Onderwijsvernieuwing tussen 1900 en 1940

Onderwijsvernieuwing in Nederland tussen 1900 tot 1940.   

 

Onderwijsvernieuwing in Nederland tussen 1900 en 1940.

Cornelis Oostwal

 

“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het handelen”,[1]

 

Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de auteur.

 

Contact: cornelisoostwal@Gmail.com

Bijgewerkt: 4-8-2019


Inhoud

1) Inleiding

a) Onderwerp
b) Maatschappelijke achtergronden
c) Ideeën
d) Onderwijsvernieuwingen
2) Nationaal-christelijke gezindheid
a) Zelfbeheersing
b) Verantwoordelijkheidsbesef

c) Saamhorigheid
d) Tevredenheid

e) Plichtsbesef  
f) Werklust
g) Naastenliefde
3) Religieus-socialisme
a) Respect voor een ieders godsdienstige-, levens- of maatschappelijke overtuiging.
4) Organisch wereldbeeld
a) Respect voor een ieders aanleg
c) Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling
d) Respect voor een ieders temperament
e) Respect voor de leider
f) Respect voor de beste
5) Socialistische levenshouding

a) Kameraadschap, gemeenschapszin, arbeidsvreugde
6) Samenvatting


1.Inleiding

Onderwerp
Omstreeks 1900 ging de volksjeugd naast en gestimuleerd door de arbeidersbeweging strijd voeren voor een gelijkberechtigde positie ten opzichte van de volwassenen. [2] Uit angst dat het optreden van de jeugdigen ‘uit de hand’ zou lopen, namen volwassenen toen het initiatief dit optreden van de jeugdigen ‘in geordende banen’ te leiden: ouders en pedagogen vernieuwden het onderwijs en de overheid ging zich in toenemende mate met de zorg voor de jeugd bemoeien.

 

Maatschappelijke achtergronden
Een jeugd die strijd voerde voor een gelijkberechtigde positie ten opzichte van de volwassenen alleen kon volwassenen niet tot optreden hebben aangezet. Er moet meer aan de hand zijn geweest: een algemeen gevoelde verontrusting bij de volwassenen. De vraag lijkt dan ook van belang: welke betekenis had de jeugd in het leven van volwassenen, en wat waren de politiek-maatschappelijke omstandigheden die volwassenen aanzetten tot optreden.
De betekenis van de jeugd voor volwassenen. De maatschappij was door de industrialisatie gemobiliseerd in het teken van de vooruitgang waarin alles werd verwacht van de toekomst en de jeugd en niet de hogere leeftijdsklassen. Jeugd en leven waren de leuzen geworden. Jeugd werd gezien als identiek met vernieuwing, jong-zijn betekende: bij-de-tijd. De gedachte was ontstaan dat de gehele maatschappelijke ontwikkeling het werk was van jeugdigen en er ontstond onder volwassenen angst dat het optreden van de jeugdigen ‘uit de hand’ zou lopen.
[3]
De politiek-maatschappelijke achtergrond. De arbeiders hadden gehoor gegeven aan de oproep van Karl Marx (1818-1883) nationale arbeiderspartijen op te richten. In Oostenrijk werd in 1872 een socialistische partij opgericht; in Duitsland voegden in 1875 de twee bestaande arbeiderspartijen zich samen tot de Socialistische Arbeiders Partij (SAP); in Denemarken sloten in 1880 de plaatselijke politieke arbeiderspartijen zich aaneen tot een partij; in Nederland kwam in 1881 de Sociaal-Democratische Bond (SDB) tot stand; in Frankrijk waren de arbeiders nog te verdeeld om tot een socialistische arbeiderspartij te komen, maar daar was in 1884 wel een uitgebreide sociale verzekeringswet voor de mijnen tot stand gekomen; in Zwitserland was in 1888 een sociaal-democratische partij opgericht; in Hongarije was in 1890 een socialistische partij van de grond gekomen; op 1 mei 1890 was de eerste internationale Dag van de Arbeid gevierd voor de achturige werkdag met grote demonstraties in meerdere landen, waaronder Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije, Italië, Spanje, België, Nederland, Denemarken, Noorwegen, Zweden en de Verenigde Staten; in Italië was in 1892 de Partito Socialista Italiano opgericht en in 1892 in Polen de Polska Partia Socjalistyczna (PPS); in België was in 1894 een arbeiderspartij tot stand gekomen; in Nederland was in 1894 de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) opgericht; in Zweden was het in 1898 tot een zelfstandige vakbondscentrale gekomen ; in Rusland was in 1898 de Russische Sociaal-Democratische Arbeiders Partij opgericht; in Russisch-Polen was in 1900 de Sociaaldemocratie van Polen en Litouwen tot stand gekomen; in Nederland was in 1909 de Sociaal-Democratische Partij opgericht toen een groep van leden van de SDAP zich had afgesplitst.
Zo waren er omstreeks 1900 in bijna alle landen op het vaste land van Europa zelfstandige arbeiderspartijen en vakbonden opgericht die als gemeenschappelijk doel hadden: de maatschappij om te vormen van een kapitalistische naar een socialistische door een democratisering van de politieke macht onder hun leiding waarbij stakingen niet werden uitsloten.[4]
Deze ontwikkelingen hadden onder volwassenen met een afkeer van socialisme en de arbeidersbeweging geleid tot een stemming van pessimisme, en een vrees voor chaos en wereldondergang.


Ideeën

In deze schets zal de nadruk liggen op de samenhang tussen het denken = ideeën en het handelen. De term ideeën wordt gebruikt in de plaats van woorden als theorieën of filosofieën omdat deze begrippen een consistente, afgeronde en systematisch ontwikkelde gedachtegang veronderstellen. Hiervan is echter alleen op het hoogst intellectuele niveau sprake. Het denken in de vorm van ideeën ontstaat of herleeft, aanvankelijk los van bewegingen en zelfs voordat hiervan sprake is, in de hoofden van enkelingen.
Er is, wat genoemd kan worden, een objectief moment: welke gebeurtenissen en omtandigheden waren er gaande binnen een gegeven maatschappelijke totaliteit, en er is, wat genoemd kan worden, een subjectief moment: hoe hebben de betrokkenen de hun gegeven gebeurtenissen en omstandigheden beleefd en ervaren, wat waren hun beweegredenen om in beweging te komen, tot welk doel moest hun optreden leiden. Het doel van beide moment is het verkrijgen van inzicht.
Het gaat om het specifieke, het bijzondere, van een historische situatie bloot te leggen. Dit gebeurd niet door teleologisch te werk te gaan: toeschrijven naar een welgevallige of gewenste situatie, niet door uit te gaan van het gelijk van de één of het ongelijk van de ander, niet door oordelen te geven, niet door te vertellen wat aangenaam in de oren klinkt.
Pogingen om ter verklaring van historische en maatschappelijke processen uit te gaan van een veronderstelde algemene menselijke natuur om zo te komen tot universele psychologische wetten hebben weinig of niets opgeleverd. Meestal worden sociale verschijnselen dan herleid tot een psychologistisch simplisme. Ook verregaande abstracties onttrekken het zicht op de sociale werkelijkheid vaak meer dan dat ze het zicht verhelderen doordat essentiële verschillen tussen verschijnselen worden uitgewist.
Filosofisch-wetenschappelijk ontwikkelde gedachtestelsels treffen we aan: in de hoofden van slechts enkele originele denkers; meer vereenvoudigde gedachten worden weergegeven door de intellectuele kaders in boeken, tijdschriften en lezingen en onderlinge discussies; min of meer kant en klare bevindingen en conclusies worden weergeven door de groep der activisten in dagbladen, manifesten en redevoeringen; vage voorstellingen in de vorm van leuzen en slagzinnen vernemen we via mondelinge kontakten onder de brede massa van sympathisanten.
Gedachten zijn niet automatisch een gevolg van de sociale herkomst van een denker, ontstaan niet vrijelijk in de hoofden van geniale mannen of vrouwen, stammen niet rechtstreeks, automatisch uit de maatschappelijke achtergrond van de denker, zijn geen passieve afbeeldingen of weerspiegelingen van het maatschappelijk leven die zich onafhankelijk daarvan voltrekken in de hoofden van denkers.
Gedachten ontstaan in, vormen en ontwikkelen zich door de ontwikkelingen in het maatschappelijk leven. Dat een bepaalde groep van personen een gedachte heeft uitgewerkt en tracht dit te verwezenlijken betekend niet automatisch dat daarmee ook de belangen van die groep van personen worden gediend.
De juistheid van een gedachte hangt niet af van het ras of het geslacht van de persoon die de gedachte verkondigd, of van de afkomst of leeftijd, of van de maatschappelijke positie, of van de godsdienstige of politieke achtergrond, of doordat het afkomstig is van degene die het te berde brengt.
Ideeën en opvattingen van een politiek heersende sociale groepering berusten niet altijd op vooroordelen, ook zijn het niet altijd ideologieën: gedachten die doen voorkomen alsof hiermee het belang van anderen is gediendt maar dat in feite het eigen belang moet dienen.
De juistheid van een idee of opvatting en het belang wat er mee gediend wordt moet altijd gezocht worden in het sociale gebeuren zelf.

Jeugd en volwassenen
In Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging worden de voornaamste gebeurtenissen en verschijnselen van de Nederlandse jeugdbeweging beschreven.
[5]
In Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung, wordt gesteld dat een zelfstandig door de jeugd geleidde organisatie in Nederland ‘bijnahe nicht besteht’, over volwassenen wordt gesteld dat deze maar weinig interesse hadden voor het optreden van de jeugd, en het optreden van de overheid wordt slechts zijdelings aangehaald en niet in verband gebracht met het optreden van de jeugdigen. [6] In De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, wordt het jaar 1898 als een keerpunt in de geschiedenis van de pedagogie genoemd. [7]
In: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940, wordt het streven onder volwassenen het onderwijs te vernieuwen in de periode 1900-1916 in verband gebracht met bezwaren tegen de klassikale school en het klassikaal onderwijs, in de periode 1916-1931 in verband met buitenlandse invloeden en in de periode 1931-1940 in verband met een wijziging in de wijze waarop de leerstof wordt aangeboden.
[8]
In: Naar de school van morgen, wordt een summier overzicht gegeven van enkele pogingen van volwassenen het onderwijs te vernieuwen.
[9]
In: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag, wordt gesteld dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd zijn door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen.
[10]
Die zouden hun uitdrukking hebben gevonden in de politieke arena, maar ook in die van de opvoeding en het onderwijs. Dit laatste zou dan op twee manieren hebben plaatsgevonden: in de eerste plaats zou er telkens - al voor de theoretisch-didactische problemen rezen – een opmerkelijk vergrootte aandrang zijn gekomen van de kant van de ouders van tot dusver van onderricht meer of minder verstoken kinderen om hun spruiten wel naar de betreffende onderwijsinstellingen te sturen. Hierdoor zou er in een korte tijd een tekort zijn ontstaan aan onderwijscapaciteit (geld, ruimte, leerkrachten enz.). In de tweede plaats zou er een veranderde visie op doelstellingen en methoden van het onderwijs zijn ontstaan. Ten derde zou dat een uitvloeisel zijn van een veranderde visie op de maatschappij (onderwijs bereid voor op het leven in de maatschappij en aard en inhoud daarvan hangen dus af van de visie die men heeft van de maatschappij), anderzijds zouden juist door de toeloop naar onderwijsinstellingen uit de minder gevormde milieus nieuwe pedagogisch-didactische problemen zijn gerezen.
In Emancipatiebewegingen in Nederland, worden de zelfstandige door jeugdigen gevormde en geleidde organisaties slechts zijdelings aangehaald.
[11]
In Het Nederlandse onderwijs veranderd, wordt gesteld dat in plaats van daadwerkelijke vernieuwing en verbetering van het onderwijs in de periode 1898 tot 1963 slechts over een verandering van het onderwijs gesproken kan worden.
[12]
Dikwijls worden in onderwijskringen in Nederland buitenlandse initiatieven aangehaald, waaronder Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht, ook wel aangeduid als ‘reform-onderwijs’. [13]
Helen Parkhurst (1887-1973) die zich aan de éénmansschool in de plaats Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes geplaatst zag voor de taak de kinderen van de emigranten met een zeer verschillende intellectuele ontwikkeling onderwijs te geven schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken.
Peter Petersen (1884-1952) die in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd werd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas uit steeds minder jeugdigen bestond maakte een einde aan de jaarklassen, vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet de jeugdigen in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en liet de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd.
Célestin Freinet (1896-1966) die in 1920 op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd werd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen liet de jeugdigen aan de hand van de eigen interesse en belangstelling zich verdiepen in door hen zelfgekozen onderwerpen.
Maria Montessori (1870-1952) die in 1907 in Rome in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome geconfronteerd werd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling liet de jeugdigen met zelf gemaakt materiaal voelen, horen, zien en ruiken, weerde sprookjes, verving het vrije tekenen door het omtrekken van geometrische figuren om tot een vaste hand van schrijven te komen en oefende de zintuigen met rammelbusjes en kleurenspoeltjes.
Ook waren er voor de Eerste Wereldoorlog scholen in West-Europa waar volwassenen op voet van gelijkheid verkeerden met de jeugdigen zoals: Abbotsholme in Engeland, de Ecole des Roches in Frankrijk, de Freie Schulgemeinde in Wickersdorf (Dl), het Landerziehungsheim in Ilsenburg, de Odenwaldschule.
Dikwijls wordt verondersteld dat deze initiatieven inspiratie is geweest voor initiatieven in Nederland of er wordt op zijn minst een samenhang verondersteld tussen beide. Uit het voorliggende onderzoek zal blijken of deze veronderstellingen kloppen.

