwijsinstellingen uit de minder gevormde milieus nieuwe pedagogisch-didactische problemen rijzen.
H. Verwey-Jonker haalt in Emancipatiebewegingen in Nederland, de zelfstandige door jeugdigen gevormde en geleidde organisaties slechts zijdelings aan.
[11]
N.L. Dodde, stelt in Het Nederlandse onderwijs veranderd, dat in plaats van daadwerkelijke vernieuwing en verbetering van het onderwijs in de periode 1898 tot 1963 slechts over een verandering van het onderwijs gesproken kan worden.
[12]


II Christelijke en nationale deugden.
Als omstreeks 1890 na een periode van hoge werkloosheid de jeugd kiest voor de anti-parlementaire weg naar het socialisme dan gaan volwassenen uit angst voor een nieuwe periode van werkloosheid christelijke en maatschappelijke deugden bijbrengen.


De economische crises die zich vanaf 1884 voordeed had voor veel arbeiders werkloosheid gebracht. De depressie was gevallen in een tijdvak waarin de economische activiteit vanaf 1873 dalende was en zou duren tot 1895. Er werden minder grond- en hulpstoffen gebruikt zoals: ijzer, staal, en hout, en in mindere mate invoer van stoom en andere werktuigen. In vele bedrijfstakken was de helft of driekwart van de arbeiders zonder werk. Het was in Amsterdam tot straatdemonstraties gekomen waarbij, indien er gezongen werd of langs drukke wegen gedemonstreerd, door de politie opgetreden werd. Toen een demonstratie door Amsterdam trok, groeide die aan tot ongeveer 3000 man, met in het midden van de stoet borden die gedragen werden met het opschrift: Werk en brood voor allen, wij eisen geen aalmoes maar werk. De textielindustrie beleefde slechte tijden, in de bouwvakken heerste grote werkloosheid. De kou had de nood onder de arbeiders bijzonder schrijnend gemaakt.
De crises in de landbouw die in 1878 losbarstte was nog eens groter dan die in de nijverheid.
[13]
In de Verenigde Staten was door een toename van de immigratie en snelle uitgifte van land de productie van graan geweldig toegenomen, dat dankzij de verbeterde transportmiddelen: spoor en stoomboot, gemakkelijk en dus goedkoop naar Europa vervoerd kon worden, wat een forse daling van de graanprijzen in Nederland tot gevolg had. De daling van de prijs voor graan had ook een daling van andere producten tot gevolg: bonen, erwten, aardappelen, suikerbieten. Duizenden arbeiders, werkzaam op het platteland in de agrarische industrie, waren naar de steden getrokken in de hoop daar werk te vinden, met als gevolg dat de menigte der werklozen buitengewoon toenam. Anderen bleven in hun gemeente, in leven gehouden door de karige giften der diaconieën of burgerlijke armbesturen.
Massale en langdurige werkloosheid vooral in de winter had een belangrijk deel van de bevolking aan de rand van het bestaansminimum of zelfs daaronder gebracht. De honger was overal. De wet uit 1854 waarmee de taak van de overheid in het ondersteunen van de armen was beperkt en overgelaten aan kerken en particuliere instellingen had de honger in omvang doen toenemen. Werklozen en armen hadden zich zo goed mogelijk zien te redden. Alleen in uiterste noodzaak sprong de overheid bij.

Op 12 februari 1882 waren plaatselijke sociaal-democratische verenigingen opgericht. De eerste vereniging was opgericht op 7 juli 1878 in Amsterdam door Willem Ansing (1837-1900). Deze door Ansing opgerichte Sociaal-Democratische Vereeniging (SDV) was een 'gemengde' vereniging: hiervan konden niet alleen handwerkslieden lid worden, maar ook onderwijzers, kantoorbedienden, winkelhouders en eenieder die met de beginselen kon instemmen.[14]
Tot de leden behoorden: Willem Ansing, Klaas Ris (1821-1902) en Hendrik Gerhard (1829-1886). In Haarlem, Den Haag en Rotterdam ontstonden later soortgelijke sociaal-democratische verenigingen.
Bernardus Hermanus Heldt (1841-1914), Ansing en Gerhard hadden contact gekregen met
de toen 33-jarige Lutherse predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) die had gesproken over socialisme. Domela Nieuwenhuis was geboren in Amsterdam als zoon van een hoogleraar aan het Luthers seminarium. Hij werd Luthers predikant, maar trad in 1879 af. Onbarmhartig trok hij van leer tegen de vijf machten die, zo zag hij het, in samenspanning de arbeiders knevelden en hun alle rechten onthielden, de vijf K’s: Kapitaal, Kazerne, Kerk, Kroeg en Koning. Hij werd in 1887 lid van de Tweede Kamer voor het district Schoterland. Zijn propaganda sloeg aan bij duizenden. Hij meende dat het tijd was voor een krachtige organisatie die zich hiervoor zou inzetten. Domela Nieuwenhuis had het christelijk geloof losgelaten, en was een overtuigde atheïst geworden. Op 1 september 1897 nam hij afscheid als predikant en werd weldra de erkende leider van het Nederlandse socialisme.
Nadat ook in Rotterdam een Sociaal-Democratische Vereeniging was opgericht hadden de plaatselijke verenigingen zich aaneengesloten en was in 1881 de landelijke Sociaal-Democratische Bond (SDB) ontstaan met als voorzitter H. Gerhard die enkele jaren later opgevolgd werd door: Domela Nieuwenhuis.

Ook de arbeidersjeugd had de gevolgen van de crises gemerkt. Daar in Nederland vergeleken met de omringende landen handel, verkeer en geldbedrijf nog lang domineerden waren ze op 11 à 12-jarige leeftijd aan het werk gegaan als loopjongen, drukkers- of zetters leerling, schilders knecht, sigarenmaker, aankomend horlogemaker, diamantslijpers leerling, winkelbediende, timmermansjongen, meubelmaker. De crises had geleid tot een verscherpte concurrentie tussen enerzijds bedrijven die over voldoende financiële middelen beschikten om gebruik te kunnen maken van de stoommachine en over te gaan naar een fabrieksmatige productie waardoor ze sneller konden produceren met minder kosten, en anderzijds de bedrijven die de kosten voor een uitbreiding van de fabrieksmatige productie niet konden opbrengen, waardoor bij hen de afzet van producten verminderde. Deze laatste bedrijven kregen moeite het hoofd boven water te houden en hadden de kosten hiervan afgewenteld op de jongeren door het loon te verlagen of door dit zo laag mogelijk te houden. Dit was voor de jeugdigen onaanvaardbaar.
Ze sloten zich in 1885 aaneengesloten in plaatselijke socialistische jongelieden bonden (SJB’s . Deze plaatselijke bonden hadden zich op 12 augustus 1888 aaneengesloten tot

de Sociaal-Democratische Jongelieden Bond (SDJB) die in zijn geheel lid werd geworden van de toen door Domela Nieuwenhuis geleidde Sociaal-Democratische Bond (SDB).

De jeugdigen namen deel aan een in 1889 in Den Haag belegde meeting tegen de kinderarbeid, zagen Domela Nieuwenhuis als hun held met wie ze intens meeleefden tijdens zijn gevangenschap en lieten zich door H. Roland Holst-van der Schalk (1869-1952) de beginselen van de socialistische wereldbeschouwing bijbrengen[15].
Soms moesten ze, wanneer ze colporteerden, zich verdedigden tegen de handtastelijkheden van een vijandig gezinde bevolking.
[16]
Dikwijls werden de jongeren veroordeeld voor hun optreden: tegen de 19-jarige L. Schotting werd voor het verspreiden van een vlugschrift 2 maanden gevangenisstraf geëist
[17], K.A.Bos en C.G.Tieleman werden voor het verspreiden van een strooibiljet veroordeeld tot een gevangenisstraf: Bos voor 8 maanden en C.G.Tieleman tot 6 maanden [18], en een anderwerd in Den Haag wegens het verspreiden van opruiende geschriften veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf.[19]
Hun concrete aktie richtte zich tegen de remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’ waarmee de jeugd uit de financieel goed gesitueerde sociale laag van de bevolking de vervulling van hun militaire verplichting liet verrichten door de jeugd uit de financieel slecht gesitueerde sociale laag van de bevolking: de arbeidersjeugd.
[20]
Door de remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’ liet financiel betere deel van de bevolking hun militaire verplichting verrichten door de financiel minder deel van de bevolking: de arbeidersjeugd.
De militaire-dienstplicht door de mannelijke jeugdigen ging in het jaar in waarin zij negentien werden. De regering had van tevoren het aantal vastgesteld, in de regel was dat 60.000. Tegen de 15.000 vielen eraf op medische, soms ook op andere gronden. De resterende ruim 45.000 werden in twee groepen verdeeld: de buitengewoon dienstplichtigen die, als tenminste de materiele omstandigheden het toelieten, in buitengewone omstandigheden opgeroepen konden worden, en de gewoon dienstplichtigen die voor eerste oefening moesten opkomen. Deze groep was op 19.500 man gesteld. Van alle fysiek geschikten kregen dus velen vijstelling: wegens broederdienst (uit elk gezien behoefde slechts een zoon op te komen), wegens kostwinnerschap, wegens persoonlijke onmisbaarheid of wegens het bekleden van, of in opleiding zijn voor, een geestelijk of godsdienstig-menslievend ambt. Waren deze vrijstellingen verleend, dan waren er nog altijd meer dan 19.500 oproepbare. Dan ging het lot beslissen. De namen werden genummerd; de nummers werden tijdens de jaarlijkse zitting van de vaste lotingscommissie in de Ridderzaal in Den Haag door middel van een draaiende trommel getrokken en met de onderhavige naam ving de inlijving aan, net zo lang tot er 19.500 bijeen waren. De remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’ maakte het mogelijk dat jeugdigen die door de loting aangewezen waren hun militaire verplichtingen te verrichten konden afkopen door deze door een ander te laten verrichten. Dit had ertoe geleid dat jeugdigen uit de financieel beter gesitueerde sociale laag van de bevolking hun militaire verplichting tegen een vergoeding lieten verrichten door leeftijdsgenoten uit de financieel slecht gesitueerde sociale laag: de laag der arbeiders.
Tegen deze wet hielden de jeugdigen tegen de tijd dat de uitslag van de loting bekend werd gemaakt bij de lokalen van de aanstaande militairen demonstraties, colporteerden er en verspreidden er manifesten.
Na 1890 was op de lange economische depressie een opleving en een kapitalistische bloeiperiode gevolgd, weliswaar onderbroken door geregeld terugkerende crisissen die kort van duur waren. De banken, de handel en de industrie maakten weer winst, de werkloosheid onder de arbeiders daalde, de landbouw fleurde op, de tuinbouw kwam op, in de grote havensteden kwam de handel handen te kort, vele nieuwe fabrieken verrezen.

