Jeugdbeweging, onderwijsvernieuwing en jeugdzorg 

 


Cornelis Oostwal

 

“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het handelen”,[1]

 

Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de auteur.

 

Contact: cornelisoostwal@Gmail.com

Bijgewerkt: 30-11-2020

 

Jeugdbeweging, onderwijsvernieuwing en jeugdzorg

 

I Onderwerp, opzet en methode

Jeugdbeweging

In het democratiseringsproces dat zich over de tweede helft van de 19 e en de eerste helft van de 20 e eeuw uitstrekte schoven in de loop van dit proces verschillende emancipatiestrevingen naar voren waarvan die van de arbeidersklasse de belangrijkste, meest omvattende en meest verstrekkende was. Daarnaast en daardoor gestimuleerd streden niet alleen vrouwen maar ook de jeugd streed voor een gelijkberechtigde positie. Voor de jeugd hield democratisering in: erkenning van het eigen karakter van de jeugdfase en de speciale eisen die deze stelde. Als de jeugd eigen erkenning tracht te bereiken door de autoritaire gezin- en schoolsfeer en de kleinburgerlijke levensstijl der volwassenen te ontvluchten en zich er soms noodgedwongen tegen te verzetten nemen volwassenen het initiatief dit jongerenverzet in ‘geordende banen’ te leiden door de opvoeding van de jeugd ter hand te nemen.[2] Dit initiatief zal in de voorliggende schets worden nagegaan aan de hand van de vernieuwing van het onderwijs en aan de hand van de overheid dat zich in toenemende mate ging bemoeien met de zorg voor de jeugd.

 

Opvoeding in het verleden

Waartoe brachten volwassenen de jeugd zoal groot in het verleden. De Grieken brachten de jeugd groot voor de uitoefening van een publieke functie door kennis en vaardigheden bij te brengen zoals: klassieke talen, klassieke literatuur, kunst en geschiedenis, plus een gezonde ontwikkeling van het lichaam. Het ging om: het bereiken van perfectie, de vorming van een cultureel ontwikkeld mens. Plato zei: 'Opvoeding houdt in lichaam en ziel alle perfectie geven waar zij vatbaar voor zijn'. De Romeinen legden de nadruk in de opvoeding ook op de uitoefening van een publieke functie en een actieve deelname aan het publieke leven. Zij beschouwden alle scholing als een voorbereiding op deze rol, waaronder ook culturele doelen: de vorming van iemand tot 'vir bonus' ('gentleman' of 'bonhomme'). De Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero (106 tot 43) zag het kind als ‘speculum naturae’ als ‘spiegel der natuur’ en om de jeugd voor te bereiden op een rol in het publieke leven introduceerde hij de geleidelijke en natuurlijke ontplooiing van iemands talenten. Christus geeft in het Mattheus-evangelie 18.3 volwassenen het dringende advies te worden gelijk de kinderen: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet veranderd, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’. In de middeleeuwen werd de jeugd grootgebracht voor het bestaan van volwassene: de 'homo universalis'. Erasmus (1490-1520) zag als doel van de opvoeding: de geest het zaad van toewijding laten ontvangen; de vrije kunsten leren liefhebben en grondig kennen; voorbereiding op de plichten des levens en gewennen aan de beginselen van wellevendheid. Kant (1724-1804) zag als doel van de opvoeding de jeugd voor te bereiden op het toekomstige bestaan als volwassene: ’met het oog op een mogelijke betere staat’.
De Franse filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) roept in Emile ou l’éducation op, de opvoeding aan te laten sluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind en deze niet te richten op het toekomstige leven van volwassene. De Zweedse, sterk door Nietzsche beïnvloede, pacifiste Ellen Key (1849-1926), proclameert in: Barnets arhundrade (in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind) de 20 e eeuw tot ‘de eeuw van het kind’ en verhief het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm.  Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd jeugdigen een religieus besef bijgebracht. Het religieus-zedenkundige leesboek, met voorbeelden uit de Bijbelse geschiedenis, waarin de godsdienst wordt verheerlijkt vierde hoogtij.
De invoering van de onderwijswet van 1857, waarin naast vakken als lezen, schrijven, en rekenen ook geschiedenis, aardrijkskunde en zingen verplicht werd gesteld, markeerde de overgang naar een onderricht waarin gestreefd werd jeugdigen die kennis en vaardigheden bij te brengen die hen moest voorbereiden op de uitoefening van een beroep of ambacht. Bijgebracht werd wat nodig gevonden werd om het de jeugdige, wanneer deze de school verliet bij het bereiken van het tiende levensjaar, aan het einde van de leerplichtige leeftijd, zonder dat de gehele zesjarige schoolperiode was doorlopen, mogelijk te maken het tot loop- of fietsjongen of loswerkman, zoals dat toen heette, te kunnen brengen.

Over opvoeding en onderwijs

In Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung, stelt B.A.Knoppers dat een zelfstandig door de jeugd geleidde organisatie in Nederland ‘bijnahe nicht besteht’, dat volwassenen maar weinig interesse hadden voor het optreden van de jeugd, en brengt het optreden van de overheid niet in verband met het optreden van jeugdigen.[3]
 In De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, noemt J.H.Gunningh Wzn. het jaar 1898 als een keerpunt in de geschiedenis van de pedagogie. [4]
In: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940, brengt I. van der Velde het streven onder volwassenen het onderwijs te vernieuwen in de periode 1900-1916 in verband met bezwaren tegen de klassikale school en het klassikaal onderwijs, in de periode 1916-1931 in verband met buitenlandse invloeden en in de periode 1931-1940 in verband met een wijziging in de wijze waarop de leerstof wordt aangeboden.[5]
In: Naar de school van morgen, geeft S.J.C.Freudenthal-Lutter een summier overzicht van enkele pogingen van volwassenen het onderwijs te vernieuwen.[6]
In Emancipatiebewegingen in Nederland, haalt H.Verwey-Jonker de zelfstandige door jeugdigen gevormde en geleidde organisaties slechts zijdelings aan. [7]
In Het Nederlandse onderwijs veranderd, stelt N.L.Dodde dat in plaats van daadwerkelijke vernieuwing en verbetering van het onderwijs in de periode 1898 tot 1963 slechts over een verandering van het onderwijs gesproken kan worden.[8]
In Met de moed van de hoop. Studies over de vernieuwing van opvoeding, onderwijs en maatschappij in Nederland in de periode 1930-1984 wijst C.J.J.A. Morsch op buitenlandse initiatieven.[9]
Th. Van Tijn stelt in Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd zijn door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen.[10] Die zouden hun uitdrukking hebben gevonden in de politieke arena, maar ook in die van de opvoeding en het onderwijs. Dit laatste zou dan op twee manieren hebben plaatsgevonden: in de eerste plaats zou er telkens - al voor de theoretisch-didactische problemen rezen – een opmerkelijk vergrootte aandrang zijn gekomen van de kant van de ouders van tot dusver van onderricht meer of minder verstoken kinderen om hun spruiten wel naar de betreffende onderwijsinstellingen te sturen. Hierdoor zou er in een korte tijd een tekort zijn ontstaan aan onderwijscapaciteit (geld, ruimte, leerkrachten enz.). In de tweede plaats zou er een veranderde visie op doelstellingen en methoden van het onderwijs zijn ontstaan. Ten derde zou dat een uitvloeisel zijn van een veranderde visie op de maatschappij (onderwijs bereid voor op het leven in de maatschappij en aard en inhoud daarvan hangen dus af van de visie die men heeft van de maatschappij), anderzijds zouden juist door de toeloop naar onderwijsinstellingen uit de minder gevormde milieus nieuwe pedagogisch-didactische problemen zijn gerezen.

Buitenlandse initiatieven

In onderwijskringen in Nederland worden dikwijls buitenlandse initiatieven aangehaald, met de naam als: Dalton, Jenaplan, Freinet of Montessori, ook wel aangeduid als ‘reform-onderwijs’ als inspiratiebron voor de initiatieven die in Nederland plaatsvonden.
Helen Parkhurst (1887-1973) die zich aan de éénmansschool in de plaats Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes geplaatst zag voor de taak de kinderen van de emigranten met een zeer verschillende intellectuele ontwikkeling onderwijs te geven schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken.
Peter Petersen (1884-1952) die in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd werd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas uit steeds minder jeugdigen bestond maakte een einde aan de jaarklassen, vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet de jeugdigen in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en liet de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd.
Célestin Freinet (1896-1966) die in 1920 op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd werd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen liet de jeugdigen aan de hand van de eigen interesse en belangstelling zich verdiepen in door hen zelfgekozen onderwerpen.
Maria Montessori (1870-1952) die in 1907 in Rome in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome geconfronteerd werd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling liet de jeugdigen met zelfgemaakt materiaal voelen, horen, zien en ruiken, weerde sprookjes, verving het vrije tekenen door het omtrekken van geometrische figuren om tot een vaste hand van schrijven te komen en oefende de zintuigen met rammelbusjes en kleurenspoeltjes. Tolstoj (1828-1910) richtte een school op om de kinderen van de boeren die in de winter geen bezigheden hadden, wat onderricht te geven.
Voor de Eerste Wereldoorlog ontstonden er scholen in West-Europa waar volwassenen op voet van gelijkheid verkeerden met de jeugdigen en kreeg de gedachte van een ‘vrije school’ gestalte: Abbotsholme in Engeland, de Ecole des Roches in Frankrijk, de Freie Schulgemeinde in Wickersdorf (Dl), het Landerziehungsheim in Ilsenburg, de Odenwaldschule. Voor de Eerste Wereldoorlog waren er minstens twintig van zulke vernieuwingsscholen in Duitsland en een tachtigtal in West-Europa.
De door Romein in ‘De eeuw van het Kind’ vermelde school van Rudolf Steiner en de Kindergemeenschap van Kees Boeke zijn van een later datum en van een geheel andere aard, zoals uit dit onderzoek zal blijken. [11]
Alle hiervoor beschreven initiatieven hadden géén pedagogisch doel, ook al hadden ze mogelijk wel pedagogische gevolgen, ze hadden tot doel het onderricht doelgerichter en efficiënter te laten plaatsvinden.
In het voorliggende onderzoek zal blijken of deze initiatieven een relatie hadden met of van invloed zijn geweest op de beschreven initiatieven.

