Onderwijsvernieuwing in Nederland tussen 1900 en 1940

Onderwijsvernieuwing in Nederland tussen 1900 tot 1940.   

 

Onderwijsvernieuwing in Nederland tussen 1900 en 1940.

Cornelis Oostwal

 

“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het handelen”,[1]

 

Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de auteur.

 Contact: cornelisoostwal@Gmail.com

Een beknopte weergave. 

 

Inleiding

Dikwijls worden in onderwijskringen in Nederland buitenlandse initiatieven aangehaald, waaronder Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht, ook wel aangeduid als ‘reform-onderwijs’. [2]
Helen Parkhurst (1887-1973) zag zich aan de éénmansschool in de plaats Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes geplaatst voor de taak de kinderen van de emigranten met een zeer verschillende intellectuele ontwikkeling onderwijs te geven. Zij schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken.
Peter Petersen (1884-1952) werd in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas uit steeds minder jeugdigen bestond. Hij maakte een einde aan de jaarklassen, vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet de jeugdigen in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en liet de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd.
Célestin Freinet (1896-1966) werd op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen. Hij liet de jeugdigen aan de hand van de eigen interesse en belangstelling zich verdiepen in door hen zelfgekozen onderwerpen.
Maria Montessori (1870-1952) werd in Rome in het Santo Spirito-ziekenhuis geconfronteerd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling. Zij liet de jeugdigen met zelf gemaakt materiaal voelen, horen, zien en ruiken, weerde sprookjes, verving het vrije tekenen door het omtrekken van geometrische figuren om tot een vaste hand van schrijven te komen en oefende de zintuigen met rammelbusjes en kleurenspoeltjes.
Ook waren er voor de Eerste Wereldoorlog scholen in West-Europa waar volwassenen trachtten op voet van gelijkheid te verkeren met de jeugdigen zoals: Abbotsholme in Engeland, de Ecole des Roches in Frankrijk, de Freie Schulgemeinde in Wickersdorf (Dl), het Landerziehungsheim in Ilsenburg, de Odenwaldschule.
Dikwijls wordt verondersteld dat deze initiatieven inspiratie is geweest voor initiatieven die in Nederland plaatvonden of er wordt op zijn minst een samenhang verondersteld tussen beide. Uit het voorliggende onderzoek zal blijken of deze veronderstellingen kloppen.

Nationale en christelijke deugden
Omstreeks 1900 nemen volwassenen met een hang naar het orthodoxe calvinisme en liberalisme het initiatief jeugdigen nationale en christelijke deugden bij te brengen.

a)Zelfbeheersing
De onderwijzer Jentje Johan Kleefstra (1860-1929) laat aan de Brinioschool in Hilversum de jeugdigen sport beoefenen: voetballen, schaatsen, zwemmen, korfballen, wandelen. [3]

Sport was in het laatste kwart van de 19e eeuw ‘als vermaak’ uit Engeland overgewaaid. Het werd in de financieel betere gesitueerde lagen van de Nederlandse bevolking gezien als een a-politieke vorm van vrijetijdsbesteding voor jonge mannen.


Kleefstra, lid van de SDAP, wilde de lange slungel die met de neus in de wind, een hoge boord onder de kin, een partij geleerdheid onder de arm, overal met zijn waanwijheid te koop loopt’ en ‘de nufjes, die reeds als dames behandeld willen worden, terwijl ze nog in de korte rokken zijn’, zich laten ontwikkelen tot ‘gezonde, krachtige, tevreden menschen. [4]
Vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw had zich een denken van de westerse wereld meester gemaakt waarin werd aangenomen dat door de doorgaande ontwikkeling van de mens zowel in zijn biologische staat als in zijn staat als maatschappelijk wezen, de gemeenschap zich vanzelf zou ingroeien tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen, waardoor sociale misstanden vanzelf zouden verdwijnen.

Dit denken had zich in het laatste decennium der negentiende eeuw ook in de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) gevormd. Woordvoerder hievan was: Adriaan Henri Gerhard (1858-1948), een der oprichters van de SDAP. Gerhard genoot groot aanzien, zijn Sociaal Sprookje werd verschillende malen gedrukt en voorgelezen op vergade­ringen.[5]
Hij
had het boek: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, in het Nederlands vertaald laten verschijnen.[6]
De bioloog Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919) had in 1899 Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie, laten verschijnen. [7]