B
innen de door Domela Nieuwenhuis geleide SDB waren debatten ontstaan over de betekenis van de parlementaire democratie. Domela koos voor de anti-parlementaire weg: een opeenvolging van elkaar aanvullende en versterkende, tenslotte op revolutie uitlopende werkstakingen.
D
e Friese advocaat Pieter Jelles Troelstra (1860-1930) koos voor de parlementaireweg: een stapsgewijze hervorming door middel van wetgeving via het parlement. Troelstra stapte in 1894 uit de SDB en richtte samen met elf gelijkgezinden, (de ‘twaalf apostelen’), in Zwolle de Sociaal-Democratische  Arbeiders Partij (SDAP) op.
Ook in de SDJB werd door de arbeidersjeugd gediscussierd over de vraag welke weg gekozen moet worden naar een op socialistische wijze ingerichte samenleving.
Als eind 1896 de voorstanders van een anti-parlementaire weg in de meerheid zijn en in 1898 de naam SDJB veranderen in Socialistische Jongelieden Bond (SJB) dan gaan volwassenen met een hang naar het orthodoxe calvinisme en liberalisme, uit angst voor een nieuwe periode van werkloosheid zich inzetten de jeugd christelijke en maatschappelijke deugden bij te brengen.

 

Zelfbeheersing
Aan de Brinioschool in Hilversum [21] laat de onderwijzer Jentje Johan Kleefstra (1860-1929) de jeugdigen niet alleen geestelijk maar vooral ook lichamelijk ontwikkelen door ze aan sport te laten doen: voetballen, schaatsen, zwemmen, korfballen, wandelen. [22]
Kleefstra: : Rijst niet het beeld voor u op van de lange slungel die met de neus in de wind, een hoge boord onder de kin, een partij geleerdheid onder de arm, overal met zijn waanwijheid te koop loopt? Denkt ge niet aan den bengel, die vagabondeert langs ’s Heeren wegen, alsof de heele wereld zijn domein is? die u met een brutaal gezicht staat te treiteren, uw tuin afstroopt, uw eigendom beschadigd en om God noch zijn gebod iets geeft? Of is uw ergernis meer opgewekt door de nufjes, die reeds als dames behandeld willen worden, terwijl ze nog in de korte rokken zijn en de neus optrekken voor alles, wat zuivere, ronde natuur is. [23]
In het laatste decennium der negentiende eeuw had zich een sociaal-darwinistisch denken gevormd waarin werd aangenomen dat door de algehele ontwikkeling van de mens de maatschappij zich zou ontwikkelen tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen en er zo een einde zou komen aan sociale misstanden.
Charles Darwin (1809-1882) had, mogelijk gemaakt door de overweldigende hoeveelheid gegevens door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie die hem ter beschikking stonden, gesteld dat de natuur niet een voor eens en altijd vaststaand gebeuren was maar een niet eindigende evolutie doormaakte van opkomende en ondergaande planten- en diersoorten. De zoöloog Alfred Russel Wallace (1923-1913) die uitvoerig onderzoek had gedaan in o.a. de Indische Archipel, was onafhankelijk van Darwin tot dezelfde conclusie gekomen. Darwin en Wallace hadden hierover op 1 juli 1858 gezamenlijk een verklaring afgelegd voor de Linnean Society of Londen.
Darwin was tot zijn conclusies gekomen mede onder invloed van de liberale ideologie in het Engeland van zijn tijd en geïnspireerd door de dominee Thomas Malthus (1766-1834).[24]

Malthus had in An essay on the principle of population geschetst hoe in tijden van een tekort aan voeding de sterksten overleefden.[25]
Hij had gesteld dat er voortdurend perioden zouden ontstaan waarin een tekort aan voedsel zou zijn doordat de omvang van de bevolking exponentieel vermeerderde: 1-2-4-8-16-32-64 en de beschikbare voeding lineair: 1-2-3-4-5-6. Malthus’ demografische ‘verelendungstheorie’ dat overbevolking leidde tot een tekort aan voeding bleek onjuist. Het bleek dat een toename van de omvang van de bevolking, leidde tot een stijging van het aanbod van arbeidskrachten wat een daling van de hoogte van het loon tot onder het bestaansminimum tot gevolg had.
De voorzitter van de Maatschappij van Nijverheid duidde op een vergadering kindersterfte en werkloosheid dan ook letterlijk aan als ‘twee verschijnselen die wijzen op een normaal en krachtig zich uitzettende bevolking. Zij zijn de kanalen waarlangs het overtollige afvloeit. Naar aanleiding hiervan werd in 1881 in Nederland de Nieuw-Malthusiaanse Bond opgericht, dat met de voorlichtingsbrochure ‘De middelen ter voorkoming van groote gezinnen’ en een zogenaamd ‘middelenboekje’ zich richtte op de beperking van geboorten.
In het in Duitsland in het laatste decennium der negentiende eeuw gevormd natuurwetenschappelijk denken werd aangenomen dat niet alleen het organisch-leven: mens, plant en dier, een doorgaande evolutie doormaakte, maar ook het an-organisch leven: de maatschappij en dat ook hierin een proces van natuurlijke selectie plaatsvond, waardoor de mensen die het meest over de eigenschappen beschikten zich onder gegeven gewijzigde omstandigheden te handhaven, overleefden. Zo zou de samenleving zich vanzelf ingroeien tot een gemeenschap met weldenkende en weldoende mensen. Woordvoerder was Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919). Haeckel was woordvoerder en popularisator van een door de successen van de natuurwetenschappen gevormd agressief-wijsgerig materialisme. Hij had in 1899 de bestseller Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie, laten verschijnen. [26]
Het boek was een ongeëvenaard succes – er werd in honderden publicaties en tijdschriften over gepubliceerd en er werden drie miljoen exemplaren in meer dan twintig talen van verkocht. De SDAP’er: Adriaan Henri Gerhard (1858-1948) had het boek van Haeckel in het Nederlands vertaald laten verschijnen.[27]
Gerhard genoot groot aanzien in de SDAP. Hij had Een Sociaal Sprookje laten verschijnen, dat verschillende malen werd gedrukt en voorgelezen op vergade­ringen.[28]

Verantwoordelijkheidsbesef
De regering Pierson Goeman-Borgesius (1897-1901) laat jeugdigen die zijn veroordeeld door de rechter niet meer opsluiten maar opvoeden in het eigen gezin. Voogdijraden kregen de taak de
rechter te adviseren en gezinsvoogden, verenigd in de Pro Juventute verenigingen, de leiding van het gezin.
Rond de wisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw had zich een sociaal-liberaal denken gevormd waarin werd aangenomen dat door een betere opvoeding een einde zou komen aan sociale misstanden. Woordvoerder
was de minister van justitie in de regering: de hoogleraar in de staathuishoudkunde en statistiek Adriaan Cort van der Linden (1846-1935). Cort van der Linden was jeugdigen zoals de 19-jarige L. Schotting waartegen voor het verspreiden van een vlugschrift  2 maanden gevangenisstraf was geëist [29], K.A.Bos en C.G.Tieleman die voor het verspreiden van een strooibiljet waren veroordeeld tot een gevangenisstraf: Bos voor 8 maanden en C.G.Tieleman tot 6 maanden [30], en  een ander die in Den Haag wegens het verspreiden van opruiende geschriften was veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf [31] met andere ogen gaan zien: hij had ze gepromoveerd van ‘schooiertje’ en ‘boefje’ tot het ‘misdeelde kind’.
Cort van der Linden had gesteld dat in de opvoeding matigheid, orde, en spaarzaamheid moest worden bijgebracht.
[32]

Plichtsbesef
 
Hélène Mercier (1839-1910)
geeft jeugdigen in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan de gelegenheid de algemene ontwikkeling te vermeerderen door gebruik te laten maken van een bibliotheek en een leeszaal, door een praatavond, een zondagavondbijeenkomst, een lezing of een voordracht te laten bijwonen, door een tentoonstelling te laten bezoeken, door onderricht te laten volgen in de Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen, in kleding verstellen, in muziek maken, in toneel spelen.[33]
In het eerste decennium van de twintigste eeuw had zich onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen een vrijzinnig-democratisch denken gevormd waarin werd aangenomen dat met voldoende algemene ontwikkeling aan sociale misstanden een einde zouden komen.
Woordvoerder van dit denken was Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905). Kerdijk had privéonderwijs gevolgd, rechten gestudeerd aan de Rijksuniversiteit van Utrecht, een proefschrift geschreven over de 'arbeiderskwestie' en in 1901 de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) opgericht.
E. C. Knappert (1860-1952) had eerder in Leiden het Leidse volkshuis geopend bedoeld als werkverschaffing voor dienstmeisjes en vrouwelijke jeugdigen die werkloos waren geworden, omgezet tot een maatschappelijk cultureel centrum. Knappert bood er leesonderricht, en onderricht in het herstellen van kleding, verpleging, een spaarkas, gelegenheid te maken van een bibliotheek, wandeltochten, een zangkoor voor arbeiders en vakantiedagen voor de bezoekers.

Knappert had de Mulo gevolgd, de acte Frans gehaald en het diploma godsdienstonderwijzeres. In 1896 had ze de brochure De Arbeidskerk in Engeland van John Trevar vertaald en gepropageerd die een socialisme voorstond waarin aan intellectuelen de leiding werd toegedacht.

In 1915 werd ze directrice van de Amsterdamse School voor Maatschappelijk Werk. Toen Knappert in 1926 met pensioen ging had ze haar intrek genomen in een huisje op het terrein van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Bentveld.
Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren.
In Nederland waren socialistische studenten betrokken geweest bij de eerste pogingen om tot het Toynbee-werk te komen.
Na de dood van Arnold was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.

Tevredenheid
De uitgever Eduard Benjamin Ter Horst Jr. (1865-1905) laat voor jeugdigen verhalen schrijven over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin en wandplaten vervaardigen  met een afbeelding van het dagelijkse leven van een handarbeider.[34]
In het laatste decennium der negentiende eeuw had zich een
protestants denken gevormd waarin een ieders plaats in het maatschappelijk leven werd gezien als toegewezen door een kracht buiten de mens. Woordvoerder hiervan was de predikant Abraham Kuyper (1837-1920). Kuyper was in 1901 minister-president geworden en minister van binnenlandse zaken in het naar hem genoemde kabinet en had in felle bewoordingen de in januari 1903 gehouden spoorwegstaking veroordeeld als een politiek revolutionaire-, anarchistische actie en misdadige woeling. Hij was toen bekend werd dat de spoorwegarbeiders in april een tweede staking wilden houden, enkele maanden later met wetten gekomen waarin elke pressie op de arbeiders die een staking afwezen en het werk van de stakers wilden overnemen, strafbaar was gesteld.

Kuyper had in 1880 in het door hem opgerichte dagblad: De Dageraad, een serie van artikelen geschreven over het gezin. Hij zag het gezin als ‘de wortel en de kiem waar heel de Staat uit opwast, niet volgens uitvinding der menschen, maar volgens het bestel van den levenden God’, waarin de vader ‘eene macht is, die bepaalt hoe het moet, en waaraan het kind zich heeft te onderwerpen’ de plaats waarin het besef wordt bijgebracht van eerbied voor een boven ons staand gezag’ en waarin het duidelijk was dat ‘de beslissing over de positie, waarin we geboren zouden worden, niet aan ons stond, maar aan een macht buiten ons’.[35]
Kuyper had in 1891 op het door de christelijke werknemersorganisatie Patrimonium gehouden Sociaal-Congres het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot veroordeeld als een gevaar voor de veiligheid van het maatschappelijk leven, de aanwezige arbeiders opgeroepen af te zien van verbetering van het lot en hun in de plaats daarvan gewezen op ‘het eeuwige leven’. [36]
Hij had de arbeiders ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’ in het vooruitzicht gesteld en er op gewezen dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.
[37]

Kuyper gaf leiding gegeven aan een afsplitsing van de Hervormde Kerk waaruit samen met andere groepen van gelovigen in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland waren gevormd. Zijn woord als hoogleraar in de theologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam genoot een onbegrensd gezag.