2.Nationaal-christelijke gezindheid.
Vanaf 1884 had zich een economische crises voorgedaan die voor veel arbeiders werkloosheid had gebracht. De depressie was gevallen in een tijdvak waarin de economische activiteit vanaf 1873 dalende was. Er werden minder grond- en hulpstoffen gebruikt zoals: ijzer, staal, en hout, en in mindere mate invoer van stoom en andere werktuigen. In vele bedrijfstakken was de helft of driekwart van de arbeiders zonder werk. Het was in Amsterdam tot straatdemonstraties gekomen waarbij, indien er gezongen werd of langs drukke wegen gedemonstreerd, door de politie opgetreden werd. Toen een demonstratie door Amsterdam trok, groeide die aan tot ongeveer 3000 man, met in het midden van de stoet borden die gedragen werden met het opschrift: Werk en brood voor allen, wij eisen geen aalmoes maar werk. De textielindustrie beleefde slechte tijden, in de bouwvakken heerste grote werkloosheid. De kou had de nood onder de arbeiders bijzonder schrijnend gemaakt.
De crises in de landbouw die in 1878 losbarstte was nog eens groter dan die in de nijverheid.
[14]
In de Verenigde Staten was door een toename van de immigratie en snelle uitgifte van land de productie van graan geweldig toegenomen, dat dankzij de verbeterde transportmiddelen: spoor en stoomboot, gemakkelijk en dus goedkoop naar Europa vervoerd kon worden, wat een forse daling van de graanprijzen in Nederland tot gevolg had. De daling van de prijs voor graan had ook een daling van andere producten tot gevolg: bonen, erwten, aardappelen, suikerbieten. Duizenden arbeiders, werkzaam op het platteland in de agrarische industrie, waren naar de steden getrokken in de hoop daar werk te vinden, met als gevolg dat de menigte der werklozen buitengewoon toenam. Anderen bleven in hun gemeente, in leven gehouden door de karige giften der diaconieën of burgerlijke armbesturen.
Massale en langdurige werkloosheid vooral in de winter had een belangrijk deel van de bevolking aan de rand van het bestaansminimum of zelfs daaronder gebracht. De honger was overal. De wet uit 1854 waarmee de taak van de overheid in het ondersteunen van de armen was beperkt en overgelaten aan kerken en particuliere instellingen had de honger in omvang doen toenemen. Werklozen en armen hadden zich zo goed mogelijk zien te redden. Alleen in uiterste noodzaak sprong de overheid bij.

Ook de arbeidersjeugd die op 11 à 12-jarige leeftijd aan het werk was gegaan als loopjongen, drukkers- of zetters leerling, schilders knecht, sigarenmaker, aankomend horlogemaker, diamantslijpers leerling, winkelbediende, timmermansjongen, meubelmaker had de gevolgen van de crises gemerkt. De crises had geleid tot een verscherpte concurrentie tussen enerzijds bedrijven die over voldoende financiële middelen beschikten om gebruik te kunnen maken van de stoommachine en over te gaan naar een fabrieksmatige productie waardoor ze sneller konden produceren met minder kosten, en de bedrijven anderzijds die de kosten voor een uitbreiding van de fabrieksmatige productie niet konden opbrengen, waardoor bij hen de afzet van producten verminderde. Toen deze laatste bedrijven moeite kregen het hoofd boven water te houden hadden ze de kosten hiervan afgewenteld op de jongeren door het loon te verlagen of door dit zo laag mogelijk te houden. De jeugdigen voor wie dit onaanvaardbaar was hadden zich in 1885 aaneengesloten in plaatselijke socialistische jongelieden bonden (SJB’s) die zich op 12 augustus 1888 aaneen hadden gesloten tot de landelijke Sociaal-Democratische Jongelieden Bond (SDJB). Deze was in zijn geheel lid geworden van de toen door de Lutherse predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) geleidde Sociaal-Democratische Bond (SDB).[15]
Domela Nieuwenhuis, geboren in Amsterdam als zoon van een hoogleraar aan het Luthers seminarium was Luthers predikant geworden, maar in 1879 afgetreden. Hij was een overtuigd atheïst geworden. 
Onbarmhartig had hij van leer getrokken tegen de vijf K’s: Kapitaal, Kazerne, Kerk, Kroeg en Koning, de machten die, zo zag hij het, in samenspanning de arbeiders knevelden en hun alle rechten onthielden. Hij was in 1887 lid van de Tweede Kamer geworden voor het district Schoterland. Zijn propaganda had aangeslagen bij duizenden.
De concrete actie van de jeugdigen richtte zich tegen de remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’. Hiermee liet de jeugd uit het financieel goed gesitueerde deel van de bevolking hun militaire verplichting verrichten door het financieel slecht gesitueerde deel van de bevolking: de arbeidersjeugd.
[16]
De militaire-dienstplicht door de mannelijke jeugdigen ging in het jaar in waarin zij negentien werden. De regering had van tevoren het aantal vastgesteld, in de regel was dat 60.000. Tegen de 15.000 vielen af op medische, soms ook op andere gronden. De resterende ruim 45.000 werden in twee groepen verdeeld: de buitengewoon dienstplichtigen die, als tenminste de materiele omstandigheden het toelieten, in buitengewone omstandigheden opgeroepen konden worden, en de gewoon dienstplichtigen die voor eerste oefening moesten opkomen. Deze groep was op 19.500 man gesteld. Van alle fysiek geschikten kregen dus velen vijstelling: wegens broederdienst (uit elk gezien behoefde slechts een zoon op te komen), wegens kostwinnerschap, wegens persoonlijke onmisbaarheid of wegens het bekleden van, of in opleiding zijn voor, een geestelijk of godsdienstig-menslievend ambt. Waren deze vrijstellingen verleend, dan waren er nog altijd meer dan 19.500 oproepbare. Dan ging het lot beslissen. De namen werden genummerd; de nummers werden tijdens de jaarlijkse zitting van de vaste lotingscommissie in de Ridderzaal in Den Haag door middel van een draaiende trommel getrokken en met de onderhavige naam ving de inlijving aan, net zo lang tot er 19.500 bijeen waren. De remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’ maakte het mogelijk dat jeugdigen die door de loting aangewezen waren hun militaire verplichtingen te verrichten konden afkopen door deze door een ander te laten verrichten. Dit had ertoe geleid dat jeugdigen uit de financieel beter gesitueerde sociale laag van de bevolking hun militaire verplichting tegen een vergoeding lieten verrichten door leeftijdsgenoten uit de financieel slecht gesitueerde sociale laag: de laag der arbeiders.
Tegen deze wet hielden de jeugdigen tegen de tijd dat de uitslag van de loting bekend werd gemaakt bij de lokalen van de aanstaande militairen demonstraties, colporteerden er en verspreidden er manifesten.

Na 1890 was aan de lange economische depressieperiode een einde gekomen. De banken, de handel en de industrie hadden weer winst gemaakt, de werkloosheid onder de arbeiders was gedaald, de landbouw was opgefleurd, de tuinbouw was opgekomen, in de grote havensteden was de handel handen te kort gekomen, vele nieuwe fabrieken waren verrezen.
B
innen de door Domela Nieuwenhuis geleide SDB waren debatten ontstaan over de betekenis van de parlementaire democratie en de weg die gekozen moest worden naar een op socialistische wijze ingerichte samenleving: door een opeenvolging van elkaar aanvullende en versterkende, tenslotte op revolutie uitlopende werkstakingen of een stapsgewijze hervorming door middel van wetgeving via het parlement.
Domela Nieuwenhuis koos voor de eerste weg: de anti-parlementaire weg, d
e Friese advocaat Pieter Jelles Troelstra (1860-1930) voor de tweede: de parlementaire. Troelstra had in 1894 zijn lidmaatschap van de SDB beëindigd en samen met elf gelijkgezinden, (de ‘twaalf apostelen’), de Sociaal-Democratische  Arbeiders Partij (SDAP) opgericht.
Ook door de jeugdigen binnen de Sociaal Democratische Jongelieden Bond (SDJB) werd gediscussieerd over de vraag welke weg te kiezen naar een op socialistische wijze ingerichte samenleving. Toen de
meerderheid van de jeugdigen koos voor de anti-parlementaire weg en de naam SDJB in 1896 veranderden in Socialistische Jongelieden Bond (SJB) namen volwassenen met een hang naar het orthodoxe calvinisme en liberalisme het initiatief jeugdigen een nationaal-christelijke gezindheid bij te brengen.

a) Zelfbeheersing
De onderwijzer Jentje Johan Kleefstra (1860-1929) laat a
an de Brinioschool in Hilversum de jeugdigen sport beoefenen: voetballen, schaatsen, zwemmen, korfballen, wandelen. [17]

Toelichting: Sport was in het laatste kwart van de 19e eeuw ‘als vermaak’ uit Engeland overgewaaid. Het werd in de financieel betere gesitueerde lagen van de Nederlandse bevolking gezien als een a-politieke vorm van vrijetijdsbesteding voor jonge mannen.


Kleefstra, aanhanger van de SDAP, wilde de lange slungel die met de neus in de wind, een hoge boord onder de kin, een partij geleerdheid onder de arm, overal met zijn waanwijheid te koop loopt’ en ‘de nufjes, die reeds als dames behandeld willen worden, terwijl ze nog in de korte rokken zijn’, de gelegenheid geven zich te ontwikkelen tot ‘gezonde, krachtige, tevreden menschen. [18]
Vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw had zich een denken van de westerse wereld meester gemaakt waarin werd aangenomen dat door de doorgaande ontwikkeling van de mens zowel in zijn biologische staat als in zijn staat als maatschappelijk wezen, de gemeenschap zich vanzelf zou ingroeien tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen en sociale misstanden vanzelf zouden verdwijnen.

Dit denken had zich in het laatste decennium der negentiende eeuw ook in de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) gevormd waarvan de woordvoerder was: Adriaan Henri Gerhard (1858-1948), een der oprichters van de SDAP. Gerhard genoot groot aanzien, zijn Sociaal Sprookje werd verschillende malen gedrukt en voorgelezen op vergade­ringen.[19]
Hij
had het boek: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, in het Nederlands vertaald laten verschijnen.[20]
De bioloog Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919) had in 1899 Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie, laten verschijnen. [21]

Het boek werd een ongeëvenaard succes: er werd in honderden publicaties en tijdschriften over gepubliceerd, het werd uitgegeven in meer dan twintig talen en er werden drie miljoen exemplaren van verkocht.[22]
Haeckel was popularisator van een door de successen van de natuurwetenschappen gevormd denken waarin het organisch leven: mens, plant en dier, én het an-organisch leven: de gemeenschap, als één geheel werd gezien dat zich doorgaand zou ontwikkelen. Haeckel had zich laten inspireren door de Engelse bioloog Charles Darwin (1809-1882). Darwin had, mogelijk gemaakt door de overweldigende hoeveelheid feitenmateriaal door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie die hem ter beschikking stonden, in 1859
The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life, laten verschijnen. [23]
Hierin wees hij er als eerste
op dat de natuur niet een voor eens en altijd vaststaand gebeuren is, maar door de z.g. natuurlijke selectie of teeltkeus een doorgaande evolutie doormaakte waarbij de “zwakke” uitsterft en de levenskrachtige behouden blijft. De zoöloog Alfred Russel Wallace (1923-1913) die uitvoerig onderzoek had gedaan in o.a. de Indische Archipel was onafhankelijk van Darwin tot dezelfde conclusie gekomen. Darwin en Wallace hadden hierover op 1 juli 1858 gezamenlijk een verklaring afgelegd voor de Linnean Society of Londen.
Darwin was tot zijn conclusie gekomen door de Engelse geestelijke Thomas Malthus (1766-1834).  Malthus had in zijn in 1789 uitgebracht An essay on the principle of population, dat voor het eerst verscheen onder de schuilnaam: J. Johnson [24],
gesteld dat, wanneer zich geen rampen of epidemieën voordeden, de omvang van de bevolking toenam als een meetkundige reeks: 1, 2, 4, 8, 16, 32, 64 enz., de hoeveelheid voedingsmiddelen, onder de meest gunstige omstandigheden, toenam in een rekenkundige reeks 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 enz. waardoor er elke 25 jaren een periode was waarin de omvang van de bevolking twee keer zo groot was dan er voedingsmiddelen beschikbaar waren. In deze periode van ‘overbevolking’ ging het zwakke deel van de bevolking ten onder en bleef het sterke deel leven. Deze ‘demografische verelendungstheorie’ was overigens onjuist. Het bleek dat wanneer in Engeland de omvang van de bevolking toenam het aanbod van arbeidskrachten steeg en dat als gevolg hiervan de hoogte van het loon daalde tot onder het bestaansminimum. Wanneer de omvang van de bevolking door overlijden was afgenomen, stegen de lonen weer en herhaalde zich het gehele proces.