Het boek werd een ongeëvenaard succes: er werd in honderden publicaties en tijdschriften over gepubliceerd, het werd uitgegeven in meer dan twintig talen en er werden drie miljoen exemplaren van verkocht.[8]
Haeckel was popularisator van een door de successen van de natuurwetenschappen gevormd denken waarin het organisch leven: mens, plant en dier, én het an-organisch leven: de menselijke geschiedenis, als één geheel werd gezien dat zich doorgaand zou ontwikkelen. Haeckel had zich laten inspireren door de Engelse bioloog Charles Darwin (1809-1882). Darwin had, mogelijk gemaakt door de overweldigende hoeveelheid feitenmateriaal door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie die hem ter beschikking stonden, in 1859
The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life, laten verschijnen. [9]
Darwin was de eerste, die de historische methode in de biologie toepaste. Hij wees erop
dat de natuur niet een voor eens en altijd vaststaand gebeuren is, dat alle tegenwoordig levende soorten van dieren en planten niet onveranderlijk zijn en dat de gehele tegenwoordige organische wereld, planten zowel als dieren en dus ook de mens, het product zijn van een ontwikkelingsproces, dat miljoenen jaren geduurd heeft. Door de z.g. natuurlijke selectie of teeltkeus maakte de organische wereld een doorgaande evolutie door waarbij de “zwakke” uitsterft  en die soort die het best aangepast is aan de omgeving en de omstandigheden, niet slechts wat de uiterlijke eigenschappen (soort) betreft, maar ook wat betreft de innerlijke hoedanigheden: functioneren van het hart, van de longen, de ontwikkeling van het zenuwstelsel en de zintuigen en de kracht der instincten behouden blijft. De zoöloog Alfred Russel Wallace (1923-1913) die uitvoerig onderzoek had gedaan in o.a. de Indische Archipel was onafhankelijk van Darwin tot dezelfde conclusie gekomen. Darwin en Wallace hadden hierover op 1 juli 1858 gezamenlijk een verklaring afgelegd voor de Linnean Society of Londen.
Darwin was tot zijn conclusie gekomen door de Engelse geestelijke Thomas Malthus (1766-1834).  Malthus had in zijn in 1789 uitgebracht An essay on the principle of population, dat voor het eerst verscheen onder de schuilnaam: J. Johnson [10],
gesteld dat, wanneer zich geen rampen of epidemieën voordeden, de omvang van de bevolking toenam als een meetkundige reeks: 1, 2, 4, 8, 16, 32, 64 enz., de hoeveelheid voedingsmiddelen, onder de meest gunstige omstandigheden, toenam in een rekenkundige reeks 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 enz. waardoor er elke 25 jaren een periode was waarin de omvang van de bevolking twee keer zo groot was dan er voedingsmiddelen beschikbaar waren. In deze periode van ‘overbevolking’ ging het zwakke deel van de bevolking ten onder en bleef het sterke deel leven. Deze ‘demografische verelendungstheorie’ was overigens onjuist. Het bleek dat wanneer in Engeland de omvang van de bevolking toenam het aanbod van arbeidskrachten steeg en dat als gevolg hiervan de hoogte van het loon daalde tot onder het bestaansminimum. Wanneer de omvang van de bevolking door overlijden was afgenomen, stegen de lonen weer en herhaalde zich het gehele proces.
Om de mensen, die de ‘domheid’ hadden arm te zijn, niet in verleiding te brengen om grote gezinnen te vormen stelde Malthus voor, geen armen-ondersteuning toe te staan. Bovendien waren het toch niet de besten, die arm waren en hun voortijdige dood zou dus geen verlies zijn voor de maatschappij. Letterlijk stelt hij in de eerste druk van zijn boek: "Wie niet in zijn bestaan kan voorzien, noch door hulp van zijn familie, noch door derden, heeft absoluut geen recht op voedsel, hij is inderdaad op de wereld overbodig. . . . De natuur beveelt hem te gaan en aarzelt ook niet haar bevel uit te voeren."
Neo-Malthusianen trokken de conclusie dat er een tekort was aan arbeid door toename van de omvang van de bevolking en zagen als middel om de omvang van de bevolking te verkleinen een vrijwillige geboortebeperking. Dit was ook het doel van de in 1881 opgerichte Nieuw-Malthusiaanse Bond dat met de voorlichtingsbrochure ‘De middelen ter voorkoming van groote gezinnen’ en een zogenaamd ‘middelenboekje’ zich richtte op de beperking van geboorten.

b) Verantwoordelijkheidsbesef

De regering Pierson (1897-1901) laat jeugdigen die veroordeeld zijn door de rechter niet meer opsluiten, maar opvoeden in het eigen gezin. De regering gaf voogdijraden de taak de rechter te adviseren en gezinsvoogden, verenigd in de Pro Juventute verenigingen, de leiding van het gezin.
Rond de wisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat door een betere opvoeding een einde zou komen aan sociale misstanden.
[11]
Woordvoerder van dit sociaal-liberaal denken was de minister van justitie in het kabinet en hoogleraar in de staathuishoudkunde en statistiek Adriaan Cort van der Linden (1846-1935). Cort van der Linden had gesteld dat

het de werklieden ontbrak aan matigheid, orde en spaarzaamheid, en dat ze daar zelf verantwoordelijk voor waren.[12]