II Nationale en christelijke deugden

 

Vanaf het einde van de jaren zeventig in de negentiende eeuw hing over Europa een zware economische depressie. Ook in Nederland werden de gevolgen hiervan gevoeld. Er was een periode aangebroken van slechte tijden. Veel arbeiders waren werkloos geworden. De depressie was gevallen in een tijdvak waarin de economische activiteit vanaf 1873 dalende was. Er werden minder grond- en hulpstoffen gebruikt zoals: ijzer, staal, en hout, en in mindere mate invoer van stoom en andere werktuigen. In vele bedrijfstakken was de helft of driekwart van de arbeiders zonder werk. Het was in Amsterdam tot straatdemonstraties gekomen waarbij, indien er gezongen werd of langs drukke wegen gedemonstreerd, door de politie opgetreden werd. Toen een demonstratie door Amsterdam trok, groeide die aan tot ongeveer 3000 man, met in het midden van de stoet borden die gedragen werden met het opschrift: Werk en brood voor allen, wij eisen geen aalmoes maar werk. De textielindustrie beleefde slechte tijden, in de bouwvakken heerste grote werkloosheid. De kou had de nood onder de arbeiders bijzonder schrijnend gemaakt.
De crises in de landbouw die in 1878 losbarstte was nog eens groter dan die in de nijverheid.[12]
In de Verenigde Staten was door een toename van de immigratie en een snelle uitgifte van land de productie van graan geweldig toegenomen, dat dankzij de verbeterde transportmiddelen: spoor en stoomboot, gemakkelijk en dus goedkoop naar Europa vervoerd kon worden, wat een forse daling van de graanprijzen in Nederland tot gevolg had. De daling van de prijs voor graan had ook een daling van andere producten tot gevolg: bonen, erwten, aardappelen, suikerbieten. Duizenden arbeiders, werkzaam op het platteland in de agrarische industrie, waren naar de steden getrokken in de hoop daar werk te vinden, met als gevolg dat de menigte der werklozen buitengewoon toenam. Anderen bleven in hun gemeente, in leven gehouden door de karige giften der diaconieën of burgerlijke armbesturen.
Massale en langdurige werkloosheid vooral in de winter had een belangrijk deel van de bevolking aan de rand van het bestaansminimum of zelfs daaronder gebracht. De honger was overal. De wet uit 1854 waarmee de taak van de overheid in het ondersteunen van de armen was beperkt en overgelaten aan kerken en particuliere instellingen had de honger in omvang doen toenemen. Werklozen en armen hadden zich zo goed mogelijk zien te redden. Alleen in uiterste noodzaak sprong de overheid bij.

Na 1890 was aan de lange economische depressieperiode een einde gekomen. De banken, de handel en de industrie maakten weer winst, de werkloosheid onder de arbeiders daalde, de landbouw fleurde op, de tuinbouw kwam op, in de grote havensteden kwam de handel handen te kort, vele nieuwe fabrieken verrezen.

Jeugdigen, die op 11 à 12jarige leeftijd van school waren gekomen en aan het werk gegaan bij een kleine baas als loopjongen, drukkers- of zetters leerling, schilders knecht, sigarenmaker, aankomend horlogemaker, diamantslijpers leerling, winkelbediende, timmermansjongen, meubelmaker hadden de gevolgen van de crises gemerkt. Deze had geleid tot een verscherpte concurrentie tussen enerzijds bedrijven die over voldoende financiële middelen beschikten om gebruik te kunnen maken van de stoommachine en over te gaan naar een fabrieksmatige productie waardoor ze sneller konden produceren met minder kosten, en anderzijds de bedrijven die de kosten voor een uitbreiding van de fabrieksmatige productie niet konden opbrengen, waardoor bij hen de afzet van producten verminderde en moeite hadden het hoofd boven water te houden. Deze laatste bedrijven hadden de kosten hiervan afgewenteld op de jeugdigen door het loon te verlagen of door dit zo laag mogelijk te houden. Onder deze jeugdigen was een drang ontstaan tot aaneensluiting en georganiseerd verzet. Ze hadden zich in 1885 aaneengesloten in socialistische jongelieden bonden (SJB’s) die zich op 12 augustus 1888 aaneensloten tot de landelijke Sociaal-Democratische Jongelieden Bond (SDJB). Het grote voorbeeld van de jeugdigen was Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919). Domela Nieuwenhuis was leider van de op 12 februari 1882 uit plaatselijke sociaal-democratische verenigingen gevormde arbeiderspartij: Sociaal Democratische Bond (SDB). Hij werd door de jongelieden tot in zijn kleding toe gevolgd en zijn geschriften golden als onomstotelijk.[13]

De concrete actie van de jeugdigen richtte zich tegen de remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’. Met deze wet was het mogelijk dat jeugdigen uit het financieel goed gesitueerde deel van de bevolking de militaire verplichtingen konden laten verrichten door een ander, en dat waren voornamelijk de jeugdigen uit het financieel slecht gesitueerde deel van de bevolking: de arbeidersjeugd

 

De militaire-dienstplicht gold voor de mannelijke jeugdigen, en ging in het jaar in waarin zij negentien werden. De regering had van tevoren het aantal jeugdigen vastgesteld dat opgeroepen werd, in de regel was dat 60.000. Tegen de 15.000 vielen eraf op medische, soms ook op andere gronden. De overige ruim 45.000 jeugdigen werden in twee groepen verdeeld: de buitengewoon dienstplichtigen die in buitengewone omstandigheden opgeroepen konden worden, en de gewoon dienstplichtigen die voor eerste oefening moesten opkomen. Deze groep was op 19.500 man gesteld. Van alle fysiek geschikten kregen dus velen vijstelling: wegens broederdienst (uit elk gezien behoefde slechts een zoon op te komen), wegens kostwinnerschap, wegens persoonlijke onmisbaarheid of wegens het bekleden van, of in opleiding zijn voor, een geestelijk of godsdienstig ambt. Waren deze vrijstellingen verleend, dan waren er nog altijd meer dan 19.500 oproepbare. Dan ging het lot beslissen. De namen werden genummerd; de nummers werden tijdens de jaarlijkse zitting van de vaste lotingscommissie in de Ridderzaal in Den Haag door middel van een draaiende trommel getrokken en met de onderhavige naam ving de inlijving aan, net zo lang tot er 19.500 bijeen waren. De remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’ maakte het mogelijk dat jeugdigen die door de loting aangewezen waren hun militaire verplichtingen te moeten verrichten konden afkopen door deze door een ander te laten verrichten. Dit had ertoe geleid dat jeugdigen uit de financieel beter gesitueerde sociale laag van de bevolking hun militaire verplichting tegen een vergoeding konden laten verrichten door leeftijdsgenoten uit de financieel slecht gesitueerde sociale laag: de laag der arbeiders.

 

Tegen deze wet hielden de jeugdigen tegen de tijd dat de uitslag van de loting bekend werd gemaakt bij de lokalen van de aanstaande militairen demonstraties, colporteerden er en verspreidden er manifesten.
De jeugdigen hielden demonstraties, colporteerden en verspreidden manifesten. De 19 jarige L.Schotting hoorde bij de rechter voor het verspreiden van een strooibiljet 2 maanden gevangenisstraf tegen zich eisen. [14] .A.Bos en C.G.Tieleman werden in Amsterdam voor het verspreiden van een strooibiljet veroordeeld tot een gevangenisstraf: Bos voor 8 maanden en C.G.Tieleman tot 6 maanden.[15]
Een ander (Lucas) werd in Den Haag wegens het verspreiden van opruiende geschriften veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf.
[16]
De jeugdigen lazen kranten, boeken en brochures en namen deel aan bijeenkomsten waar H. Roland Holst-van der Schalk de beginselen van de socialistische wereldbeschouwing bijbracht.
[17]
De jeugdigen waren dikwijls te herkennen aan hun slappe hoed en hun lange losse das à la Domela Nieuwenhuis. Ze waren dikwijls afgevaardigde in een of ander comité zoals: de zaak Hogerhuis, de Algemene Werkstaking, de eerste Mei. Ze trokken door de straten onder het zingen van de melodie van de Marseillaise. Straatbetogingen gingen meestal gepaard met kloppartijen met de politie en bij de propaganda- en colportagetochten viel dikwijls meer slaag, dan er lectuur werd verkocht. Ze colporteerden soms gewapend met knuppels als verdedigingsmiddel tegen de handtastelijkheden van een vijandig gezinde bevolking. Elke gebeurtenis werd aangegrepen om verzet te kunnen plegen tegen de politie.
[18] Ze hielden colportage - en propagandatochten, verspreidden opruiende strooibiljetten en gingen ’s nachts motto’s plakken en kalken. Uit angst dat dit jeugdoptreden zou leiden tot een nieuwe periode van werkloosheid gaan volwassenen met een hang naar het orthodoxe calvinisme en liberalisme, nationale en christelijke deugden bijbrengen.