Om de mensen, die de ‘domheid’ hadden arm te zijn, niet in verleiding te brengen om grote gezinnen te vormen stelde Malthus voor, geen armen-ondersteuning toe te staan. Bovendien waren het toch niet de besten, die arm waren en hun voortijdige dood zou dus geen verlies zijn voor de maatschappij. Letterlijk stelt hij in de eerste druk van zijn boek: "Wie niet in zijn bestaan kan voorzien, noch door hulp van zijn familie, noch door derden, heeft absoluut geen recht op voedsel, hij is inderdaad op de wereld overbodig. . . . De natuur beveelt hem te gaan en aarzelt ook niet haar bevel uit te voeren."
Neo-Malthusianen trokken de conclusie dat er een tekort was aan arbeid door toename van de omvang van de bevolking en zagen als middel om de omvang van de bevolking te verkleinen een vrijwillige geboortebeperking. Dit was ook het doel van de in 1881 opgerichte Nieuw-Malthusiaanse Bond dat met de voorlichtingsbrochure ‘De middelen ter voorkoming van groote gezinnen’ en een zogenaamd ‘middelenboekje’ zich richtte op de beperking van geboorten.

b) Verantwoordelijkheidsbesef

De regering Pierson (1897-1901) laat jeugdigen die veroordeeld zijn door de rechter, opvoeden in het eigen gezin en niet meer opsluiten. De regering gaf voogdijraden de taak de rechter te adviseren en gezinsvoogden, verenigd in de Pro Juventute verenigingen, de leiding van het gezin.
Rond de wisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat door een betere opvoeding een einde zou komen aan sociale misstanden. Woordvoerder van dit sociaal-liberaal denken was de hoogleraar in de staathuishoudkunde en statistiek Adriaan Cort van der Linden (1846-1935). Cort van der Linden was minister van justitie in de regering. Hij was jeugdigen zoals de 19-jarige L. Schotting die voor het verspreiden van een vlugschrift 2 maanden gevangenisstraf tegen zich hoorde eisen
[25], K.A.Bos en C.G.Tieleman die voor het verspreiden van een strooibiljet waren veroordeeld tot een gevangenisstraf: Bos voor 8 maanden en C.G.Tieleman tot 6 maanden [26], en een ander die in Den Haag wegens het verspreiden van opruiende geschriften was veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf [27] met andere ogen gaan zien: hij had ze gepromoveerd van ‘schooiertje’ en ‘boefje’ tot het ‘misdeelde kind’.
Cort van der Linden had gesteld dat in de opvoeding matigheid, orde, en spaarzaamheid moest worden bijgebracht.
[28]

c) Saamhorigheid
Leerkrachten aan de Humanitaire School in Laren laten de jeugdigen elkaar helpen en samenwerken.[29]
Tussen 1896 en de Eerste Wereldoorlog had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat samenwerking, en wederzijdse hulp, de ontwikkeling naar een betere gemeenschap zou bevorderen.
[30]
Woordvoerder van dit Christen-anarchisme, of Humanitaire Idealisme of Tolstojanisme zoals het ook wel werd genoemd was de hoogleraar in de weefselleer Jacob (Koos) van Rees (1854-1924). Van Rees: een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’, . . . een mensenvriend, maar niet zonder heersersneigingen [31] had in zijn woonhuis in Laren enkele kamers beschikbaar gesteld voor het onderricht en voor huisvesting van de onderwijzers en sprong bij wanneer er een financieel tekort dreigde te ontstaan.
Hij had in Blaricum eerder een kolonie opgericht waaraan een einde was gekomen toen de plaatselijke bevolking de gebouwen van de kolonie vernielden uit woede van de gevolgen van de op 8 januari 1903 gehouden spoorwegstaking.
De Russische edelman Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910) was omstreeks 1900 plotseling met veel werken voor de dag gekomen. [32]
Tolstoj werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19 e eeuw gezien die een enorme indruk maakte. Tolstoj was de zoon van een der oudste grafelijke families in het tsarenrijk. Ze zouden in de veertiende eeuw met een schare van volgelingen uit het westen zijn gekomen, om zich in de Oekraïne te vestigen. Hun aanzien was gestegen en hun rijkdom toegenomen. Ze behoorden onder Peter I in elk geval tot de voornaamste adellijke geslachten. Lev Nikolajevitsj scheen voorbestemd tot een loopbaan in de hogere regionen van de maatschappij. Tolstoi sloot zich aan bij het expeditieleger dat van 1851 tot 1853 in de Kaukasus opereerde om de opstandige bergvolken te temmen. De militaire realiteit in de Kaukasus, voor Tolstoj aanvankelijk een woest en vurig spel, sloeg al snel om in een verwerpelijke gruwel. Het lot had hem tot landjonker, tot grootgrondbezitter gemaakt. Hij had Jasjana Poljana geërfd en daarmee de verantwoordelijkheid over duizend lijfeigenen: geknechten, onwetend, onmondig. Tolstoj’s zorg was het aan de onwetendheid van deze bezitloze boerenmassa een einde te maken. Het schoolexperiment was steeds een van Tolstoj’s lievelingsdenkbeelden geweest. Hij maakte op het einde van de vijftiger jaren zijn eerste West-Europese reis: Italië, Frankrijk, Zwitserland, Duitsland.
Tolstojanen lieten zich inspireren door de politicus, historicus en bioloog Peter Kropotkin (1842-1921). Kropotkin was meer wetenschappelijk ingesteld dan Tolstoj. Kropotkin aanvaardde de evolutietheorie van Darwin, maar had kritiek op het door hem aangenomen selectiebeginsel waarin de strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en de strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest de evolutie van levensvormen zou bevorderen. Kropotkin had erop gewezen dat in het tsaristisch Rusland, waar feodale en communale samenlevingsvormen domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking, en van wederzijdse hulp, de ontwikkeling van de gemeenschap hadden bevorderd.
[33]

d) Tevredenheid
De uitgever Eduard Benjamin Ter Horst Jr. (1865-1905) laat de jeugdigen kennis bijbrengen van het dagelijkse leven van een gezin en van dat van een handarbeider.[34]
In het laatste decennium der negentiende eeuw had zich een d
enken gevormd waarin een ieders plaats in het sociale leven werd gezien als door god gegeven.
Woordvoerder van dit orthodox-protestants denken was
Abraham Kuyper (1837-1920). Kuyper was hoogleraar in de theologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam waar zijn woord een onbegrensd gezag genoot. Hij was in Maassluis geboren als zoon van een Hervormd predikant, en de ‘klokkenist der kleyne luyden’: ambachtslieden, kleine boeren, geschoolde arbeiders, winkeliers.
Kuyper zag het gezin als ‘de wortel en de kiem waar heel de Staat uit opwast, niet volgens uitvinding der menschen, maar volgens het bestel van den levenden God’, waarin de vader ‘eene macht is, die bepaalt hoe het moet, en waaraan het kind zich heeft te onderwerpen’, waardoor het besef wordt bijgebracht ‘van eerbied voor een boven ons staand gezag’, en het besef dat ‘de beslissing over de positie, waarin we geboren zouden worden, niet aan ons stond, maar aan een macht buiten ons’.
[35]
Op het Christelijk-Sociaal Congres had Kuyper het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot veroordeeld als een gevaar voor de veiligheid van het maatschappelijk leven en opgeroepen af te zien van verbetering van het lot en in de plaats daarvan gewezen op ‘het eeuwige leven’. [36]
Hij had ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’ in het vooruitzicht gesteld en erop gewezen dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.
[37]
Kuyper had leidinggegeven aan een
afsplitsing van de Hervormde Kerk waaruit samen met andere groepen van gelovigen in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland ontstonden.

