Cornelis Oostwal

“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het  handelen”.

 

1
Opkomst van de jeugdbeweging en vernieuwing van het onderwijs.


“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het handelen”,1



Laatst bijgewerkt: 24-8-2016



Opmerkingen: cornelisoostwal@Gmail.com



Jeugd en volwassenen.

Nederland geraakte na 1870 in een versneld tempo geindustrialiseerd. Er werd op grote schaal op machinale wijze goedkope massaproducten geproduceert, de techniek werd toegepast, arbeidsbesparende machines werden ingevoerd ter vervanging van de menselijke handvaardigheid, weinig of niet geschoolde arbeiders namen de plaats in van handwerkers, water- en stoomkracht aangedreven machines overvleugelden de menselijke en dierlijke spierkracht, het natuurwetenschappelijk en technisch-kunnen werd in snel tempo toegepast. Geproduceert werd er omwille van de winst=met geld meer geld maken. Bepaalde groepen van de bevolking beschikten aan een overvloed aan financiele middelen verkregen door a) de openstelling van Indie voor het particuliere kapitaal door de geleidelijke opheffing van het kultuurstelsel en door de agrarische wet van '69 wat het mogelijk maakte dat Europeanen de woeste gronden in erfpacht konden krijgen, en b) de omstandigheid dat de Duitsche groot-industrie zich steeds sneller ontwikkelde nadat door de Fransch-Duitsche oorlog van
2
'70-'71 de politieke macht van Frankrijk naar Duitsland was verschoven, wat Duitschland niet alleen een hoge oorlogsschatting had opgeleverd maar ook twee rijke provincies. Door de toenemende machinale productie was de vraag naar ongeschoolde arbeid toegenomen. De lange leerjaren die de jeugd voorheen zo lang onmondig had gehouden waren weg gevallen of aanzienlijk bekort. De hierarchie van meester – gezel was opgeheven en ouderen en jongeren, vrouwen en mannen werden in fabrieksruimten samengebracht. De industrialisatie had de maatschappij gemobiliseerd in het teken van de vooruitgang, alles werd verwacht van de toekomst. Dit alles riep de jeugd en niet de hogere leeftijdsklassen. Jeugd en leven werden de leuzen. Jeugd werd gezien als identiek met vernieuwing, jong-zijn betekende: bij-de-tijd. Algemeen was de gedachte ontstaan dat de maatschappelijke ontwikkeling het werk was van de jongere generatie. Er was op enig moment sprake van een aanbidding van de jeugd dat van een Europese omvang was.2
Dit schiep in de negentiger jaren de voorwaarden voor de jeugd zich te kunnen verzetten tegen sociale misstanden en op te komen voor een verbetering van de gemeenschap. Bepaalde groepen van volwassen die de verbetering van de mens als een noodzakelijke voorwaarde zien voor het ontstaan van de verbetering van de gemeenschap worden bang dat het optreden van de jeugd ‘uit de hand’ zou lopen (=emanciperen). Om dit in ‘geordende banen’ te leiden nemen ze het initiatief het onderwijs te vernieuwen en zich in toenemende mate met de zorg voor de jeugd te bemoeien met als doel de jeugd op te voeden tot een beter mens. Deze wisselwerking tussen de opkomst van de jeugdbeweging

3
enerzijds en het optreden van volwassenen anderzijds is het onderwerp van dit onderzoek.

Wat anderen schreven.
G.Harmsen (1922-2005) beschrijft in Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940, de voornaamste gebeurtenissen en verschijnselen die zich tijdens de ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse vrije en linkse jeugdbeweging hebben voorgedaan tussen 1850 en 1940.3
B.A. Knoppers komt in Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung, tot de conclusie dat een zelfstandig door de jeugd geleidde organisatie in Nederland ‘bijnahe nicht besteht’, over volwassenen komt de schrijver tot de conclusie dat deze maar weinig interesse hadden voor de jeugdbeweging, en het optreden van de overheid wordt slechts zijdelings aangehaald en niet in verband gebracht met de jeugdbeweging. 4
J.H. Gunnungh, Wzn. noemt in De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, het jaar 1898 als een keerpunt in de geschiedenis van de pedagogie.5
I. van der Velde, brengt in: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940, het streven onder volwassenen het onderwijs te vernieuwen in de periode 1900-1916 in verband met bezwaren tegen de klassikale school en het klassikaal onderwijs, in de periode 1916-1931 in verband met buitenlandse invloeden en in de periode 1931-1940 in verband met een wijziging in de wijze waarop de leerstof wordt aangeboden.6 S.J.C. Freudenthal-Lutter geeft in: Naar de school van morgen,

4
een summier overzicht van enkele pogingen van volwassenen het onderwijs te vernieuwen. 7 
Th. Van Tijn stelt in: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag, ook in: Student, en in: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd zijn door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen. 8 
Die zouden hun uitdrukking vinden in de politieke arena, maar ook in die van de opvoeding en in die van het onderwijs. Dit laatste zou dan op twee manieren plaatsvinden: in de eerste plaats zou er telkens - al voor de theoretisch-didactische problemen rijzen – een opmerkelijk vergrootte aandrang komen van de kant van de ouders van tot dusver van onderricht meer of minder verstoken kinderen om hun spruiten wel naar de betreffende onderwijsinstellingen te sturen. Hierdoor zou er in een korte tijd een tekort ontstaan aan onderwijscapaciteit (geld, ruimte, leerkrachten enz.). In de tweede plaats zou er een veranderde visie op doelstellingen en methoden van het onderwijs ontstaan. Ten derde zou dat een uitvloeisel zijn van een veranderde visie op de maatschappij (onderwijs bereid voor op het leven in de maatschappij en aard en inhoud daarvan hangen dus af van de visie die men heeft van de maatschappij), anderzijds zouden juist door de toeloop naar onderwijsinstellingen uit de minder gevormde milieus nieuwe pedagogisch-didactische problemen rijzen. H. Verwey-Jonker haalt in Emancipatiebewegingen in Nederland, de zelfstandige door jeugdigen gevormde en geleidde organisaties slechts zijdelings aan. 9 N.L. Dodde, stelt in Het Nederlandse onderwijs veranderd, dat

5
in plaats van daadwerkelijke verandering en verbetering van het onderwijs in de periode 1898 tot 1963 slechts over een vernieuwing van het onderwijs gesproken kan worden.10

Onderricht in het verleden.
Bij de Grieken had het onderricht geen pedagogisch doel. Het had tot doel de jeugd kennis en vaardigheden bij te brengen die nodig werd geacht voor het uitoefenen van een publieke functie zoals: klassieke talen, klassieke literatuur, kunst en geschiedenis, plus een gezonde ontwikkeling van het lichaam. Het ging hierbij om: het bereiken van perfectie, de vorming van een cultureel ontwikkeld mens en de voorbereiding op het burgerschap. 'Opvoeding houdt in lichaam en ziel alle perfectie geven waar zij vatbaar voor zijn', zei Plato. Ook bij de Romeinen lag de nadruk op het bijbrengen van kennis en vaardigheden. Een goed opgeleid man had een publieke functie en nam actief deel aan het publieke leven. Alle scholing werd beschouwd als een voorbereiding op deze rol. Naarmate de Romeinen meer ideeën overnamen van de Grieken begonnen ook de culturele doelen van opvoeding en scholing belangrijker te worden, en de vorming van iemand tot 'vir bonus' ('gentleman' of 'bonhomme'). In het Mattheus-evangelie 18.3 geeft Christus het dringende advies te worden gelijk de kinderen: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet veranderd, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’. De Franse filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) roept op in Emile ou l’éducation, de opvoeding aan te laten sluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind en deze niet te richten op het toekomstige leven van volwassene.

6
De Zweedse, sterk door Nietzsche beïnvloede, pacifiste Ellen Key (1849-1926), proclameert in: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, (waarin ze de vrouw ziet als intellectueel de mindere van de man, wat haar niet verhinderde op te komen voor het vrouwenkiesrecht en de arbeidersbeweging te steunen), de 20e eeuw tot ‘de eeuw van het kind’ en verhief het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm. 11
De Nederlandse proletarierskinderen zouden hier weinig van merken zo schrijft H.R. Roland Holst-van der Schalk in Kapitaal en Arbeid in Nederland, want de nieuwe eeuw bracht aanvankelijk, wat de oude ook had gebracht: uitbuiting, ellende, en verwaarlozing.12
Key was hiermee overigens niet de eerste die het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm verhief. De Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero (106 tot 43) zag het kind al als ‘speculum naturae’ als ‘spiegel der natuur’. Het doel de jeugd voor te bereiden op een rol in het publieke leven gold ook in de zeventiende en achttiende eeuw. Tevens werd het doel van de geleidelijke en natuurlijke ontplooiing van iemands talenten geïntroduceerd. Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd jeugdigen een religieus besef bijgebracht. Het religieus-zedenkundige leesboek, met voorbeelden uit de Bijbelse geschiedenis, waarin de godsdienst wordt verheerlijkt vierde hoogtij. De invoering van de onderwijswet van 1857, waarin naast vakken als lezen, schrijven, en rekenen ook geschiedenis, aardrijkskunde en zingen verplicht werd gesteld, markeerde de overgang naar een onderricht waarin gestreefd werd die kennis en vaardigheden bij te brengen die de jeugdigen moest voorbereiden op de

7
uitoefening van een beroep of ambacht. Bijgebracht werd wat nodig gevonden werd om het de jeugdige, wanneer deze de school verliet bij het bereiken van het tiende levensjaar, aan het einde van de leerplichtige leeftijd, zonder dat de gehele zesjarige schoolperiode was doorlopen, mogelijk te maken het tot loop- of fietsjongen of loswerkman zoals dat toen heette, te kunnen brengen. Latere initiatieven zoals de invoering van handenarbeid, gymnastiek, zelfwerkzaamheid, concentratie van de leerstof, zaakonderwijs hadden alle tot doel het onderricht doelgerichter en efficiënter te laten plaatsvinden. Als protest tegen het ‘rationalisme’ werden scholen opgericht waar de leerlingen op voet van gelijkheid verkeerden met hun onderwijzer. Zo richtte Cecil Reddie in 1889 in Engeland zijn New School op, Herman Lietz in 1898 in Duitsland zijn Landerziehungsheim, en Edmond Demolins in 1899 in Frankrijk zijn L'Ecole des Roches. Dikwijls worden in onderwijskringen in Nederland buitenlandse initiatieven aangehaald welke bekend zijn onder de naam Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht. Dalton-onderricht is verbonden aan Helen Parkhurst (1887-1973). Parkhurst werd aan de éénmansschool in de plaats Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes geconfronteerd met jeugdigen die grote verschillen in intellectuele ontwikkeling vertoonden. Ze schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken. Met financiële steun van de welgestelde familie Crane opende Parkhurst in 1919 The Children's University School, welke in 1920 de naam The Dalton School kreeg.
8
Jenaplan-onderricht is verbonden aan Peter Petersen (1884-1952). Petersen werd in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas steeds uit minder jeugdigen bestond. Petersen maakte een einde aan de jaarklassen. Hij vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet de jeugdigen in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en liet de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd. Freinet-onderricht is verbonden aan Célestin Freinet (1896-1966). Freinet werd in 1920 op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen waardoor de jeugdigen weinig gemotiveerd het onderricht volgden. Freinet bood jeugdigen de mogelijkheid om zich aan de hand van de eigen interesse en belangstelling te verdiepen in door hen zelf gekozen onderwerpen. Montessori-onderricht is verbonden aan Maria Montessori (1870-1952). Montessori werd in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome geconfronteerd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling. Zij liet om de jeugdigen de mogelijkheid te geven zich intellectueel te ontwikkelen voelen, horen, zien en ruiken. Alle hiervoor beschreven initiatieven hadden géén pedagogisch doel, ook al hadden ze mogelijk wel pedagogische gevolgen. De initiatieven hadden tot doel het onderricht doelgerichter en efficiënter te laten plaatsvinden of hadden een ethisch gedreven achtergrond.
9
Daar waar volwassenen onderricht gaven aan uitsluitend vrouwelijke jeugdigen, was het doel hen te beschermen tegen de omgang met de andere sekse.13
Maar ook was het doel van het onderricht aan uitsluitend vrouwelijke jeugdigen hen te beschermen tegen de invloed der niet-gelovigen of om vaardigheden bij te brengen die voortvloeiden uit de taken die van hen werden verwacht. Met de opkomst van de jeugdbeweging in Nederland krijgt het onderricht voor het eerst een pedagogisch, opvoedkundig doel.