Zelfbeheersing

Aan de Brinioschool in Hilversum laat de onderwijzer Jentje Johan Kleefstra (1860-1929) de jeugdigen sport beoefenen zoals: voetballen, schaatsen, zwemmen, korfballen, wandelen. [19]

Kleefstra: ‘Rijst niet het beeld voor u op van de lange slungel die met de neus in de wind, een hoge boord onder de kin, een partij geleerdheid onder de arm, overal met zijn waanwijsheid te koop loopt? Denkt ge niet aan den bengel, die vagabondeert langs ’s Heeren wegen, alsof de heele wereld zijn domein is? die u met een brutaal gezicht staat te treiteren, uw tuin afstroopt, uw eigendom beschadigd en om God noch zijn gebod iets geeft? Of is uw ergernis meer opgewekt door de nufjes, die reeds als dames behandeld willen worden, terwijl ze nog in de korte rokken zijn en de neus optrekken voor alles, wat zuivere, ronde natuur is’. [20]

Kleefstra was aanhanger van een in de SDAP gevormd denken waarin geloofd werd dat door de doorgaande ontwikkeling van de mens de gemeenschap vanzelf zou ingroeien in een betere. Woordvoerder van dit sociaal-darwinistisch denken was Adriaan Henri Gerhard (1858-1948). Gerhard was mede-oprichter van de SDAP die groot aanzien genoot: zijn Sociaal Sprookje werd verschillende malen gedrukt en voorgelezen op vergade­ringen.[21] Hij had het boek Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht. in het Nederlands vertaald uitgebracht.[22] Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919) was bioloog en popularisator van een door de successen van de natuurwetenschappen gevormde monistische-filosofie. In zijn in 1899 verschenen Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie beschrijft hij hoe het organisch leven: mens, plant en dier, én het an-organisch leven: de menselijke geschiedenis, zich als één geheel doorgaand ontwikkelen en dat zo de menselijke geschiedenis zich vanzelf zal ingroeien tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen.[23] Het boek was een ongeëvenaard succes: er werd in honderden publicaties en tijdschriften over gepubliceerd, het werd uitgegeven in meer dan twintig talen en er werden drie miljoen exemplaren van verkocht.[24]
Haeckel was geïnspireerd door de Engelse bioloog Charles Darwin (1809-1882). Darwin had geschreven in: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life dat de natuur niet als een voor eens en altijd vaststaand gegeven moest worden gezien maar opgevat als een doorgaande evolutie, als een historische ontwikkeling van opkomende en ondergaande planten- en diersoorten.
[25]

 

Darwin was door de overweldigende hoeveelheid feitenmateriaal die hem ter beschikking stonden door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie. tot de conclusie gekomen dat de organische wereld (planten en dieren) zich doorgaand ontwikkelden niet alleen wat betreft de uiterlijke eigenschappen (soort)t, maar ook wat betreft de innerlijke hoedanigheden: het functioneren van het hart en de longen, de ontwikkeling van het zenuwstelsel en de zintuigen en de kracht der instincten. In deze ontwikkeling, dat miljoenen jaren duurde, waren door een proces van natuurlijke selectie de planten en dieren die niet over de geschikte eigenschappen beschikten zich onder de gewijzigde omstandigheden te handhaven ten onder gegaan, en hadden de planten en dieren die hier wel over beschikten de gewijzigde omstandigheden overleefd. 

 


Darwin was tot zijn conclusie gekomen toen hij in 1838 voor zijn genoegen van de Engelse geestelijke Thomas Robert Malthus (1766-1834) diens ‘Essay on the principle of population’ las.
[26] Hierin wees Malthus er op dat elke 25 jaren het sterke deel van de bevolking bleef bestaan en het zwakke deel van de bevolking overleed. Zijn theorie was dat de omvang van de hoeveelheid voedingsmiddelen, onder de meest gunstige omstandigheden, vermeerderde met een factor 1, het vermeerderde zich als een rekenkundige reeks: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 enz. en dat wanneer zich geen rampen of epidemieën voordeden, de omvang van de bevolking zich steeds verdubbelde, het vermeerderde zich als een meetkundige reeks: 1, 2, 4, 8, 16, 32, 64 enz. Zo zou er periodiek een periode zijn waarin de beschikbare hoeveelheid voedingsmiddelen te klein was voor de omvang van de bevolking, waardoor het zwakke deel van de bevolking overleed en het sterke deel in leven bleef.[27]
Malthus’ ‘d
emografische verelendungstheorie’ bleek evenwel onjuist. Het kwam periodiek voor dat een deel van de bevolking overleed wanneer het aanbod van arbeidskrachten groter was dan de hoeveelheid aangeboden arbeid waardoor de omvang van het loon afnam tot ver onder het bestaansminimum. Wanneer het aanbod van arbeidskrachten weer was afgenomen nam de omvang van het loon weer toe. Totdat alles zich weer herhaalde.
In Nederland stelden de Neo-Malthusianen het omgekeerde van wat Malthus had gesteld n.l. dat op enig moment een deel van de bevolking overleed doordat er op enig moment te veel mensen waren voor de beschikbare hoeveelheid voedsel. Zij bepleitten het verkleinen van de omvang van de bevolking door een vrijwillige geboortebeperking en richtten met dat doel in 1881 de Nieuw-Malthusiaanse Bond op dat de voorlichtingsbrochure uitgaf: ‘De middelen ter
voorkoming van groote gezinnen’ en een zogenaamd ‘middelenboekje’ verstrekte.[28]

Verantwoordelijkheidbesef

De regering Pierson (1897-1901) sluit jeugdigen die door de rechter zijn veroordeeld niet meer op, laat ze opvoeden in het gezin. De minister van justitie in het kabinet, de hoogleraar in de staathuishoudkunde en statistiek: Adriaan Cort van der Linden (1846-1935) was woordvoerder van een rond de wisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw zich gevormd sociaal-liberaal denken waarin aangenomen werd dat het de arbeiders ontbrak aan matigheid, orde en spaarzaamheid, en dat ze daar zelf verantwoordelijk voor waren.[29]

Saamhorigheidsgevoel

Aan de Humanitaire School in Laren mogen de jeugdigen elkaar helpen en samenwerken. [30] De leerkrachten waren aanhanger van een onder Tolstojanen aangehangen denken waarin geloofd werd dat door samen te werken en elkaar te helpen de gemeenschap vanzelf een betere zou worden. Woordvoerder van dit tussen 1896 en de Eerste Wereldoorlog zich onder een bepaalde groep van intellectuelen gevormde Christen-anarchisme, of Humanitaire Idealisme of Tolstojanisme. zoals het ook wel werd genoemd was de hoogleraar in de weefselleer Jacob (Koos) van Rees (1854-1924). Van Rees: ‘een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’, . . . een mensenvriend, maar niet zonder heersersneigingen [31] had in zijn woonhuis in Laren enkele kamers beschikbaar gesteld voor het onderricht en voor huisvesting van de onderwijzers en sprong bij wanneer er een financieel tekort dreigde te ontstaan. Hij had eerder in Blaricum een kolonie opgericht waaraan een einde was gekomen toen de plaatselijke bevolking de gebouwen van de kolonie hadden vernield uit woede van de gevolgen van de op 8 januari 1903 gehouden spoorwegstaking. De ideologie der Tolstojanen kenmerkte zich, behalve door een ver doorgevoerde levenshervorming zoals niet-roken, geheelonthouding, vegetarisme, geen gebruik van opwekkende drank en het dragen van reform-kleding, vooral door een afkeer van geweld.[32] De Russische edelman Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910) was omstreeks 1900 plotseling met veel werken voor de dag gekomen. [33] Hij werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19 e eeuw gezien die een enorme indruk maakte. Tolstoj was de zoon van een der oudste grafelijke families in het tsarenrijk. Ze zouden in de veertiende eeuw met een schare van volgelingen uit het westen zijn gekomen, om zich in de Oekraïne te vestigen. Hun aanzien was gestegen en hun rijkdom toegenomen. Tolstoj erfde het landgoed Jasjana Poljana waar hij de kinderen van de boerenbevolking onderricht liet geven tijdens de wintermaanden wanneer er voor hen niet veel te doen was. Aanhangers van Tolstoj (ook wel geschreven als Tolstoy) in Nederland, lieten zich inspireren door de Russische bioloog, politicus en sociaal-anarchist Pjotr Kropotkin (1842-1921). Kropotkin, een man van de wetenschap [34] had
de evolutietheorie van Darwin aanvaard, maar had kritiek op het door hem aangenomen selectiebeginsel waarin de strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en de strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest de evolutie van levensvormen zou hebben bevorderd. Kropotkin wees erop dat in het tsaristisch Rusland, waar feodale en communale samenlevingsvormen domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking, en van wederzijdse hulp, de ontwikkeling van de gemeenschap hadden bevorderd.[35]

Tevredenheid

De uitgever Eduard Benjamin Ter HorstJr. (1865-1905) brengt in 1906 verhalen uit over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin en wandplaten met een illustratie van een handarbeider.[36] Ter HorstJr. was aanhanger van een onder orthodoxe-protestanten gevormd denken waarin het gezin gezien werd als de hoeksteen van de samenleving en waarin een ieders plaats in het maatschappelijk bestel gezien werd als een zaak van een kracht buiten de mens. Woordvoerder van dit in het laatste decennium der negentiende eeuw gevormde denken was de hoogleraar in de theologie: Abraham Kuyper (1837-1920). Kuyper had leidinggegeven aan een afsplitsing van de Nederlands Hervormde Kerk waaruit samen met andere groepen van gelovigen in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland waren ontstaan.

Vanuit de in 1816 gevormde Nederlands Hervormde Kerk had in 1834 de eerste afscheiding plaatsgevonden (Acte van Afscheiding of Wederkeer) o.l.v. de predikant Hendrik de Cock; in 1886 vond er een tweede afscheiding plaats: Doleantie, o.l.v. Abraham Kuyper; in 1892 vormden de twee groepen van afgescheidenen samen met nog anderen onder de leiding van Abraham Kuyper de Gereformeerde Kerken in Nederland. Naar aanleiding van de pro-Duitse houding in de oorlog van de Gereformeerde Kerken in Nederland scheidde zich in 1944 onder de leiding van Klaas Schilder een groep van gelovigen af, zich noemend naar het artikel waarop de gelovigen zich baseerden: Artikel 31, ook wel bekend onder de naam Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.