Verschillende predikanten, waaronder H.P. Scholten, Hendrik de Cock van Ulrum en A. Brummelkamp van Hattem waren in botsing gekomen met de in 1816 gevormde Nederlands Hervormde Kerk. Zij werden alle door de kerkelijke autoriteiten geschorst of afgezet. De Cock had zich met zijn volgelingen in 1934 meester gemaakt van het kerkgebouw in Ulrum, Middelstum, Uithuizermeeden, Groningen enz.
In 1886 had er een tweede afscheiding plaatsgevonden: Doleantie, o.l.v. Abraham Kuyper. Kuyper wilde met zijn Doleantie meer zeggenschap tegenover de protestantse kerkvorsten. Hij gaf leiding aan het samengaan van de twee groepen van afgescheidenen met nog anderen die in 1892 leidden tot de vorming van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Toen in de Tweede Wereldoorlog de Gereformeerde Kerken het door hen aangehangen gebod de over de mens gestelde machten te eerbiedigen letterlijk namen door de Duitse bezetter te zien als de boven hen gestelde macht, was dit in 1944 voor de hoogleraar Klaas Schilder reden zich af te scheiden. Hij erkende de Duitse bezetter niet als een boven de mens gestelde macht, voor hem was dat de Koningin. Schilder wees hiermee de Duitse bezetter op religieuze gronden af, niet op humanitaire. De afgescheidenen gingen verder als: Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, ook wel als Artikel 31, het artikel uit de bijbel waarop zij hun besluit baseerden.
Kuyper had in 1901 als ministerpresident van het naar hem genoemde kabinet de in januari 1903 gehouden spoorwegstaking veroordeeld als een politiek revolutionaire-, anarchistische actie en misdadige woeling.[38]
T
oen de spoorwegarbeiders in april een tweede staking wilden houden, was hij met een reeks van ‘worgwetten’ gekomen waarin elke pressie op arbeiders die niet aan de staking deelnamen en het werk van de stakende arbeiders wilden overnemen, strafbaar was gesteld.
De uitgever TerHorstJr. was in Groningen geboren als het kind van Eduard Benjamin TerHorst (1828-1896) en Anna Berendina Gerhards. Vader TerHorst was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de papier- en boekwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860). Toen het echtpaar Wolters in 1860 overleed en er geen nakomelingen waren was TerhorstSr. eigenaar geworden van de papier- en boekwinkel. Hij had deze op zijn beurt in 1894 overgedaan aan zijn zoon.
TerHorstJr. had kennis van het orthodox-protestants geloof van Kuyper gekregen van de predikant S.D.van Veen (1856-1924). Ze hadden samen een uitgebreide reis gemaakt langs steden buiten Nederland om zo illustraties te verzamelen voor een uit te geven bijbel.
TerHorstJr.
had verhalen over het dagelijks leven van een gezin laten schrijven door Hindricus Scheepstra (1859-1913) en hem verzocht zich bij het schrijven te laten bijstaan door Gerard Jan Ligthart (1859-1916). De verhalen kwamen in 1906 uit onder de titel: Het boek van Ot en Sien.[39]
Scheepstra was leraar aan de Rijkskweekschool in Groningen en auteur van door de uitgever Wolters (ter Horst Sr. en Jr.) uitgegeven schoolboeken zoals: Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893), Ambachten en bedrijven (1903) en samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899) waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Ook was Scheepstra sinds jaren redacteur van De Schoolwereld, een door Wolters uitgegeven periodiek. Hij was opgegroeid in Roden, op het Drentse platteland.
Ligthart was opgegroeid in de Amsterdamse volksbuurt: De Jordaan. Hij was na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas, wat gebruikelijk was onder zijn leeftijdsgenoten. Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan én geen kind van wie de ouders of leerkrachten dachten dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht.
Jan werd kwekeling aan een lagere school. Dit betekende dat de hoofdonderwijzer hem het vak leerde van onderwijzer en dat hij in de avonduren verdere studie volgde. De eerste keer dat Ligthart examen deed voor de opleiding die hem de bevoegdheid moest geven aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school mislukte. Na de tweede succesvolle poging kreeg Ligthart in 1885 een aanstelling als hoofd van een school in de Tullinghstraat in Den Haag. Hij werd lid van het bestuur van het in 1842 opgerichte Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) waarvan vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid waren.
Het in 1842 opgerichte NOG fuseerde in 1946 met in 1874 opgerichte Bond van Nederlandse Onderwijzers (opgericht 1874). Hieruit ontstond de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV). Uit een fusie van de NOV met de Nederlandse Bond van Leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs (NBLNO) ontstond in 1966 de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP). De ABOP fuseerde in 1997 met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs, de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs en de Vereniging Sint-Bonaventura. Uit de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) ontstond in 1997 de Algemene Onderwijs Bond (AOB).
In de door TerHorstJr. uitgegeven en door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalen wordt het dagelijkse bestaan beschreven van een gezin dat op het platteland een ruime vrijstaande comfortabele woning bewoont met een moeder die geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht en een vader die de kost verdient als hoofdarbeider. Het is een gezin ‘waar van jongsaf Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’.
[40]
In deze romantische verhalen waarin de bucolische idylle (het land en herdersleven) de boventoon voert staat het beschreven bestaan op het platteland in schril contrast met het feitelijke bestaan van de overgrote meerderheid van bevolking.
De omstandigheden waaronder de arbeiders op het platteland leefden waren erbarmelijk: volkomen verwaarloosd, dikwijls in lemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd, verstoken van alle middelen van bestaan.
[41]
Het in de verhalen beschreven dagelijkse bestaan stond ook in schril contrast met het dagelijkse leven van de jeugdigen in de steden. Bij de volkstelling uit 1899 bleek dat in Nederland bijna een kwart van de bevolking (23%) in een eenkamerwoning gehuisvest was; dat percentage bedroeg voor de stad Rotterdam en de provincie Groningen 58%, voor de provincie Drenthe zelfs 62%.
In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden naamloze stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, waar ratten en wandluizen de nimmer ontbrekende gasten waren. Waar een waterleiding meestal ontbrak en dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. De moeders en de vaders werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie.
Dat Scheepstra zich door de uitgever moest laten bijstaan bij het schrijven door Ligthart hield verband met de achtergrond van Ligtharts maatschappelijke opvattingen: het gereformeerde geloof, waarvan Ligthart blijk had gegeven aanhanger te zijn. De gereformeerde predikant C.W. Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was.
[42]
De predikant Willem Banning (1888-1971) beschrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.
[43]
De uitgever Ter Horst Jr. had in het voorjaar van 1899 het periodiek: De schoolwereld. Weekblad van het lager onderwijs in Nederland en de koloniën, met M.J. Koenen (auteur van het Verklarend Woordenboek der Nederlandse Taal) en de onderwijzers W.K. Walstra en P.H. Mulder als redacteuren, en door Scheepstra werd geredigeerd, abrupt beëindigd. Drie maanden later was TerHorstJr. een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van een zekere grilligheid’
[44] met een nieuw periodiek gekomen dat hij als titel had gegeven: School en Leven en als ondertitel: Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin en waarvan hij als redacteur had aangesteld Ligthart.
Het door Ligthart geschreven openingsartikel: Een woordje aan ’t slot, deed veel stof opwaaien: het had de lezers te veel doen denken aan een preek.
[45]
De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943), die enkele bijdragen aan School en Leven had geleverd, was in conflict gekomen met Ligthart. Thijssen had niet anders kunnen oordelen dan dat Ligthart zich had laten inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen.
Ook had de uitgever TerHorstJr. op door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalenbundels Ligthart als auteur vermeld en Scheepstra als mede-auteur en de naam van Ligthart als mede-auteur vermeld op een heruitgave van een door Scheepstra en Walstra geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten). De uitgever had de naam van de feitelijke auteur: Walstra onvermeld gelaten.
De wandplaten met een illustratie van een handarbeider die door Ter HorstJr. werden uitgegeven boden een beeld zoals Ligthart een arbeider beschrijft, n.l. als iemand ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’.
[46].
Een beeld zoals ook de predikant J.P. Hasebroek (1812-1896) arbeiders schetst: De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid.
[47]
Om de jeugd kennis bij te brengen van het dagelijkse leven van een handarbeider had Ter HorstJr. wandplaten laten maken met een afbeelding van het dagelijks leven van een arbeider. De in de toenmalige plattelandsgemeente Groningen opgegroeide Cornelis Jetses (1873-1955) had de wandplaten gemaakt naar voorbeeld van illustraties van de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868).[48]

e) Plichtsbesef  
Hélène Mercier (1839-1910) laat in Ons Huis in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan de jeugdigen de kennis vermeerderen. Er was een bibliotheek en een leeszaal, aan een praatavond, een zondagavondbijeenkomst, een lezing of een voordracht worden deelgenomen, een tentoonstelling worden bezocht, onderricht worden gevolgd in de Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen, in kleding verstellen, in muziek maken, in toneel spelen.[49]
In het eerste decennium van de twintigste eeuw had zich onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen een denken gevormd waarin werd aangenomen dat wanneer over voldoende algemene kennis beschikten vanzelf een einde zou komen aan hun sociale misstanden. Woordvoerder van dit een vrijzinnig-democratisch denken was Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905). Kerdijk had privé-onderwijs gevolgd, rechten gestudeerd aan de Rijksuniversiteit van Utrecht, een proefschrift geschreven over de 'arbeiderskwestie' en in 1901 de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) opgericht waarvan Mercier zich had aangesloten.
Kerdijk had zich laten inspireren door het werk van E.C.Knappert (1860-1952). Knappert had eerder in Leiden in het Leidse volkshuis geopend aan werkloos geworden dienstmeisjes en andere vrouwelijke jeugdigen de mogelijkheid geboden onderricht te volgen in Nederland, in het herstellen van kleding, in verpleging, gelegenheid te maken van een bibliotheek, wandeltochten te maken, een zangkoor voor arbeiders en vakantiedagen voor de bezoekers.

Knappert had de Mulo gevolgd, de acte Frans gehaald en het diploma godsdienstonderwijzeres. In 1896 had ze de brochure De Arbeidskerk in Engeland van John Trevar vertaald en gepropageerd die een socialisme voorstond waarin aan intellectuelen de leiding werd toegedacht.

In 1915 werd ze directrice van de Amsterdamse School voor Maatschappelijk Werk. Toen Knappert in 1926 met pensioen ging had ze haar intrek genomen in een huisje op het terrein van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Bentveld.
Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren.
In Nederland waren socialistische studenten betrokken geweest bij de eerste pogingen om tot het Toynbee-werk te komen.
Na de dood van Arnold was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.

f) Werklust
Leerkrachten aan de Engendaalschool in Soest laten de jeugdigen in een schooltuin werken.[50]
In het eerste decennium der negentiende eeuw had zich onder bepaalde groepen van intellectuelen en kunstenaars een denken gevormd waarin werd aangenomen dat voor een ieder die wilde werken een gelukkig bestaan mogelijk was. Woordvoerder van dit humanitair-idealisme was Frederik Willem van Eeden (1860-1932). Van Eeden had de opleiding gevolgd tot arts. Hij was ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde
[51] die behoorde tot die groep van intellectuelen bij wie omstreeks 1900 productieve associaties (kolonies) zeer in trek waren. Ze hadden kritiek op het kapitalisme, en trachtten door het oprichten van communistische productieve associaties een aanvang te maken met een communistische maatschappij.[52]
Van Eeden had in 1898 in Bussum zijn productieve associatie: Walden opgericht. Hij nam aan dat er in West-Europa en Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op komst was en had zijn plan ontworpen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij.
Zo schrijft Van Eeden aan Henri Borel (28 februari 1898): 'Als je me belooft te zwijgen, dan zal ik je vertellen wat er hier broeit. Ik heb allang mijn huis te groot gevonden en mijn leven te verkwistend. Ik verteer meer dan 6000 's jaars en ik weet niet waaraan. Dat opeten van wat anderen zo moeitevol voortbrengen, gaat mij verdrieten. Nu ga ik een stukje grond kopen, daarop een klein huis zetten, mijn huishouden bezuinigen en van mijn grond zien te halen wat er door overleg en werk van te halen is. Dan zal ik geld overhouden en daarvan wil ik laten leven wie met mij hetzelfde leven wil delen, maar die er nu niet toe in staat is, omdat hij zich niet vrij kan kopen van de maatschappij ( .. ) Een sober buitenleven, handenarbeid en studie. Geen geldmakerij meer, de band met het kapitaal zo klein mogelijk, de eigen voortbrenging zo groot mogelijk. Ik zal trachten grond machtig te worden. Vrij zonder hypotheek of schulden natuurlijk. We beginnen met de eenvoudigste woningen en langzaamaan.'

Van Eeden zette zijn hele vermogen op het spel om de slachtoffers van de spoorwegstaking van 1903 te helpen
.
Hoever de kolonie Walden echter buiten de realiteit van het leven stond, illustreert de kijk van een paar arbeidersjongens op deze zaak: 'In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we op een zondag er heen waren gelopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zoals dat toen genoemd werd, en z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar weer naar Amsterdam terug.[53]

Van Eeden had gesteld dat het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting berustte: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’. [54]
Van Eeden nam het bestaan aan van drie standen: zij die het inkomen verkrijgen uit de opbrengst van geld: grondbezitters, aandeelhouders, renteniers; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij de overheid of uit het verrichten van arbeid als zelfstandige beroepsbeoefenaar: lakeien, ambtenaren, artsen, advocaten; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij particulieren: fabrieksarbeiders, dagloners.
[55]
Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levensvoorwaarden en -omstandigheden af, wat hem er niet van weerhouden had zijn hele vermogen op het spel te zetten voor hulp aan de slachtoffers van de spoorwegstaking van 1903. Hij zag als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze.[56]
Van Eeden was bewonderaar van de Oosterse theosoof Abindranath Tagore (1861-1941) en enige tijd aanhanger van het denken van de in Groningen in een straatarm geboren hoogleraar in de filosofie, en pre-fascist: G.J.P.J. Bolland (1854-1922). Van Eeden had in De Nieuwe Gids, waarvan hij redacteur was, geschreven dat de gedachten die hij had verwoord in zijn Redekunstige grondslag van verstandhouding, grote overeenkomst vertoonden met die van Bolland.
[57]
Van Eeden zou bij een andere gelegenheid spreken over ‘de vriendelijke, goedhartige en naïef-geniale professor.
[58]
Van Eeden richtte later de Bond van de koninklijken van geest op, waarmee hij zijn stempel wilde drukken op de cultuur en politiek van Europa,
De kolonie Walden ontwikkelde van een amateuristisch tuinbouwbedrijf zonder duidelijke reglementen tot een antikapitalistische commune, die niet anarchistisch werd genoemd maar in de praktijk wel uitging van gemeenschappelijke besluitvorming en vrijwillige beheersing van egoïsme. Het economisch zwaartepunt lag in latere jaren niet meer in land- of tuinbouw maar in enkele coöperatieve bedrijven, waarvan de bakkerij tot lang na de opheffing van Walden floreerde.
Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or Life in the woods laten verschijnen.
Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.
[59]

g) Naastenliefde
De onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) laat in Vledderveen (Gr.) de jeugdigen de verdeling van consumptiegoederen naspelen. Hij had hiervoor op een perceel dalgrond een afbeelding gemaakt van Nederland, Europa en Amerika. [60]
Onder volwassenen die zich niet thuis voelden in de SDAP had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een eerlijke verdeling van consumptiegoederen. Woordvoerder van dit denken was de predikant Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938). De Ligt behoorde tot die groep van christen-socialisten die het weliswaar eens was met de strijd van de SDAP tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten, maar afwijzend stond tegenover het culturele en geestelijke klimaat van de SDAP. In de SDAP werd het christelijk geloof afgewezen als zijnde in strijd met de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én gezien als in strijd met de menselijke waardigheid doordat het mensen van strijd voor lotsverbetering afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakt.[61]
De Ligt, zoon van een predikant, volgde van 1903 tot 1910 de opleiding tot predikant. Hij werd aanhanger van het orthodox-protestantse denken van de pre-fascist G.J.P.J. Bolland (1854-1922) en sloot zich in 1910 aan bij de in 1907 opgerichte Bond van Christen-Socialisten (BVCS).
[62]
Bij de BVCS sloten volwassenen zich aan uit anti-revolutionaire en christelijk historische kringen en volwassenen rond het christelijk weekblad Algemeen Welzijn die geloofden dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een betere verdeling van consumptiegoederen.
De Ligt schreef in 1914 een nieuw beginselprogramma voor de BVCS: God Uzelf Uw Naaste waarin hij opriep het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.
[63]

3.Religieus-humanisme

Respect voor een ieders godsdienstige-, levens- of maatschappelijke overtuiging.