Theoretische beschouwingen.
In dit onderzoek naar de ideeëngeschiedenis van sociale verschijnselen zal getracht worden een beeld van het verleden te re-construeren. Hierbij gaat het er om de samenhang bloot te leggen tussen het denken en het handelen. Ik gebruik de term ideeën omdat woorden als theorieën en filosofieën een consistente, afgeronde en tegelijk systematisch ontwikkelde gedachtegang veronderstellen waar alleen op het hoogste intellectuele niveau sprake van is. Ideeën ontstaan of herleven, aanvankelijk los van bewegingen en zelfs voor dat hier sprake van is, in de hoofden van enkelingen. We hebben te maken met wat genoemd kan worden een objectief moment: welke gebeurtenissen en omstandigheden waren er gaande binnen een gegeven maatschappelijke totaliteit, en we hebben te maken met wat genoemd kan worden een subjectief moment: hoe hebben de betrokkenen de hun gegeven gebeurtenissen en omstandigheden beleefd en ervaren, wat waren hun beweegredenen om in beweging te komen, tot welk doel moest hun optreden leiden. Kortom: het gaat om het

10
verschaffen van inzicht. Het gaat er om het specifieke, het bijzondere, van een historische situatie bloot te leggen. Niet wordt teleologisch te werk gegaan: naar een welgevallige of gewenste situatie toeschrijven. Niet wordt uitgegaan van het gelijk van de één of het ongelijk van de ander. Niet gaat het er om oordelen te geven, of om te vertellen wat aangenaam in de oren klinkt. Pogingen om uitgaande van een veronderstelde algemene menselijke natuur te komen tot universele psychologische wetten ter verklaring van historische en maatschappelijke processen hebben weinig of niets opgeleverd. Meestal worden sociale verschijnselen dan herleid tot een psychologistisch simplisme. Ook verregaande abstracties onttrekken het zicht op de sociale werkelijkheid vaak meer dan dat ze het zicht verhelderen doordat essentiële verschillen tussen verschijnselen worden uitgewist. Een voorbeeld is het begrip verzuiling. Met dit begrip wordt het gedrag van het rooms-katholieke, protestantse en socialistische volksdeel onder één algemene noemer gebracht. Geheel onduidelijk blijft waar de verzuilingstheoretici de groep van christensocialisten, de groep van sociaal-liberalen en de niet geringe groep van christelijke leden van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen laten. Met het gebruik van het begrip verzuiling worden essentiële verschillen tussen de verschijnselen uitgewist. Het geeft ons geen inzicht in de verschillende plaatsen die deze volksdelen in georganiseerd verband innemen. Voor het begrijpen van ontvoogdingsprocessen is het juist van belang inzicht te krijgen
11
in de specifieke verschillen, en niet in de overeenkomsten. Kortom het begrip verzuiling onttrekt meer het zicht aan de sociale werkelijkheid dan dat dit begrip het zicht op de sociale werkelijkheid verheldert. Filosofisch-wetenschappelijk ontwikkelde gedachtestelsels treffen we aan in de hoofden van slechts enkele originele denkers; meer vereenvoudigde gedachten worden weergegeven door de intellectuele kaders in boeken, tijdschriften en lezingen en onderlinge discussies; min of meer kant en klare bevindingen en conclusies worden weergeven door de groep der activisten in dagbladen, manifesten en redevoeringen; vage voorstellingen in de vorm van leuzen en slagzinnen vernemen we via mondelinge kontakten onder de brede massa van sympathisanten. Gedachten zijn niet automatisch een gevolg van de sociale herkomst van een denker. Gedachten ontstaan niet vrijelijk in de hoofden van geniale mannen of vrouwen, stammen niet rechtstreeks, automatisch uit de maatschappelijke achtergrond van de denker, zijn geen passieve afbeeldingen of weerspiegelingen van het maatschappelijk leven die zich onafhankelijk daarvan voltrekken in de hoofden van denkers. Gedachten ontstaan in, vormen en ontwikkelen zich door, de ontwikkelingen in het maatschappelijk leven. Dat een bepaalde sociale groepering een gedachte heeft uitgewerkt en tracht dit te verwezenlijken, betekend niet automatisch dat daarmee ook de belangen van die sociale groepering zijn gediend. De juistheid van een gedachte wordt niet bepaald doordat het verkondigd wordt door een persoon van een bepaald ras of geslacht, met een bepaalde afkomst of leeftijd, met een bepaalde maatschappelijke positie, met een bepaalde godsdienstige of politieke achtergrond, doordat het afkomstig is van degene die
12
het te berde bracht. Ideeën en opvattingen van een politiek heersende sociale groepering berusten niet altijd op vooroordelen, ook zijn het niet altijd ideologieën die het eigen belang (moeten) dienen. De juistheid van een idee of opvatting en het belang wat er mee gediend wordt dient altijd gezocht te worden in het sociale gebeuren zelf.

Wat is een historisch feit.
Bij een ideeëngeschiedenis van sociale verschijnselen wordt onderzocht welke gebeurtenissen van doorslaggevende betekenis waren: feiten. Geen gebeurtenis is echter zuiver en objectief van doorslaggevende betekenis. Feiten zijn niet zomaar gegeven, komen niet zomaar uit het historische gegeven naar boven drijven, hebben nimmer een immanente zin of betekenis. Gebeurtenissen worden als feiten aangeduid als gevolg van een keuze die gemaakt wordt. Ze zijn niet altijd en overal hetzelfde. Ze zijn afhankelijk van wat onder geschiedenis verstaan wordt en zijn dus onvermijdelijk gekleurd. Als criterium wordt dan genomen het antwoord op de vraag of ze al dan niet relevant zijn voor wat onderzocht wordt, of ze iets bieden wat van waarde of betekenis wordt gezien. Wanneer een daad niet alleen voor het individu van betekenis was, maar ook een mondiale of nationale betekenis had, was het gebruikelijk dit een historisch feit te noemen. Tegelijk waren dit unieke, éénmalige en niet zich eindeloos herhalende, gebeurtenissen. Ook nu nog noemen we dit een historisch feit. Maar naast het unieke gebeuren en de unieke daden met een grote draagwijdte van de groten der aarde, is er nu ook oog gekomen voor de historische betekenis van de, zich

13
duizendvoudig, herhalende handelingen uit het dagelijkse leven van de doorsnee vertegenwoordigers van alle rangen en standen. Niet ieder van deze daden op zichzelf maar in hun totaliteit. Vooral in de sociale en culturele geschiedenis gaat het zelfs minder om het unieke gebeuren en de unieke daden van de groten der aarde, maar meer om dat wat binnen een bepaald cultuurpatroon algemeen gangbaar was. Zelfs kleine gebeurtenissen die op zichzelf onbeduidend lijken, kunnen in groter verband wel degelijk van historische betekenis zijn. Wat als een historisch feit gezien wordt is een zuiver subjectieve aangelegenheid. Het laat zich immers niet eenduidig bepalen en is ook allerminst een enkelvoudig gegeven. Een oude munt is niet slechts een voorwerp; het is de uitdrukking van bepaalde maatschappelijke verhoudingen, van een bepaald vorstelijk of stedelijk beleid. Het speelde mogelijk een dominerende of ondergeschikte rol in het handelsverkeer. Een moordaanslag op een leidend politicus op een bepaalde plaats en tijd en gepleegd door een bepaald persoon, is niet zomaar een enkelvoudig historisch feit. Een dergelijke politieke moord drukt een extreme conflictsituatie uit, waarbij meestal twee vijandige wereldbeschouwingen op elkaar stoten. De moordaanslag laat zich niet losmaken uit het geheel van de politieke situatie, van de voorafgaande publicistiek, van de bedekte of openlijke aanmoediging tot een dergelijke daad van bepaalde zijde, van de gedragingen van het slachtoffer, van de karakters der betrokkenen, van een reeks bijkomende schijnbare toevalligheden. Noch de moordenaar noch het slachtoffer kunnen als geheel op zichzelf staande personen opgevat worden. Ieder historisch feit verwijst naar een uiterst complexe werkelijkheid. Zelfs een niet-politieke moord, die bovendien
14
nog niet eens begaan werd, kan bij nadere ontleding een uiterst complex historisch gegeven blijken. Een historisch feit is allerminst de harde duidelijk gevormde bouwsteen die de historicus in groten getale hanteert om een stevig gemetseld verhaal te krijgen. Hieruit volgt hoe belangrijk het is om de herkomst van de historische feiten nauwkeurig aan te geven in een beschouwing over de geschiedenis. Het is méér dan een zaak van vertrouwen.

Waaruit bestaat geschiedschrijving.
Aan de geschied-kennis zoals die in historische publicaties voorkomt kunnen drie kanten worden onderscheiden. Ten eerste: de activiteit van de geschiedschrijver en de persoonlijke psychologische en andere problemen van de betrokkene; ten tweede: de geschiedkennis in zijn kant en klare gepubliceerde vorm; ten derde: de invloed van de geschiedkennis op het historisch proces zelf , wanneer dit is gepubliceerd. Er is een grote verscheidenheid aan historische werken. Er zijn de oude historische overleveringen in mythische vorm, zoals het heldenepos, het Nibelungenlied en de Ilias, maar ook de latere verhalende werken. Deze werken kunnen worden gezien als geschiedschrijving in de letterlijke betekenis van het woord. Er zijn ook bespiegelende werken van theologische, wijsgerige of theoretische aard, die zich met de zin en het wezen van de geschiedenis bezighouden. Deze kunnen gezien worden als geschied-beschouwing. Tenslotte ontstond er in de 19e eeuw een kritische bestudering van het historisch proces. Dit kan gezien worden als geschied-wetenschap.

15
In het algemeen worden deze drie tezamen ook wel aangeduid als: geschied-kennis. Ook wordt hiervoor wel het woord geschiedschrijving gebruikt. Van een object dat volledig aanwezig is en in zijn geheel kan worden waargenomen kan studie worden gemaakt, kunnen naar aanleiding hiervan hypothesen worden opgesteld, en kan het resultaat van de bevindingen worden geverifieerd door waarneming en experiment. In de historische wetenschap is dit niet mogelijk. Het historisch proces omvat het achter ons liggende gebeuren, het heden, het gebeuren wat zich op dit moment afspeelt, en het gebeuren wat als een scala aan mogelijkheden in het historisch proces besloten ligt. Het heden is de voortschuivende scheidingslijn tussen toekomst en verleden. Een bepaalde ver of minder ver achter ons liggende fase van het historisch proces is niet meer als zodanig aanwezig, al werkt het verleden in het hedendaagse (contemporaine) gebeuren door, het heden vormt immers de uitkomst van het verleden. Het verleden heeft sporen nagelaten. Hierbij moet bedacht worden dat het gehele contemporaine gebeuren één groot door het verleden achtergelaten spoor is. Immers: elke dag nemen we van iets anders afscheid, zonder het te weten. De historische kennis wordt geput uit sporen of resten van het verleden: gebruiksvoorwerpen, wapens, gebouwen, uitingen van beeldende kunst; kronieken, oorkonden, brieven, rekeningen, etc.; legenden, plaatsnamen, spreekwoorden, folkloristische gebruiken. Aan de hand van deze bronnen wordt getracht het verleden te reconstrueren. Een aantal factoren maken de totstandkoming van een volkomen juist, volledig en definitief beeld van het verleden onmogelijk:
16
de bronnen zijn incompleet, onbetrouwbaar, eenzijdig en gekleurd. Maar ook doordat de historicus een mens is met beperkingen vanwege de tijd waarin hij leeft, en het land en de plaats waar hij woont. Ook spelen een rol het maatschappelijke milieu waarin hij is opgegroeid, de godsdienstige en politieke en andere ideeën waarmee hij zozeer vertrouwd is geraakt dat deze hem als vanzelfsprekend voorkomen. Tenslotte spelen ook nog een rol de persoonlijke eigenaardigheden die versterkt zijn door aanleg, temperament, opgedane persoonlijke ervaringen en aangetroffen omstandigheden.