Kuyper had in een serie van opstellen onder de titel: ‘Antirevolutionair ook in uw Huisgezin’ uiteengezet hoe hij het gezin zag als ‘de wortel en de kiem (is) waar heel de Staat uit opwast, niet volgens uitvinding der menschen, maar volgens het bestel van den levenden God’ [37] en hoe hij aannam dat ‘de beslissing over de positie, waarin we geboren zouden worden, niet aan ons stond, maar aan een macht buiten ons’ en dat hieruit volgde ‘de plicht om tevreden met zijn staat te wezen’.[38] 

Kuyper was in 1901 ministerpresident geworden van het naar hem genoemde kabinet en had als minister van binnenlandse zaken de in januari 1903 gehouden spoorwegstaking veroordeeld als een ‘misdrijf was het, om voor zoo gering doel zulk een beweging te ontketenen, misdrijf, om het spoorwegverkeer, eerste voorwaarde voor 's lands welvaart, stil te leggen, misdrijf, een van de belangrijkste organen, die de overheid tot uitoefening van haar taak noodig had, te verlammen. Dit misdrijf moest als zoodanig gequalificeerd en in het Wetboek van Strafrecht gebracht worden, te meer, daar het werd aanbevolen, geloofd en gepredikt. [39] Koningin Emma had het oordeel van Kuypers nog eens duidelijk in de troonrede herhaald: ‘eene misdadige woeling’ was het.[40]
Op een in 1891 gehouden congres: Het Sociale vraagstuk en de christelijke religie had Kuyper het opkomen van de arbeiders voor verbetering van het lot veroordeeld als een dienst aan Mamon en hun opgeroepen af te zien van verbetering van het lot, hun in de plaats daarvan ‘het eeuwige leven’ in het vooruitzicht gesteld en ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’. [41] Kuyper had de aanwezige arbeiders gewaarschuwd dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.[42]

De uitgever TerHorstJr. had kennis gekregen van het denken van Kuyper in de omgang met de predikant S.D.van Veen (1856-1924) met wie hij een uitgebreide reis had gemaakt langs steden buiten Nederland om illustraties te verzamelen voor een uit te geven bijbel. TerHorstJr was in Groningen geboren als zoon van Eduard Benjamin TerHorst (1828-1896) en Anna Berendina Gerhards (1840-1865). Vader TerHorst was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de papier- en boekwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860). Toen het echtpaar Wolters in 1860 overleed was vanwege het ontbreken van nakomelingen TerHorstSr. eigenaar geworden van de papier- en boekwinkel, die hij op zijn beurt in 1894 had overgedaan aan zijn zoon.
TerHorstJr. had voor de verhalen over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin als auteur aangezocht: Hindricus Scheepstra (1859-1913). Scheepstra was opgegroeid in Roden op het platteland van Drenthe. Hij was leraar aan de Rijkskweekschool in Groningen en had vele door de uitgever Wolters (ter Horst Sr. en Jr.) uitgegeven schoolboeken geschreven zoals: Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893), Ambachten en bedrijven (1903), samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) een Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899) waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Scheepstra was ook sinds jaren redacteur van een door TerHorstJr. uitgegeven periodiek: De Schoolwereld
Scheepstra had zich bij het schrijven moeten laten bijstaan door Gerard Jan Ligthart (1859-1916). Ligthart was opgegroeid in de Amsterdamse volksbuurt: De Jordaan. Hij was na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas: Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan en was ook geen kind van wie de ouders of leerkrachten dachten dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht. Jan was hulpje geworden van een onderwijzer waarvoor hij een kleine vergoeding ontving. In de avonduren volgde hij de opleiding tot onderwijzer en de opleiding die hem de bevoegdheid gaf aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school.
Na zijn aanstelling in 1885 als hoofd van een lagere school in Den Haag werd hij lid van het Nederlands Onderwijzers Genootschap waarvan vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid waren.[43]
Van Ligthart was in het door TerHorstJr. uitgegeven en door Scheepstra geredigeerde periodiek: De Schoolwereld nog slechts een enkel artikel verschenen. Ligthart had blijk gegeven het gereformeerde geloof aan te hangen. De gereformeerde predikant C.W. Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was. [44] De predikant Willem Banning (1888-1971) beschrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.[45]
In de door Scheepstra samen met Ligthart geschreven verhalen wordt het dagelijkse bestaan beschreven van een gezin dat op het platteland zijn bestaan heeft, waarvan de moeder geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht, de vader de kost verdient als ‘hoofd’- arbeider en een ruime vrijstaande comfortabele behuizing bewoont. In een van zijn later gepubliceerde opstellen beschrijft Ligthart zo’n gezin ‘waar van jongs af Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’. [46]
Het zijn romantische verhalen waarin de bucolische idylle (het land en herdersleven) de boventoon voert. Ze staan in schril contrast met de feitelijke omstandigheden van de overgrote meerderheid van de bevolking die op het platteland zijn bestaan had. Ze leefde onder erbarmelijke omstandigheden: volkomen verwaarloosd, dikwijls in lemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd en verstoken van alle middelen van bestaan.[47] De verhalen stonden ook in schril contrast met de feitelijke omstandigheden van de bevolking die in de grote steden leefde. Die was, zo bleek bij de volkstelling uit 1899, voor bijna een kwart (23%) in een eenkamerwoning gehuisvest was; dat percentage bedroeg voor de stad Rotterdam en de provincie Groningen 58%, voor de provincie Drenthe zelfs 62%. In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, en waar ratten en wandluizen huisden. Waar een waterleiding meestal ontbrak en als die er wel was dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. Niet alleen de vader maar dikwijls ook de moeder en de kinderen werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie.
Ook de wandplaten die Ter HorstJr. had laten maken met een illustratie van een handarbeider boden een romantisch beeld. Een illustratie zoals Ligthart beschrijft n.l. als iemand ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’.[48]. De predikant J.P. Hasebroek (1812-1896) gaf nog groter blijk van het ontbreken aan enig meegevoel: De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid.[49]

Ter HorstJr. had de wandplaten laten maken door de in de toenmalige plattelandsgemeente Groningen opgegroeide Cornelis Jetses (1873-1955). Jetses had ze gemaakt naar voorbeeld van de illustraties van de Groningse onderwijzer Brugsma.[50]

De uitgever TerHorstJr., een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van een zekere grilligheid [51] had in het voorjaar van 1899 het door hem uitgegeven periodiek: De schoolwereld, waarvan Scheepstra sinds jaren de eindredactie voerde, abrupt beëindigd en drie maanden later een nieuw laten verschijnen, maar nu met Ligthart als eindredacteur en nu als titel: School en Leven, Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin. Ligthart’s openingsartikel: Een woordje aan ’t slot, deed veel stof opwaaien: het had de lezers te veel doen denken aan een preek.[52] De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943), die enkele bijdragen aan School en Leven leverde, was in conflict gekomen met Ligthart en had niet anders kunnen oordelen dan dat Ligthart zich had laten inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen.
Op de door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalenbundels was door Ter HorstJr nu Ligthart als auteur vermeld en Scheepstra als mede-auteur. Op een uitsluitend door Walstra en Scheepstra geschreven heruitgave van een Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten) waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien, was de naam van Walstra weggelaten en stond de naam van Ligthart vermeld als mede-auteur. Een door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkeld Leesplankje, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, was door TerHorstJr. voorzien van afbeeldingen die waren ontleend aan de verhalen over Ot en Sien. [53]  

Plichtsbesef

In Ons Huis in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan laat Hélène Mercier (1839-1910) de jeugdigen gebruik maken van een bibliotheek en een leeszaal, deelnemen aan een praatavond of een zondagavondbijeenkomst, een lezing of een voordracht volgen, een tentoonstelling bezoeken, onderricht volgen in de Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen, in kleding verstellen, in muziek maken, in toneel spelen.[54]
Mercier was aanhanger van een onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen gevormd denken waarin geloofd werd dat door een ieder die zich algemeen had ontwikkeld zelf een einde kon worden gemaakt aan de sociale misstanden. Woordvoerder van dit in het eerste decennium onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen gevormde denken was: Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905). Kerdijk had rechten gestudeerd en de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) opgericht. Hij was redacteur van het Sociaal Weekblad, waarin geubliceerd werd door: H.L. Drucker, H. Goeman Borgesius, B.H. Pekelharing, H.P.G. Quack, J.C. van Marken en Hélène Mercier. Kerdijk had zich laten inspireren door Charlotte Knappert (1860-1952). Kappert had in 1899 in Leiden Het Leidse Volkshuis geopend waar voor dienstmeisjes en vrouwelijke jeugdigen die werkzaam waren op de fabriek, leesonderricht organiseerde en onderricht in het herstellen van kleding. Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren. Na de dood van Arnold Toynbee was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.

Werklust

Aan de Engendaalschool in Soest geeft Lodewijk van Mierop (1876-1930) de jeugdigen een stukje grond te bewerken.[55] Van Mierop was aanhanger van een onder humanitaire-idealisten gevormd denken waarin geloofd werd dat op kolonies voor een ieder die wilde werken een gelukkig bestaan mogelijk was. [56] Woordvoerder van dit denken was de arts Frederik Willem van Eeden (1860-1932) ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde’.[57] Van Eeden had in 1898 in Bussum zijn kolonie Walden opgericht. Volgens Van Eeden berustte het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’.[58]
Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levens - voorwaarden en - omstandigheden af, wat hem er niet van weerhouden had zijn hele vermogen op het spel te zetten voor hulp aan de slachtoffers van de spoorwegstaking van 1903. Hij zag als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving de oprichting van een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze, waar voor eenieder die wilde werken een gelukkig leven mogelijk was.[59] Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or Life in the woods laten verschijnen. Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.[60]
Van Eeden was bewonderaar van de Oosterse theosoof Abindranath Tagore (1861-1941) en enige tijd aanhanger van het denken van ‘de vriendelijke, goedhartige en naïef-geniale professor’: de hoogleraar in de filosofie, en pre-fascist: G.J.P.J. Bolland (1854-1922).[61]

Naastenliefde

In Vledderveen (Gr.) laat de onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) de jeugdigen op een perceel dalgrond waar een afbeelding is gemaakt van Nederland, Europa en Amerika de verdeling van consumptiegoederen naspelen. [62] Borgman was aanhanger van een zich in anti-revolutionaire en christelijk historische kringen gevormd denken waarin geloofd werd dat een betere verdeling van de consumptiegoederen mogelijk was zonder geweld. Woordvoerder van dit christen-socialistisch denken was de predikant Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938).[63] De Ligt had zich aangesloten bij de Bond van Christen-Socialisten (BVCS), ook wel Religieus Socialistisch Verbond genoemd. Deze groep van personen was het weliswaar eens met de strijd van de SDAP tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten, maar stond afwijzend tegenover het cultureel en geestelijke klimaat van de SDAP waarin het christelijk geloof werd afgewezen als zijnde in strijd met de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én gezien werd als in strijd met de menselijke waardigheid doordat het mensen van strijd voor lotsverbetering afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakt.[64] De Ligt zag niet een andere wijze van produceren, maar geloofde dat het mogelijk was te komen tot een betere verdeling van consumptiegoederen zonder het gebruik van geweld. De Ligt had het beginselprogramma voor de BVCS geschreven: God Uzelf Uw Naaste. Hierin had hij opgeroepen het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.[65] 

 

III Respect voor een ieders godsdienstige-, levens- of maatschappelijke overtuiging.