Op het Brusselse congres der Socialistische Internationale in 1900 in Parijs hadden de aangesloten nationale partijen de opdracht gekregen anti-militaristische socialistische jeugdbonden op te richten. Hierop hadden volwassenen in de SDAP op 10 mei 1901 de Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’ opgericht. [64]
Na de mislukte tweede spoorwegstaking in 1903 had de Zaaier zo veel leden verloren dat dit voor volwassenen in de SDAP aanleiding was geweest op 23 april 1905 opnieuw een De Zaaier op te richten, nu met het doel het in socialistische zin opvoeden van de jeugd.
In de SDAP was een groepering ontstaan die voorstander werd van een anti-parlementaire weg naar sociale verbeteringen. Zij hadden de Sociaal-Democratische Partij (SDP) opgericht.
Toen de jeugdigen van De Zaaier zich hierbij aansloten had de leiding van de SDAP de band met de nieuwe De Zaaier verbroken. In 1911 had de leiding van de SDAP weer een nieuwe jongerenorganisatie opgericht: de Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP). Het doel was nu de algemene ontwikkeling van de jeugdigen te bevorderen door cursussen aan te bieden in staatshuishoudkunde, geschiedenis, Nederlandse taal, administratie. De jeugdigen waren echter o
ntevreden gebleven met de lessen van ‘schoolmeesters in taal en sterrenkunde’. Ze hadden aangegeven dat ze politiek wilden bedrijven, meer zelfstandigheid wilden, een landelijke organisatie wilden vormen, een landelijk blad wilden uitgeven en af wilden van de verplichting om met 18 jaar lid te worden van de SDAP.
Toen velen
de JOderSDAP verlieten deed het lid van de SDAP in de Tweede Kamer: A.H. Gerhard (zie hfdst 2), in 1914, aan de vooravond van de eerste wereldoorlog, de regering het verzoek een onderzoek in te stellen naar ‘de aard en omvang van organisaties die zich bezig houden met de vorming der niet-leerplichtige jeugd en deze commissie de bevoegdheid te geven denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen’.[65]
Naar aanleiding van de conclusie in dit in 1917 ingestelde onderzoek ‘dat het verreweg grootste deel der oudere jeugd geenerlei onderwijs meer ontvangt’ ’[66] besloot de leiding van de SDAP samen met het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) een Centrale voor Jeugdontwikkeling in te stellen met als taak voor de bij de SDAP en het NVV aangesloten jeugdigen ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren.[67]  
Het lid van het gemeentebestuur in Amsterdam voor de SDAP en wethouder voor het onderwijs: Eduard (Eliazer) Polak (1880-1962) volgde dit voorbeeld door voor de jeugdigen aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes in Amsterdam ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te laten organiseren.
Naar voorbeeld van de door SDAP en NVV ingestelde Centrale voor Jeugdontwikkeling stelde in 1920 de nieuw ingestelde regering Ruys de Beerenbrouck (1918-1922), (bestaande uit: Rooms Katholieke Staats Partij, Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie) een Centrale Jeugdraad in met als taak ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren voor de niet bij de SDAP of het NVV aangesloten jeugdigen.

Na de Eerste Wereldoorlog had zich in de SDAP een denken gevormd waarin socialisme werd gezien als een gezindheid. Aangenomen werd dat deelname aan ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten zou leiden tot respect voor een ieders persoonlijke overtuiging en dat zo verschillen in godsdienstige-, levens- of maatschappelijke overtuiging zouden worden overbrugd. 

Woordvoerder van dit religieuze gezindheids-socialisme was Willem Banning (1888-1971). Banning, opgegroeid in Friesland als zoon van een visser, had aan de Rijkskweekschool in Haarlem de opleiding gevolgd voor onderwijzer. Hij had gewerkt als huisonderwijzer en op later leeftijd in Leiden de opleiding gevolgd voor predikant, hem financiel mogelijk gemaakt door een bevriend notaris. Banning was een vooraanstaand lid van de SDAP en aanhanger van het op het christendom geïnspireerd religieus denken van de hoogleraar in de godgeleerdheid Karel Hendrik Roessingh (1886-1925). Roessingh had als student in Engeland kennis gemaakt met de Woodbrookers. Aanhangers van de Woodbrookers (Quakers) hadden in Selly Oak, in de buurt van het Engelse Birmingham, hun Woodbrook College, waarvoor de welgestelde George Cadbury (aanhanger der Quakers) zijn woonhuis en bijbehorende tuinen, Woodbrook, beschikbaar had gesteld. Naast Woodbrook werd Westhill het meest bekend.
Roessingh had in 1908 de Vereniging van Woodbrookers in Holland opgericht. Hij had bij zijn aanstelling als hoogleraar in de godgeleerdheid opgeroepen ‘persoonlijkheden’ te worden door ‘niet ons eigen geweten te onderwerpen aan het voorschrift van eene kerk, aan de wet van een staat, aan het gezag van een ander mensch’, maar af te gaan op de eigen persoonlijke overtuiging.
[68]
Banning had tijdens zijn opleiding tot predikant kennis gemaakt met het op het christendom geïnspireerd religieus denken van Roessingh. Om tegenwicht te geven aan het proletarisch- en marxistisch-socialisme van de arbeidersbeweging en het daarmee verbonden felle atheïsme had Banning met enkele anderen in 1919 de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (AG) opgericht. Deze AG kreeg met financiële steun van o.a. H. Roland Holst-Van der Schalk in Bentveld (NH) een onderkomen waar bijeenkomsten gehouden konden worden voor werklozen, waaraan Clara Wichman en H. Roland Holst-van der Schalk regelmatig hun medewerking verleenden.[69] Later zou de AG er een onderkomen bij krijgen in Kortehemmen (Frl).[70]
Banning zou na de Tweede Wereldoorlog voorstander worden van een ethische volkspartij en een pleitbezorger van een, op instigatie van J.de Quay (1901-1985) genoemd, ‘personalistisch socialisme’.
Later zou Banning zelf toegeven dat het een flop was: "Het begrip "personalistisch socialisme" had in en direct na de bezetting betekenis, het functioneerde toen als verzamelpunt van personen en groepen van verschillende aard en oorsprong. In de 15 jaar die sedert verlopen zijn, heeft het personalisme verstek laten gaan. Op het punt van politieke en maatschappelijke vormgeving, heeft het gefaald’.

Als tegenhanger van het op SDAP-leest geschoeide ontwikkelings- en ontspanningswerk werden Volkshogescholen opgericht met als doel ‘het geven van een zedelijk-geestelijke ontwikkeling aan volwassen personen als grondslag voor vernieuwing der volkscultuur en versterking van de volksgemeenschap’. [71]
De eerste kwam tot stand door initiatief van Jarig van der Wielen (1880-1950) in Bakkeveen (1932) voor jonge boeren, werklozen en studenten.
Aan de scholen voor maatschappelijk werk, later genoemd: Sociale Academies, kwamen opleidingen voor jeugd en jongerenwerk (sociaal-cultureel werk). De regering waarschuwden de organisaties die kampementen organiseerden en zich bedienden van door het rijk beschikbaar gesteld kampeermateriaal voor het kunnen ontstaan van een onzedelijke sfeer, waarmee bedoeld werd o.a. het niet eerbiedigen van een ieders uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging. Aanbevolen werd te komen tot een hiërarchische centralistische organisatie om toezicht te kunnen houden en eventueel de nodige maatregelen te kunnen nemen.
Het gemeentebestuur van Rotterdam benoemde op 26 mei 1921 een Adviserend Ambtenaar inzake de Opvoeding van de rijpere jeugd en richtte op 10 januari 1922 de Rotterdamse Jeugd Raad op. Het gemeentebestuur van Amsterdam stelde op 1 januari 1923 een tijdelijk ambtenaar aan belast met het toezicht op de van gemeentewege gesubsidieerde verenigingen welke zich bezighouden met Toynbeewerk en Vrije Jeugdvorming.

 

4.Corporatistisch wereldbeeld

De botsende belangen der Europese imperialistische mogendheden hadden op 3 augustus 1914 geleid tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Tussen het na 1870 snel opkomende Duitsland en de over de gehele wereld gevestigde macht van Engeland was een strijd uitgebroken om een herverdeling van koloniën, invloedssferen en afzetmarkten.
De economische tegenstelling tussen Engeland en Duitsland was versterkt door de strijd tussen Frankrijk en Duitsland om Elzas-Lotharingen en door de strijd tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije om invloed op de Balkan.
Bij de wedren om koloniën of invloedssferen, niet alleen voor de afzet van producten maar ook steeds meer voor investeringen zoals: de suikerindustrie op Java, de winning van tin op Billiton, in plantages in Suriname waren Duitsland, Italië en Japan te laat geweest. Zij hadden alleen nog aan koloniën kunnen komen op kosten van Engeland, Frankrijk, België of Nederland.
De spanningen tussen de grote Europese mogendheden waren voortdurend toegenomen. Er was een bewapeningswedloop op gang gekomen en verschillende keren had een oorlog nabij geleken.
Door het militaire bondgenootschap tussen Frankrijk, Rusland en Engeland enerzijds en Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië anderzijds, had de oorlog het karakter gekregen van een wereldoorlog. In 1917 schaarden de Verenigde Staten zich aan de zijde van Frankrijk en Engeland.
Doordat de Duitse legers direct België waren binnengevallen en onder de voet hadden gelopen om zo sneller Parijs te kunnen bereiken, was ook voor Nederland de oorlog zeer nabij geleken. Het leger was gemobiliseerd. Vele arbeiders waren plotseling onder de wapenen geroepen wat het economisch leven had ontwricht. De productie van arbeids- en verbruiksmiddelen was voor een belangrijk deel omgezet in de productie van oorlogsmaterieel. De producten van land- en tuinbouw en die van de visserij hadden gretig aftrek gevonden onder de oorlogvoerenden. Grote voorraden levensmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Het percentage werklozen was gestegen van 7,4% tot 27%. Grote hoeveelheden aardappelen en groenten, rijst en cacaopoeder waren in reusachtige hoeveelheden aan Duitsland verkocht. Met medewerking van de minister van landbouw: Posthuma, waren enorme hoeveelheden zuivelproducten, eieren en groenten geëxporteerd. Ook transportmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Nederland was een hongerland geworden.
Het zgn. ‘Ellendekongres’ van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in november 1915 had een onheilspellende daling van het levenspeil, ook bij de georganiseerde arbeiders, aan het licht gebracht.
[72]
 De verhoging van de lonen, zelfs van de sociaalkrachtigste arbeidersgroepen, bleek aanmerkelijk achtergebleven bij de stijging der prijzen, die toen al voor de voornaamste levensbenodigdheden op 30% werd geschat. Er hadden talrijke stakingen plaatsgevonden: metaalbewerkers, loodgieters, slagers, chauffeurs, grondwerkers, steenzetters, melkslijters en nog andere categorieën hadden in de loop van dat jaar het werk neergelegd om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden af te dwingen. In de textielindustrie in Tilburg was het tot een staking gekomen. Mijnwerkers hadden gedurende ongeveer twee weken gestaakt. In Rotterdam hadden de havenarbeiders gestaakt. Er waren hongeropstootjes. In de zomer van 1917 was in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan bijna geen aardappel meer te koop, terwijl er in de Prinsengracht schepen vol met aardappels lagen, bestemd voor de export. Dit had geleid tot het Aardappeloproer. Er vonden plunderingen plaats, demonstraties en gewelddadigheden. In de kazernes van de Harskamp vond een soldatenoproer plaats. De levensmiddelenpolitiek van de regering had als gevolg dat een groot deel der stedelijke bevolking honger leed.
Doordat de uitvoer door was gegaan, was Nederland verdacht geworden, met als gevolg dat Nederland door Amerika was gerantsoeneerd, maar ook dat Nederlandse graanschepen in beslag waren genomen, dat de uitvoer van koloniale producten uit Indonesië naar Nederland was gehinderd. Elke uitvoer van levensmiddelen was onmogelijk gemaakt en de invoer van voedsel voor mens en dier, evenals die van kunstmest, tot een minimum beperkt. Deze rantsoenerings-politiek had geleid tot een totale ineenstorting van de Nederlandse invoer van overzee gedurende het laatste oorlogsjaar.