Verschillende predikanten, waaronder H.P.Scholten, Hendrik de Cock van Ulrum en A. Brummelkamp van Hattem waren in botsing gekomen met de in 1816 gevormde Nederlands Hervormde Kerk. Zij werden alle door de kerkelijke autoriteiten geschorst of afgezet. De Cock had zich met zijn volgelingen in 1934 meester gemaakt van het kerkgebouw in Ulrum, Middelstum, Uithuizermeden, Groningen enz.
In 1886 had er een tweede afscheiding plaatsgevonden: Doleantie, o.l.v. Abraham Kuyper. Kuyper wilde met zijn Doleantie meer zeggenschap tegenover de protestantse kerkvorsten. Hij gaf leiding aan het samengaan van de twee groepen van afgescheidenen met nog anderen die in 1892 leidden tot de vorming van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Toen in de Tweede Wereldoorlog de Gereformeerde Kerken het door hen aangehangen gebod de over de mens gestelde machten te eerbiedigen letterlijk namen door de Duitse bezetter te zien als de boven hen gestelde macht, was dit in 1944 voor de hoogleraar Klaas Schilder reden zich af te scheiden. Hij erkende de Duitse bezetter niet als een boven de mens gestelde macht, voor hem was dat de Koningin. Schilder wees hiermee de Duitse bezetter op religieuse gronden af, niet op humanitaire. De afgescheidenen gingen verder als: Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, ook wel als Artikel 31, het artikel uit de bijbel waarop zij hun besluit baseerden.

De uitgever TerHorstJr. had op 15 augustus 1894 de boek- en papierwinkel: Wolters, overgenomen van zijn vader: Ter HorstSr. (1828-1896). Deze was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de boek- en papierwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860). Ter HorstSr. was na het overlijden van Wolters in juli 1860, en het overlijden van diens echtgenote in december, eigenaar geworden van de boek- en papierwinkel.
TerHorstJr., was in kennis gebracht van het gereformeerde geloof van Kuyper door de predikant S.D.van Veen (1856-1924), met wie hij een uitgebreide reis had gemaakt langs buitenlandse steden om illustraties te verzamelen voor een uit te geven bijbel.

 

TerHorstJr. had de verhalen over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin laten schrijven door Hindricus Scheepstra (1859-1913) die zich bij het schrijven had moeten laten bijstaan door de onderwijzer Gerard Jan Ligthart (1859-1916).
Scheepstra was opgegroeid in Roden, op het Drentse platteland. Hij was leraar aan de Rijkskweekschool in Groningen en auteur van door de uitgever Wolters (ter Horst Sr.en Jr.) uitgegeven schoolboeken zoals: Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893), Ambachten en bedrijven (1903) en samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899) waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Ook was Scheepstra sinds jaren redacteur van De Schoolwereld, een door Wolters uitgegeven periodiek.
De onderwijzer Ligthart was opgegroeid in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan in een gezin waar het Nederlands Hervormd geloof werd aangehangen. Ligthart was na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas, zoals gebruikelijk was onder zijn leeftijdsgenoten. Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan én geen kind van wie de ouders of leerkrachten vonden dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht. Jan nam een baantje aan als hulpje aan een lagere school en volgde in de avonduren de opleiding voor onderwijzer. De eerste keer dat Ligthart examen deed voor de opleiding die hem de bevoegdheid moest geven aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school mislukte. Nadat de tweede poging succes had kreeg Ligthart in 1885 een aanstelling als hoofd van een school in de Tullinghstraat in Den Haag.
Hij werd lid van het bestuur van het in 1842 opgerichtte Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) waarvan vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid waren. Het zette zich in voor het ophouden van de stand en voor verdieping van het beroep. De leiding in de strijd voor verbetering van het lot van het onderwijzend personeel was dan ook niet in handen van het NOG, maar van de Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO).
De Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO) was in 1874 opgericht. Het zette zich in voor zowel verbetering van het onderricht en voor de belangen van de jeugd, als voor het belang van de onderwijzer. De leden van de BNO stonden op het standpunt dat tussen beider belangen een onverbrekelijk verband bestond: ze voerde actie voor een betere salariëring, voor een grotere zelfstandigheid voor de klassenonderwijzer, voor schoolvoeding en kleding van overheidswege, voor schoolartsen en voor gezondheid- en vakantiekolonies.
Het NOG en de BNO bestreden elkaar dikwijls op bepaalde punten te vuur en te zwaard. Het kwam voor dat onderwijzers bij de aanstelling moesten beloven zich niet aan te zullen sluiten bij de BNO. Het NOG en de BNO zouden in 1946 fuseren, waaruit de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV) zou ontstaan. Uit een fusie van de NOV met de Nederlandse Bond van Leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs (NBLNO) ontstond in 1966 de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP). De ABOP fuseerde in 1997 met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs, de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs en de Vereniging Sint-Bonaventura. Uit de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) zou in 1997 de Algemene Onderwijs Bond (AOB) ontstaan.

In de door TerHorstJr. uitgegeven verhalen wordt het dagelijkse bestaan beschreven van een gezin dat op het platteland een ruime vrijstaande comfortabele woning bewoont, met een moeder die geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht en een vader die de kost verdient als hoofdarbeider. Het is een gezin ‘waar van jongsaf Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’. [38]
Het zijn romantische verhalen waarin de bucolische idylle (het land en herdersleven) de boventoon voert. Het in de verhalen beschreven bestaan stond in schril contrast met het feitelijke bestaan van de bevolking op het platteland. De omstandigheden waaronder de arbeiders leefden waren erbarmelijk: volkomen verwaarloosd, dikwijls in lemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd, verstoken van alle middelen van bestaan.[39]
Bij de volkstelling uit 1899 bleek dat in Nederland bijna een kwart van de bevolking (23 %) in een eenkamerwoning gehuisvest was; dat percentage bedroeg voor de stad Rotterdam en de provincie Groningen 58%, voor de provincie Drenthe zelfs 62%.
Het in de verhalen beschreven dagelijkse bestaan stond ook in schril contrast met het dagelijkse leven van de jeugdigen in de volksbuurten van de grote steden. In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden naamloze stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, waar ratten en wandluizen de nimmer ontbrekende gasten waren. Waar een waterleiding meestal ontbrak en dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. De moeders en de vaders werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie.
Dat Scheepstra zich door de uitgever moest laten bijstaan bij het schrijven door Ligthart hield verband met de achtergrond van Ligtharts maatschappelijke opvattingen: het gereformeerde geloof van Abraham Kuyper, waarvan Ligthart blijk had gegeven aanhanger te zijn.
De gereformeerde predikant C.W. Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was.[40]
De predikant Willem Banning (1888-1971) beschrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.[41]
De naam van Ligthart was plotseling verschenen op een nieuw periodiek dat Ter Horst Jr. had uitgegeven met als titel: School en Leven en als ondertitel: Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin. Het periodiek was enkele maanden verschenen nadat Ter HorstJr., een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van een zekere grilligheid’ [42], in het voorjaar van 1899 het eerder door hem uitgegeven periodiek: De schoolwereld. Weekblad van het lager onderwijs in Nederland en de koloniën, waarvan M.J. Koenen (auteur van het Verklarend Woordenboek der Nederlandse Taal), de onderwijzer: W.K. Walstra en P.H. Mulder de redactie voerden, en wat door Scheepstra werd geredigeerd, abrupt had beëindigd. Het openingsartikel van Ligthart: Een woordje aan ’t slot, had veel stof doen opwaaien: het had de lezers te veel doen denken aan een preek.[43]
De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943) die enkele bijdragen aan School en Leven had geleverd was in conflict gekomen met Ligthart. Thijssen had niet anders kunnen oordelen dan dat Ligthart zich had laten inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen.
Ook was de naam van Ligthart door de uitgever TerHorstJr., als auteur vermeld op door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalenbundels, en Scheepstra als mede-auteur. De naam van Ligthart was ook vermeld als mede-auteur op de heruitgave van een door Scheepstra en Walstra geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten), terwijl de naam van de feitelijke auteur: Walstra onvermeld was gebleven.
De wandplaten met een illustratie van een handarbeider die door Ter HorstJr. werden uitgegeven lieten weinig medegevoel en begrip zien. Het beeld komt overeen met het beeld zoals Ligthart een arbeider beschreef, n.l. als iemand ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’.[44].
Een beeld zoals ook de predikant J.P. Hasebroek (1812-1896) arbeiders schetst: De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid. [45]
Ook deze predikant leek het aan medegevoel en begrip te ontbreken.
 De door Ter Horst Jr. uitgegeven wandplaten met een afbeelding van een arbeider waren gemaakt door de in de toenmalige plattelandsgemeente Groningen opgegroeide Cornelis Jetses (1873-1955). Jetses had ze gemaakt naar voorbeeld van de illustraties van de Groningse onderwijzer Brugsma. Jetses voorzag ook het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkelde Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, van afbeeldingen die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien.[46]

Saamhorigheid
Aan de Humanitaire School in Laren mogen
de jeugdigen met elkaar samenwerken en elkaar helpen.[47]