 

De regering gaat toezicht houden op de ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten voor niet bij enige organisatie aangesloten jeugdigen. Ze stelt hiervoor een Centrale Jeugdraad in die deze taak moet gaan uitvoeren.

Op het Brusselse congres van de Socialistische Internationale in 1900 in Parijs hadden de aangesloten nationale partijen de opdracht gekregen anti-militaristische socialistische jeugdbonden op te richten. Volwassenen in de SDAP hadden hierop op 10 mei 1901 de Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’ opgericht. [66]
Na de mislukte tweede spoorwegstaking in 1903 had de Zaaier zo veel leden verloren dat dit voor volwassenen in de SDAP aanleiding werd op 23 april 1905 opnieuw een De Zaaier op te richten, nu met het doel het in socialistische zin opvoeden van de jeugd. Toen in de SDAP een groepering ontstond die voorstander was van een anti-parlementaire weg naar sociale verbeteringen en de Sociaal-Democratische Partij (SDP) oprichten sloten de jeugdigen in De Zaaier zich hierbij aan. Dit werd voor de leiding van de SDAP reden de band met de nieuwe De Zaaier te verbreken. In 1911 had de leiding van de SDAP weer een nieuwe jongerenorganisatie opgericht: Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP), nu met als doel de algemene ontwikkeling van de jeugdigen te bevorderen door het aanbieden van cursussen in staatshuishoudkunde, geschiedenis, Nederlandse taal, administratie. De jeugdigen bleven o
ntevreden met de lessen van ‘schoolmeesters in taal en sterrenkunde’. Ze wilden politiek bedrijven, meer zelfstandigheid, een landelijke organisatie vormen, een landelijk blad uitgeven, en af van de verplichting om met 18 jaar lid te worden van de SDAP. Toen de JOderSDAP niet dat grote aantal jonge arbeiders bracht wat de volwassenen hadden verwacht verzocht het lid voor de SDAP in de Tweede Kamer: A.H.Gerhard (1858-1948) de regering in 1914 een onderzoek in te stellen naar ‘de aard en omvang van organisaties die zich bezighouden met de vorming der niet-leerplichtige jeugd en deze commissie de bevoegdheid te geven denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen.[67] De ‘Staatscommissie’, met Gerhard als lid, kwam tot de bevinding ‘dat het verreweg grootste deel der oudere jeugd geenerlei onderwijs meer ontvangt’ en adviseerde de regering een Centrale Jeugdraad in te stellen met als taak toezicht te houden op die organisaties die zich bezighouden met het organiseren van ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten voor de niet bij enige organisatie aangesloten jeugdigen [68]. Gerhard was iemand die een hartgrondige afkeer heeft van dogma’s d.w.z. van alle meningen en beschouwingen, die aan anderen opgedrongen worden als onfeilbaar en dus onveranderlijk, omdat anderen met zeker gezag bekleed, die opinies reeds bezaten’ [69] Hij kon dan ook tot geen andere conclusie komen dat: tegenover het onloochenbare feit van verzwakkende gezinsinvloed, tegenover de ontwakende erkenning van de groote betekenis en vaak heilzame werking der onderlinge opvoeding van de jeugd zelve, (kan) o.i. geen andere conclusie (kan) staan, dan dat de gemeenschap, door middel van harer organen in de gehele opvoeding van het zeer jonge kind tot ongeveer 18 jaar daadwerkelijk ingrijpt’. [70] 
De Centrale Jeugdraad bracht enkele brochures uit waaronder “Circulaire betreffende de jeugdherbergen’ waarin gewaarschuwd wordt voor het kunnen ontstaan van een ‘onzedelijke sfeer’, waarmee bedoeld wordt het niet eerbiedigen van een ieders uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging en aan de organisaties die jeugdkampen organiseren wordt de aanbeveling gedaan deze hiërarchisch centralistisch te organiseren om toezicht te kunnen houden en eventueel de nodige maatregelen te kunnen nemen. [71] 
In navolging van de regering benoemde het gemeentebestuur van Rotterdam op 26 mei 1921 een Adviserend Ambtenaar inzake de Opvoeding van de rijpere jeugd en richtte op 10 januari 1922 een Rotterdamse Jeugd Raad op en stelde het gemeentebestuur van Amsterdam op 1 januari 1923 een tijdelijk ambtenaar aan belast met het toezicht op de van gemeentewege gesubsidieerde verenigingen welke zich bezighouden met Toynbeewerk en Vrije Jeugdvorming. Aan de scholen voor maatschappelijk werk, later geheten: Sociale Academies, kwam een opleiding waar jeugd- en jongerenwerkers werden geschoold in het organiseren van ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten voor jeugdigen die geen onderwijs meer ontvingen.

De
confessionele regering: Rooms Katholieke Staats Partij, Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie, had zich laten leiden door de ontwikkelingen in de SDAP.
Op het Brusselse congres van de Socialistische Internationale in 1900 in Parijs hadden de aangesloten nationale partijen de opdracht gekregen anti-militaristische socialistische jeugdbonden op te richten hadden volwassenen in de SDAP op 10 mei 1901 de Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’ opgericht. [72]
Na de mislukte tweede spoorwegstaking in 1903 had de Zaaier zo veel leden verloren dat dit voor volwassenen in de SDAP aanleiding werd op 23 april 1905 opnieuw een De Zaaier op te richten, nu met het doel het in socialistische zin opvoeden van de jeugd. Toen in de SDAP een groepering ontstond die voorstander was van een anti-parlementaire weg naar sociale verbeteringen en de Sociaal-Democratische Partij (SDP) oprichten sloten de jeugdigen in De Zaaier zich hierbij aan. Dit werd voor de leiding van de SDAP reden de band met de nieuwe De Zaaier te verbreken. In 1911 had de leiding van de SDAP weer een nieuwe jongerenorganisatie opgericht: Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP), nu met als doel de algemene ontwikkeling van de jeugdigen te bevorderen door het aanbieden van cursussen in staatshuishoudkunde, geschiedenis, Nederlandse taal, administratie. De jeugdigen bleven o
ntevreden. Ze wilden politiek bedrijven en meer zelfstandigheid.[73]

Toen vele jeugdigen de JOderSDAP verlieten en gepakt door de ‘revolutiekoorts’ zich aansloten bij de Sociaal-Democratische Partij (SDP) waarvan de leden voorstander waren van een opeenvolging van elkaar aanvullende en versterkende, tenslotte op revolutie uitlopende werkstakingen waren de SDAP en het NVV in maart 1918 gekomen met een Centrale voor Jeugdontwikkeling met als doel voor de leden ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten aan te bieden.[74] Deze Centrale voor Jeugdontwikkeling was in 1920 omgezet naar een Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen, beter bekend als AJC waar de leden aan de hand van ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten kennis konden maken met elkaars godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging.[75] De belangrijkste inspirator hiervan was Gerhard die tijdens meerdere conferenties een inleiding had gehouden over Doel en middelen van het jeugdwerk en iemand was die een hartgrondige afkeer heeft van dogma’s d.w.z. van alle meningen en beschouwingen, die aan anderen opgedrongen worden als onfeilbaar en dus onveranderlijk, omdat anderen met zeker gezag bekleed, die opinies reeds bezaten’. [76] 

IV Democratische gezindheid.

De botsende belangen der Europese imperialistische mogendheden hadden op 3 augustus 1914 geleid tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Tussen het na 1870 snel opkomende Duitsland en de over de gehele wereld gevestigde macht van Engeland was een strijd uitgebroken om een herverdeling van koloniën, invloedssferen en afzetmarkten.
De economische tegenstelling tussen Engeland en Duitsland was versterkt door de strijd tussen Frankrijk en Duitsland om Elzas-Lotharingen en door de strijd tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije om invloed op de Balkan.
Bij de wedren om grondstoffengebieden en afzetmarkten te beheersen maar vooral ook om kapitaal te exporteren naar economisch achtergebleven gebieden waren Duitsland, Italië en Japan te laat geweest. Zij hadden alleen nog aan economisch achtergebleven gebieden kunnen komen op kosten van Engeland, Frankrijk, België of Nederland. Voor het militaire bondgenootschap tussen Frankrijk, Rusland en Engeland enerzijds en Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië anderzijds, had de oorlog het karakter van een wereldoorlog. In 1917 schaarden de Verenigde Staten zich aan de zijde van Frankrijk en Engeland.

In Nederland leek de oorlog zeer nabij. Het leger was gemobiliseerd. Vele arbeiders waren plotseling onder de wapenen geroepen wat het economisch leven had ontwricht. De productie van arbeids- en verbruiksmiddelen was voor een belangrijk deel omgezet in de productie van oorlogsmaterieel. De producten van land- en tuinbouw en die van de visserij hadden gretig aftrek gevonden onder de oorlogvoerenden. Grote voorraden levensmiddelen werden aan het buitenland verkocht. Het percentage werklozen was gestegen van 7,4% tot 27%. Grote hoeveelheden aardappelen en groenten, rijst en cacaopoeder waren in reusachtige hoeveelheden aan Duitsland verkocht. Met medewerking van de minister van landbouw: Posthuma, waren enorme hoeveelheden zuivelproducten, eieren en groenten geëxporteerd. Ook transportmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Nederland was een hongerland geworden.