In Rusland had onvrede onder de bevolking geleid tot een revolutie. Er was veel onvrede in Rusland door de heersende armoede. In 1898 was in Rusland de Russische Sociaaldemocratische Arbeiders Partij (RSDAP) opgericht. De RSDAP was in 1903 nog verboden door haar radicale ideeën maar was wel steeds meer in opkomst. Een scheuring had in 1903 geleid tot het ontstaan van twee groepen: de Bolsjewieken (bolsjinstvo=meerderheid) steunend op de arbeiders en de boeren en niet wilden samenwerken met de liberale oppositie; de Mensjewieken (minderheid) steunend op de kleine middenstanders en de grondeigenaren en wel wilden samenwerken met de liberale oppositie.
Tsaar Nicolaas II had in 1904 de oorlog verklaard aan Japan: de Tsaar was van mening dat Japan zijn grenzen te veel richting Russisch grondgebied had uitgebreid. Deze oorlogsverklaring gevoegd bij de armoede onder de bevolking had in 1905 geleid tot de eerste Russische revolutie. Tsaar Nicholaas II had een deel van zijn alleenheerschappij moeten afstaan aan een in 1906 ingesteld parlement: de Doema. Er was een raad van arbeiders opgericht, Sovjet, die geleid werd door
Leon Trotski (1879-1940). De sovjet- afgevaardigden waren democratisch gekozen en erkend als het hoogste gezag in het land. Er waren al snel meerdere sovjets voor verschillende groepen arbeiders ontstaan zoals: spoorwegarbeiders en fabrieksarbeiders.
De onvrede onder de bevolking was gebleven. Dit had in 1917 tussen 8 en 15 maart (februari volgens de Russische jaartelling) geleid tot de Februari-revolutie. Er was hiermee een einde gekomen aan de heerschappij van de dynastie van de Romanov’s die zo’n 300 jaar lang had geregeerd. De familie was naar Jekaterinenburg verbannen waar ze in 1918 met geweld om het leven was gebracht.
De Doema had een Voorlopige Regering ingesteld.
Het nieuwe bewind van liberalen en gematigde socialisten had echter de oorlog met Duitsland voortgezet en geen haast gemaakt met het verdelen van het grondbezit onder de boeren. Tegenover deze Voorlopige Regering stonden de raden (sovjets) van arbeiders, boeren en soldaten. De sovjets waren hier fel op tegen omdat de oorlog Rusland al miljoenen slachtoffers had gekost. Er was een strijd ontstaan tussen de Mensjewieken en de Bolsjewieken. De Mensjewieken zaten in de Voorlopige Regering en de Bolsjewieken waren vertegenwoordigd in de Sovjets. De meeste arbeiders hadden de Bolsjewieken gesteund omdat zij de meest radicale veranderingen wilden doorvoeren. De verliezen en de nog steeds aanwezige armoede hadden weer voor onrust gezorgd.
De leider van de Bolsjewieken:
Vladimir Lenin (1870-1924) had ‘alle grond aan de boeren, alle macht aan de sovjets, alle fabrieken aan de arbeiders en vrede met Duitsland’ gewenst. Lenin was na een mislukte staatsgreep in de zomer van 1917 naar Finland gevlucht, maar in september teruggekomen. De sovjets onder de leiding van Lenin hadden de Voorlopige Regering afgezet tijdens de Oktoberrevolutie (1917). Lenin had vrede gesloten met Duitsland in het verdrag van Brest-Litovsk (1917), een streep door alle buitenlandse leningen en beleggingen gehaald en alle productiemiddelen onteigend. Pogingen van diverse Europese mogendheden, de Verenigde Staten en Japan, om door militaire interventie het revolutionaire bewind ten val te brengen en de rijke Russische bodemschatten in handen te krijgen, waren mislukt. Onder de invloed van de Russische Revolutie maakten in november 1918 revolutionaire bewegingen een einde aan het Duitse keizerrijk, er kwam een einde aan het Oostenrijkse rijk, en er kwam een einde aan het Ottomaanse rijk.
In Nederland was het liberale kabinet-Cort van der Linden, in de hoop gevrijwaard te worden van ‘revolutionaire woelingen’, met allerlei verbeteringen gekomen: de wettelijke achturendag was ingevoerd, het algemeen mannenkiesrecht en kort daarop het vrouwenkiesrecht, de hoogte van het ouderdomspensioen was verhoogd en de leeftijd waarop het inging verlaagd, aan de gezinnen der miliciens die het leven hadden gelaten als gevolg van de bommen op de Zeven Provinciën waren ettelijke miljoenen als schadeloosstelling uitgekeerd en het loon van het personeel in dienst van de gemeentelijke en landelijke overheid was sprongsgewijs verhoogd.
De burgemeester van Rotterdam, Zimmerman, had om de onvermijdelijke omwenteling in elk geval ordentelijk te laten plaatsvinden, twee vakbondsleiders: A. Heykoop en J. Brautigam, bij zich geroepen [73] en medegedeeld dat hij ‘van plan was om ook in geval van een revolutionaire beweging’ (die hij voorzag) ‘in ieder geval (zijn) best te doen voor het behoud der orde’; de waterleiding, de elektrische centrale, de gasfabriek, de banken zou hij ongestoord laten voortwerken, op de stations zou hij de orde handhaven.
Heykoop en Brautigam waren, nog vóór zij Zimmerman bezochten, door de voorzitter van de machtige Scheepvaartvereniging Zuid: P. Nijgh, ontvangen, ‘die ervan overtuigd was dat de Duitse gebeurtenissen hier zouden doorzetten’; hij had schielijk verbetering beloofd van de arbeidsvoorwaarden.
Minister-president Ruys de Beerenbrouck had die avond in Den Haag gesproken met de liberale en vrijzinnig-democratische leiders: ‘Huns inziens was alles verloren. De revolutie was niet te keren. We moesten maar wat toegeven, bijv. een paar socialisten in het kabinet opnemen.’
De redactie van De Telegraaf had aan de voorzitter van de SDAP gemeld 'dat zij bereid waren, vooral met de veel verbreide Courant, een eventuele revolutie te steunen'.[74]

De politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd was diep onder de indruk gekomen van het gebrek en de nood in de arbeidersgezinnen en het bloedvergieten zonder zin met een niet meer goed voor te stellen omvang. Ze demonstreerde, hield protestvergaderingen, staakte zelfs hier en daar en veroordeelde politieke partijen. Leden van de Sociaal-Anarchistische Jeugdorganisaties (SAJO) ontvreemden explosief materiaal uit een opslagplaats voor munitie en springstoffen in de omgeving van Amsterdam met het doel een aanslag te plegen op het gebouw van De Beurs in Amsterdam, (de aanslag mislukte en de jeugdigen werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van 12 tot 6 maanden).
Herman Groenendaal weigerde de militaire dienst te vervullen, werd daarvoor gearresteerd en ging in hongerstaking. Dit leidde tot wekenlange demonstraties, protestvergaderingen en hier en daar stakingen waarbij duizenden arbeiders betrokken waren. De jeugdigen, Albert de Jong en Bart de Ligt, werden veroordeeld tot resp. 19 en 27 dagen gevangenisstraf wegens opruiing.

Toen in de ogen van vele jeugdigen de oude maatschappij had gefaald en ze met geestdrift de Russische revolutie begroetten als de dageraad van een nieuwe maatschappij en een nieuwe mens, namen volwassenen met een samenhangende wereld- en levensbeschouwing en een hang naar theosofie, antroposofie of een op het christendom geïnspireerde religie omstreeks 1920 het initiatief jeugdigen een corporatistisch wereldbeeld bij te brengen.[75]

a) Respect voor een ieders aanleg
De onderwijzer Berend Wouters laat aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen de jeugdigen kiezen een activiteit te verrichten met de handen of een met ‘het hoofd’.[76]
Wouters had zich op 10 mei 1903 onder nummer 23648 als lid laten inschrijven van de Theosophical Society. In de Theosophical Society had zich een denken gevormd waarin een ieders maatschappelijke positie gezien werd als een zaak van aanleg. De Theosophical Society was in 1875 opgericht door Helena Blavatsky (1831-1891) en enkele sympathisanten. Blavatsky was geboren als Helena Petrowna von Hahn Rottenstern in de Oekraine in het financieel beter gesitueerde deel van de bevolking en gehuwd geweest met Nikofor Blavatsky. De Theosofische Vereniging was opgericht met als doel te komen tot een sfeer van algehele broederschap zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. De Vereniging was een groot succes met vele vertakkingen over de wereld. In 1910 waren er bijna zevenhonderd loges (afdelingen), verdeeld over ruim zestien landen waaronder Nederland, met in totaal bijna 17.000 leden.

b) Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling.
Aan de Pallas Athene School in Amersfoort laat de onderwijzer Johann (Jo) Hermann Bolt (1883-1973) de jeugdigen vanaf 1924 onderricht volgen in groepjes die samengesteld zijn uit verschillende leerjaren.[77]
Bolt was in Deventer opgegroeid in een gezin waarvan de ouders het Luthers geloof aanhingen. Hij had zich op 26 maart 1915 onder nummer 58560 als lid laten inschrijven van de Theosofische Vereniging.
[78]
In de Theosophical Society had zich na de dood van Blavatsky een denken gevormd waarin een ieders maatschappelijke positie gezien werd als een zaak van geestelijke ontwikkeling. Woordvoerder van dit denken was Annie (Wood) Besant (1847-1933). Besant had eerder een leidende functie binnen de Anglicaanse kerk. Zij had na de dood van Blavatsky de leiding van de Theosofische Vereniging overgenomen en in 1911 de jonge Indiër Jiddu Krishnamurtie (1895-1986) aangesteld als de nieuwe wereldleraar, de opvolger van Jezus. Om de jonge Indiër te ontmoeten kwamen op de jaarlijkse Sterkampen in Ommen tussen 1923 en 1930, vele duizenden aanhangers uit alle delen van de wereld bijeen.

c) Respect voor een ieders temperament
Aan de Vrije School in Den Haag [79] liet men gelijkgestemde jeugdigen gezamenlijk onderricht volgen.[80]
Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925) had verkondigd dat een ieders maatschappelijke positie een zaak was van temperament. Steiner was enkele jaren lid van de Theosofische Vereniging en in 1913 met een ‘eigen’ Antroposofisch Gesellschaft gekomen toen Annie Besant in Krishnamurti de toekomstige wereldleraar meende te hebben ontdekt.
Steiner
had in 1919 in Stuttgart de leiding gekregen over de Freie Waldorfschule. De school was opgezet door Emil Mohlt (1878-1936) eigenaar van de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen.
Steiner nam aan dat een ieders temperament een gevolg was van invloeden uit de kosmos: zon, maan en sterren. Hij onderscheidde vier temperamenten: sanguinisch (opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) of cholerisch (opvliegend).
De Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) had eerder gewezen op de aanwezigheid van vier onderling kwalitatief verschillende elementen die alle door zintuigelijke waarneming bekend zijn: de vaste aarde, het vloeibare water, de gasvormige lucht en het gloeiende verterende vuur; de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322) had eerder gewezen op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren; onder invloed van de vier elementen van Aristoteles had de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) in het menselijk lichaam vier lichaamsvochten (humores) aangenomen: bloed (sanguis), slijm (flegma), zwarte gal (melancholia) en gele gal (cholera) van wier vermenging gezondheid, ziekte en verdere hoedanigheden afhingen; de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) had eerder geschreven over de leer der temperamenten: sanguiniese, flegmatische, melancholiese en choleriese; de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) had eerder de theorie ontwikkeld dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van de in de kosmos voorkomende elementen: zon en maan.
[81]