Periode 1900 tot 1914: christelijke en maatschappelijke deugden.

Angst voor werkloosheid Nederland kreeg tegen het einde van de jaren zeventig van de negentiende eeuw te maken met een zware economische depressie. Er brak een periode aan van slechte tijden. De textielindustrie beleefde slechte tijden, in de bouwvakken heerste grote werkloosheid. De koude maakte de nood onder de arbeiders bijzonder schrijnend. De agrarische crises verergerde de gevolgen van die in de industrie. Duizenden arbeiders, werkzaam op het platteland in de agrarische industrie, trokken naar de steden in de hoop daar werk te vinden, met als gevolg dat de menigte der werklozen buitengewoon toenam. Anderen bleven in hun gemeente, in leven gehouden door de karige giften der diaconieën of burgerlijke armbesturen. De arbeidende volksklasse als geheel leed in de tweede helft van de 19e eeuw onder het ontbreken van werkgelegenheid en onder de schommelingen hierin. Massale en langdurige werkloosheid
17
vooral in de winter bracht een belangrijk deel van de bevolking aan de rand van het bestaansminimum of zelfs daaronder. Een nieuwe wet uit 1854 waarmee de taak van de overheid betreffende het ondersteunen van de armen werd beperkt en overgelaten aan kerken en particuliere instellingen deed de honger in omvang toenemen. Werklozen en armen moesten zichzelf zo goed mogelijk redden. Alleen in uiterste noodzaak sprong de overheid bij. De lange duur van de werkloosheid en armoede taste de gezondheid, de geestelijke en lichamelijke conditie en de vakbekwaamheid aan. Na 1895 was op de lange economische depressie een opleving en een kapitalistische bloeiperiode gevolgd, weliswaar onderbroken door geregeld terugkerende crisissen, die echter kort van duur waren. De banken, de handel en de industrie maakten weer winsten, de werkloosheid onder de arbeiders daalde, de landbouw fleurde op, de tuinbouw kwam op. In de grote havensteden verrezen vele nieuwe fabrieken. De lange economische depressie maakte plaats voor een opleving. Er kwam een einde aan de dreiging van chaos en wereldondergang. Jongeren, die op 11 à 12 jarige leeftijd van school waren kwamen en bij een kleine baas aan het werk gingen, hadden te maken gekregen met de gevolgen van de crises. 14
De crises zelf had geleid tot de opkomst van verschillende industriële bedrijven die gebruik gingen maakten van de stoommachine en overgingen naar een uitbreiding van de fabrieksmatige productie. Bedrijven die de kosten hiervoor konden opbrengen produceerden zo sneller en met minder kosten. Maar bij de bedrijven waarbij de kosten voor een uitbreiding van de fabrieksmatige productie niet konden worden opgebracht verminderde de afzet zich. Deze kregen moeite het

18
hoofd boven water te houden en verhaalden de kosten hiervan op de jongeren. Onder de leerlingen in de werkplaatsen ontstond hierdoor een drang tot aaneensluiting en georganiseerd verzet. Oudere socialisten die speciaal de opgroeiende generatie in de geest van hun ideaal: een socialistisch ingerichte samenleving wilden grootbrengen namen initiatieven de jeugd kennis omtrent maatschappij, godsdienst en natuur bij te brengen. H. Roland Holst (1869-1952) liet de jongeren kranten, boeken en brochures lezen en probeerde hen de beginselen van de socialistische wereldbeschouwing bij te brengen.15 De jongeren stuurden aan op de ‘omverwerping’ van de bestaande maatschappij, en probeerden het voornaamste instrument ter handhaving van de orde: het leger, te ondermijnen en te verzwakken. Ze zagen het militarisme als ‘de kanker, die knaagt aan de welvaart des volks’. 16
De aktie van de jongeren richtte zich tegen de remplaçantenwet. Deze wet maakte het voor jongeren uit welgestelde kringen mogelijk voor een geldbedrag leeftijdsgenoten uit de arme sociale lagen in te huren om de militaire verplichtingen te vervullen. Een niet onbelangrijk deel van de opbrengst van de vergoeding kwam terecht in de zak van de bemiddelaar: de remplaçantenbaas. Hierdoor trof men in het leger voornamelijk jeugdigen aan afkomstig uit de lagere sociale lagen van de bevolking. Het grote voorbeeld van de jongeren was: Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919), leider van de in 1881 opgerichte Sociaal Democratische Bond (SDB). Domela ontving de jeugdigen thuis, tastte meer dan eens in zijn beurs om achterstallige zaalhuur of opgelopen doktersrekeningen te

19
betalen, werd door de jongelieden tot in zijn kleding toe nagevolgd. Zijn geschriften golden als onomstotelijk juist. Bij deze jongeren overheerste de verwachting van een socialistische toekomstidylle.
Volwassenen met een afkeer van het orthodoxe calvinisme en liberalisme enerzijds en een vrees voor de hardheid en ruwheid van de socialistische arbeidersbeweging en het daarmee samenhangende felle atheïsme anderzijds werden bang dat het optreden van de socialistische arbeidersjeugd zou leiden tot een nieuwe periode van langdurige werkloosheid. Zij gaan de jeugd christelijke en maatschappelijke deugden bijbrengen.


Zelfbeheersing

De onderwijzer Jentje Johan Kleefstra (1860-1929) laat aan de Brinioschool in Hilversum sport beoefenen. 17 Sport was in het laatste kwart van de 19e eeuw ‘als vermaak’ uit Engeland overgewaaid, en werd nu in Nederland als een a-politieke bezigheid door de jeugd uit de hogere lagen van de bevolking beoefend. Kleefstra was aanhanger van de in 1884 gevormde Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP). In de SDAP werd geloofd dat door de doorgaande ontwikkeling van de mens zowel in zijn biologische staat als in zijn staat als maatschappelijk wezen, de gemeenschap zich vanzelf zou ingroeien tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen. In de jaren zeventig van de 19e eeuw had zich een sociaal-darwinistisch denken van de westerse wereld meester gemaakt. De dominee Thomas Malthus (1766-1834) had in An Essay on the Principle of Population, dat in 1798 voor het eerst verscheen onder de schuilnaam: J. Johnson, gesteld dat de omvang van de

20
bevolking, wanneer zich geen rampen of epidemien voordoen, zich elke 25 jaren verdubbeld. Van periode tot periode neemt de omvang van de bevolking toe als een meetkundige reeks:1, 2, 4, 8, 16, 32, 64 enz., terwijl de voedingsmiddelen onder de meest gunstige omstandigheden slechts toenemen in een rekenkundige reeks 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 enz.. Hierdoor is de omvang van de bevolking altijd twee keer zo groot dan er voedingsmiddelen beschikbaar zijn, waardoor er altijd een situatie ontstaat van over-bevolking. 18
Onder deze omstandigheden gaat het zwakke deel van de bevolking ten onder, en het sterke blijft over. De Engelse bioloog Charles Darwin (1809-1882) was na het lezen van Malthus’ boek in 1838, getroffen door diens theorie dat als gevolg van de strijd om het bestaan gunstige variaties zouden blijven bestaan en slechte ten onder gaan. Hij stelde dat ook de natuur als een historische ontwikkeling van opkomende en ondergaande planten- en diersoorten gezien moet worden. 19
Darwin schreef, het hem mogelijk gemaakt door de overweldigende hoeveelheid feitenmateriaal door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie die hem ter beschikking stonden, dat de natuur niet als een voor eens en altijd vaststaand gegeven moest worden gezien maar opgevat als een doorgaande evolutie. In de natuur overleven door middel van natuurlijke selectie, de rassen die het meest de eigenschappen hebben om zich onder gegeven omstandigheden te handhaven. Er gingen talrijke stemmen op die verkondigden, dat de theorieën van Darwin niet alleen nieuw licht hadden geworpen op de natuur maar ook op de geschiedenis. Deze liberaal beïnvloede kijk op de natuur, die echter voor de natuur een veel

21
algemenere geldigheid heeft dan voor de menselijke samenleving, beinvloedde het politiek-maatschappelijk leven. De bioloog Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919) was niet alleen aanhanger van de opvatting van Darwin dat de natuur niet een voor eens en altijd vaststaand gegeven moest worden gezien maar opgevat als een doorgaande evolutie, maar ook aanhanger van een monistisch denken. Haekel had uiteengezet hoe hij het organisch leven: het leven van mens, plant en dier, én het maatschappelijk leven als één geheel zag. 20
Hij verkondigde dat door de doorgaande ontwikkeling van de mens zowel in zijn biologische staat als in zijn staat als maatschappelijk wezen, de gemeenschap zich vanzelf zou ingroeien tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen. Dit sociaal-darwinistisch denken had zich in het laatste decennium van de negentiende eeuw ook meester gemaakt van de SDAP. Eén der oprichters van de SDAP: Adriaan Henri Gerhard (1858-1948), had het boek van Haeckel in het Nederlands vertaald uitgegeven. 21

Verantwoordelijksbesef
De minister van justitie in het kabinet Pierson Goeman-Borgesius (1897-1901): Adriaan Cort van der Linden (1846-1935), laat jeugdigen die door de rechter zijn veroordeeld opvoeden in het gezin of in een gezinsvervangend tehuis en niet meer opsluiten in de gevangenis, geen lijfstraffen meer te laten geven en niet meer te laten geselen of brandmerken. Voogdijraden kregen de taak de rechter te adviseren en gezinsvoogden, verenigd in de Pro Juventute verenigingen, de de leiding van een gezin.

22
Cort van de Linden was hoogleraar in de staatshuishoudkunde en woordvoerder van een rond de eeuwwisseling der negentiende eeuw gevormd sociaal-liberaal denken waarin sociale misstanden gezien werden als eigen schuld. Cort van der linden had in 1886 in zijn Richting en Beleid der Liberale Partij verkondigd dat het werklieden ontbrak aan Matigheid, orde en spaarzaamheid, en dat dit in de opvoeding moest worden bijgebracht.22

Tevredenheid
De uitgever Eduard Benjamin Ter HorstJr. (1865-1905) laat voor de jeugd verhalen schrijven over het dagelijkse-huiselijk leven van een gezin en wandplaten maken met illustraties van het dagelijkse bestaan van een handarbeider. Ter Horst Jr. was opgegroeid in Groningen in een gezin waarvan de vader een boek- en papierwinkel met drukkerij en uitgeverij dreef. Ter Horst Sr. (1828-1896) was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de boek- en papierwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860). Toen Wolters in juli 1860 overleed en zijn echtgenote in december van hetzelfde jaar, en nageslacht ontbrak, was de boek- en papierwinkel overgegaan naar de broer van Wolters’ echtgenote, Ter HorstSr. die op zijn beurt de boek- en papierwinkel op 15 augustus 1894 overdeed aan zijn zoon. Ter Horst Jr. had zich laten inspireren door het in het eerste decennium der negentiende eeuw gevormd vrijzinnig protestants denken waarvan Abraham Kuyper (1837-1920) de woordvoerder was. Kuyper was in 1901 minister-president geworden in het uit anti-revolutionairen en katholieken samengestelde kabinet. Hij had zich in 1903 in felle