Er hadden talrijke stakingen plaatsgevonden: metaalbewerkers, loodgieters, slagers, chauffeurs, grondwerkers, steenzetters, melkslijters en nog andere categorieën hadden in de loop van dat jaar het werk neergelegd om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden af te dwingen. In de textielindustrie in Tilburg was het tot een staking gekomen. Mijnwerkers hadden gedurende ongeveer twee weken gestaakt. In Rotterdam hadden de havenarbeiders gestaakt. Er waren hongeropstootjes. In de zomer van 1917 was in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan bijna geen aardappel meer te koop, terwijl er in de Prinsengracht schepen vol met aardappels lagen, bestemd voor de export. Dit had geleid tot het Aardappeloproer. Er vonden plunderingen plaats, demonstraties en gewelddadigheden. In de kazernes van de Harskamp vond een soldatenoproer plaats. De levensmiddelenpolitiek van de regering had als gevolg dat een groot deel der stedelijke bevolking honger leed.
Doordat de uitvoer door was gegaan, was Nederland verdacht geworden, met als gevolg dat Nederland door Amerika was gerantsoeneerd, maar ook dat Nederlandse graanschepen in beslag waren genomen, dat de uitvoer van koloniale producten uit Indonesië naar Nederland was gehinderd. Elke uitvoer van levensmiddelen was onmogelijk gemaakt en de invoer van voedsel voor mens en dier, evenals die van kunstmest, tot een minimum beperkt. Deze rantsoenerings-politiek had geleid tot een totale ineenstorting van de Nederlandse invoer van overzee gedurende het laatste oorlogsjaar.

In Rusland was het werkende volk na eeuwenlange onderdrukking en opgehoopte haat en wrok in opstand gekomen. De boeren hadden steun gekregen van intellectuelen die zich verzetten tegen het tsarisme. Er ontstonden twee stromingen: Mensjewieken (minderheid) en Bolsjewieken (bolsjinstvo=meerderheid). Beide stonden op revolutionair standpunt en hingen de gedachte aan dat allereerst een einde gemaakt moest worden aan de autocratisch-feodale structuur van de Russische maatschappij. De Mensjewiki stonden op het standpunt dat de leiding moest berusten bij de liberale burgerij, de bolsjewieken hadden de opvatting dat de leiding moest berusten bij boeren en arbeiders.
In 1905 had de oorlog met Japan en de armoede onder de bevolking geleid tot de eerste Russische revolutie. Er werd een parlement: Doema in gesteld en een raad van arbeiders: Sovjet.De onvrede onder de bevolking was gebleven. In februari 1917 aan het einde van de derde hongerwinter was voor het Russische volk de maat vol. Dit leidde tussen 8 en 15 maart (februari volgens de Russische jaartelling) tot de Februari-revolutie waarmee een einde kwam aan de heerschappij van de dynastie van de Romanov’s die zo’n 300 jaar lang had geregeerd.
De Doema had een Voorlopige Regering gevormd steunend op een niet-gekozen vertegenwoordiging van gezeten liberale burgers. De Bolsjewieken organiseerden een opstand tegen de Voorlopige Regering. Deze vond plaats op 6 november, zonder slag of stoot en zonder dat er een schot gelost was. Het Sovjet Congres had de macht in handen genomen en een centrale regering gevormd met aan het hoofd Wladimir Iljitsj Oeljanow, beter bekend als: Lenin. Lenin sloot vrede met Duitsland in het verdrag van Brest-Litovsk (1917), haalde een streep door alle buitenlandse leningen en beleggingen en onteigende alle productiemiddelen, waaronder de aardoliebronnen in het Russische Kaukasus- gebied. Pogingen van diverse mogendheden: Duitsland, Engeland, Frankrijk, Tsjechië, Japan, Amerika, Turkije om het revolutionaire bewind ten val te brengen en de rijke Russische bodemschatten in handen te krijgen, mislukten. Onder de invloed van de Russische Revolutie veranderden in november 1918 revolutionaire bewegingen het Duitse keizerrijk in een republiek, kwam er een einde aan de dubbel-monarchie Oostenrijk-Hongarije, en kwam er een einde aan het Ottomaanse rijk.

De burgemeester van Rotterdam: Zimmerman, was van plan ‘om ook in geval van een revolutionaire beweging’ (die hij voorzag) ‘in ieder geval (zijn) best te doen voor het behoud der orde’. [77] De voorzitter van de machtige Scheepvaartvereniging Zuid: P. Nijgh was ervan overtuigd ’dat de Duitse gebeurtenissen hier zouden doorzetten’ en verbetering beloofd van de arbeidsvoorwaarden. [78] De minister-president van het katholieke kabinet: Ruys de Beerenbrouck (9 september 1918–18 september 1922), had die avond in Den Haag gesproken met de liberale en vrijzinnig-democratische leiders: ‘Huns inziens was alles verloren. De revolutie was niet te keren. We moesten maar wat toegeven, bijv. een paar socialisten in het kabinet opnemen.’
De redactie van De Telegraaf had aan de voorzitter van de SDAP gemeld 'dat zij bereid waren, vooral met de veel verbreide Courant, een eventuele revolutie te steunen'.[79]
Het kabinet kwam, in de hoop gevrijwaard te worden van ‘revolutionaire woelingen’, met allerlei verbeteringen: de wettelijke achturendag werd ingevoerd, het algemeen mannenkiesrecht en kort daarop het vrouwenkiesrecht, de hoogte van het ouderdomspensioen werd verhoogd en de leeftijd waarop het inging verlaagd, aan de gezinnen der miliciens die het leven hadden gelaten als gevolg van de bommen op de Zeven Provinciën werden ettelijke miljoenen als schadeloosstelling uitgekeerd en het loon van het personeel in dienst van de gemeentelijke en landelijke overheid werd sprongsgewijs verhoogd.

De politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd was diep onder de indruk gekomen van de op 11 november 1918 beëindigde oorlog met het gebrek en de nood in de arbeidersgezinnen en het bloedvergieten zonder zin op een niet meer goed voor te stellen omvang. De jeugd demonstreerde, hield protestvergaderingen, staakte zelfs hier en daar en veroordeelde politieke partijen. Drie jeugdigen, Albert de Jong en Bart de Ligt, werden veroordeeld tot resp. 19 en 27 dagen gevangenisstraf wegens opruiing. Leden van de Sociaal-Anachistische Jeugdorganisatie (SAJO) ontvreemden explosief materiaal uit een opslagplaats voor munitie en springstoffen in de omgeving van Amsterdam met het doel een aanslag te plegen op het gebouw van De Beurs in Amsterdam. De aanslag mislukte en de vijf daders werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van 12 tot 6 maanden.
In de zomer van 1921 had de Haarlemse tuinman: Herman Groenendaal (1901-1979) geweigerd de militaire dienstplicht te vervullen. Hij was hiervoor gearresteerd en uit protest tegen deze behandeling alsof hij een misdadiger was in hongerstaking gegaan. Dit had geleid tot een krachtige protestactie van de Internationaal Anti-Militaristische Vereniging (IAMV). Er hadden wekenlange demonstraties gevolgd, protestvergaderingen en hier en daar zelfs stakingen waarbij duizenden arbeiders betrokken waren. Nog enkele dienstweigeraars hadden het voorbeeld van Herman Groenendaal gevolgd. Er was een bom tot ontploffing gebracht bij de woning van een der rechters die betrokken was bij de veroordeling van Herman Groenendaal. Jeugdigen die de soldaten in een kazerne in Amsterdam wilden overhalen met hen mee te demonstreren, waren onder vuur genomen.
Uit angst dat het jongeren optreden zou leiden tot een revolutie en weer een oorlog gaan volwassenen met een samenhangende wereld- en levensbeschouwing en een hang naar theosofie, antroposofie of een op het christendom geïnspireerde religie, een democratische gezindheid bijbrengen. Zij zagen maatschappelijke tegenstellingen als een ‘natuurlijk’ gegeven, als een gevolg van het natuurlijk gegeven van de mens, die dus niet opgeheven kunnen worden, maar waarmee op een respectvolle en democratische wijze mee om dient te worden gegaan.

 

Respect voor een ieders afkomst

De onderwijzer Berend Wouters laat aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen de jeugdigen kiezen uit een activiteit te doen met de hand of een activiteit met het ‘hoofd’.[80] Wouters was aanhanger van een in de Theosophical Society aangehangen denken waarin geloofd werd dat een ieders positie in het maatschappelijk bestel een zaak was van afkomst.[81] De Theosophical Society was in 1875 opgericht door Helena Blavatsky (1831-1891) en enkele sympathisanten, allen afkomstig uit het financieel beter gesitueerde deel van de bevolking, met als doel te komen tot een sfeer van algehele broederschap zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. De Theosofische Vereniging was een groot succes, met vele vertakkingen over de wereld, in honderden loges, verdeeld over een groot aantal landen.

Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling

Aan de Pallas Athene School in Amersfoort laat de onderwijzer Johann (Jo) Hermann Bolt (1883-1973) onderricht volgen in groepjes die samengesteld zijn uit verschillende leerjaren.[82]
Bolt was aanhanger van een onder theosofen aangehangen denken waarin geloofd werd dat een ieders positie in het maatschappelijk bestel een zaak was van geestelijke ontwikkeling. Woordvoerder van dit theosofische denken was Annie (Wood) Besant (1847-1933).[83] Besant had eerder een leidende positie binnen de Anglicaanse kerk en na de dood van Blavatsky de leiding van de Theosophical Society overgenomen. Zij had in 1911 de jonge Indiër Jiddu Krishnamurtie (1895-1986) aangewezen als de nieuwe wereldleraar, de opvolger van Jezus. [84]

Respect voor een ieders temperament

Aan de Vrije School in Den Haag wordt bij het onderricht rekening gehouden met het temperament van de jeugdige.[85] De leerkrachten waaronder o.a. Daniel (Daan) Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn (1874-1959), Pieter Jacobus de Haan (1891-1968), Max Leon Stibbe (1898-1973) waren allen aanhanger van een denken waarin geloofd werd dat een ieders positie in het maatschappelijk bestel een zaak was van temperament. Woordvoerder van dit antroposofisch denken was Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925). Steiner had in 1913 het Antroposofisch Gesellschaft opgericht en in 1919 van de eigenaar van de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria: Emil Mohlt (1878-1936), de leiding gekregen van de Freie Waldorfschule in Stuttgard, om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen.