d) Respect voor de leider
Aan de Hillegomschool in Amsterdam (Eerste Openbare Lagere School met Persoonlijkheidsonderwijs) liet de onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) onderricht volgen zonder een vast omschreven leerplan, zonder een lesrooster en zonder vaste lesmethoden.[82]
In de jaren twintig had de ex-jezuïet Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944) veel van zich horen spreken met zijn ‘Beginselen der beeldende wiskunde’.[83]
Het werd v
oor de onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) zijn ‘wijsgerig grondbeginsel’.[84]
Schoenmaekers had het katholiek gymnasium in Rolduc gevolgd en de door de jezuïeten geleide opleiding tot priester in Rome. Hij had zich op enig moment afgekeerd van de roomse-kerk maar niet van het roomse-geloof: hij zag zich zelfs ‘katholieker dan de roomsche kerk, katholieker dan de paus’.
[85]
De van huis uit niet onbemiddelde Schoenmaekers had in Amsterdam aansluiting gezocht bij de kring van vrijzinnige christenen en vrijdenkers en in 1904 het tijdschrift Levensrecht opgericht: Maandschrift ter verbreiding der vrije ideeën, waaraan o.a. meewerkten Frederik van Eeden en Domela Nieuwenhuis. Zijn verzoek lid te kunnen worden van de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia vincit anymos', was hem geweigerd. Hij was korte tijd lid van de afdeling Amsterdam van de Theosofische Vereeniging onder lidmaatschapsnummer 1131, werd sympathisant van de antroposoof Rudolf Steiner, studeerde een jaar in Pennsylvania theologie en ging uiteindelijk in Laren (NH) wonen. In zijn Larense tijd had Schoenmaekers contact met de daar wonende groep van kunstenaars, aangeduid met De Stijl, waaronder de schilder Piet Mondriaan (1872-1944), maar vermeed elke discussie met andersdenkenden. De schilder Mondriaan had lange tijd waardering voor zijn denkbeelden maar ergerde zich op den duur aan deze 'schoolmeester-paus'. De dichter Jan Greshoff beschrijft hem als iemand die beschikte over een meeslepend redenaarstalent, maar geen tegenspraak duldde.
[86]
Schoenmaekers huldigde een in katholieke kringen op de middeleeuwse gildeverhoudingen geïnspireerd corporatief (corporatief is afgeleid van het Latijnse woord corpora = lichaam) denken. Hierin worden de delen van een lichaam samen als een onlosmakelijk geheel gezien waarvan geen van de delen gemist kan worden wil het lichaam functioneren, maar waarbij het hoofd en de ledematen niet gezien worden als gelijkwaardig. De maatschappij wordt hiermee vergeleken. Hier worden groepen van arbeiders en ondernemers als een onlosmakelijk geheel gezien waarvan geen groep gemist kan worden wil de samenleving functioneren, maar waarin arbeiders en ondernemers niet gezien worden als gelijkwaardig: er zijn leiders en er zijn volgelingen. Eenieder dient tevreden te zijn met de plaats in het maatschappelijk leven, al hebben diegenen die deze kijk hebben wel de neiging, voor zichzelf een plaats aan de top te reserveren. 

 

e) Respect voor de beste
Omstreeks 1926 laat Cornelis Boeke (1884-1954) aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap in Bilthoven de jeugdigen bij alle werkzaamheden de beste kiezen als leider. Boeke was opgegroeid in Alkmaar in een gezin waarvan de ouders het Nederlands Hervormde geloof aanhingen. Hij had een opleiding tot ingenieur gevolgd en zendings werk verricht in Syrie. Boeke was lid van de Nederlandse Christen Studenten Vereniging (NCSV)[87] de eerste stap van de jeugd uit het financieel goed gesitueerde deel van de bevolking zich aaneen te sluiten, en was lid van de Practisch Idealisten Associatie (PIA).
De PIA
was door de hoogleraar in de rechtswetenschap: J.J. van der Leeuw (1893-1934), toen hij nog student was, uit Londen in Nederland geïntroduceerd. Het was na de NCSV de tweede stap van de jeugd uit het financieel zeer goed gesitueerde deel van de bevolking zich aaneen te sluiten.[88]
De vader van Boeke was directeur van de HBS, de vader van Van der Leeuw was firmant van de Van Nelle fabriek, een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam, een ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en weer een ander was directeur van de glasfabriek in Leerdam.

In de PIA waren geen leden die toekeken, allen waren medewerker, ieder was verantwoordelijk voor het werk.
[89]
Bij het toetreden tot de PIA moesten de leden een verklaring ondertekenen waarin ze beloofden af te zien van het najagen van eigen eer en voordeel.
[90]
Van der Leeuw had tegenover het historisch-materialisme een historisch-idealisme gesteld: een geestelijke omwenteling diende plaats te vinden binnen in de mens.
[91]
Hij hing de gedachte aan dat een leidende positie in het maatschappelijk leven een zaak was van de beste te zijn en dat respect hiervoor verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging zouden doen overbruggen.
Van der Leeuw had opgeroepen een begin te maken met de opbouw van ‘een aristo-democratie’, een regeringsvorm waarbij op alle terreinen van het maatschappelijk leven ‘groepverbanden ‘gevormd zijn, waaruit ‘de beste’ gekozen worden als hoofd, die op hun beurt uit het midden de beste kiezen voor het bestuur van grotere gemeenschappen, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen is.
[92]
Het deed allemaal wat pre-fascistisch aan: een sterk eenhoofdig gezag.
Diverse leden werden lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de Sterkampen op het landgoed Eerde in Ommen waar ook elk jaar een kamp van de PIA plaatsvond. Van der Leeuw sloot zich later aan bij de Theosofische Vereniging, werd voorzitter van de Nederlandse Afdeling, en was nauw betrokken bij de zomerkampen rond Krishnamurti in Ommen.


4.Socialistische levenshouding
Op zwarte donderdag 24 oktober 1929 waren de koersen van de aandelen op de New-Yorkse effectenbeurs ineengestort en was er een economische depressie uitgebroken met een omvang, duur en intensiteit zoals de wereld voordien nooit had gekend.
[93]
De crises was mondiaal; niet slechts in de Verenigde Staten, niet slechts in de kapitalistische wereld, maar over de gehele aarde tot in de grondstoffenlanden toe was de werking merkbaar. Er was, dat wist men, in de Verenigde Staten waanzinnig gespeculeerd op de effectenmarkt; slechts weinigen hadden zich daar zorgen over gemaakt. Fortuinen waren verloren gegaan, ook van Nederlanders die in Amerika hun fondsen belegd of mee gespeculeerd hadden en nu met één slag hun kapitalen kwijt waren geraakt. Maar daar was het niet bij gebleven. Het wegvallen van het vertrouwen in de toekomst had in de Verenigde Staten onmiddellijk geleid tot inkrimping van de productie; inkrimping van de productie tot werkloosheid; werkloosheid tot verminderde vraag; verminderde vraag tot nóg verdere productiebeperking - het was een vicieuze cirkel geworden, een spiraal die zich hardnekkig omlaag schroefde. Toen de moeilijkheden zich in de loop van 1930 overplantten naar Europa hadden de moeilijkheden zich opgestapeld. Prijzen kelderden, winsten maakten plaats voor gigantische verliezen. Het ongeëvenaard grote aantal kapitaalverliezen en faillissementen had de werkloosheid in de ettelijke miljoenen doen oplopen. De werkloosheid had massa­le en hardnekkige vormen aangenomen. De algemene prijsdaling had de boeren extra-hard getroffen. De prijs voor tarwe was in vier jaar tijd met bijna de helft gedaald, die van rogge, boter, varkensvlees met meer dan de helft. Er was vrijwel geen landbouwer die nog de eindjes aan elkaar had kunnen knopen; hoe hard er ook gewerkt werd, de bedrijven loonden niet meer.
Uit het gehele economische leven (bedrijf na bedrijf had de productie moeten inkrimpen of zelfs stopzetten) waren de arbeiders bij tienduizenden ontslagen. Door middel van loonsverlagingen hadden de ondernemers getracht hun bedrijf rendabel te houden, althans de verliezen te beperken. De bedrijven die niet onder de arbeidsinspectie vielen, hadden de neiging vertoond, van hun arbeiders buitensporige prestaties te vergen. Wie nog als zelfstandige in het economisch verkeer stond, deed vaak zijn uiterste best om te voorkomen dat hij om werklozensteun moest aankloppen. Chauffeurs, en in het bijzonder zij die niet in loondienst waren maar zelf de eigenaar waren van een vrachtauto maakten dagen, ja weken achtereen, arbeidstijden van 16 tot 18 uur per dag, of van 24 tot 48 uren aaneen. Er waren gevallen bekend welke nog zeer veel verder gingen en waarbij de betrokken chauffeurs weken achtereen slechts een nacht per week nachtrust op hun bed hadden, terwijl zij voor de rest hun rust bij stukjes en beetjes maar in de cabine van hun auto tussen de ongelimiteerde werkuren door moesten trachten te verkrijgen.
De daling van het inkomen van arbeiders en financieel beter-gesitueerden was een catastrofe voor de middenstand, speciaal voor de winkeliers. Duizenden winkels waren opgeheven, andere van eigenaar verwisseld. De grote massa was steeds meer verarmd waardoor er steeds minder producten waren gekocht. Er was overproductie ontstaan. Het bankwezen, de industrie, de handel, de scheepvaart, hadden de neerslag van de economische crises gevoeld. De landbouw evenals de landbouw-verwerkende bedrijven hadden slag op slag gekregen. De tuinbouw was ingestort doordat naburige landen hun grenzen geheel of bijna geheel hadden afgesloten voor haar producten. De vissersvloot lag voor een groot deel werkeloos in de havens. Gebouwd werd er haast niet meer. De meeste bedrijven gingen bij de dag achteruit. Het aantal werklozen was steeds groter geworden en loonsverlagingen waren niet van de lucht.
[94]

In 1935 was de leiding van SDAP en NVV gezamenlijk gekomen met een Plan van de Arbeid dat tot een herstel van de bestaanszekerheid moest leiden. Het was geïnspireerd op een door Hendrik de Man (1885-1953) ontworpen gelijknamig plan waarmee de Belgische socialistische partij in 1933 was gekomen. In dit plan had De Man de denkbeelden verwerkt van de in 1917 naar Amerika uitgeweken Rus: W.S.Wojtinski (1885-1960), de Duitse vakbondsleider: Fritz Tarnow (1880-1951) en het lid van het Duitse parlement voor de Sociaal Democratische Partei: Fritz Baade
(1893 -1974).
Het drietal had gepleit voor een vergroting van de koopkracht, het verlenen op grote schaal van bankkredieten en het bewerkstelligen van werkverruiming door een uitgebreide politiek van openbare werken om zo de neergaande lijn van de economie om te buigen in een opgaande. Het plan had de geestdrift gewekt en niet alleen bij de arbeiders maar ook bij de middenstand en het had ook de boeren uitzicht geboden op herstel van de bestaanszekerheid.

Bij de jongeren in de Arbeiders Jeugd Centrale had de crises tot grote onzekerheid geleid.
[95]
De verlammende invloed van de massale en niet eindigende werkloosheid had tot de behoefte geleid aan houvast en zakelijkheid. Ze hadden genoeg van de ‘geduldpredikers’ en de ‘geleidelijkheidsapostelen’, die steeds weer aandrongen op afwachten en vooral niets doen in deze crisestijd.
[96]
De AJC had zich voornamelijk beziggehouden de werkloze jeugd in speciaal voor hen georganiseerde kampen gedurende een of meer weken wat levensvreugde te bieden waar ze een moment de dodelijke sleur van het nietsdoen en het zich overbodig voelen konden vergeten.
De jongeren discussieerden over het socialisme en hadden sympathie voor de Sovjet-Unie, het land dat in deze jaren niet door een economische depressie was geroerd. Toen een niet onaanzienlijk aantal jongeren in de AJC lid werd van de in 1932 door enkele uitgetreden of geroyeerde SDAP’ers opgerichte Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) namen volwassenen voor wie socialisme een zaak was van gezindheid het initiatief jeugdigen een socialistische levenshouding bij te brengen.