23
bewoordingen gekeerd tegen de in januari van dat jaar gehouden spoorwegstaking door deze te veroordelen als een politiek revolutionaire-, anarchistische actie en als een ‘misdadige woeling’. Hij had elke pressie op onderkruipers, arbeiders die zich tegen de staking keerden en het werk wilden aanvangen, strafbaar gesteld. Kuyper had de opleiding gevolgd tot predikant. Hij was hoofdredacteur van het op 1 april 1872 door hem opgerichtte blad: De Standaard. Hij had in 1879 de Anti- Revolutionaire Partij (ARP) opgericht, in 1880 het initiatief genomen tot de oprichting van de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar hij hoogleraar werd in de theologie en leiding gegeven aan de afsplitsing van de Nederlands Hervormde Kerk waaruit samen met andere groepen van gelovigen in 1892 de Gereformeerde Kerken waren ontstaan. Kuyper had in een serie opstellen in de Standaard geschreven het gezin te zien als ‘de wortel en de kiem waar heel de gemeenschap uit voortkomt. . .niet volgens uitvinding der menschen, maar volgens het bestel van den levenden God ’ en dat de positie, waarin we geboren worden, ‘niet aan ons (is), maar aan een macht buiten ons’. 23
Hij had in 1889 in zijn opstel Handenarbeid opgeroepen arbeiders bij te brengen ‘met weinig tevreden leeren zijn’.24
Kuyper had in 1891 bij de opening van een door de christelijke werknemersorganisatie Patrimonium georganiseerd congres in zijn rede: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie, het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot veroordeeld als de dienst van Mamon, en de toehorende arbeiders het advies gegeven af te zien van verbetering van het lot en in plaats hiervan ‘het eeuwige leven’ op de voorgrond te stellen. 25

24
Kuyper stelde de arbeiders ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’ in het vooruitzicht en wees er op dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.26

Toelichting: Vanuit de in 1816 gevormde Nederlands Hervormde Kerk was in 1834 de eerste afscheiding geweest (Acte van Afscheiding of Wederkeer) o.l.v. de predikant Hendrik de Cock; in 1886 was er een tweede afscheiding: Doleantie, o.l.v. Abraham Kuyper; in 1892 waren de twee groepen van afgescheidenen samen met nog anderen onder de leiding van Abraham Kuyper tot de Gereformeerde Kerken in Nederland gevormd. Naar aanleiding van de pro-Duitse houding in de oorlog van de Gereformeerde Kerken in Nederland scheidde zich in 1944 onder de leiding van Klaas Schilder een groep van gelovigen af, zich noemend naar het artikelel waarop de gelovigen zich baseerden: Artikel 31, beter bekend onder de naam Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.

Ter HorstJr. had Hindricus Scheepstra (1859-1913) verzocht de verhalen te schrijven. Scheepstra was opgegroeid in Roden op het Drentse platteland en leraar geworden aan de Rijkskweekschool voor Onderwijzers in Groningen. Hij had Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893), en Ambachten en bedrijven (1903), een handleiding bij een serie illustraties van beroepen en ambachten geschreven en samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) een Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899), waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties maakte naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Ook was Scheepstra sinds een aantal jaren redacteur van De Schoolwereld, een door Ter HorstJr. (firma Wolters) uitgegeven periodiek. Ter HorstJr. was een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van
25
een zekere grilligheid’.
Hij had Scheepstra verzocht zich bij het schrijven laten bijstaan door de onderwijzer Gerard Jan Ligthart (1859-1916) van wie nog slechts een enkel artikel was verschenen. Ligthart was opgegroeid in een gezin in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan. Hij was na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas, zoals gebruikelijk was onder zijn leeftijdsgenoten. Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan én geen kind van wie de ouders of leerkrachten vonden dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht. Jan werd hulpje aan een lagere school en volgde in de avonduren de opleiding voor onderwijzer. Jan kreeg na een eerste vergeefse poging de bevoegdheid te krijgen aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school, bij de tweede geslaagde poging, in 1885 een aanstelling als hoofd van een school in de Tullinghstraat in Den Haag. Ligthart was lid van het bestuur van het in 1842 opgerichte Nederlands Onderwijzers Genootschap. Van het NOG werden vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid. Het NOG zette zich in voor het ophouden van de stand en voor verdieping van het beroep. De leiding in de strijd voor verbetering van het lot van het onderwijzend personeel was dan ook niet in handen van het NOG, maar van de vele jaren later, in 1874, opgerichte Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO). De BNO zette zich in zowel voor verbetering van het onderricht en voor de belangen der jeugd, als voor het belang van de onderwijzer. Ze stond op het standpunt dat tussen beider belangen een onverbrekelijk verband bestaat. De BNO voerde actie voor een betere salariëring, voor een grotere

26
zelfstandigheid voor de klasseonderwijzer, voor schoolvoeding en kleding van overheidswege, voor schoolartsen en voor gezondheid- en vakantiekolonies. Het NOG en de BNO bestreden elkaar dikwijls op bepaalde punten te vuur en te zwaard. Het kwam voor dat onderwijzers bij de aanstelling moesten beloven zich niet aan te zullen sluiten bij de BNO.

Toelichting: In 1946 ontstond uit een fusie van het NOG en de BNO: de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV); in 1966 ontstond uit een fusie van de NOV en de Nederlandse Bond van leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs: de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP); in 1997 fuseerde de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs (AVMO), de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs (CVHMO) en de Vereniging Sint-Bonaventura. Het resultaat van de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) was: de Algemene Onderwijs Bond (AOB).

De verhalen over het dagelijkse huiselijk gezinsleven verschenen voor het eerst in 1904 onder de titel: Nog bij moeder, en kwamen in 1906 uit als: Het boek van Ot en Sien.27 Het zijn verhalen over het dagelijkse bestaan van een gezin dat omstreeks 1900 op het Drentse platteland zijn bestaan heeft. Het bewoond een ruime vrijstaande comfortabele woning, heeft een moeder die geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht en een vader die de kost verdient als hoofdarbeider. Het is een gezin ‘waar van jongsaf Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’, zo schrijft Ligthart.28

27
In de verhalen voort de bucolische idylle de boventoon. Het hierin beschreven bestaan stond in schril contrast met het feitelijke. H. Roland Holst-van der Schalk beschrijft in De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw de erbarmelijke omstandigheden waaronder de arbeiders op het platteland eind negentiende eeuw werkten, woonden en leefden, hoe ze leefden volkomen verwaarloosd, in leemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd, verstoken van alle middelen van bestaan. 29
Als een predikant de werk- en leefsituatie in Overijssel vergelijkt met die in Drenthe, komt hij tot de slotsom in Drenthe woningen te hebben gezien zoo slecht als ik ze in Overijssel nooit gezien heb.30 Het dagelijkse leven in de volksbuurten van de grote steden omstreeks 1900, waar de grootste groep van jeugdigen leefde die de verhalen te lezen kregen, was niet veel beter. In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden naamloze stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, waar ratten en wandluizen de nimmer ontbrekende gasten waren. Waar een waterleiding meestal ontbrak en dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één

28
privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërsziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. De moeders en de vaders werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie. De keuze van Ter HostJr. voor Ligthart hield verband met de achtergrond van diens maatschappelijke opvattingen: het gereformeerde geloof, waarvan Ligthart blijk had gegeven een aanhanger te zijn. De gereformeerde predikant C.W.Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was. 31 De predikant Willem Banning (1888-1971) schrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.32 Ter HorstJr. beëindigde in het voorjaar van 1899 abrupt het door hem uitgegeven periodiek De Schoolwereld: weekblad van het lager onderwijs in Nederland en de koloniën (1886-1899) met Scheepstra als redacteur, kwam al na enkele maanden met een nieuw, dat de titel had gekregen: School en Leven, Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin, (1899-1921), en als redacteur: Ligthart.
Ligtharts’ openingsartikel: Een woordje aan ’t slot, deed veel stof opwaaien: het deed de lezers te veel denken aan een preek.33 De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943) leverde enkele bijdragen aan School en Leven maar kwam in conflict met Ligthart. Thijssen kon niet anders oordelen dan dat Ligthart zich liet inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen. Verder liet Ter HorstJr. op de door Scheepstra en Ligthart

29
geschreven verhalenbundels als auteur vermelden: Ligthart, en als mede-auteur: Scheepstra, en op de her-uitgave van een door Scheepstra en Walstra geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten) als mede-auteur vermelden: Ligthart, en de naam van de feitelijke auteur: Walstra, onvermeld. Toen na de dood van Ligthart zijn sympathisanten een gedenkteken, in de vorm van twee beeldjes voorstellende Ot en Sien, wilden voorzien van de tekst: Ter herinnering aan Jan Ligthart, had Ligthart’s weduwe bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde tekst. De tekst werd uitgebreid met de woorden: en H. Scheepstra. Ter HorstJr. liet de wandplaten met een illustratie van een handarbeider maken door Cornelis Jetses (1873-1955). Jetses was opgegroeid in de toenmalige plattelandsgemeente Groningen. Hij maakte de wandplaten naar voorbeeld van de illustraties van de Groningse onderwijzer Brugsma. Verder voorzag hij het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkeld Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, van afbeeldingen die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien. De illustraties bieden een beeld van een arbeider ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’, zo schrijft Ligthart.34 Zo schrijft ook de predikant J.P.Hasebroek (1812-1896): De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn
30
zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid. 35
Gelukkig waren niet alle predikanten en onderwijzers zo van medegevoel en begrip verstoken.

Saamhorigheid.
Aan de Humanitiare school in Laren laten Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot e.a. de jeugdigen samenwerken en elkaar helpen. 36 De hoogleraar Jacob (Koos) van Rees (1854-1924) stelde in zijn woonhuis enkele kamers beschikbaar voor het onderricht en voor huisvesting van de onderwijzers, en sprong bij wanneer er een tekort aan geld dreigde te ontstaan. Van Rees had eerder in Laren een kolonie opgericht waaraan een einde gekomen was nadat een menigte uit de overwegend boerenbevolking naar aanleiding van de spoorwegstaking in 1903 vernielingen hadden aangericht aan de koloniegebouwen. Van Rees een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’, . . . een mensenvriend, maar niet

31
zonder heersersneigingen, was aanhanger van het tussen 1886 en de Eerste Wereldoorlog gevormde Nederlandse Tolstojanisme. 37
De ideologie der Tolstojanen of christenanarchisten of humanitaire idealisten zoals ze ook wel werden genoemd, kenmerkte zich door een ver doorgevoerde levenshervorming zoals niet-roken, geheelonthouding, vegetarisme, geen gebruik van opwekkende drank en het dragen van reform kleding. De aanhangers lieten hun baard staan, droegen eenvoudige kleding zoals hun voorbeeld, hielden er een puriteinse opvatting ten aanzien van het seksuele leven op na en hadden een afkeer van geweld dat zich uitte in de dienstweigering. De Russische edelman Leo (Ljewin) Tolstoj (1828-1910) was omstreeks 1900 plotseling met veel werken voor de dag gekomen. Hij werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19e eeuw gezien.38
Tolstojanen lieten zich op hun beurt inspireren door Peter Kropotkin (1842-1921). De Russische vorst Kropotkin was meer wetenschappelijk ingesteld dan Tolstoj. Hij had kritiek geuit op Darwin's kijk op de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens die het bestaan veronderstelde van een strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en een strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest. Kropotkin had er op gewezen dat in de Middeleeuwen, toen feodale en communale samenlevingsvormen nog domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking en wederzijdse hulp de ontwikkeling van de gemeenschap hadden bevorderd.40



Plichtsbesef.
Hélène Mercier (1839-1910) geeft in Ons Huis aan de Rozenstraat in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan jeugdigen de gelegenheid zich algeheel te ontwikkelen. Ze laat gebruik maken van een bibliotheek en een leeszaal, organiseert een praatavond, een zondagavondbijeenkomst, een lezing, een voordracht, een tentoonstelling, te laten bezoeken, onderricht in de Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen en in verstellen, muziek maken, toneel spelen. 40
Mercier had enkele jaren de opleiding voor onderwijzeres gevolgd, volkskeukens opgericht waar arbeiders tegen kostprijs een warme maaltijd konden krijgen, deelgenomen aan de oprichting van een bouwonderneming dat krotten opkocht, verbouwde tot goede arbeiderswoningen en onder de toezicht van een woning-opzichteres liet bewonen. 41
Mercier had zich laten inspiereren door het vrijzinnig-democratisch denken van Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905). Kerdijk had in 1901 de Vrijzinnig Democratische Bond opgericht. Hij was woordvoerder van een onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen gevormd denken waarin geloofd werd dat door de algemene ontwikkeling te bevorderen aan sociale misstanden vanzelf een einde zouden komen. Kerdijk had zich laten inspireren door Charlotte Knappert (1860-1952). Knappert was betrokken geweest bij een parlementaire enquete naar de toestanden in fabrieken en werkplaatsen. Ze had de Mulo gevolgd, de acte Frans gehaald en het diploma godsdienstonderwijzeres. Ze had in 1896 de brochure De Arbeidskerk in Engeland van John Trevar vertaald en uitgegeven. Knappert had in 1899 in Leiden Het Leidse Volkshuis geopend toen een grote brand had gewoed in een katoenfabriek waarbij