Steiner onderscheidde vier bij de mens voorkomende temperamenten: cholerisch (opvliegend), sanguinisch (opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) die bepaald zouden zijn door invloeden vanuit de kosmos.[86]
Steiner was geïnspireerd door denkers uit de Oudheid: de Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) had gewezen op de aanwezigheid van vier verschillende elementen: vaste aarde, vloeibare water, gasvormige lucht en het vuur; de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322) had gewezen op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren; de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) had gewezen op de aanwezigheid in het menselijk lichaam van vier lichaamsvochten (humores): bloed (sanguis), slijm (flegma), zwarte gal (melancholia) en gele gal (cholera); de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) had geschreven over de leer der temperamenten: sanguiniese, flegmatische, melancholiese en choleriese; de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) had de theorie ontwikkeld dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van de in de kosmos voorkomende vier elementen.[87]

Respect voor de leider

Aan de Hillegomschool in Amsterdam (Eerste Openbare Lagere School met Persoonlijkheidsonderwijs) laat de onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) onderricht volgen zonder een vast omschreven leerplan, zonder een lesrooster en zonder vaste lesmethoden.[88] Groeneweg was aanhanger van een onder bepaalde katholieken gevormd denken waarin geloofd werd dat er in het maatschappelijk bestel leiders zijn en volgelingen. Woordvoerder van dit corporatief denken was de ex-jezuïet Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944).[89] Schoenmaekers had de opleiding gevolgd tot priester bij de jezuïeten in Rome, zich op enig moment afgekeerd van de roomse-kerk, maar niet van het roomse-geloof: hij zag zich ‘katholieker dan de roomsche kerk, katholieker dan de paus’. [90] Schoenmaekers was aanhanger van een in bepaalde katholieke kringen op de middeleeuwse gildeverhoudingen geïnspireerd corporatief denken waarin de samenleving wordt gezien als een lichaam waarvan de delen een onlosmakelijk geheel vormen waarvan geen der delen gemist kan worden wil het lichaam functioneren, maar waarvan het hoofd en de ledematen niet worden gezien als gelijk-waardig.[91] Zo worden ook arbeiders en ondernemers gezien als noodzakelijk voor het functioneren van de samenleving, maar niet gezien als gelijk-waardig: de ondernemers zijn de leiders en de arbeiders de volgelingen.[92]
De van huis uit niet onbemiddelde Schoenmaekers had in Amsterdam aansluiting gezocht bij de kring van vrijzinnige christenen en vrijdenkers, zich aangemeld als lid van de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia vincit anymos', zich aangemeld bij de afdeling Amsterdam van de Theosofische Vereeniging onder lidmaatschapsnummer 1131, aansluiting gezocht bij de kring van sympathisanten van de antroposoof Rudolf Steiner, een jaar theologie gestudeerd in Pennsylvania (VS).
Schoenmaekers was uiteindelijk in Laren (NH) gaan wonen waar hij veel van zich liet horen onder de daar wonende groep van kunstenaars, aangeduid met De Stijl. De daar wonende schilder Piet Mondriaan (1872-1944) had lange tijd waardering voor Schoenmaekers’ denkbeelden maar ergerde zich op den duur aan deze 'schoolmeester-paus'. De dichter Jan Greshoff beschrijft Schoenmaekers als iemand die beschikte over een meeslepend redenaarstalent, elke discussie met andersdenkenden vermeed en geen tegenspraak duldde.[93]

Respect voor de beste

Aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap in Bilthoven laat Cornelis Boeke (1884-1954) de jeugdigen bij alle voorkomende werkzaamheden uit hun midden de beste kiezen als leider. Boeke had zich laten leiden door het denken van de Practisch Idealisten Associatie (PIA) waarvan hij lid was en waarin geloofd werd dat een financieel goed gesitueerde positie in het maatschappelijk bestel een zaak was van de beste te zijn. Woordvoerder van dit denken was de hoogleraar in de rechtswetenschap: J.J. van der Leeuw (1893-1934). Van der Leeuw had vanuit Londen de PIA in Nederland geïntroduceerd toen hij nog student was. Bij de Pia sloten zich jongeren aan uit het financieel goed gesitueerde deel van de bevolking. De vader van Boeke was directeur van de HBS, de vader van Van der Leeuw was firmant van de Van Nelle fabriek: een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam, een ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en van weer een ander was de vader directeur van de glasfabriek in Leerdam.
Van der Leeuw was voorstander van een ‘aristo-democratie’. Op alle terreinen van het maatschappelijk leven moesten ‘groepverbanden’ worden gevormd, waaruit ‘de beste’ gekozen moest worden als hoofd, die op hun beurt uit het midden de beste moesten kiezen voor het bestuur van grotere gemeenschappen, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen was.[94] Gedachten die we ook aantreffen bij de pre-fascist G.J.P.J. Bolland (1854-1922). [95]
Diverse leden van de PIA waren lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de Sterkampen op het landgoed Eerde in Ommen waar ook elk jaar een kamp van de PIA plaatsvond. Van der Leeuw sloot zich later aan bij de Theosofische Vereniging, werd voorzitter van de Nederlandse Afdeling, en was nauw betrokken bij de zomerkampen rond Krishnamurti in Ommen.

V Samenvatting

 

Nationale arbeiderspartijen

Karl Marx (1818-1883) had in 1871 de arbeiders opgeroepen nationale arbeiderspartijen op te richten. Deze oproep was niet zonder gevolg gebleven.
I
n Oostenrijk was in 1872 een socialistische partij opgericht; in Duitsland hadden in 1875 de twee bestaande arbeiderspartijen zich samengevoegd tot de Socialistische Arbeiders Partij (SAP); in Denemarken sloten in 1880 de plaatselijke politieke arbeiderspartijen zich aaneen tot een partij; in Nederland kwam in 1881 de Sociaal-Democratische Bond (SDB) tot stand; in Frankrijk waren de arbeiders nog te verdeeld om tot een socialistische arbeiderspartij te komen, maar daar was in 1884 wel een uitgebreide sociale verzekeringswet voor de mijnen tot stand gekomen; in Zwitserland was in 1888 een sociaal-democratische partij opgericht; in Hongarije was in 1890 een socialistische partij van de grond gekomen; op 1 mei 1890 was de eerste internationale Dag van de Arbeid gevierd voor de achturige werkdag met grote demonstraties in meerdere landen, waaronder Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije, Italië, Spanje, België, Nederland, Denemarken, Noorwegen, Zweden en de Verenigde Staten; in Italië was in 1892 de Partito Socialista Italiano opgericht en in 1892 in Polen de Polska Partia Socjalistyczna (PPS); in België was in 1894 een arbeiderspartij tot stand gekomen; in Nederland was in 1894 de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) opgericht; in Zweden was het in 1898 tot een zelfstandige vakbondscentrale gekomen; in Rusland was in 1898 de Russische Sociaal-Democratische Arbeiders Partij opgericht; in Russisch-Polen was in 1900 de Sociaaldemocratie van Polen en Litouwen tot stand gekomen; in Nederland was in 1909 de Sociaal-Democratische Partij opgericht toen een groep van leden van de SDAP zich had afgesplitst.
Zo waren omstreeks 1900 in bijna alle landen op het vaste land van Europa zelfstandige arbeiderspartijen en vakbonden opgericht met als gemeenschappelijk doel: een democratisering van de politieke macht waarbij stakingen niet werden uitsloten
.[96]
Dit had onder volwassenen met een afkeer van socialisme en de arbeidersbeweging geleid tot een ondergangsstemming, een stemming van pessimisme, en een vrees voor chaos en wereldondergang.

Jeugdaanbidding

Opmerkelijk was dat volwassenen bang waren geworden voor het optreden van jeugdigen. Dit heeft kunnen gebeuren doordat de industrialisatie had geleid tot een aanbidding van de jeugd. De industrialisatie had de maatschappij gemobiliseerd in het teken van de vooruitgang. Alles werd verwacht van de toekomst, jeugd en leven waren de leuzen geworden, jeugd werd gezien als identiek met vernieuwing, jong-zijn had de betekenis gekregen: bij-de-tijd. De gedachte was ontstaan dat het gehele maatschappelijk bestel het resultaat was van het werk der jeugdigen.[97]

 

Afkeer van rationalisme en intellectualisme

De volwassenen in deze schets beschreven, wezen rationalisme en intellectualisme af. Ze stonden er zelfs vijandig tegenover. Ze zagen alle af van de uitkomsten van de maatschappijwetenschappen. Ze brachten de jeugd een door hen aangehangen kijk op mens en maatschappij bij. Ze zagen jeugdigen als (toekomstige) volwassenen en verwachtten van hen in het voetspoor hunner vaderen te treden. Zij zagen de jeugdfase als geen aparte categorie, dat zich niet kwantitatief, of kwalitatief van de volwassenheid onderscheidde.

Inspiratie van buiten

De beschreven initiatieven waren geheel van eigen bodem, van buitenlandse invloeden was geheel geen sprake.  

 

 

 



 

 


[1] M. Bloch: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.


[2] G. Harmsen: Nadere definitie van jeugdbeweging. In: Blauwe en rode Jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940.Nijmegen 1975.


[3] B. A. Knoppers: Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung. Emsdetten 1931.


[4] J. H. Gunnungh Wzn.: De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, Amsterdam 1939.


[5] I. van der Velde: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940. Groningen 1970.


[6] S. J. C. Freudenthal-Lutter: Naar de school van morgen. Alphen aan de Rijn. Blz. 141.


[7] H. Verwey-Jonker: Emancipatiebewegingen in Nederland. Deventer 1983.


[8] N. L. Dodde: Het Nederlandse onderwijs veranderd. Muiderberg 1983.