De hoogleraar in de weefselleer Jacob (Koos) van Rees (1854-1924) had in zijn woonhuis in Laren enkele kamers beschikbaar gesteld voor het onderricht en huisvesting van de onderwijzers en sprong bij wanneer er een financieel tekort dreigde te ontstaan.
Tussen 1896 en de Eerste Wereldoorlog had zich een Christen-anarchisme, of Humanitaire Idealisme of Tolstojanisme gevormd waarin werd aangenomen dat samenwerking, en wederzijdse hulp, de ontwikkeling van de gemeenschap zou bevorderen.[48]
Woordvoerder was Van Rees: een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’, . . . een mensenvriend, maar niet zonder heersersneigingen. [49]
Hij had in Blaricum eerder een kolonie opgericht waaraan een einde was gekomen toen de plaatselijke bevolking de gebouwen van de kolonie vernielden uit woede van de gevolgen van de op 8 januari 1903 gehouden spoorwegstaking.
De Russische edelman Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910) was omstreeks 1900 plotseling met veel werken voor de dag gekomen. [50]
Tolstoj werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19 e eeuw gezien die een enorme indruk maakte. Tolstoj was de zoon van een der oudste grafelijke families in het tsarenrijk. Ze zouden in de veertiende eeuw met een schare van volgelingen uit het westen zijn gekomen, om zich in de Oekraïne te vestigen. Hun aanzien was gestegen en hun rijkdom toegenomen. Ze behoorden onder Peter I in elk geval tot de voornaamste adellijke geslachten. Lev Nikolajevitsj scheen voorbestemd tot een loopbaan in de hogere regionen van de maatschappij. Tolstoi sloot zich aan bij het expeditieleger dat van 1851 tot 1853 in de Kaukasus opereerde om de opstandige bergvolken te temmen. De militaire realiteit in de Kaukasus die voor Tolstoj aanvankelijk een woest en vurig spel, sloeg als snel om in een verwerpelijke gruwel. Het lot had hem tot landjonker, tot grootgrondbezitter gemaakt. Hij had Jasjana Poljana geërfd en daarmee de verantwoordelijkheid over duizend lijfeigenen: geknechten, onwetend, onmondig. Tolstoj’s zorg was het aan de onwetendheid van deze bezitloze boerenmassa een einde te maken. Het schoolexperiment was steeds een van Tolstoj’s lievelingsdenkbeelden geweest. Hij maakte op het einde van de vijftiger jaren zijn eerste West-Europese reis: Italië, Frankrijk, Zwitserland, Duitsland.
Tolstojanen lieten zich inspireren door de politicus, historicus en bioloog Peter Kropotkin (1842-1921). Kropotkin was meer wetenschappelijk ingesteld dan Tolstoj. Kropotkin had kritiek geuit op Darwin's kijk op de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens die het bestaan veronderstelde van een strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en een strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest. Kropotkin had erop gewezen dat in het tsaristisch Rusland, waar feodale en communale samenlevingsvormen domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking, en van wederzijdse hulp, de ontwikkeling van de gemeenschap had bevorderd.[51]

Werklust
A
an de Engendaalschool in Soest krijgen de jeugdigen een stukje grond om geheel naar eigen inzicht te bewerken.[52]
In het eerste decennium der negentiende eeuw had zich onder bepaalde groepen van intellectuelen en kunstenaars een humanitair-idealisme gevormd waarin werd aangenomen dat voor een ieder die wilde werken een gelukkig bestaan mogelijk was. Een van hen was
Lodewijk van Mierop (1876-1930). Van Mierop was opgegroeid in Rotterdam als kind van een welvarend houthandelaar. Hij had enkele jaren wis- en natuurkunde en enkele jaren theologie gestudeerd en enige jaren maatschappelijkwerk verricht in volksbuurten. Hij was geheelonthouder en had gewoond op de door Van Rees in 1898 opgerichte kolonie in Soest. 
Woordvoerder was de arts Frederik Willem van Eeden (1860-1932). Van Eeden ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde[53] behoorde tot die groep van intellectuelen bij wie omstreeks 1900 heiligings-levensgemeenschappen (kolonies) zeer in trek waren waar ze door zelftucht en voorbeeld hoopten een aanvang te kunnen maken met de verbetering van de maatschappelijke ordening.[54]
Van Eeden had in 1898 in Bussum zijn kolonie Walden opgericht. Hij geloofde dat er in West-Europa en Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op komst was en had plannen ontworpen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij.
Zo schrijft Van Eeden aan Henri Borel (28 februari 1898): 'Als je me belooft te zwijgen, dan zal ik je vertellen wat er hier broeit. Ik heb allang mijn huis te groot gevonden en mijn leven te verkwistend. Ik verteer meer dan 6000 's jaars en ik weet niet waaraan. Dat opeten van wat anderen zo moeitevol voortbrengen, gaat mij verdrieten. Nu ga ik een stukje grond kopen, daarop een klein huis zetten, mijn huishouden bezuinigen en van mijn grond zien te halen wat er door overleg en werk van te halen is. Dan zal ik geld overhouden en daarvan wil ik laten leven wie met mij hetzelfde leven wil delen, maar die er nu niet toe in staat is, omdat hij zich niet vrij kan kopen van de maatschappij ( .. ) Een sober buitenleven, handenarbeid en studie. Geen geldmakerij meer, de band met het kapitaal zo klein mogelijk, de eigen voortbrenging zo groot mogelijk. Ik zal trachten grond machtig te worden. Vrij zonder hypotheek of schulden natuurlijk. We beginnen met de eenvoudigste woningen en langzaamaan.'
Hoever de kolonie Walden echter buiten de realiteit van het leven stond, illustreert de kijk van een paar arbeidersjongens op deze zaak: 'In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we op een zondag er heen waren gelopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zoals dat toen genoemd werd, en z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar weer naar Amsterdam terug.[55]

Van Eeden had gesteld dat het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting berustte: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’. [56]
Van Eeden nam het bestaan aan van drie standen: zij die het inkomen verkrijgen uit de opbrengst van geld: grondbezitters, aandeelhouders, renteniers; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij de overheid of uit het verrichten van arbeid als zelfstandige beroepsbeoefenaar: lakeien, ambtenaren, artsen, advocaten; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij particulieren: fabrieksarbeiders, dagloners. [57]

Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levensvoorwaarden en -omstandigheden af, wat hem er niet van weerhouden had zijn hele vermogen op het spel te zetten voor hulp aan de slachtoffers van de spoorwegstaking van 1903. Hij zag als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze.[58]
Van Eeden was bewonderaar van de Oosterse theosoof Abindranath Tagore (1861-1941) en enige tijd aanhanger van de hoogleraar in de filosofie, en pre-fascist: G.J.P.J. Bolland (1854-1922). Van Eeden had in De Nieuwe Gids, waarvan hij redacteur was, geschreven dat de gedachten die hij had verwoord in zijn Redekunstige grondslag van verstandhouding, grote overeenkomst vertoonden met die van Bolland.[59]
Van Eeden zou bij een andere gelegenheid spreken over ‘de vriendelijke, goedhartige en naïef-geniale professor.[60]
Van Eeden richtte later de Bond van de koninklijken van geest op, waarmee hij zijn stempel wilde drukken op de cultuur en politiek van Europa,
De kolonie Walden ontwikkelde van een amateuristisch tuinbouwbedrijf zonder duidelijke reglementen tot een antikapitalistische commune, die niet anarchistisch werd genoemd maar in de praktijk wel uitging van gemeenschappelijke besluitvorming en vrijwillige beheersing van egoïsme. Het economisch zwaartepunt lag in latere jaren niet meer in land- of tuinbouw maar in enkele coöperatieve bedrijven, waarvan de bakkerij tot lang na de opheffing van Walden floreerde.
Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or Life in the woods laten verschijnen.
Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.[61]

Naastenliefde
In Vledderveen (Grn) laat de onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) de jeugdigen de verdeling van consumptiegoederen naspelen op een perceel grond waar een afbeelding is gemaakt van Nederland, Europa en Amerika. [62]
Onder volwassenen die zich niet thuis voelden in de SDAP had zich een socialisme gevormd waarin werd aangenomen dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een eerlijke verdeling van consumptiegoederen. Woordvoerder was de predikant Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938). De Ligt behoorde tot die groep van volwassenen die het weliswaar niet oneens was met de strijd van de SDAP tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten, maar afwijzend stond tegenover het culturele en geestelijke klimaat van de SDAP. In de SDAP werd het christelijk geloof afgewezen als zijnde in strijd met de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én gezien als in strijd met de menselijke waardigheid doordat het mensen van strijd voor lotsverbetering afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakt.[63]
 De Ligt had van 1903 tot 1910 theologie gestudeerd. Gedurende zijn studietijd was hij aanhanger van de orthodox-protestant en pre-fascist G.J.P.J. Bolland (1854-1922). De Ligt had zich in 1910 aangesloten bij de in 1907 opgerichte Bond van Christen-Socialisten (BVCS). Bij de BVCS sloten zich volwassenen aan uit anti-revolutionaire en christelijk historische kringen en volwassenen rond het christelijke weekblad Algemeen Welzijn die geloofden dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een betere verdeling van consumptiegoederen.
De Ligt schreef in 1914 een nieuw beginselprogramma voor de BVCS: God Uzelf Uw Naaste waarin hij opriep het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.[64]

III  Broederschap
Als na de Eerste Wereldoorlog de arbeidersjeugd in geestdrift raakt voor de Sovjet-Unie waar de Oktober-revolutie heeft plaatsgevonden dan gaan volwassenen de jeugd een besef van algehele broederschap bijbrengen.
In 1900 hadden op het Brusselse congres der Socialistische Internationale in Parijs de aangesloten nationale partijen de opdracht gekregen antimilitaristische socialistische jeugdbonden op te richten. Hierop hadden volwassenen in de SDAP op 10 mei 1901 de Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’ opgericht. [65]
Na de mislukte tweede spoorwegstaking in 1903 had de Zaaier zo veel leden dat dit voor volwassenen in de SDAP aanleiding was op 23 april 1905 opnieuw een De Zaaier op te richten, nu met het doel het in socialistische zin opvoeden van de jeugd. Toen in de SDAP een groepering ontstond die voorstander was van een anti-parlementaire weg naar sociale verbeteringen en de Sociaal-Democratische Partij (SDP) oprichte sloten de jeugdigen in De Zaaier zich hierbij aan. Dit werd voor de leiding van de SDAP reden de band met de nieuwe De Zaaier te verbreken. In 1911 had de leiding van de SDAP weer een nieuwe jongerenorganisatie opgericht: Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP), nu met als doel de algemene ontwikkeling van de jeugdigen te bevorderen door het aanbieden van cursussen in staatshuishoudkunde, geschiedenis, Nederlandse taal, administratie. Deze JOderSDAP leidde niet tot het grote aantal leden waarop de leiding van de SDAP had gehoopt. De jeugdigen waren o
ntevreden met de lessen van ‘schoolmeesters in taal en sterrenkunde’. Ze gaven te kennen dat ze politiek wilden bedrijven, meer zelfstandigheid wilden, een landelijke organisatie wilden vormen, een landelijk blad wilden uitgeven, af wilden van de verplichting om met 18 jaar van de SDAP lid te worden. Als ze dan de JOderSDAP de rug toekeren doet het lid van de SDAP in de Tweede Kamer: Gerhard, in 1914, aan de vooravond van de eerste wereldoorlog, de liberale regering Cort van der Linden (1913-1918) het verzoek een onderzoek in te stellen naar ‘de aard en omvang van organisaties die zich bezig houden met de vorming der niet-leerplichtige jeugd en deze commissie de bevoegdheid te geven denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen’.[66]