33
honderden vrouwen werkloos waren geworden. Het Leidse Volkshuis was in eerste instantie bedoeld als werkverschaffing, maar werd door Knappert een maatschappelijk cultureel instituut. Knappert werd zo de pionier van het 'Ons Huis'-werk in ons land. Ze organiseerde er voor dienstmeisjes en vrouwelijke jeugdigen die werkzaam waren op de fabriek, leesonderricht en onderricht in het herstellen van kleding, bood verpleging in de wijk aan, hield een spaarkas, gaf gelegenheid gebruik te maken van een bibliotheek, hield wandelingen, had een zangkoor voor arbeiders en organiseerde er vakantiedagen voor de bezoekers. Zij was één der ondertekenaars van het Manifest der Twintigen, die de 'worgwetten' van het ministerie-Kuyper tegen de spoorwegstaking (1903) veroordeelden en was in 1911 lid geworden van de Vereeniging van Woodbrookers in Holland. Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren. In Nederland waren socialistische studenten betrokken geweest bij de eerste pogingen om tot Toynbee-werk te komen. Na de dood van Arnold was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten
34
gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.

Werklust
Lodewijk van Mierop (1876-1930) geeft aan de Engendaalschool in Soest (in 1929), later voortgezet onder de naam: Van der Huchtschool, elke jeugdige een stukje grond om dit geheel naar eigen inzicht te kunnen bewerken. Van Mierop was opgegroeid in Rotterdam als kind van een welvarend houthandelaar. Hij had enkele jaren theologie gestudeerd en enige jaren ontwikkelingswerk verricht in volksbuurten. Van Mierop had gewoond op de door Van Rees in 1898 opgerichte kolonie te Soest en samen met Van der Hucht-Kerkhoven en Suze Groshans in 1908 het genootschap Chreestarchia (Chreestos= het menselijk goede; archier= heersen) opgericht. Van Mierop behoorde tot die groep van intellectuelen bij wie heiligings-levensgemeenschappen (kolonies) zeer in trek waren, waar ze afgeschrikt door de ongegeneerde strijdmethoden van de socialisten, en toch bewogen door de maatschappelijke noden, door zelftucht en voorbeeld dachten een aanvang te kunnen maken met de verbetering der maatschappelijke ordening. 42 Hiertoe behoorde de christen-anarchistengroep Vrede waartoe ook Felix Ortt (1866-1959) en Louis Bahler (1876-1941) behoorden. Ortt gaf het blad Vrede uit. Hij had kennis gemaakt met de ideeën van Tolstoj en was hier zo enthousiast over geworden dat hij een aantal van zijn werken vertaalde in het Nederlands. Hij geloofde met kolonisatie de maatschappij te kunnen hervormen. Hij zag kolonisatie als de beste manier om

35
de maatschappij te verbeteren. Ortt had sympathie voor de Rein Leven Beweging en was hier zeer actief in. Vanaf de oprichting in 1901 zorgde hij voor propaganda van deze beweging, en schreef hier artikelen over. De RLB richtte zich tegen onreine daden, woorden en gedachten op seksueel gebied. Ortt was geheelonthouder, vegetariër, een actief voorstander van de dierenbescherming, de belangrijkste voorman van de Nederlandse Antivivisectie Bond. Hij was niet voor een verbod op vivisectie, maar het ging hem meer om de morele levenshouding. Louis Bähler (1876-1941) had het gymnasium gevolgd en theologie gestudeerd in Groningen. Hij was gepromoveerd op: De Messiaansche heilsverwachting en het Israëlietisch koningschap. 43 Bähler had als student het werk van L.N. Tolstoj leren kennen. Hij werd in 1895 predikant op Schiermonnikoog waar hij lezingen hield over de natuur, over de Indische mystiek en over het boeddhisme. Bähler werd redacteur van het in 1905 opgerichte Vrede-Tijdschrift dat in 1907 werd omgedoopt tot De Vrije Mensch. In 1911 verhuisde hij naar het landgoed 'Lemferdinge' in Paterswolde waar hij wegens gebrek aan inkomsten samen met de plaatselijke huisarts een iriscopistenpraktijk begon. Van Mierop had zich laten inspireren door het christen-anarchisme van Frederik Willem van Eeden (1860-1932). Van Eeden had de HBS gevolgd en medicijnen gestudeerd. Hij was voorzitter van de letterkundige vereniging Flanor en medeoprichter van De Nieuwe Gids, waarvan hij redactuer werd. Van Eeden had in 1898 in Bussum zijn kolonie Walden opgericht. Hij was er van overtuigd dat er in West-Europa en
36
Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op til was. Hij had plannen ontworpen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij. Van Eeden geloofde dat op kolonies waar een ieder werkt naar vermogen en waar een ieder ontvangt naar behoefte, een onafhankelijk, eenvoudig, harmonisch bestaan mogelijk was voor iedereen die wilde werken. 44 G. Stuiveling beschrijft van Eeden als ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde’. 45
Volgens Van Eeden berustte het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’. 46
Van Eeden nam het bestaan aan van drie standen: zij die het inkomen verkrijgen uit de opbrengst van geld: grondbezitters, aandeelhouders, renteniers; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij de overheid of uit het verrichten van arbeid als zelfstandige beroepsbeoefenaar: lakeien, ambtenaren, artsen, advocaten; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij particulieren: fabrieksarbeiders, dagloners. 47
Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levensvoorwaarden en -omstandigheden af. Hij zag als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving te zien een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze.48 De kolonie Walden ontwikkelde zich van een amateuristisch

37
tuinbouwbedrijf zonder duidelijke reglementen en met sterke invloed van Van Eeden, tot een principieel antikapitalistische commune, die zich niet anarchistisch noemde maar in de praktijk wel uitging van gemeenschappelijke besluitvorming en vrijwillige beheersing van egoïsme. Het economische zwaartepunt lag in latere jaren niet meer in land- of tuinbouw maar in enkele coöperatieve bedrijven, waarvan de bakkerij tot lang na de opheffing van Walden floreerde. Als overkoepelend orgaan van de productieve associaties in Nederland was in 1901 op initiatief van prof.mr. I.B. Cohen en F. van Eeden de Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit opgericht, die bezinning op theorie en praktijk wilde bevorderen en daartoe adviezen en leiding gaf (orgaan: De Pionier). Walden stond uiteraard aan voortdurende kritiek bloot, zowel van liberale als marxistische kant. Daarbij voegde zich de ergernis van de velen die van kritiek op het genot van rente, vlees en alcohol niet gediend waren. Er waren ook herhaaldelijk interne moeilijkheden over arbeidsindeling, beloning en doelstelling. Een versterking kreeg Walden gedurende enkele jaren als leverancier van de verbruikscoöperatie De Eendracht, die Van Eeden in 1903 te Amsterdam oprichtte om de na de staking van april uitgesloten spoorwegarbeiders aan een bestaan te helpen. De Eendracht kwam snel tot bloei, maar was in 1907 failliet gegaan en had Walden meegesleept. Van Eeden voldeed de vorderingen van de vele kleine crediteuren voor 100%, wat hem en sommigen uit zijn naaste omgeving hun vermogen kostte. Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or
38
Life in the woods laten verschijnen. Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.49

Naastenliefde
De onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) laat aan de school in Vledderveen (Grn) jeugdigen op een perceel dalgrond waar met graszoden een afbeelding is gemaakt van Nederland, Europa en Amerika de verdeling van consumptiegoederen naspelen. 50 Borgman had zich laten insireren door het christen-socialisme van Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938). De Ligt was opgegroeid in een orthodox-protestants gezin. Hij had het gymnasium gevolgd en de opleiding tot predikant. De Ligt had zich in 1910 aangesloten bij de Bond van Christen-Socialisten (BVCS). Bij de BVCS hadden zich aangesloten christelijk denkende en voelende mensen rond het christelijke weekblad Algemeen Welzijn en groepen rond antirevolutionaire en christelijk-historische kringen. Voor hen was het moeilijk zich thuis te voelen binnen de SDAP.51 Op zich waren ze het wel eens met de strijd van deze partij tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten. Maar afgewezen werd het hele culturele en geestelijke klimaat van de SDAP wat doortrokken was van een agressief atheïsme. Hierin wordt het christelijke geloof afgewezen als zijnde in strijd met de menselijke waardigheid én de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én als een kracht die de mensen van strijd voor lotsverbetering

39
afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakt. 52 De Ligt schreef voor de Bond van Christen Socialisten een nieuw beginselprogramma: God Uzelf Uw Naaste waarin hij oproept het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. 53
De Ligt geloofde dat door de naaste lief te hebben, op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een verbetering van de verdeling van consumptiegoederen. De Ligt had zich op zijn beurt laten inspireren door Mahatma Gandhi (1869-1948). Voor de in een welgestelde koopmansfamilie in India geboren Gandhi was in Amerika en Europa grote bewondering ontstaan. Gandhi had in Londen tijdens zijn studie rechten kennis gemaakt met de geschriften van Henry David Thoreau (1817-1862). Thoreau had gewezen op het recht van de burger zich te verzetten tegen het wettig gezag. Toen Gandhi in 1914 terugkeerde naar India en daar geconfronteerd werd met het daar onder de boerenbevolking gerezen verzet tegen het verdwijnen van de traditionele huisindustrie en de dorpsbesturen als gevolg van met Engels geld opgezette grote thee, jute en indigo-plantages, het stelsel van de gedwongen landbouwproductie en de grote invoer van Engelse industrieproducten, had hij opgeroepen te komen tot zelfbestuur, tot een boycot van Engelse textielproducten en te weigeren in Engelse overheidsdienst te werken. Hij had bij herhaling hartels uitgeroepen = stakingen waarbij gebeden en gevast werd.