[9] Morsch, C.J.J.A: Met de moed van de hoop. Studies over de vernieuwing van opvoeding, onderwijs en maatschappij in Nederland in de periode tussen 1930 en 1984. Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor in de Sociale Wetenschappen aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen 19 december 1984.


[10] Th. van Tijn: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag. In: Jeugd, school en wereld. Jrg. 55, 1971, no. 4; ook in: Student. Januari\februari 1972; zie ook zijn artikel: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, o.r.v.: L. Box, J. Dronkers, M. Molenaar en J. Mulder. Nijmegen 1977,


[11] Romein, J.: De eeuw van het kind. In: Op het breukvlak van twee eeuwen. Amsterdam, 1976.blz. 806 ev.


[12] Brugmans, I. J.: De agrarische revolutie. In: Paardenkracht en mensenmacht, blz.288 e.v., Leiden 1983.


[13] G. Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw, In: Blauwe en Rode Jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.


[14] Bymholt, B.: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 541.


[15] Bymholt, blz. 673


[16] Bymholt blz 674


[17] Roland Holst, H.: De Socialistische opvoeding der jeugd. Rotterdam 1907,


[18] Harmsen, R en bl blz. 47


[19] Overige leerkrachten waren o.a. W.v.d. Jagt (klassieke talen), H.J. Boeken (klassieke talen), Z. Stokvis (Nederlands), K. van Damme (Frans), mej. Lohman (Duits), C. M. Borneman (Engels), B. Vreeken (wiskunde en boekhouden), C. J. H. Raad (wiskunde en tekenen), mej. A. Kleefstra (onderwijzeres), J. A. van Schooten (tekenen), mej. W. Bolland (Frans, Duits, Engels).


[20] Keefstra, J.J.: Wat maken wij van onze jongeren. In Studien in Volkskracht. Amsterdam 1905,


[21] A. H. Gerhard,: Een Sociaal Sprookje, Amsterdam 1914


[22] A. H. Gerhard: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,


[23] E.H.P.H.Haeckel: Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philisofie, 1899.


[24] De grote denkers der eeuwen, Ernst Haeckel en zijn monisme, Amsterdam, zj.


[25] C. Darwin: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.Onafhankelijk van Darwin was de zoöloog Alfred Russel Wallace (1923-1913), die uitvoerig onderzoek had gedaan in o.a. de Indische Archipel, tot dezelfde conclusie gekomen. Zij legden hierover op 1 juli 1858 gezamenlijk een verklaring af voor de Linnean Society of Londen. De theorie bleef Darwin’s naam dragen.


 

[26] Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population, as it affects the future improvement of society with remarks on the speculations of mr. godwin, m. condorcet, and other writers. Londen 1798. Het verscheen onder de schuilnaam J.Johnson voor het eerst.


 

[27] Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population, as it affects the future improvement of society with remarks on the speculations of mr. godwin, m. condorcet, and other writers. Londen 1798. Het verscheen onder de schuilnaam J.Johnson voor het eerst.


[28] De geleerde Kowalewski, trok uit hetzelfde verschijnsel van de bevolkingstoename weer de tegenovergestelde conclusie n.l. dat deze de maatschappelijke ontwikkeling stimuleerde.


[29] A. Cort van der Linden,: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203


[30] Leerkrachten waren o.a.: Deutman-De Meijer, Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Nelly Korver, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot.


[31] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[32] Jans. R.:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[33] Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962. Gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.


[34] Jans, R: Tolstoj en de Literaire kritiek 1900-1920, in: Tolstoj in Nederland, Bussum 1952.


[35] P. Kropotkin: Wederkeerig dienstbetoon, een factor der evolutie. Amsterdam 1904 (Mutual aid: a factor in evolution. 1902). Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.


[36] De verhalen werden voor het eerst uitgebracht onder de titel: Dicht bij Huis, Groningen 1902. In 1904 volgde: Nog bij Moeder, Groningen 1904. Later werden de verhalen uitgebracht onder de titel: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1906.


[37] Kuyper, A: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[38] Kuyper, A: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[39] Ruter, A.J.C.: De spoorwegstakingen van 1903. Een spiegel der arbeidersbeweging in Nederland. Leiden 1935, blz. 484.


[40] Troonrede 1903.


[41] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[42] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[43] In 1946 ontstond uit een fusie van het Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) en de Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO): de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV). In 1966 ontstond uit een fusie van de NOV en de Nederlandse Bond van Leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs NBLNO: de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP). In 1997 fuseerde de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs (AVMO), de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs (CVHMO) en de Vereniging Sint-Bonaventura.
Uit de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) ontstond: de Algemene Onderwijs Bond (AOB).


[44] C. W. Coolsma: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.


[45] W. Banning: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.


[46] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


 

[47] H. Roland Holst-van der Schalk: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977. Opm: alleen de bevolking in de steen- en pannenbakkerijen langs de Gelderse rivieren hadden het mogelijk nog armer.


[48] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


 

[49] J. P. Hasebroek: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.


 

[50] Jetses voorzag ook het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkelde Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, van afbeeldingen die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien.


[51] J. de Groot: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.


[52] J. Ligthart: Een woordje aan ‘t slot. In: School en Leven. Eerste jaargang, 1899, no.52.


[53] Een leesplankje werd al in de 16 e en 17 e eeuw gebruikt op de door kleuters bezochtte Matressenschooltjes.


 

[54] M. Soree & M.Snepvangers: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.


[55] Opgericht in 1913, later voortgezet onder de naam: Van der Huchtschool.


[56] Leerkrachten waren o.a.: Lodewijk van Mierop (1876-1930), J.M. Telders, mw. M. van der Es, mw. P. van der Knoop, mw. T van Mierop-Mulder, Felix Ortt.


[57] G. Stuiveling: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.


[58] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[59] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[60] F. van Eeden: H. Thoreau, Walden or life in the woods. Londen 1908.


[61] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 543,


[62] H. L. Borgman: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K. Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph. Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H. Schuurman: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.


[63] Noordegraaf, H.: Het christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging, december 1986


[64] H. Noordegraaf: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.


[65] B. de Ligt: God Uzelf Uw Naaste. 1912.


[66] G. Harmsen: Blauwe en Rode Jeugd, Nijmegen 1975, blz. 53


[67] Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer 1913/1914, blz. 1583-1584.


[68] Verslag van de staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Ingesteld bij koninklijk Besluit van 18 juni 1917 No 58.


[69]Gerhard, A.H.: Welke plichten legt het humanisme den vrijdenker op? In M.A.Reinalda: A.H.Gerhard: Vrijdenker socialist en opvoeder. Amsterdam 1949.blz. 25 e.v.


[70] Zie: Volksontwikkeling, 2 e jrg, no: 1, oktober 1920, blz. 15.


[71] Knoppers, B.A.: Jeugd en Jeugdbeweging, Wageningen 1932, deel II


[72] G. Harmsen: Blauwe en Rode Jeugd, Nijmegen 1975, blz. 53


[73] G. Harmsen: Blauwe en Rode Jeugd, Nijmegen 1975, blz. 67


[74] G. Harmsen: Blauwe en Rode Jeugd, Nijmegen 1975, blz. 176

 


[75] Harmsen, G: Blauwe en Rode jeugd


[76]Gerhard, A.H.: Welke plichten legt het humanisme den vrijdenker op? In M.A.Reinalda: A.H.Gerhard: Vrijdenker socialist en opvoeder. Amsterdam 1949.blz. 25 e.v.


[77] Jong, L. de: De eerste wereldoorlog en zijn gevolgen, in: Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede Wereldoorlog. Dl 1, blz.42 ev


[78] Jong, L. de: De eerste wereldoorlog en zijn gevolgen, in: Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede Wereldoorlog. Dl 1, blz.42 ev


[79] W. H. Vliegen: Die onze kracht ontwaken deed. Deel III, p.437-438.


[80] Wouters, B: Evolutie in idealen voor opvoeding. In: Theosofia, jrg. XXVII, 10 janauari 1920.


[81] Wouters was op 10 mei 1903 onder nummer 23648 lid geworden.


[82] Bolt, J.H.: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn. In Theosofia, febr.1920, jrg XXVII.


[83] Bolt was op 26 maart 1915 onder nummer 58560 lid geworden.


[84] Om de jonge Indier te ontmoeten kwamen op de jaarlijkse Sterkampen in Ommen, die tussen 1923 en 1930 plaatsvonden, vele duizenden aanhangers uit alle delen van de wereld bijeen.


[85] C.H.Donker: De Vrije School te Den Haag, in: Pedagogische Studien, jrg V, blz 121 e.v. 1925.


[86] Steiner, R: Das geheimnis der menslichen temperamente. Berlin 1909


[87] Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.


[88] L. Groeneweg: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920, blz.299. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs. 1937


[89]L.Groeneweg: Scholen met losser klasseverband. In: pedagogische Studien, jrg V, 1925, blz. 299


[90] M. H.J.: Schoenmaekers: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde. Blz. 199 e.v. Bussum 1916.


[91]  Corporatisme is afgeleid van het Latijnse woord corpora dat lichamen betekent. De termen corporatisme en solidarisme die vrijwel dezelfde betekenis hebben horen thuis in het zgn. organische denken.


[92] Schoenmaekers, M. H. J.:Het geloof in den nieuwe mensch. Amsterdam 1914. Zie ook: Schoenmaekers, M.H.J.: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde, blz. 201 e.v., Bussum 1916.

 


[93] Zie J.Greshof in Het Vaderland 24-01-1957


[94] Leeuw van der J. J.: de komende Rechtsorde, in: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.

 


[95]Bolland, G.J.P.J.: DE TEEKENEN DES TIJDS, Academische les, den 28sten September 1921, te Leiden, en voorts te 's Gravenhage, Rotterdam en Amsterdam tot opening van colleges uitgesproken, blz 15 ev.


[96] Abendroth,W.: Sociale geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging, Nijmegen, blz.53


[97] Plessner, H.: Het probleem der generaties, in: Sociologisch jaarboek. III, jrg. 1949.