De botsende belangen der Europese imperialistische mogendheden leidden tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op 3 augustus 1914. Tussen het na 1870 snel opkomende Duitse industriële kapitalisme en de over de gehele wereld gevestigde macht van het oude Britse kapitalisme was een strijd uitgebroken om een herverdeling van koloniën, invloedssferen en afzetmarkten. De strijd tussen Frankrijk en Duitsland om Elzas-Lotharingen en tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije om invloed op de Balkan had de economische tegenstelling vooral tussen Engeland en Duitsland versterkt. Bij de wedren om koloniën of invloedssferen, niet alleen voor de afzet van producten maar steeds meer ook voor het beleggen van kapitaal, waren Duitsland, Italië en Japan te laat geweest. Zij hadden alleen nog op kosten van Engeland, Frankrijk, België of Nederland aan koloniën kunnen komen. De spanningen tussen de grote Europese mogendheden waren voortdurend toegenomen. Er was een bewapeningswedloop op gang gekomen en verschillende keren had een oorlog nabij geleken.
Door het militaire bondgenootschap tussen Frankrijk, Rusland en Engeland enerzijds en Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië anderzijds, had de oorlog het karakter gekregen van een wereldoorlog. In 1917 schaarden de Verenigde Staten zich aan de zijde van Frankrijk en Engeland.
Doordat de Duitse legers direct België waren binnengevallen en onder de voet hadden gelopen om zo sneller Parijs te kunnen bereiken, was ook voor Nederland de oorlog zeer nabij geleken. Het leger was gemobiliseerd. Vele arbeiders waren plotseling onder de wapenen geroepen wat het economisch leven had ontwricht. De productie van arbeids- en verbruiksmiddelen was voor een belangrijk deel omgezet in de productie van oorlogsmaterieel. De producten van land- en tuinbouw en die van de visserij hadden gretig aftrek gevonden onder de oorlogvoerenden. Grote voorraden levensmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Het percentage werklozen was gestegen van 7,4% tot 27%. Grote hoeveelheden aardappelen en groenten, rijst en cacaopoeder waren in reusachtige hoeveelheden aan Duitsland verkocht. Met medewerking van de minister van landbouw: Posthuma, waren enorme hoeveelheden zuivelproducten, eieren en groenten geëxporteerd. Ook transportmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Nederland was een hongerland geworden.
Het zgn. ‘Ellendekongres’ van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in november 1915 had een onheilspellende daling van het levenspeil aan het licht gebracht, ook bij de niet bij het NVV aangesloten arbeiders. De verhoging van de lonen, zelfs van de sociaalkrachtigste arbeidersgroepen, bleek aanmerkelijk achtergebleven bij de stijging der prijzen, die toen al voor de voornaamste levensbenodigdheden op 30% werd geschat. Er hadden talrijke stakingen plaatsgevonden: metaalbewerkers, loodgieters, slagers, chauffeurs, grondwerkers, steenzetters, melkslijters en nog andere categorieën hadden in de loop van dat jaar het werk neergelegd om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden af te dwingen. In de textielindustrie in Tilburg was het tot een staking gekomen. Mijnwerkers hadden gedurende ongeveer twee weken gestaakt. In Rotterdam hadden de havenarbeiders gestaakt. Er waren hongeropstootjes. In de zomer van 1917 was in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan bijna geen aardappel meer te koop, terwijl er in de Prinsengracht schepen vol met aardappels lagen, bestemd voor de export. Dit had geleid tot het Aardappeloproer. Er vonden plunderingen plaats, demonstraties en gewelddadigheden. In de kazernes van de Harskamp vond een soldatenoproer plaats. De levensmiddelenpolitiek van de regering had als gevolg dat een groot deel der stedelijke bevolking honger leed.
Doordat de uitvoer door was gegaan, was Nederland verdacht geworden, met als gevolg dat Nederland door Amerika was gerantsoeneerd, maar ook dat Nederlandse graanschepen in beslag waren genomen, dat de uitvoer van koloniale producten uit Indonesië naar Nederland was gehinderd. Elke uitvoer van levensmiddelen was onmogelijk gemaakt en de invoer van voedsel voor mens en dier, evenals die van kunstmest, tot een minimum beperkt. Deze rantsoenerings-politiek had geleid tot een totale ineenstorting van de Nederlandse invoer van overzee gedurende het laatste oorlogsjaar.

 

In Rusland had onvrede onder de bevolking geleid tot een revolutie. Er was veel onvrede in Rusland door de heersende armoede. In 1898 was in Rusland de Russische Sociaaldemocratische Arbeiders Partij (RSDAP) opgericht. De RSDAP was in 1903 nog verboden door haar radicale ideeën maar was wel steeds meer in opkomst. Een scheuring had in 1903 geleid tot het ontstaan van twee groepen: de Bolsjewieken (bolsjinstvo=meerderheid) steunend op de arbeiders en de boeren en niet wilden samenwerken met de liberale oppositie; de Mensjewieken (minderheid) steunend op de kleine middenstanders en de grondeigenaren en wel wilden samenwerken met de liberale oppositie.
Tsaar Nicolaas II had in 1904 de oorlog verklaard aan Japan: de Tsaar was van mening dat Japan zijn grenzen te veel richting Russisch grondgebied had uitgebreid. Deze oorlogsverklaring gevoegd bij de armoede onder de bevolking had in 1905 geleid tot de eerste Russische revolutie. Tsaar Nicholaas II had een deel van zijn alleenheerschappij moeten afstaan aan een in 1906 ingesteld parlement: de Doema. Er was een raad van arbeiders opgericht, Sovjet, die geleid werd door
Leon Trotski (1879-1940). De sovjet- afgevaardigden waren democratisch gekozen en erkend als het hoogste gezag in het land. Er waren al snel meerdere sovjets voor verschillende groepen arbeiders ontstaan zoals: spoorwegarbeiders en fabrieksarbeiders.
De onvrede onder de bevolking was gebleven. Dit had in 1917 tussen 8 en 15 maart (februari volgens de Russische jaartelling) geleid tot de Februari-revolutie. Er was een einde gekomen aan de heerschappij van de dynastie van de Romanov’s die zo’n 300 jaar lang had geregeerd. De familie was naar Jekaterinenburg verbannen waar ze in 1918 met geweld om het leven was gebracht.
De Doema had een Voorlopige Regering ingesteld.
Het nieuwe bewind van liberalen en gematigde socialisten had echter de oorlog met Duitsland voortgezet en geen haast gemaakt met het verdelen van het grondbezit onder de boeren. Tegenover deze Voorlopige Regering stonden de raden (sovjets) van arbeiders, boeren en soldaten. De sovjets waren hier fel op tegen omdat de oorlog Rusland al miljoenen slachtoffers had gekost. Er was een strijd ontstaan tussen de Mensjewieken en de Bolsjewieken. De Mensjewieken zaten in de Voorlopige Regering en de Bolsjewieken waren vertegenwoordigd in de Sovjets. De meeste arbeiders hadden de Bolsjewieken gesteund omdat zij de meest radicale veranderingen wilden doorvoeren. De verliezen en de nog steeds aanwezige armoede hadden weer voor onrust gezorgd.
De leider van de Bolsjewieken:
Vladimir Lenin (1870-1924) had ‘alle grond aan de boeren, alle macht aan de sovjets, alle fabrieken aan de arbeiders en vrede met Duitsland’ gewenst. Lenin was na een mislukte staatsgreep in de zomer van 1917 naar Finland gevlucht, maar in september teruggekomen. De sovjets onder de leiding van Lenin hadden de Voorlopige Regering afgezet tijdens de Oktoberrevolutie (1917). Lenin had vrede gesloten met Duitsland in het verdrag van Brest-Litovsk (1917), een streep door alle buitenlandse leningen en beleggingen gehaald en alle productiemiddelen onteigend. Pogingen van diverse Europese mogendheden, de Verenigde Staten en Japan, om door militaire interventie het revolutionaire bewind ten val te brengen en de rijke Russische bodemschatten in handen te krijgen, waren mislukt.
Onder de invloed van de Russische Revolutie maakten in november 1918 revolutionaire bewegingen een einde aan het Duitse keizerrijk, het Oostenrijkse keizerrijk en het Ottomaanse rijk. 

De regering in Nederland was, in de hoop gevrijwaard te worden van ‘revolutionaire woelingen’, met allerlei verbeteringen gekomen: de wettelijke achturendag was ingevoerd, het algemeen mannenkiesrecht en kort daarop het vrouwenkiesrecht, de hoogte van het ouderdomspensioen was verhoogd en de leeftijd waarop het inging verlaagd, aan de gezinnen der miliciens die het leven hadden gelaten als gevolg van de bommen op de Zeven Provinciën waren ettelijke miljoenen als schadeloosstelling uitgekeerd en het loon van het personeel in dienst van de gemeentelijke en landelijke overheid was sprongsgewijs verhoogd.
De burgemeester van Rotterdam, Zimmerman, had om de onvermijdelijke omwenteling in elk geval ordentelijk te laten plaatsvinden, twee vakbondsleiders: A. Heykoop en J. Brautigam, bij zich geroepen [67] en medegedeelt dat hij ‘van plan was om ook in geval van een revolutionaire beweging’ (die hij voorzag) ‘in ieder geval (zijn) best te doen voor het behoud der orde’; de waterleiding, de elektrische centrale, de gasfabriek, de banken zou hij ongestoord laten voortwerken, op de stations zou hij de orde handhaven.
Heykoop en Brautigam waren, nog vóór zij Zimmerman bezochten, door de voorzitter van de machtige Scheepvaartvereniging Zuid: P. Nijgh, ontvangen, ‘die ervan overtuigd was dat de Duitse gebeurtenissen hier zouden doorzetten’; hij had schielijk verbetering beloofd van de arbeidsvoorwaarden.
Minister-president Ruys de Beerenbrouck had die avond in Den Haag gesproken met de liberale en vrijzinnig-democratische leiders: ‘Huns inziens was alles verloren. De revolutie was niet te keren. We moesten maar wat toegeven, bijv. een paar socialisten in het kabinet opnemen.’
De redactie van De Telegraaf had aan de voorzitter van de SDAP gemeld 'dat zij bereid waren, vooral met de veelverbreide Courant, een eventueele revolutie te steunen'.[68].

De politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd was diep onder de indruk gekomen van het gebrek en de nood in de arbeidersgezinnen en het bloedvergieten zonder zin met een niet meer goed voor te stellen omvang. Ze demonstreerde, hield protestvergaderingen, staakte zelfs hier en daar en veroordeelde politieke partijen. Leden van de Sociaal-Anarchistische Jeugdorganisaties (SAJO) ontvreemden explosief materiaal uit een opslagplaats voor munitie en springstoffen in de omgeving van Amsterdam met het doel een aanslag te plegen op het gebouw van De Beurs in Amsterdam, (de aanslag mislukte en de jeugdigen werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van 12 tot 6 maanden).
Toen Herman Groenendaal weigerde de militaire dienst te vervullen, daarvoor was gearresteerd en hiervoor in hongerstaking was gegaan, leidde het tot wekenlange demonstraties, protestvergaderingen en hier en daar stakingen waarbij duizenden arbeiders betrokken waren. De jeugdigen, Albert de Jong en Bart de Ligt, werden veroordeeld tot resp. 19 en 27 dagen gevangenisstraf wegens opruiing.
Als ze in geestdrift raakt voor de Sovjet-Unie dan gaan volwassenen met een samenhangende wereld- en levensbeschouwing en een hang naar theosofie, antroposofie of een op het christendom geïnspireerde religie uit angst voor een revolutie en weer een oorlog een besef van algehele broederschap bijbrengen.