Periode 1918 tot 1925: Democratische gezindheid.
Op 1 augustus 1914 brak de eerste wereldoorlog uit. Het

40
overgrote deel van de bevolking kreeg toen te maken met een periode van gebrek. Het zgn. ‘Ellendekongres’ van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in november 1915 bracht een onheilspellende daling van het levenspeil aan het licht, ook bij de niet bij het NVV aangesloten arbeiders. De verhoging van de lonen, zelfs van de sociaalkrachtigste arbeidersgroepen, bleek aanmerkelijk achtergebleven bij de stijging der prijzen, die toen al voor de voornaamste levensbenodigdheden op 30% werd geschat. Het gebrek deed zijn intrede in de woningen van duizenden vakarbeiders. Er vonden talrijke stakingen plaats: metaalbewerkers, loodgieters, slagers, chauffeurs, grondwerkers, steenzetters, melkslijters en nog andere categorieën leggen in de loop van dat jaar het werk neer om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden af te dwingen. Onder de munitiewerkers aan de Hembrug heerste een toenemende ontevredenheid met de arbeidsvoorwaarden, zoals de lange werkdag, de lage lonen, de bejegening door de toezichthouders van het personeel, de bedreiging met ontslag bij de minste fout. In de textielindustrie in Tilburg kwam het tot een staking. Mijnwerkers staakten gedurende ongeveer twee weken. In Rotterdam staakten de havenarbeiders. Er waren hongeropstootjes. In Amsterdam leidde dat in de zomer van 1917 tot het Aardappeloproer toen er in de zomer van 1917 in de Jordaan bijna geen aardappel meer te koop was en er in de Prinsengracht schepen vol met aardappels lagen, bestemd voor de export. Er vonden plunderingen plaats, demonstraties en gewelddadigheden. In de kazernes van de Harskamp vond een soldatenoproer plaats. De levensmiddelenpolitiek van de regering had als gevolg dat een groot deel der stedelijke bevolking honger leed. De regering liet toe dat levensmiddelen
41
werden uitgevoerd in een aantal dat er voedselnood kwam. Doordat de uitvoer doorging, werd Nederland verdacht, met als gevolg dat Nederland door Amerika werd gerantsoeneerd, maar ook dat Nederlandse graanschepen in beslag werden genomen, dat de uitvoer van koloniale producten uit Indonesië naar Nederland werd gehinderd, en dat nog andere maatregelen genomen werden, die alle de strekking hadden, elke uitvoer van levensmiddelen onmogelijk te maken en de invoer van voedsel voor mens en dier, evenals die van kunstmest, tot een minimum te beperken. Deze rantsoenerings-politiek leidde tot een totale ineenstorting van de Nederlandse invoer van overzee gedurende het laatste oorlogsjaar. De aardappelen en groenten, die voor de volksvoeding in deze laatste oorlogsjaren onmisbaar waren, werden in reusachtige hoeveelheden naar Duitsland gesleept. In de laatste jaren van de oorlog had de bevolking gebrek aan voedsel, kleding, grondstoffen, halffabricaten, steenkool, petroleum. Na de oorlog waren allerlei verbeteringen tot stand gekomen: de wettelijke achturendag was ingevoerd, het algemeen vrouwenkiesrecht was tot stand gekomen, het ouderdomspensioen was verhoogd en de leeftijd waarop dit inging verlaagd, aan de gezinnen der miliciens waren ettelijke miljoenen als schadeloosstelling uitgekeerd en het loon van het personeel in dienst van de gemeentelijke en landelijke overheid sprongsgewijs verhoogd.
De politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd was diep onder de indruk gekomen van het gebrek en de nood in de arbeidersgezinnen en het bloedvergieten zonder zin met een niet meer goed voor te stellen omvang. Deze indruk uitte zich bij de jongeren in een streven naar een radicaal pascifisme en een niet minder radicale maatschappelijke vernieuwing. Ze

42
demonstreerden, hielden protestvergaderingen, staakten zelfs hier en daar en veroordeelden politieke partijen. Ze was in geestdrift geraakt voor de Sovjet-Unie waar de Russische revolutie had plaatsgevonden (volgens de toenmalige Russische tijdrekening die van 12 maart 1917 op 27 februari 1917, en die van 7 november 1917 op 25 oktober 1917) ondanks de pogingen van diverse Europese mogendheden –waaronder de Verenigde Staten en Japan – door militaire interventie het revolutionaire bewind ten val te brengen en de rijke Russische bodemschatten in handen te krijgen. De socioloog Karl Mannheim wijst er op dat een ‘Polarerlebnis’ voor een bepaalde generatie bepalend is voor de rest van het leven waardoor alle latere ervaringen als door een magneetpool gericht, gekleurd worden. 54 De jonge Dirk Struik (1894-2000) schrijft over de Russische Revolutie: ‘De revolutie bracht nieuwe hoop na het bloedige bankroet van het kapitalisme, ze bood uitzicht op een nieuwe mensheid, en toonde de macht van de marxistische gedachte’.55
Deze jongeren verwachtten dat een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de mensheid zou worden ingeluid door de Russische Revolutie. Volwassenen met een samenhangende wereld- en levensbeschouwing en een hang naar theosofie, antroposofie of een op het christendom geïnspireerde religie werden bang dat het optreden van de politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd zou leiden tot een revolutie en weer een oorlog. Zij gaan de jeugd een democratische gezindheid bijbrengen.


Respect voor een ieders politieke overtuiging.

43
Het kabinet Ruys de Beerenbrouck (1918-1922) stelt een Centrale Jeugdraad in met als taak voor jeugdigen ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren en er voor te zorgen dat er een opleiding komt voor jeugd en jongerenwerkers (sociaal-kultureelwerk).56 Organisaties die kampementen organiseren en zich bedienen van door het rijk beschikbaar gesteld kampeermateriaal werden gewaarschuwd voor het kunnen ontstaan van een onzedelijke sfeer, waarmee bedoeld wordt o.a. het niet eerbiedigen van elkaars uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging. Aanbevolen werd te komen tot een hierarchiese centralistische organisatie om toezicht te kunnen houden en eventueel de nodige maatregelen te kunnen nemen. Het gemeentebestuur van Rotterdam benoemde op 26 mei 1921 een Adviserend Ambtenaar inzake de Opvoeding van de rijpere jeugd benoemd en richtte op 10 januari 1922 de Rotterdamse Jeugd Raad op. Het gemeentebestuur van Amsterdam stelde op 1 januari 1923 een Tijdelijk ambtenaar aan belast met het toezicht op de van gemeentewege gesubsidieerde verenigingen welke zich bezig houden met Toynbeewerk en Vrije Jeugdvorming. Het confessionele kabinet samengesteld uit: Rooms Katholieke Staats Partij (RKSP), Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en Christelijk Historische Unie (CHU) had zich laten inspireren door de ontwikkelingen binnen de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP). In de SDAP hadden de bestuurders te maken gehad met jeugdigen die politiek wilden bedrijven. De jeugdigen werden hierbij gesteund door de door Domela Nieuwenhuis (1846-1919) geleidde Sociaal Democratische Partij (SDP). Toen de jongeren weigerden ondubbelzinnig te
44
kiezen voor de SDAP, had de leiding van de SDAP, om de jongeren toch ‘in de hand’ te krijgen, op het partijcongres in 1911 de zelfstandigheid van de jeugdbeweging opgeheven. Vanuit de partij werden jeugdorganisaties opgericht: de Jongeren Organisatie der SDAP (JO’der SDAP) die onder de leiding kwamen te staan van een Commissie van Toezicht. Aktie of strijd voeren werd de jongeren verboden, het was afgelopen met politiek bedrijven en het deelnemen aan betogingen en akties, het enige doel was ontwikkeling zoals staathuishoudkunde, geschiedenis, Nederlandse taal, administratie. 57 Toen leden in Amsterdam en Rotterdam ontevreden bleven met de lessen van ‘schoolmeesters in taal en sterrenkunde’ en te kennen gaven behoefte te hebben aan het bedrijven van politiek, had de leiding van de SDAP in 1913 een Centraal Komitee voor Jeugdorganisatie opgericht, en deed het lid van de Tweede Kamer voor de SDAP: Adrien (Adriaan) Henri Gerhard (1858-1948) de regering het verzoek een commissie in te stellen met als taak onderzoek te doen naar ‘de aard en omvang van organisaties die zich bezig houden met de vorming der niet-leerplichtige jeugd en deze commissie de bevoegdheid te geven denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen’.58 Het grote voorbeeld in Nederland was natuurlijk de vanuit SDAP en NVV naar Duits voorbeeld opgezette AJC. Daar bleef het vaststellen van de politiek een zaak van de volwassenen. In de AJC introduceerden Koos Vorrink en de zijnen een eigen opvatting over socialisme, geheel afwijkend van die der Nederlandse sociaaldemocratie, naar het voorbeeld van Hendrik de Man. Het socialisme als cultuurbeweging, richtte zich tegen
45
het vermeende platte materialisme van de vakorganisatie. In 1918 was op voorstel van de leiding van de SDAP een Centrale voor Jeugdontwikkeling tot stand gekomen, wat het karakter had van een ‘jeugdzorginstituut’. Gerhard zette op verschillende congressen uiteen wat hij zag als doel van het jeugdwerk. 59 Zo kwam in 1920 de Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen tot stand (verder genoemd als Arbeiders Jeugd Centrale: AJC), met als doel de jeugdigen aan de hand van ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten bij te brengen elkaars uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging te respecteren.60

Respect voor een ieders interesse en belangstelling.
De onderwijzer Berend Wouters (10 febr. 1882 - ???) laat aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen jeugdigen aan de meest uiteenlopende aktiviteiten deelnemen: werken in de werkplaats of in de tuin, sport beoefenen, aan ritmische gymnastiek doen, aan een groepsspel deelnemen, kunst beoefenen. Wouters was aanhanger van de theosofie van ‘madame’ Blavatsky (1831-1891). De in de Oekraine, in een van de hogere sociale lagen van de bevolking als Hélène Petrovna von Hahn opgegroeide Blavatsky, had samen met enkele sympathisanten, allen ook afkomstig uit de hogere sociale lagen van de bevolking, in 1875 de Theosofische Vereniging opgericht met als doel te komen tot een algehele sfeer van broederschap. Blavatsky had verkondigd dat het bestaan van sociale verschillen een gevolg was van verschillen in interesse en belangstelling en dat dit door reincarnatie was bepaald.

46
Wouters had zich op 10 mei 1903 onder nummer 23648 als lid laten inschrijven bij de Theosofische Vereniging.

Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling.
De onderwijzer Johann Hermann Bolt (1880- gefusilleerd op 3 mei 1942 in Sachsenhausen ?) laat aan de Pallas-Athene School in Amersfoort onderricht volgen in groepjes van jeugdigen met een verschillende mate van geestelijke ontwikkeling.61 Bolt was aanhanger van de theosofie van Annie (Wood) Besant (1847-1933). Besant had eerder een leidende positie in de Engelse Anglicaanse kerk en na de dood van Blavatsky de leiding van de Theosofische Vereniging overgenomen. Besant had verkondigd dat het bestaan van sociale verschillen een gevolg was van verschillen in geestelijke ontwikkeling en dat dit door reincarnatie was bepaald. Bolt had zich op 26 maart 1915 onder nummer 58560 als lid laten inschrijven van de Theosofische Vereniging.

Respect voor ieders tegengestelde mening.
De onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) laat aan de Hillegomschool in Amsterdam onderricht volgen in tegenover elkaar gelegen hoeken in het klaslokaal: leeshoek, schrijfhoek, rekenhoek, tekenhoek. 62 Groeneweg was aanhanger van het mystieke denken van de ex-jezuïet Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944). Schoenmaekers had verkondigd dat het bestaan van sociale tegenstellingen bepaald was door krachten buiten de mens. 63 Hij oefende invloed uit op de in het Gooi wonende tot De Stijl (de naam van het zo in 1917 in Leiden opgerichte tijdschrift) behorende groep van kunstenaars zoals: Theo van Doesburg

47
(1883-1931), pseudoniem van Christian Emil Marie Küpper; Piet Mondriaan (1872-1944) die in 1909 lid was geworden van de Theosofische Vereniging; Vilmos Huszár (1884–1960); Bart van der Leck (1876-1958); J.J.P. Oud (1890-1963); Jan Wils, (1891-1972); Robert van 't Hoff, 1887-1979); Gerrit Rietveld (1888-1964); Georges Vantongerloo (1886-1965). Zij maakten in hun schilderijen gebruik van rechthoekige vlakken, loodrecht op elkaar weergegeven, in contrasterende kleuren: rood, geel, blauw, zwart en wit. Ze geloofden dat in een door sociale tegenstellingen beheerste samenleving een harmonieus en evenwichtig leven mogelijk was en namen aan dat dit in hun schilderwerken zichbaar was.