Kameraadschap, gemeenschapszin, arbeidsvreugde
Aan de Quakerschool op het landgoed Eerde te Ommen werden socialistische levenswaarden bijgebracht.
In de SDAP had zich een denken gevormd waarin socialisme werd gezien als een zaak van gezindheid. Aangenomen werd dat het socialisme diende plaats te vinden in het eigen ‘persoonlijke’ leven. Woordvoerder van dit personalistisch-socialisme zoals het wel werd genoemd, was: Jacobus (Koos) Jan Vorrink (1891-1955). Vorrink had aan de Rijkskweekschool in Haarlem de opleiding voor onderwijzer gevolgd, dezelfde school waarin Banning de opleiding had gevolgd, zij het enkele jaren lager. Hij was actief in de Kwekelingen Geheelonthoudersbond, in 1920 aangesteld als bezoldigd bestuurder van de AJC en in 1934 met behulp van de AJC-lobby, die alle afde­lin­gen afreisde, voorzitter geworden van de SDAP. Hij had de AJC omgevormd naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien bij de Sozialistische Arbeiter Jugend. De jeugd daar bezocht geen cafe’s, bioscopen of dancings - zij trokken op vrije dagen met hun mandolines de natuur in, gingen kamperen, beoefenden het volksdansen, zongen volksliederen en voerden stijlvolle dansen uit, waren afkerig van banaliteit, waren niet gekleed in ‘burgerlijke’ confectiepakjes met stijve boorden maar in manchesterkleding met open hemden.
Vorrink was het met de directeur van een clubhuis in Rotterdam geheel eens toen deze de volksjeugd had beoordeeld als geestelijk leeg en zedelijk laf: de geestelijke leegheid van de gemiddelde volksjongen (is) veel en groter dan wij vroeger ooit hadden gemeend en dat hij - alle onderwijs, museums, kerken, meetings enz. ten spijt – geheel en al buiten onze cultuur voortleeft, en: Nooit heeft een jongen het voor het gezag opgenomen, nooit heeft een doen blijken, dat hij een vernieling of andere overtreding afkeurde en meegewerkt om de schuldige op te sporen.. . . ’t is niets anders dan bangigheid om in een zaak te worden gemoeid.
[97]
In 1929 was verschenen: Der Sozialismus als Kultuurbewegung van de in Duitsland gevormde Belg: Hendrik de Man (1885-1953). Vorrink had het boekje van De Man zo belangrijk gevonden dat hij het zelf had vertaald en uitgegeven.
[98]
De Man had verkondigd dat de daadwerkelijke verwezenlijking van het socialisme diende te gebeuren in het eigen leven en in de eigen levensgemeenschap.
[99]
Hij zag socialisme, in tegenstelling tot het arbeiderssocialisme dat van de economie uitging en een drastische verandering van het economisch stelsel beoogde, meer als een zaak van de psychologie.
De Man was op zijn beurt gegrepen door de gedachten van G.L. Radbruch (1878-1949). Radbruch zag als belangrijkste socialistische levenswaarden: ‘Kameradschaft, Gemeinsinn, Arbeitsfreude.
[100]

5. Samenvatting en slotbeschouwing.
In
het democratiseringsproces dat zich over de tweede helft van de 19 e en de eerste helft van de 20 e eeuw uitstrekte, ging de jeugd uit de volksklasse strijd voeren voor een berechtigde positie gelijk aan die van de volwassenen. Ze wendden zich soms af van en verzetten zich soms zelfs tegen de oudere generatie, door volwassenleiders niet te accepteren. Volwassenen met een afkeer van socialisme en de arbeidersbeweging, en een pessimistisch, conservatief, ‘organisch' en ‘holistisch’ denken, gaan dan - uit angst voor chaos en de verwachting dat de cultuur ten onder zal gaan - opvoeden: een door hen aangehangen politiek-maatschappelijke kijk op mens en samenleving bijbrengen waarin rationalisme en intellectuallisme werden afgewezen.[101]

 

[1] M. Bloch: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.

[2] Harmsen, G.: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.

[3] Plessner, H.: Het probleem der generaties, in: Sociologisch jaarboek. III, jrg. 1949.

[4] Abendroth,W.: Sociale geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging. Nijmegen, blz 53

[5] Harmsen, G.: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.

[6] B. A. Knoppers: Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung. Emsdetten 1931.

[7] J. H. Gunnungh Wzn.: De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, Amsterdam 1939.

[8] I. van der Velde: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940. Groningen 1970.

[9] S. J. C. Freudenthal-Lutter: Naar de school van morgen. Alphen aan de Rijn. Blz. 141.

[10] Th. van Tijn: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag. In: Jeugd, school en wereld. Jrg. 55, 1971, no. 4; ook in: Student. Januari\februari 1972; zie ook zijn artikel: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, o.r.v.: L. Box, J. Dronkers, M. Molenaar en J. Mulder. Nijmegen 1977,

[11] H. Verwey-Jonker: Emancipatiebewegingen in Nederland. Deventer 1983.

[12] N. L. Dodde: Het Nederlandse onderwijs veranderd. Muiderberg 1983.

[13] Morsch, C.J.J.A: Met de moed van de hoop. Studies over de vernieuwing van opvoeding, onderwijs en maatschappij in Nederland in de periode tussen 1930 en 1984. Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor in de Sociale Wetenschappen aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen 19 december 1984.

[14] Brugmans, I. J.: De agrarische revolutie. In: Paardenkracht en mensenmacht, blz.288 e.v., Leiden 1983.

[15] G. Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw, In: Blauwe en Rode Jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.

[16] G. Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw. In Blauwe en Rode jeugd, blz. 24 ev.

[17] Leerkrachten waren o.a. Jentje J. F. Kleefstra (1860-1929), Kleefstra, W.v.d. Jagt (klassieke talen), H.J. Boeken (klassieke talen), Z. Stokvis (Nederlands), K. van Damme (Frans), mej. Lohman (Duits), C. M. Borneman (Engels), B. Vreeken (wiskunde en boekhouden), C. J. H. Raad (wiskunde en tekenen), mej. A. Kleefstra (onderwijzeres), J. A. van Schooten (tekenen), mej. W. Bolland (Frans, Duits, Engels)

[18] Keefstra, J.J.: Wat maken wij van onze jongeren. In Studien in Volkskracht. Amsterdam 1905,

[19] A. H. Gerhard,: Een Sociaal Sprookje, Amsterdam 1914

[20] A. H. Gerhard: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,

[21] E.H.P.H.Haeckel: Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philisofie

[22] De grote denkers der eeuwen, Ernst Haeckel en zijn monisme, Amsterdam, zj.

[23] C. Darwin: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.

[24] Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population. Malthus publiceerde het voor het eerst in 1798 onder de schuilnaam: J. Johnson.

[25] De rechtbank ontsloeg hem van rechtsvervolging, maar het O.M. ging hiertegen in beroep. Zie: B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 541.

[26] Bymholt, blz. 673

[27] Bymholt blz 674

[28] A. Cort van der Linden,: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203

[29] Opgericht 1903, leerkrachten waren o.a.: Deutman-De Meijer, Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Nelly Korver, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot

[30] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.

[31] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.

[32] Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962: gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.

[33] P. Kropotkin: Wederkeerig dienstbetoon, een factor der evolutie. Amsterdam 1904 (Mutual aid: a factor in evolution. 1902). Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.

[34] Ligthart, J en H.Scheepstra: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1906.

[35] A. Kuyper: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.

[36] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.

[37] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.

[38] Troonrede 1903.

[39] Zie noot 34: Ligthart, J en H.Scheepstra: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1906.

[40] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.

[41] H. Roland Holst-van der Schalk: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977. Opm: alleen de bevolking in de steen- en pannenbakkerijen langs de Gelderse rivieren hadden het mogelijk nog armer

[42] C. W. Coolsma: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.

[43] W. Banning: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.

[44] J. de Groot: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.

[45] J.Ligthart: Een woordje aan ‘t slot. In: School en Leven. Eerste jaargang, no.52.

[46] J.Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.

[47] J. P. Hasebroek: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.

[48] Jetses voorzag ook het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkelde Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, van afbeeldingen die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien.

[49] M. Soree & M.Snepvangers: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.

[50] Opgericht in 1913, leerkrachten waren o.a.: L. van Mierop, J.M. Telders, mw. M. van der Es, mw. P. van der Knoop, mw. T van Mierop-Mulder, Felix Ortt.

[51] G. Stuiveling: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.

[52] Geschiedenis van het Amsterdamsch Studentenleven 1632-1923.

[53] J. Saks: De pionieren van Bussum

[54] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

[55] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

[56] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

[57] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 229

[58] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 543,

[59] F. van Eeden: H. Thoreau, Walden or life in the woods. Londen 1908.

[60] H. L. Borgman: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K. Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph. Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H. Schuurman: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.

[61] H. Noordegraaf: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.

[62] Noordegraaf, H.: Het christensocialisme van Daan van der Zee. In:Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging, december 1986

[63] B. de Ligt: God Uzelf Uw Naaste. 1912.

[64] G. Harmsen: Blauwe en Rode Jeugd, Nijmegen 1975, blz. 53

[65] Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer 1913/1914, blz. 1583-1584.

[66] Verslag van de staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Ingesteld bij koninklijk Besluit van 18 juni 1917 No 58.

[67] Deze Centrale voor Jeugdontwikkeling werd in 1920 omgezet in een Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen, verder bekend als Arbeiders Jeugd Centrale (AJC).

[68] K. H. Roessingh: Persoonlijkheid en Cultuur. Haarlem 1916.

[69] W. Banning: Wat wil en doet de arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Amsterdam 1934; ook in: Wie zijn de Woodbrookers, in: Ons werk. Geschriften van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.2, zj; en: Om de groei der gemeenschap. Arnhem 1926, en: De arbeidersbeweging als beschavingsmacht. Geschriften van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.3, zpl, zj.

[70] Lindeboom, J.: Het werkverband van de Arbeidersgemeenschap in: Geschiedenis van de Barchem beweging, 1908-1958, zpl.

[71] Statuten 1939.

[72] Roland Holst, H.: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II, Nijmegen 1977.

[73] Harmsen, G, Jos perry en Floor van gelder: De jaren twintig: beroering en opgang, in: Mensenwerk, Baarn 1980.

[74] W. H. Vliegen: Die onze kracht ontwaken deed. Deel III, p.437-438.

[75] Corporatisme is afgeleid van het Latijnse woord corpora dat lichamen betekent. De termen corporatisme en solidarisme die vrijwel dezelfde betekenis hebben horen thuis in het zgn. organische denken. In deze denkwijze wordt de maatschappij opgevat als een organisme, d.w.z. alle klassen en groepen worden gezien als organen die ieder even onmisbaar zijn en zonder elkaar niet kunnen bestaan.

[76] Wouters, B: Evolutie in idealen voor opvoeding. In: Theosofia, jrg. XXVII, 10 janauari 1920.

[77] J. H. Bolt: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn. In Theosofia, febr.1920, jrg XXVII.

[78] Zie ook C.J.J.Morsch: Met de moed van de hoop. Studies over de vernieuwing van opvoeding. onderwijs en maatschappij in Nederland in de periode tussen ± 1930 en 1984. Nijmegen 1984.

[79] Leerkrachten waren o.a.: Daniel (Daan) Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn (1874-1959), Pieter Jacobus de Haan (1891-1968) en Max Leon Stibbe (1898-1973)

[80] C.H.Donker: De Vrije School te Den Haag, in: Pedagogische Studien, jrg V, blz 121 e.v. 1925.

[81] Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.

[82] L. Groeneweg: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920, blz.299. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.

[83]M. H.J.: Schoenmaekers: Beginselen der beeldende wiskunde. Bussum 1916.

[84]L. Groeneweg: Scholen met losser klasseverband, in: Paedagogische Studien, jrg 5, blz 299, 1920

[85] M. H.J.: Schoenmaekers: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde. Blz. 199 e.v. Bussum 1916.

[86] Zie J.Greshof in Het Vaderland 24-01-1957

[87] Ook wel aangeduid als Nederlandse-Christen Studenten Vereniging.

[88] Harmsen G.: Blauwe en Rode Jeugd, blz. 241

[89]Leeuw, van der J.J.: De jongeren aan den opbouw, Den Haag, zj.

[90] Harmsen G.: Blauwe en Rode Jeugd, blz. 240

[91] Leeuw van der J.J.: Het Practisch Idealisme. Baarn 1922

[92] Leeuw van der J. J.: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.

[93] Brugmans, I. J.: Het nieuwe kapitalisme. In: Paardenkracht en mensenmacht, blz. 514 e.v. Leiden 1983.

[94] G. Harmsen: Economische crises, massale werkloosheid, fascisme en oorlogsdreiging. In: Voor de Bevrijding van de arbeid, Nijmegen 1975, blz.172. Zie ook: L.de Jong

[95] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 305.

[96] Harmsen, G: De rode jeugdbeweging in de jaren van werkloosheid en oorlogsdreiging

[97] K. Vorrink: De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925. Blz.4.

[98] K. Vorrink: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928

[99] H. de Man: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929, blz.45.

[100] G. L. Radbruch: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.

[101] Woordvoerders waren Oswald Spengler (1880-1936) en Arnold Toynbee (1889-1975).