Respect voor een ieders godsdienstige-, levens- of maatschappelijke overtuiging.
De leiding van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) laten de bij een werknemersorganisatie aangesloten jeugdigen deelnemen aan ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten. Een Centrale voor Jeugdontwikkeling kreeg de taak deze aktiviteiten te organiseren.
[69]
Het lid van het gemeentebestuur in Amsterdam voor de SDAP en wethouder voor het onderwijs: Eduard (Eliazer) Polak (1880-196) laat jeugdigen
aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes in Amsterdam deelnemen ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten.
In de twintiger jaren had zich in de SDAP een socialisme gevormd waarin werd aangenomen dat respect voor een ieders persoonlijke overtuiging verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging zou doen overbruggen. Woordvoerder hiervan was Willem Banning (1888-1971). Banning had aan de Rijkskweekschool in Haarlem de opleiding gevolgd voor onderwijzer en op later leeftijd de opleiding voor predikant. Hij was een vooraanstaand lid van de SDAP en aanhanger van het op het christendom geïnspireerde religieus denken der Woodbrookers.
De hoogleraar in de godgeleerdheid Karel Hendrik Roessingh (1886-1925) had als student in Engeland kennis gemaakt met de Woodbrookers en terug in Nederland in 1916 de Vereniging der Woodbrookers opgericht. De aanhangers der Woodbrookers (Quakers) hadden in Selly Oak, in de buurt van het Engelse Birmingham, hun Woodbrook College waarvoor de welgestelde George Cadbury (aanhanger der Quakers) zijn woonhuis en bijbehorende tuinen, Woodbrook, beschikbaar stelde. Naast Woodbrook werd Westhill het meest bekend.
Roessingh had bij zijn aanstelling als hoogleraar in de godgeleerdheid opgeroepen ‘persoonlijkheden’ te worden door ‘niet ons eigen geweten te onderwerpen aan het voorschrift van eene kerk, aan de wet van een staat, aan het gezag van een ander mensch’, maar af te gaan op de eigen persoonlijke overtuiging.
[70]
Roessingh had in 1916 de Vereniging der Woodbrookers opgericht.
Banning had om tegenwicht te kunnen bieden aan het proletarisch- en marxistisch-socialisme van de arbeidersbeweging en aan het daarmee verbonden felle atheïsme in 1919 de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (AG) opgericht.[71]
Hij zou na de Tweede Wereldoorlog voorstander worden van een ethische volkspartij en een pleitbezorger van een, op instigatie van J.de Quay (1901-1985) genoemd, ‘personalistisch socialisme’.

De in 1918 nieuw aangetreden confessionele regering Ruys de Beerenbrouck (1918-1922), bestaande uit: Rooms Katholieke Staats Partij, Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie laat de niet bij een werknemers-organisatie aangesloten jeugdigen aan ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te deelnemen.
Zij kwam met een op SDAP en NVV leest geschoeide Centrale Jeugdraad dat als taak kreeg deze aktiviteiten te organiseren.
De regering had haar besluit beargumenteerd door te wijzen op de resultaten van het in 1914 door het liberale kabinet verrichtte onderzoek waaruit gebleken zou zijn ‘
dat het verreweg grootste deel der oudere jeugd geenerlei onderwijs meer ontvangt’.[72] 

Als tegenhanger van het op SDAP-leest geschoeide ontwikkelings- en ontspanningswerk werden Volkshogescholen opgericht met als doel ‘het geven van een zedelijk-geestelijke ontwikkeling aan volwassen personen als grondslag voor vernieuwing der volkscultuur en versterking van de volksgemeenschap’. [73]
De eerste kwam tot stand door initiatief van Jarig van der Wielen (1880-1950) in Bakkeveen (1932) voor jonge boeren, werklozen en studenten.

Aan de scholen voor maatschappelijk werk, later genoemd: Sociale Academies, kwamen opleidingen voor jeugd en jongerenwerk (sociaal-cultureel werk). De regering waarschuwden de organisaties die kampementen organiseerden en zich bedienden van door het rijk beschikbaar gesteld kampeermateriaal voor het kunnen ontstaan van een onzedelijke sfeer, waarmee bedoeld werd o.a. het niet eerbiedigen van een ieders uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging. Aanbevolen werd te komen tot een hiërarchische centralistische organisatie om toezicht te kunnen houden en eventueel de nodige maatregelen te kunnen nemen.
Het gemeentebestuur van Rotterdam benoemde op 26 mei 1921 een Adviserend Ambtenaar inzake de Opvoeding van de rijpere jeugd en richtte op 10 januari 1922 de Rotterdamse Jeugd Raad op. Het gemeentebestuur van Amsterdam stelde op 1 januari 1923 een tijdelijk ambtenaar aan belast met het toezicht op de van gemeentewege gesubsidieerde verenigingen welke zich bezighouden met Toynbeewerk en Vrije Jeugdvorming.

Respect voor een ieders aanleg
Aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen laat de onderwijzer Berend Wouters de jeugdigen kiezen een aktiviteit te verrichten met de handen zoals: werken in de werkplaats of in de tuin, of een met ‘het hoofd’ zoals: deelnemen een groepsspel of kunst beoefenen.[74]
In de Theosophical Society werd aangenomen dat een ieders positie in de samenleving een zaak was van aanleg. De Theosophical Society was in 1875 opgericht door Helena Blavatsky (1831-1891) en enkele sympathisanten. Blavatsky was geboren als Helena Petrowna von Hahn Rottenstern in de Oekraine in het financieel beter gesitueerde deel van de bevolking en gehuwd geweest met Nikofor Blavatsky. De Theosofische Vereniging was opgericht met als doel te komen tot een sfeer van algehele broederschap zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. De Vereniging werd een groot succes met vele vertakkingen over de wereld. Wouters had zich op 10 mei 1903 onder nummer 23648 als lid laten inschrijven. In 1910 waren er bijna zevenhonderd loges (afdelingen), verdeeld over ruim zestien landen waaronder Nederland, met in totaal bijna 17.000 leden.

Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling.
Aan de Pallas-Athene School in Amersfoort laat de onderwijzer Johann Hermann Bolt (23-10-1883- . . . .) de jeugdigen onderricht volgen in groepjes die samengesteld zijn uit jeugdigen van verschillende leerjaren.[75]
Na de dood van Blavatsky werd in de Theosophical Society aangenomen dat een ieders maatschappelijke positie een zaak was van geestelijke ontwikkeling. Woordvoerder hiervan was Annie (Wood) Besant (1847-1933).  de leiding van de Theosofische Vereniging overgenomen. Besant had eerder een leidende functie binnen de Anglicaanse kerk, na de dood van Blavatsky de leiding van de Theosofische vereniging overgenomen en in 1911 de jonge Indiër Jiddu Krishnamurtie (1895-1986) aangesteld als de opvolger van Jezus, de nieuwe wereldleraar. Om de jonge Indiër te ontmoeten kwamen op de jaarlijkse Sterkampen in Ommen tussen 1923 en 1930, vele duizenden aanhangers uit alle delen van de wereld bijeen. Bolt had zich op 26 maart 1915 onder nummer 58560 als lid van de Theosofische Vereniging laten inschrijven.

Respect voor een ieders temperament
Aan de Vrije School in Den Haag [76] krijgen de jeugdigen die gelijk gestemd zijn gezamenlijk onderricht.[77]
In het Antroposofisch Gesellschaft werd aangenomen dat een ieders sociale positie een zaak was van temperament. Het Gesellschaft was in 1913 opgericht door Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925). Steiner was tien jaar lid van de Theosofische Vereniging en met een ‘eigen’ Antroposofisch Gesellschaft gekomen toen Annie Besant in Krishnamurti de toekomstige wereldleraar meende te hebben ontdekt.
Steiner
kreeg in 1919 in Stuttgard de leiding over de Freie Waldorfschule, opgezet door Emil Mohlt (1878-1936), eigenaar van de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen.
Steiner nam aan dat een ieders temperament een zaak was van de kosmos: de zon, de maan en de sterren. Hij onderscheidde vier temperamenten: sanguinisch (opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) of cholerisch (opvliegend).
De Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) had eerder gewezen op de aanwezigheid van vier onderling kwalitatief verschillende elementen die alle door zintuigelijke waarneming bekend zijn: de vaste aarde, het vloeibare water, de gasvormige lucht en het gloeiende verterende vuur; de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322) had eerder gewezen op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren; de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) had eerder gewezen op de aanwezigheid in het menselijk lichaam van vier lichaamsvochten: sanguis (bloed), flegma (slijm), melancholie (zwarte gal) en cholera (gele gal); de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) had eerder geschreven over de leer der temperamenten; de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) had eerder de theorie ontwikkeld dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van de in de kosmos voorkomende elementen: zon en maan.[78]

Respect voor leiders en volgelingen
Aan de Hillegomschool in Amsterdam (Eerste Openbare Lagere School met Persoonlijkheidsonderwijs) heeft de onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) geen vast omschreven leerplan, geen lesrooster, geen vaste lesmethoden.[79]
In de jaren twintig deed de ex-jezuit Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944) veel van zich horen met zijn ‘Beginselen der beeldende wiskunde’.[80]
Voor de onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) was het zijn ‘wijsgerig grondbeginsel’.[81]
Schoenmaekers had het gymnasium in Rolduc gevolgd en de door de jezuïeten geleide opleiding tot priester in Rome. Hij had zich op enig moment afgekeerd van de roomse-kerk maar niet van het roomse-geloof: hij zag zich katholieker dan de roomsche kerk, katholieker dan de paus’ .[82]
De van huis uit niet onbemiddelde Schoenmaekers had in Amsterdam aansluiting gezocht bij de kring van vrijzinnige christenen en vrijdenkers en in 1904 het tijdschrift Levensrecht opgericht: Maandschrift ter verbreiding der vrije ideeën, waaraan o.a. meewerkten Frederik van Eeden en Domela Nieuwenhuis. Zij verzoek lid te kunnen worden van de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia vincit anymos', was hem geweigerd. Hij was korte tijd lid van de afdeling Amsterdam van de Theosofische Vereeniging onder lidmaatschapsnummer 1131, werd sympathisant van de antroposoof Rudolf Steiner, studeerde een jaar in Pennsylvania theologie en ging uiteindelijk in Laren (NH) wonen. In zijn Larense tijd had Schoenmaekers contact met de daar wonende groep van kunstenaars, aangeduid met De Stijl, waaronder de schilder Piet Mondriaan (1872-1944), maar vermeed elke diskussie met andersdenkenden. De schilder Mondriaan had lange tijd waardering voor zijn denkbeelden maar ergerde zich op den duur aan deze 'schoolmeester-paus'. De dichter Jan Greshoff beschrijft hem als iemand die beschikte over een meeslepend redenaarstalent, maar geen tegenspraak duldde.
[83]
Schoenmaketrs huldigde een in katholieke kringen op de middeleeuwse gildeverhoudingen geïnspireerd corporatief (corporatief is afgeleid van het Latijnse woord corpora = lichaam) denken. Hierin worden de delen van een lichaam samen als een onlosmakelijk geheel gezien waarvan geen van de delen gemist kan worden wil het lichaam functioneren, maar waarbij het hoofd en de ledematen niet gezien worden als gelijk-waardig. De maatschappij wordt hiermee vergeleken. Ook hierin worden groepen van arbeiders en ondernemers als een onlosmakelijk geheel gezien waarvan geen groep gemist kan worden wil de samenleving funktioneren, maar waarin arbeiders en ondernemers niet worden gezien als gelijk: er zijn leiders en volgelingen. Een ieder dient dus tevreden te zijn met de plaats in het maatschappelijk leven, al hebben diegenen die deze kijk hebben wel de neiging, voor zichzelf een plaats aan de top te reserveren.  