Respect voor een ieders temperament.
Aan de Vrije School in Den Haag worden de jeugdigen ingedeeld aan de hand van hun stemming: sanguinisch (opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) en cholerisch (opvliegend). De initiatiefnemers: Daniel Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn 1874-1959), Pieter Jakobus de Haan (1891-1968), Max Leon Stibbe (1898-1973) waren aanhanger van de antroposofie van Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925). Steiner had eerder een leidende positie in de Theosofische Vereniging en in 1912 het Antroposofisch Gezelschap opgericht. Hij kreeg in 1919 in Stuttgard de leiding over de Freie Waldorfschule, opgezet door de fabrikant Emil Mohlt (1878-1936), eigenaar van de sigaretten fabriek Waldorf-Astoria, om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen. Steiner had verkondigd dat het bestaan van sociale

48
verschillen een gevolg was van temperament, en dat dit door de in de kosmos voorkomende elementen zou zijn bepaald. Hij had zich op zijn beurt laten inspireren door verschillende denkers. De Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) had gewezen op de aanwezigheid van vier onderling kwalitatief verschillende stoffen: de vaste aarde, het vloeibare water, de gasvormige lucht en het gloeiende verterende vuur; de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322) had gewezen op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren; de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) had gewezen op de aanwezigheid in het menselijk lichaam van vier lichaamsvochten: sanguis (bloed), flegma (slijm), melancholie (zwarte gal) en cholera (gele gal); de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) had geschreven over de leer der temperamenten; de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) had de theorie ontwikkeld dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van in de kosmos voorkomende elementen zon en maan.64


Respect voor ieders persoonlijke mening
Aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes in Amsterdam mogen de jeugdigen zelf beslissen welke taak wordt uitgevoerd, welk materiaal gebruikt wordt en of er gestaan of gezeten wordt. Het initiatief was uitgegaan van het lid van de Gemeenteraad: Eduard (Eliazer) Polak (1880-1962). Polak was lid van de Gemeenteraad en wethouder voor het onderwijs voor de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) en aanhanger van het religieus-socialisch denken van Willem Banning (1888-1971). Banning had op later leeftijd de opleiding voor predikant

49
gevolgd en tijdens de opleiding kennis gemaakt met een op het christendom geïnspireerd religieus denken van de hoogleraar in de godgeleerdheid Karel Hendrik Roessingh (1886-1925). Roessingh had als student in Engeland kennis gemaakt met de Woodbrookers. Woodbrookers hingen een op het christendom geïnspireerde religie aan waarin geloofd werd in reconcilliation: respect voor een ieders persoonlijke overtuiging deed de verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging overbruggen. De aanhangers (Quakers) hadden in Selly Oak, in de buurt van het Engelse Birmingham, hun Woodbrooke College waarvoor de welgestelde George Cadbury (aanhanger der Quakers) zijn woonhuis en bijbehorende tuinen, Woodbrooke, beschikbaar stelde. Naast Woodbrooke werd Westhill het meest bekend. Roessingh had in 1916 bij zijn aanstelling als hoogleraar in de godgeleerdheid opgeroepen ‘niet ons eigen geweten te onderwerpen aan het voorschrift van eene kerk, aan de wet van een staat, aan het gezag van een ander mensch’, maar af te gaan op de eigen persoonlijke overtuiging.65 Banning had in 1919 om tegenwicht te kunnen bieden aan het proletarisch- en marxistisch-socialisme van de arbeidersbeweging en het daarmee verbonden felle atheïsme zijn Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (AG) opgericht. 66 Dit nam in 1931 in Bentveld een conferentiecentrum in gebruik waar gedurende vele decennia tal van bijeenkomsten werden georganiseerd en in 1937 een conferentiecentrum in Kortehemmen. Het blad Tijd en Taak was het orgaan van de AG. In 1995 werd de AG opgeheven toen het opging in De Rode Hoed die haar activiteiten concentreerde in het gelijknamige gebouw aan de Amsterdamse Keizersgracht.
50

Respect voor de beste
.
Cornelis Boeke (1884-1954) laat aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap jeugdigen alle voorkomende werkzaamheden verrichten zoals: koken, dagboeken bijhouden, kranten drukken, muziek maken, een winkel beheren, groenten en fruit kweken, afwassen, schoonmaken, opruimen, en beslissingen nemen niet bij meerderheid, maar bij volledige overeenstemming van stemmen. Boeke noemde de school: Werkplaats, de onderwijzer: Medewerker en de jeugdige: Werker. Boeke was opgegroeid in Alkmaar als zoon van een directeur van de plaatselijke Hogere Burger School. Hij volgde een opleiding aan een Techische Hogeschool en was lid van de Nederlandsche Christelijke Studenten Vereeniging (NCSV), in de jaren negentig van de negentiende eeuw de eerste stap van de jeugd uit gegoede kringen zich op idealistische gronden aaneen te sluiten. Boeke had zich laten inspireren door het historisch-idealistisch politieke denken van Jacobus (Koos) Johannus van der Leeuw (1893-1934). Van der Leeuw had toen hij nog student was uit Londen in Nederland de Practisch Idealisten Associaltie geïntroduceerd. In de PIA was een ieder medewerker, elke plaatselijke afdeling had haar leider, de plaatselijke leiders vertegenwoordigden hun afdeling in de Raad der Leiders, en besluiten werden genomen niet bij meerderheid maar bij volledige overeenstemming van stemmen. De PIA was de tweede stap van de jeugd uit de zeer gegoede kringen zich op idealistische grondslag aaneen te sluiten. De vader van Van der Leeuw was firmant van ‘De weduwe van Nelle’, een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam, een

51
ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en weer een ander was directeur van de glasfabriek in Leerdam. Ook Boeke was lid van de PIA. Diverse leden van de PIA waren tevens lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de sterkampen in Ommen op het landgoed Eerde in Ommen waar de jaarlijkse PIA-kampen plaatsvonden. In de PIA-kampen hielden Van Rees (zie het vorige hoofdstuk) en Marg. Meyboom, die de kolonie Westerbro in Voorburg/Rijswijk leidde, redevoeringen over de komende wereldbroederschap. Men las de werken van Annie Besant, J. Ruskin, R. Tagore, Van Eeden, Ruusbroek, Eckehard e.a. Van der Leeuw had in 1920 zijn proefschrift: Historisch-idealistische politiek, laten verschijnen. Hierin riep hij op een begin te maken met de opbouw van ‘een aristo-democratie’ een samenleving waar op alle terreinen van het maatschappelijk leven ‘groepverbanden‘ gevormd zijn, waaruit de ‘beste’ gekozen wordt als hoofd, die op hun beurt uit het midden de besten kiezen voor het bestuur van grotere gemeenschappen, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen is. 67 Van der Leeuw geloofde dat zo verschillen in godsdienstige, levens of politieke overtuiging overbrugd zouden worden. Hij stelde tegenover het historisch materialisme een historisch-idealisme: een geestelijke omwenteling binnen in de mens.68


Periode 1930 tot 1940: angst voor een economische omwenteling.

52
Op zwarte donderdag 24 oktober 1929 stortten de koersen van de aandelen op de New-Yorkse effectenbeurs ineen. Er brak een economische depressie uit met een omvang, duur en intensiteit zoals de wereld voordien nooit heeft gekend. 69 De crises was mondiaal; niet slechts in de Verenigde Staten, niet slechts in de kapitalistische wereld, maar over de gehele aarde tot in de grondstoffenlanden toe was de werking merkbaar. Door het ongeëvenaard grote aantal kapitaalverliezen en faillissementen liep de werkloosheid in de ettelijke miljoenen. De grote massa verarmde steeds meer waardoor er steeds minder producten werden gekocht. Er ontstond overproductie. Het bankwezen, de industrie, de handel, de scheepvaart, voelden de neerslag van de economische crises. De landbouw evenals de landbouw-verwerkende bedrijven kregen slag op slag. De tuinbouw stortte volslagen in doordat naburige landen hun grenzen geheel of bijna geheel afsloten voor haar producten. De vissersvloot lag voor een groot deel werkeloos in de havens. Gebouwd werd er haast niet meer. De meeste bedrijven gingen bij de dag achteruit. Het aantal werklozen werd steeds groter en loonsverlagingen waren niet van de lucht.70
In 1935 was de leiding van de SDAP en het NVV gezamenlijk gekomen met een Plan van de Arbeid met als doel te komen tot een herstel van de bestaanszekerheid. Het was geïnspireerd op een door Hendrik de Man (1885-1953) ontworpen gelijknamig plan waarmee de Belgische socialistische partij in 1933 was gekomen. In dit plan had De Man de denkbeelden verwerkt van de in 1917 naar Amerika uitgeweken Rus: W.S.Wojtinski (1885-1960), de vakbondsleider: F.Tarnow en het lid van het Duitse parlement voor de Sociaal Democratische Partei: F. Baade. Het drietal pleitte voor een vergroting van de

53
koopkracht, het verlenen op grote schaal van bankkredieten en het bewerkstelligen van werkverruiming door een uitgebreide politiek van openbare werken om zo de neergaande lijn van de economie om te buigen in een opgaande. Het plan wekte geestdrift en niet alleen bij de arbeiders maar ook bij de middenstand en het bood ook de boeren uitzicht op herstel van de bestaanszekerheid. Bij jongeren en kunstenaars had de economische crises tot grote onzekerheid geleid. De verlammende invloed van de massale en niet eindigende werkloosheid had diep ingegrepen in het gemoedsleven. Bij de jongeren rees de behoefte aan houvast, hardheid en zakelijkheid. Ze hadden genoeg gekregen van de ‘geduldpredikers’ en de ‘geleidelijkheidsapostelen’, die steeds weer aandrongen op: afwachten, vooral niets doen in deze crisistijd. 71 De jongeren uitten openlijk hun sympathie voor de Sovjet-Unie, het land waar geen massawerkloosheid had plaatsgevonden. Volwassenen met een afkeer van een socialisme met klassenstrijd en een hang naar een nationale volkscultuur en gemeenschap werden bang dat het optreden van de jongeren en kunstenaars zou leiden tot wijziging van het economisch stelsel.72 Zij gaan de jeugd een socialistische levenshouding bijbrengen.

Socialistische levenshouding.
Op het landgoed Eerde te Ommen krijgen jeugdigen kennis bijgebracht over onderwerpen uit de persoonlijke leefsfeer zoals: het seksuele leven. Het initiatief was uitgegaan van: Cornelius Ubbo Ariëns Kappers (1877-1946) en Philip Dirk van Palland (1889-1979).

54
Kappers was lid van het bestuur van de door de hoogleraar in de godgeleerdheid Karel Hendrik Roessingh (1886-1925) in 1908 opgerichtte Vereniging der Woodbrookers in Holland. (Zie hiervoor). Van Palland was eigenaar van het landgoed Eerde in Ommen (Dr) waar tussen 1923 en 1930 de jaarlijkse Sterkampen plaatsvonden waar vele duizenden aanhangers van de jonge Indier Krisnamurtie uit alle delen van de wereld bijeen kwamen om deze door Annie Besant aangewezen nieuwe wereldleraar te ontmoeten. Kappers en Van Palland hadden zich laten inspireren door het cultuur-socialisme van Jacobus (Koos) Jan Vorrink (1891-1955). Vorrink was in 1934 voorzitter geworden van de SDAP, met behulp van de AJC-lobby, die er alle afdelingen voor had afgereisd. Hij had de opleiding voor onderwijzer gevolgd en een tijd een bestuursfunktie gehad bij de Kwekelingen Geheel Onthouders Bond (KGOB). Vorrink had in 1920 de leiding gekregen van de AJC en deze omgevormd naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien bij de Sozialistische Arbeiter Jugend. Daar werden volksliederen gezongen, stijlvolle dansen uitgevoerd, waren de jongeren afkerig van banaliteit, hadden de jongeren de ‘burgerlijke’ confectiepakjes met stijve boorden omgewisseld voor manchester met open hemden. Vorrink stemde volledig in met het oordeel van de directeur van een clubhuis in Rotterdam die de volksjeugd geestelijk leeg en zedelijk laf vond: de geestelijke leegheid van de gemiddelde volksjongen (is) veel en groter dan wij vroeger ooit hadden gemeend en dat hij - alle onderwijs, museums, kerken, meetings enz. ten spijt – geheel en al buiten onze cultuur voortleeft, en: Nooit heeft een jongen het voor het gezag opgenomen, nooit heeft een doen blijken, dat hij een vernieling of andere
55
overtreding afkeurde en meegewerkt om de schuldige op te sporen.. . . ’t is niets anders dan bangigheid om in een zaak te worden gemoeid. 73 Vorrink stond in tegenstelling tot het arbeiderssocialisme dat in de eerste plaats een drastische verandering van de economische verhoudingen beoogde, een gezindheidssocialisme voor dat meer van de psychologie dan van de economie uitging. Hij had zich op zijn beurt laten inspireren door de Belg Hendrik de Man (1885-1953) die in 1929 Der Sozialismus als Kultuurbewegung had laten verschijnen. 74 Vorrink vond het boekje van De Man zo belangrijk dat hij het zelf vertaalde en uitgaf.75 De Man was op zijn beurt gegrepen door de gedachten van G.L. Radbruch (1878-1949). Radbruch had in: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke gesteld:‘Kameradschaft, Gemeinsinn, Arbeitsfreude, das sind die drei Grundgedanken sozialistischer Sittlichkeit’ (kameraadschap, gemeenschapszin, en arbeidsvreugde zijn de belangrijkste waarden voor een socialistische gemeenschap). 76

Nawoord
De volwassenen die initiatieven namen hadden meestal onder hun generatiegenoten geen gehoor gevonden. Ze waren dikwijls in een geestelijk isolement terecht gekomen: Van Rees, Van Eeden, e.a. In het jeugdidealisme was het verzet tegen het verstandelijke sterk; het brak ook met het liberalisme en individualisme en was op zoek naar een nieuwe levensharmonie en een nieuwe gemeenschap.

56
Het religieus gemeenschapsidee waar onder het verzet tegen het verstandelijke, de breuk met het liberalisme en individualisme, en het zoeken naar een nieuwe levensharmonie en een nieuwe gemeenschap werd door Willem Banning, voortgekomen uit de Kweekelingenbond van rond 1900, onder woorden gebracht. Hij was binnen de sociaaldemocratie de woordvoerder van het religieus-socialisme en voorstander van het afwijzen van zowel het egoïsme van het liberalisme als de materialistische klassenstrijd van de oude sociaaldemocraten. L.Dasberg stelt in: Grootbrengen door kleinhouden als historisch verschijnsel, dat in de twintigste eeuw volwassenen de jeugd groot brachten door ze klein te houden. 77 Dit gaat op voor de periode omstreeks 1900 toen bepaalde groepen van volwassenen jeugdigen groot brachten voor het eigen bestaan van jeugdige. Deze volwassenen zagen jeugdigen als jeugdige en de jeugdfase als een waarde op zichzelf. Maar na de Eerste wereldoorlog nemen bepaalde groepen van volwassenen het initiatief jeugdigen groot te brengen voor het bestaan van (toekomstige) volwassene. Deze volwassenen zien de jeugdfase als een Vorstufe, als een voorportaal van de volwassenheid. Vanaf omstreeks 1930 nemen bepaalde groepen van volwassenen het initiatief jeugdigen groot te brengen voor het bestaan van volwassene. Deze volwassenen zien jeugdigen als de voortzetters van het werk van hun vaderen en de jeugdfase als een periode zonder een bijzondere betekenis. A.de Regt stelt in: Omgang tussen ouders en kinderen, dat volwassenen uit de lagere sociale lagen van het volk jeugdigen zagen als volwassene en volwassenen uit de middelste sociale lagen jeugdigen als jeugdige. 78 Het tegenovergestelde was echter het geval. Tot omstreeks 1920
57
zijn het volwassenen, gerekruteerd uit de lagere sociale lagen van het volk, kleine burgerij, keuterboeren, boerenarbeiders, omstreeks 1900 aangevuld met kleine zelfstandigen, ambtenaren, en de rijkere boeren, die de jeugd grootbrengen voor het eigen bestaan van jeugdige. Na 1920 zijn het i.t.t. wat Boekholt en de Booy stellen in Geschiedenis van de school in Nederland, vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd, dat het vooral volwassenen, gerekruteerd uit de hogere sociale lagen van het volk zijn die de jeugd grootbrengen voor het bestaan van (toekomstige) volwassene.79

Noten

1 Bloch, M: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.
2 Plessner, H.: Het probleem der generaties, in: Sociologisch jaarboek. III, jrg. 1949.
3 Harmsen, G.: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.
4 Knoppers, B.A,: Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung. Emsdetten 1931.
5 Gunnungh Wzn, J.H. De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, Amsterdam 1939.
6 Velde van der, I.: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940. Groningen 1970.
7 Freudenthal-Lutter, S, J, C.: Naar de school van morgen. Alphen aan de Rijn. Blz. 141.
8 Tijn van, Th.: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag. In: Jeugd, school en wereld. Jrg. 55, 1971, no. 4; ook in: Student. Januari\februari 1972; zie ook zijn artikel: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, o.r.v.: L. Box, J. Dronkers, M. Molenaar en J. Mulder. Nijmegen 1977,
9 Verwey-Jonker, H.: Emancipatiebewegingen in Nederland. Deventer 1983.
10 Dodde, N. L.: Het Nederlandse onderwijs veranderd. Muiderberg 1983.
11 Zie de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, van J. Wesseling-van Rossum uit 1903,
12 Roland Holst-van der Schalk, H. R.: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Nijmegen 1977, Dl II blz.34.
58
13 Een tien voor vlijt. Meisjesonderwijs vanaf de oudheid tot de MMS. o.r.v. K. den Dekker, WA. Van de Heijden, H. Lucassen, M. Walboomers, in de reeks: Een tipje van de sluier, Deel 7.
14 G. Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19e eeuw. In: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.
15 Roland Holst, H.: De Socialistische opvoeding der jeugd. Rotterdam 1907.
16 Harmsen, G.: De socialistische jongeliedenbonden in de 19e eeuw. In: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.
17 Keefstra, J.J.: Wat maken wij van onze jongeren. In Studien in Volkskracht. Amsterdam 1905. Hij schrijft over jongeren die ‘met de neus in de wind, een hoge boord onder de kin, een partij geleerdheid onder de arm, overal met zijn waanwijsheid te koop loopt’ en ‘de nufjes, die reeds als dames behandeld willen worden, terwijl ze nog in de korte roken zijn’.
18 Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population. Malthus publiceerde het voor het eerst in 1798 onder de schuilnaam: J. Johnson.
19 Darwin, C: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.
20 Haeckel, E.H.P.A: Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie. Bonn 1901.
21 Gerhard, A.H.: Ernst Haeckel over de tegenwoordigenstand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,
22 Cort van der Linden, A.: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886.
23 Kuyper, A: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.
24 Kuyper, A.: Handenarbeid, Amsterdam 1889.
25 Kuyper, A.: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.
26 Kuyper, A.: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke religie.
27 Ligthart, J en Scheepstra, H.: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1904.
28 Ligthart, J.: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.
29 Roland Holst-van der Schalk, H.: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977.
30 Harmsen, G. e.a.: Van Turf en Tabak tot plastic buizen. Uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging in Steenwijk en omstreken. De Knipe 1991, blz.37.
31 Coolsma, C.W.: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.
32 Banning, W.: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.
33 Ligthart, J.: Een woordje aan ‘t slot. In School en Leven. Eerste jaargang, no.52.
34 Ligthart, J.: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.
35 Hasebroek, J.P.: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.
36 Verslag der schooljaren 1905–1908 van de humanitiare school te Laren (N-H). Laren 1908.
59
37 Jans. R.:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.
38 Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962 : gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.
39 Kropotkin, P.: Mutual aid: a factor in evolution. 1902. Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.
40 Soree, M & Snepvangers, M: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.
41 I. de Wilde, I.: Er is een heilig moeten, waartegen geen bezwaar is bestand. De betekenis van Hélène Mercier (1839-1910) voor de vrouwenbeweging. In: Jaarboek voor de Vrouwengeschiedenis 1985. Zie ook Bloembergen, J.E.: Opstellen aangeboden aan Emilie C. Knappert op haar zeventigsten verjaardag 15 juni 1930. In: Maatschappelijk Werk, blz. 249-252.
42 Geschiedenis van het Amsterdamsch Studentenleven 1632-1932, Amsterdam 1932
43 Bähler, L.A.: De Messiaansche heilsverwachting en het Israelietisch koningschap, Groningen 1893
44 Eeden, van, F,: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.
45 Stuiveling, G.: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.
46 Eeden, van F.: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.
47 Eeden, F.: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.
48 Eeden, F.: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.
49 Eeden, van F.: Thoreau, H. Walden or life in the woods. Londen 1908.
50 Borgman, H.L.:Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K.Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph.Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H.Schuurman: De wereldtuin van meester H.L.Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.
51 Ligt, de B.: Christensocialisme en SDAP. Schiedam 1912.
52 Noordegraaf, H.: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.
53 Ligt, de B.: God Uzelf Uw Naaste. 1912.
54 Mannheim, K.: Das problem der Generationen. In: Kölner Vierteljahreshefte für Soziologie, VII, 1928.
55 Struik, D,: Mijn socialistische jaren in Nederland. Herinneringen uit 1914-1924. In Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1977, Nijmegen 1977, blz. 191-246.
56 Verslag van de Staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Amsterdam 1919
57 Harmsen, G.: De Arbeidersjeugdbeweging van 1900 tot 1914, in: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz 65 ev.
58 Handelingen der Statengeneraal, Tweede Kamer 1913 / 1914, blz. 1583-1584.
60
59 G.Harmsen, G.: De Rode jeugdbeweging in de jaren twintig. In: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 173.
60 Als tegenhanger van het op SDAP-leest geschoeide ontwikkelings- en ontspanningswerk werden Volkshogescholen opgericht met als doel ‘het geven van een zedelijk-geestelijke ontwikkeling aan volwassen personen als grondslag voor vernieuwing der volkscultuur en versterking van de volksgemeenschap’.(Statuten 1939). De eerste kwam in Bakkeveen (1932) voor jonge boeren, werklozen en studenten.
61 Hermann Bolt, J. H.: De Nieuwe Mens, z.p.1923.
62 Groeneweg, L.: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.
63 Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers, M. H. J.:Het geloof in den nieuwe mensch. Amsterdam 1914. Zie ook: Schoenmaekers, M.H.J.: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde, blz. 201 e.v., Bussum 1916.
64 Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.
65 Roessingh, K. H.: Persoonlijkheid en Cultuur. Haarlem 1916.
66 Banning, W.: Wat wil en doet de arbeidersgemeenschap der woodbrookers. Amsterdam 1934; ook in: Wie zijn de Woodbrookers, in: Ons werk. Geschriften van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.2, zj; en: Om de groei der gemeenschap. Arnhem 1926, en: De arbeidersbeweging als beschavingsmacht. Geschriften van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.3, zpl, zj.
67 Leeuw van der. J. J.: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920. Het werd van marxistische zijde fel aangevallen door H.Giltay: Het ware socialisme van den Heer van der Leeuw, in: De Nieuwe Tijd XXVI, 7/8 1921.
68 Leeuw van der, J. J.: Het Practisch-Idealisme. Baarn 1922.
69 J. van Santen van, J.: Weimar 1933. Democratie tussen fascisme en communisme. Nijmegen 1983, blz.85.
70 Harmsen, G.: Economische crises, massale werkloosheid, fascisme en oorlogsdreiging. In: Voor de Bevrijding van de arbeid, blz.172.
71 Harmsen, G.: De rode jeugdbeweging in de jaren van werkloosheid en oorlogsdreiging (1930-1940), verschenen in: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz.24 ev.
72 Roland Holst, H.: kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl. II, blz. 287. Nijmegen 1977.
73 Vorrink, K.: De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925. Blz.4.
74 Man de, H.: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929, blz.45.
75 Vorrink, K.: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928
76 Radbruch, G.L.: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.
77 Dasberg, L.: Grootbrengen door kleinhouden als historisch verschijnsel. Meppel 1986.
61
78 Regt de, A.: Omgang tussen ouders en kinderen. In: Arbeidersgezinnen en beschavingsarbeid. Nederland 1870-1940. Amsterdam 1984.
79 Boekholt, P.Th.F.M. en E.P. de Booy de, E. P.: Geschiedenis van de school in Nederland, vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd. Assen/ Maastricht 1987, blz.163.