Respect voor de beste
Aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap in Bilthoven laat Cornelis Boeke (1884-1954) de jeugdigen bij alle voorkomende werkzaamheden de beste kiezen als hoofd. In de Practisch Idealisten Associatie (PIA), werd aangenomen dat een leidende positie in de samenleving een zaak was van de beste.
De PIA was door d
e hoogleraar in de rechtswetenschap: J.J. van der Leeuw (1893-1934) toen hij nog student was, uit Londen in Nederland geïntroduceerd.[84]
De PIA was na de in 1896 opgerichte Nederlandse Christelijke Studenten Vereniging (NCSV) de tweede stap van de jeugd uit de zeer gegoede kringen zich aaneen te sluiten.
[85]
Boeke was lid van de PIA. Zijn vader was directeur van de HBS, de vader van Van der Leeuw was firmant van de Van Nelle fabriek, een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam, een ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en weer een ander was directeur van de glasfabriek in Leerdam.
In de PIA had elke plaatselijke afdeling haar leider, de plaatselijke leiders vertegenwoordigden hun afdeling in de Raad der Leiders. Bij het toetreden tot de PIA moesten de leden een verklaring ondertekenen waarin ze beloofden af te zien van het najagen van eigen eer en voordeel.
[86]
Diverse leden van de PIA werden lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de Sterkampen op het landgoed Eerde in Ommen waar ook elk jaar een kamp van de PIA plaatsvond.
Van der Leeuw had tegenover het historisch materialisme een historisch-idealisme gesteld: een geestelijke omwenteling binnen in de mens.
[87]
Hij hing de gedachte aan dat een leidende positie in het maatschappelijk leven een gevolg was van de beste te zijn en dat respect voor de beste verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging zouden doen overbruggen.
Van der Leeuw had opgeroepen een begin te maken met de opbouw van ‘een aristo-democratie’, een samenleving waar op alle terreinen van het maatschappelijk leven ‘groepverbanden ‘gevormd zouden zijn, waaruit ‘de beste’ gekozen werd als hoofd, die op hun beurt uit het midden de beste zouden kiezen voor het bestuur van grotere gemeenschappen, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen zou zijn.
[88]
Het doet allemaal wat pre-fascistisch aan: een sterk eenhoofdig gezag. Van der Leeuw sloot zich later aan bij de Theosofische Vereniging, werd voorzitter van de Nederlandse Afdeling, en was nauw betrokken bij de zomerkampen rond Krishnamurti in Omme
n

IV Socialistische levenshouding
Als na de uitgebroken economische depressie van 1929 politiek bewuste arbeidersjongeren sympathie krijgen voor de Sovjet-Unie, het land dat in deze jaren niet door een economische depressie was geroerd, dan gaan volwassenen de jeugd een socialistische levenshouding bijbrengen.
Op zwarte donderdag 24 oktober 1929 waren de koersen van de aandelen op de New-Yorkse effectenbeurs ineengestort en was er een economische depressie uitgebroken met een omvang, duur en intensiteit zoals de wereld voordien nooit had gekend.
[89]
De crises was mondiaal; niet slechts in de Verenigde Staten, niet slechts in de kapitalistische wereld, maar over de gehele aarde tot in de grondstoffenlanden toe was de werking merkbaar. Er was, dat wist men, in de Verenigde Staten waanzinnig gespeculeerd op de effectenmarkt; slechts weinigen hadden zich daar zorgen over gemaakt. Fortuinen waren verloren gegaan, ook van Nederlanders die in Amerika hun fondsen belegd of mee gespeculeerd hadden en nu met één slag hun kapitalen kwijt waren geraakt. Maar daar was het niet bij gebleven. Het wegvallen van het vertrouwen in de toekomst had in de Verenigde Staten onmiddellijk geleid tot inkrimping van de productie; inkrimping van de productie tot werkloosheid; werkloosheid tot verminderde vraag; verminderde vraag tot nóg verdere productiebeperking - het was een vicieuze cirkel geworden, een spiraal die zich hardnekkig omlaag schroefde. Toen de moeilijkheden zich in de loop van 1930 overplantten naar Europa hadden de moeilijkheden zich opgestapeld. Prijzen kelderden, winsten maakten plaats voor gigantische verliezen. Het ongeëvenaard grote aantal kapitaalverliezen en faillissementen had de werkloosheid in de ettelijke miljoenen doen oplopen. De werkloosheid had massa­le en hardnekkige vormen aangenomen. De algemene prijsdaling had de boeren extra-hard getroffen. De prijs voor tarwe was in vier jaar tijd met bijna de helft gedaald, die van rogge, boter, varkensvlees met meer dan de helft. Er was vrijwel geen landbouwer die nog de eindjes aan elkaar had kunnen knopen; hoe hard er ook gewerkt werd, de bedrijven loonden niet meer.
Uit het gehele economische leven (bedrijf na bedrijf had de productie moeten inkrimpen of zelfs stopzetten) waren de arbeiders bij tienduizenden ontslagen. Door middel van loonsverlagingen hadden de ondernemers getracht hun bedrijf rendabel te houden, althans de verliezen te beperken. De bedrijven die niet onder de arbeidsinspectie vielen, hadden de neiging vertoond, van hun arbeiders buitensporige prestaties te vergen. Wie nog als zelfstandige in het economisch verkeer stond, deed vaak zijn uiterste best om te voorkomen dat hij om werklozensteun moest aankloppen. Chauffeurs, en in het bijzonder zij die niet in loondienst waren maar zelf de eigenaar waren van een vrachtauto maakten dagen, ja weken achtereen, arbeidstijden van 16 tot 18 uur per dag, of van 24 tot 48 uren aaneen. Er waren gevallen bekend welke nog zeer veel verder gingen en waarbij de betrokken chauffeurs weken achtereen slechts een nacht per week nachtrust op hun bed hadden, terwijl zij voor de rest hun rust bij stukjes en beetjes maar in de cabine van hun auto tussen de ongelimiteerde werkuren door moesten trachten te verkrijgen.
De daling van het inkomen van arbeiders en financieel beter-gesitueerden was een catastrofe voor de middenstand, speciaal voor de winkeliers. Duizenden winkels waren opgeheven, andere van eigenaar verwisseld. De grote massa was steeds meer verarmd waardoor er steeds minder producten waren gekocht. Er was overproductie ontstaan. Het bankwezen, de industrie, de handel, de scheepvaart, hadden de neerslag van de economische crises gevoeld. De landbouw evenals de landbouw-verwerkende bedrijven hadden slag op slag gekregen. De tuinbouw was ingestort doordat naburige landen hun grenzen geheel of bijna geheel hadden afgesloten voor haar producten. De vissersvloot lag voor een groot deel werkeloos in de havens. Gebouwd werd er haast niet meer. De meeste bedrijven gingen bij de dag achteruit. Het aantal werklozen was steeds groter geworden en loonsverlagingen waren niet van de lucht.
[90]

In 1935 was de leiding van SDAP en NVV gezamenlijk gekomen met een Plan van de Arbeid dat tot een herstel van de bestaanszekerheid moest leiden. Het was geïnspireerd op een door Hendrik de Man (1885-1953) ontworpen gelijknamig plan waarmee de Belgische socialistische partij in 1933 was gekomen. In dit plan had De Man de denkbeelden verwerkt van de in 1917 naar Amerika uitgeweken Rus: W.S.Wojtinski (1885-1960), de vakbondsleider: F.Tarnow en het lid van het Duitse parlement voor de Sociaal Democratische Partei: Fritz Baade
(1893 -1974).
Het drietal had gepleit voor een vergroting van de koopkracht, het verlenen op grote schaal van bankkredieten en het bewerkstelligen van werkverruiming door een uitgebreide politiek van openbare werken om zo de neergaande lijn van de economie om te buigen in een opgaande. Het plan had de geestdrift gewekt en niet alleen bij de arbeiders maar ook bij de middenstand en het had ook de boeren uitzicht geboden op herstel van de bestaanszekerheid.

Bij jongeren had de crises tot grote onzekerheid geleid.
[91]
De verlammende invloed van de massale en niet eindigende werkloosheid had tot de behoefte geleid aan houvast en zakelijkheid. Ze hadden genoeg van de ‘geduldpredikers’ en de ‘geleidelijkheidsapostelen’, die steeds weer aandrongen op afwachten en vooral niets doen in deze crisestijd.
[92]
De AJC had zich voornamelijk beziggehouden de werkloze jeugd in speciaal voor hen georganiseerde kampen gedurende een of meer weken wat levensvreugde te bieden waar ze een moment de dodelijke sleur van het nietsdoen en het zich overbodig voelen konden vergeten.
De jongeren discussierden over het socialisme en kregen sympathie voor de Sovjet-Unie, het land dat in deze jaren niet door een economische depressie werd geroerd. Als een niet onaanzienlijk aantal jongeren in de AJC lid wordt van de in 1932 door enkele uitgetreden of geroyeerde SDAP’ers opgerichtte Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) dan gaan volwassenen voor wie socialisme een zaak was van psychologie uit angst voor een wijziging van het economisch stelsel een socialistische levenshouding bijbrengen.


Kameraadschap, Gemeenschapszin, Arbeidsvreugde
Op het landgoed Eerde te Ommen krijgen de jeugdigen de beginselen bijgebracht van een socialistische gemeenschap.
In de SDAP had zich een socialisme gevormd waarin werd aangenomen dat de daadwerkelijke verwezenlijking hiervan diende te gebeuren in het eigen leven. Woordvoerder was: Jacobus (Koos) Jan Vorrink (1891-1955). Vorrink had aan de Rijkskweekschool in Haarlem de opleiding voor onderwijzer gevolgd, dezelfde school waarin Banning de opleiding had gevolgd, zij het enkele jaren lager. Hij was actief in de Kwekelingen Geheelonthoudersbond, in 1920 aangsteld als bezoldigd bestuurder van de AJC en in 1934 met behulp van de AJC-lobby, die alle afde­lin­gen afreisde, voorzitter geworden van de SDAP. Hij had de AJC omgevormd naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien bij de Sozialistische Arbeiter Jugend. De jeugd daar bezocht geen cafe’s, bioscopen of dancings - zij trokken op vrije dagen met hun mandolines de natuur in, gingen kamperen, beoefenden het volksdansen, zongen volksliederen en voerden stijlvolle dansen uit, waren afkerig van banaliteit, waren niet gekleed in ‘burgerlijke’ confectiepakjes met stijve boorden maar in manchesterkleding met open hemden.
Vorrink was met de directeur van een clubhuis in Rotterdam geheel eens geweest toen deze de volksjeugd had beoordeeld als geestelijk leeg en zedelijk laf: de geestelijke leegheid van de gemiddelde volksjongen (is) veel en groter dan wij vroeger ooit hadden gemeend en dat hij - alle onderwijs, museums, kerken, meetings enz. ten spijt – geheel en al buiten onze cultuur voortleeft, en: Nooit heeft een jongen het voor het gezag opgenomen, nooit heeft een doen blijken, dat hij een vernieling of andere overtreding afkeurde en meegewerkt om de schuldige op te sporen.. . . ’t is niets anders dan bangigheid om in een zaak te worden gemoeid.[93]
In het in 1929 verschenen: Der Sozialismus als Kultuurbewegung van de in Duitsland gevormde Belg: Hendrik de Man (1885-1953), werd socialisme gezien als een zaak van de gezindheid van de mens. In dit socialisme werd in tegenstelling tot het arbeiderssocialisme, dat van de economie uitging en in de eerste plaats een drastische verandering van het economisch stelsel beoogde, meer uitgegaan van de psychologie en werd aangenomen dat de daadwerkelijke verwezenlijking van het socialisme diende te gebeuren in het eigen leven en in de eigen levensgemeenschap.[94]
Vorrink had het boekje van De Man zo belangrijk gevonden dat hij het zelf had vertaald en uitgegeven.[95]
De Man was op zijn beurt gegrepen door de gedachten van G.L. Radbruch (1878-1949). Radbruch zag als belangrijkste waarden van een socialistische gemeenschap: ‘Kameradschaft, Gemeinsinn, Arbeitsfreude. [96]

Nawoord.
Omstreeks 1900 toen de socialistische arbeidersjeugd zich ging inzetten voor een beter mens en een betere gemeenschap, gingen volwassenen met een vrees voor de hardheid en ruwheid van de socialistische arbeidersbeweging en het daarmee samenhangende felle atheïsme, uit angst dat het optreden van de jeugdigen ‘uit de hand’ zou lopen, het onderwijs vernieuwen en ging de regering zich in toenemende mate bemoeien met de zorg voor de jeugd.
Om het optreden van de jeugdigen ‘in goede banen’ te leiden brachten volwassenen een door hen aangehangen levens- en wereldbeschouwing bi
j. De initiatieven tot vernieuwing van het onderwijs hadden geen pedagogisch doel, ook niet tot doel het onderricht doelgerichter en efficienter te laten plaatsvinden, het doel was de jeugd in het ‘juiste’ politieke vaarwater te loodsen. De volwassenen zagen jeugdigen niet als jeugdige en de jeugdfase niet als een waarde in zichzelf: als een periode waarin de jeudigen de gelegenheid geboden moet worden alles te onderzoeken wat van belang lijkt.
Jeugdigen werden gezien als (toekomstige) volwassene. Van hen werd verwacht in het voetspoor te lopen hunner vaderen.

 


[1] M. Bloch: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.


[2] Harmsen, G.: Blauwe en rode jeugd. Onstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlndse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940, Nijmegen 1975.


[3] Plessner, H.: Het probleem der generaties, in: Sociologisch jaarboek. III, jrg. 1949.


[4] E. Key: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, van J. Wesseling-van Rossum, Zutphen 1906.


[5] H.Roland Holst- van der Schalk: Kapitaal en Arbeid. Nijmegen 1977


[6] B. A. Knoppers: Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung. Emsdetten 1931.


[7] J. H. Gunnungh Wzn.: De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, Amsterdam 1939.


[8] I. van der Velde: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940. Groningen 1970.


[9] S. J. C. Freudenthal-Lutter: Naar de school van morgen. Alphen aan de Rijn. Blz. 141.


[10] Th. van Tijn: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag. In: Jeugd, school en wereld. Jrg. 55, 1971, no. 4; ook in: Student. Januari\februari 1972; zie ook zijn artikel: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, o.r.v.: L. Box, J. Dronkers, M. Molenaar en J. Mulder. Nijmegen 1977,


[11] H. Verwey-Jonker: Emancipatiebewegingen in Nederland. Deventer 1983.


[12] N. L. Dodde: Het Nederlandse onderwijs veranderd. Muiderberg 1983.


[13] Brugmans, I. J.: De agrarische revolutie. In: Paardenkracht en mensenmacht, blz.288 e.v., Leiden 1983.

 

[14] B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 235.

 

[15] H.Roland Holst: De Socialistische opvoeding der jeugd. Rotterdam 1907,


[16] G.Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw, In: Blauwe en Rode Jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.


[17] De rechtbank ontsloeg hem van rechtsvervolging, maar het O.M. ging hiertegen in beroep. Zie: B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 541.


[18] Bymholt, blz. 673


[19] Bymholt blz 674


[20] G.Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw. In Blauwe en Rode jeugd, blz. 24 ev.


[21] Leerkrachten waren o.a. Jentje J. F. Kleefstra (1860-1929), Kleefstra, W.v.d. Jagt (klassieke talen), H.J. Boeken (klassieke talen), Z. Stokvis (Nederlands), K. van Damme (Frans), mej. Lohman (Duits), C. M. Borneman (Engels), B. Vreeken (wiskunde en boekhouden), C. J. H. Raad (wiskunde en tekenen), mej. A. Kleefstra (onderwijzeres), J. A. van Schooten (tekenen), mej. W. Bolland (Frans, Duits, Engels)


 

[22] Sport was in het laatste kwart van de 19e eeuw ‘als vermaak’ uit Engeland overgewaaid. Het werd in de financieel betere sociale lagen van de Nederlandse bevolking gezien als een a-politieke vorm van vrijetijdsbesteding voor jonge mannen.


[23] J. Kleefstra: Wat maken wij van onze jongeren. Uit: Studies in Volkskracht, Amsterdam 1905.


[24] C. Darwin: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.


 

[25] Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population. Malthus publiceerde het voor het eerst in 1798 onder de schuilnaam: J. Johnson.

 


[26] E.H.P.H.Haeckel:Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philisofie


[27] A. H. Gerhard: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,


 

[28] A. H. Gerhard,: Een Sociaal Sprookje, Amsterdam 1914


[29] De rechtbank ontsloeg hem van rechtsvervolging, maar het O.M. ging hiertegen in beroep. Zie: B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 541.


[30] Bymholt, blz. 673


[31] Bymholt blz 674


[32] A. Cort van der Linden,: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203


 

[33] M. Soree & M.Snepvangers: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.


[34] Ligthart, J en H.Scheepstra: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1906.


[35] A. Kuyper: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[36] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[37] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[38] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


 

[39] H. Roland Holst-van der Schalk: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977. Opm: alleen de bevolking in de steen- en pannenbakkerijen langs de Gelderse rivieren hadden het mogelijk nog armer


 

[40] C. W. Coolsma: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.


 

[41] W. Banning: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.


 

[42] J. de Groot: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.


[43] J.Ligthart: Een woordje aan ‘t slot. In: School en Leven. Eerste jaargang, no.52.


 

[44] J.Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


 

[45] J. P. Hasebroek: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.


[46] Ligthart zou zijn geld beleggen in een perceel bosgrond, en Scheepstra kocht een herenhuis ‘op stand’ aan de Ossenmarkt in Groningen.


[47] Leerkrachten waren o.a.: Deutman-De Meijer, Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Nelly Korver, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot


[48] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[49] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[50] Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962: gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.


 

[51] P. Kropotkin: Wederkeerig dienstbetoon, een factor der evolutie. Amsterdam 1904 (Mutual aid: a factor in evolution. 1902). Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.



[52] Leerkrachten waren o.a.: J.M. Telders, mw. M. van der Es, mw. P. van der Knoop, mw. T van Mierop-Mulder, Felix Ortt.


[53] G. Stuiveling: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.


 

[54] Geschiedenis van het Amsterdamsch Studentenleven 1632-1923.


[55] J. Saks: De pionieren van Bussum


[56] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[57] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[58] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[59] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 229


[60] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 543,


[61] F. van Eeden: H. Thoreau, Walden or life in the woods. Londen 1908.


 

[62] H. L. Borgman: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K. Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph. Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H. Schuurman: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.


[63] H. Noordegraaf: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.


 

[64] B. de Ligt: God Uzelf Uw Naaste. 1912.


[65] G. Harmsen: Blauwe en Rode Jeugd, Nijmegen 1975, blz. 53


[66] Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer 1913/1914, blz. 1583-1584.


[67] Harmsen, G, Jos perry en Floor van gelder: De jaren twintig: beroering en opgang, in: Mensenwerk, Baarn 1980.


[68] W. H. Vliegen: Die onze kracht ontwaken deed. Deel III, p.437-438.


[69]  De Centrale voor Jeugdontwikkeling was in 1920 omgezet in een Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen die verder bekend werd als Arbeiders Jeugd Centrale (AJC).

 


[70] K. H. Roessingh: Persoonlijkheid en Cultuur. Haarlem 1916.


[71] W. Banning: Wat wil en doet de arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Amsterdam 1934; ook in: Wie zijn de Woodbrookers, in: Ons werk. Geschriften van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.2, zj; en: Om de groei der gemeenschap. Arnhem 1926, en: De arbeidersbeweging als beschavingsmacht. Geschriften van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.3, zpl, zj.


[72] Verslag van de staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Ingesteld bij koninklijk Besluit van 18 juni 1917 No 58.


 

[73] Statuten 1939.


[74] Wouters, B: Evolutie in idealen voor opvoeding. In: Theosofia, jrg. XXVII, 10 janauari 1920.


[75] J. H. Bolt: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn. In Theosofia, febr.1920, jrg XXVII.


[76] Leerkrachten waren o.a.: Daniel (Daan) Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn (1874-1959), Pieter Jacobus de Haan (1891-1968) en Max Leon Stibbe (1898-1973)

 

[77] C.H.Donker: De Vrije School te Den Haag, in: Pedagogische Studien, jrg V, blz 121 e.v. 1925.


 

[78] Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.


 

[79] L. Groeneweg: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920, blz.299. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.


[80]M. H.J.: Schoenmaekers: Beginselen der beeldende wiskunde. Bussum 1916.


[81]L. Groeneweg,: Scholen met losser klasseverband, in: Paedagogische Studien, jrg 5, blz 299, 1920


[82] M. H.J.: Schoenmaekers: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde. Blz. 199 e.v. Bussum 1916.


[83] Zie J.Greshof in Het Vaderland 24-01-1957


[84] Bolkestein, G.: Aan Kees Boeke, Wormerveer 1956


[85] Harmsen G.: Blauwe en Rode Jeugd, blz. 241


[86] Leeuw, J.J. van der: De jongeren aan den opbouw. Den Haag 1923.


[87] Leeuw van der J.J.: Het Practisch Idealisme. Baarn 1922


[88] Leeuw van der J. J.: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.

 

[89] Brugmans, I. J.: Het nieuwe kapitalisme. In: Paardenkracht en mensenmacht, blz. 514 e.v. Leiden 1983.


[90] G. Harmsen: Economische crises, massale werkloosheid, fascisme en oorlogsdreiging. In: Voor de Bevrijding van de arbeid, Nijmegen 1975, blz.172. Zie ook: L.de Jong


[91] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 305.


[92] Harmsen, G: De rode jeugdbeweging in de jaren van werkloosheid en oorlogsdreiging


[93] K. Vorrink: De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925. Blz.4.


[94] H. de Man: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929, blz.45.


[95] K. Vorrink: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928


[96] G. L. Radbruch: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.