c) Saamhorigheid
Leerkrachten aan de Humanitaire School in Laren laten de jeugdigen elkaar helpen en samenwerken.[13]
Tussen 1896 en de Eerste Wereldoorlog had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat samenwerking, en wederzijdse hulp, de ontwikkeling naar een betere gemeenschap zou bevorderen.
[14]
Woordvoerder van dit Christen-anarchisme, of Humanitaire Idealisme of Tolstojanisme zoals het ook wel werd genoemd was de hoogleraar in de weefselleer Jacob (Koos) van Rees (1854-1924). Van Rees: een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’, . . . een mensenvriend, maar niet zonder heersersneigingen [15] had in zijn woonhuis in Laren enkele kamers beschikbaar gesteld voor het onderricht en voor huisvesting van de onderwijzers en sprong bij wanneer er een financieel tekort dreigde te ontstaan.
Hij had in Blaricum eerder een kolonie opgericht waaraan een einde was gekomen toen de plaatselijke bevolking de gebouwen van de kolonie vernielden uit woede van de gevolgen van de op 8 januari 1903 gehouden spoorwegstaking.
De Russische edelman Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910) was omstreeks 1900 plotseling met veel werken voor de dag gekomen. [16]
Tolstoj werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19 e eeuw gezien die een enorme indruk maakte. Tolstoj was de zoon van een der oudste grafelijke families in het tsarenrijk. Ze zouden in de veertiende eeuw met een schare van volgelingen uit het westen zijn gekomen, om zich in de Oekraïne te vestigen. Hun aanzien was gestegen en hun rijkdom toegenomen. Ze behoorden onder Peter I in elk geval tot de voornaamste adellijke geslachten. Lev Nikolajevitsj scheen voorbestemd tot een loopbaan in de hogere regionen van de maatschappij. Tolstoi sloot zich aan bij het expeditieleger dat van 1851 tot 1853 in de Kaukasus opereerde om de opstandige bergvolken te temmen. De militaire realiteit in de Kaukasus, voor Tolstoj aanvankelijk een woest en vurig spel, sloeg al snel om in een verwerpelijke gruwel. Het lot had hem tot landjonker, tot grootgrondbezitter gemaakt. Hij had Jasjana Poljana geërfd en daarmee de verantwoordelijkheid over duizend lijfeigenen: geknechten, onwetend, onmondig. Tolstoj’s zorg was het aan de onwetendheid van deze bezitloze boerenmassa een einde te maken. Het schoolexperiment was steeds een van Tolstoj’s lievelingsdenkbeelden geweest. Hij maakte op het einde van de vijftiger jaren zijn eerste West-Europese reis: Italië, Frankrijk, Zwitserland, Duitsland.
Tolstojanen lieten zich inspireren door de politicus, historicus en bioloog Peter Kropotkin (1842-1921). Kropotkin was meer wetenschappelijk ingesteld dan Tolstoj. Kropotkin aanvaardde de evolutietheorie van Darwin, maar had kritiek op het door hem aangenomen selectiebeginsel waarin de strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en de strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest de evolutie van levensvormen zou bevorderen. Kropotkin had erop gewezen dat in het tsaristisch Rusland, waar feodale en communale samenlevingsvormen domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking, en van wederzijdse hulp, de ontwikkeling van de gemeenschap hadden bevorderd.
[17]

d) Tevredenheid
De uitgever Eduard Benjamin Ter Horst Jr. (1865-1905) laat de jeugdigen kennis bijbrengen van het dagelijkse leven van een gezin en van dat van een handarbeider.[18]
In het laatste decennium der negentiende eeuw had zich een d
enken gevormd waarin een ieders plaats in het sociale leven werd gezien als door god gegeven.
Woordvoerder van dit orthodox-protestants denken was
Abraham Kuyper (1837-1920). Kuyper was hoogleraar in de theologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam waar zijn woord een onbegrensd gezag genoot. Hij was in Maassluis geboren als zoon van een Hervormd predikant, en de ‘klokkenist der kleyne luyden’: ambachtslieden, kleine boeren, geschoolde arbeiders, winkeliers.
Kuyper zag het gezin als ‘de wortel en de kiem waar heel de Staat uit opwast, niet volgens uitvinding der menschen, maar volgens het bestel van den levenden God’, waarin de vader ‘eene macht is, die bepaalt hoe het moet, en waaraan het kind zich heeft te onderwerpen’, waardoor het besef wordt bijgebracht ‘van eerbied voor een boven ons staand gezag’, en het besef dat ‘de beslissing over de positie, waarin we geboren zouden worden, niet aan ons stond, maar aan een macht buiten ons’.
[19]
Op het Christelijk-Sociaal Congres had Kuyper het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot veroordeeld als een gevaar voor de veiligheid van het maatschappelijk leven en opgeroepen af te zien van verbetering van het lot en in de plaats daarvan gewezen op ‘het eeuwige leven’. [20]
Hij had ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’ in het vooruitzicht gesteld en erop gewezen dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.
[21]
Kuyper had leidinggegeven aan een
afsplitsing van de Hervormde Kerk waaruit samen met andere groepen van gelovigen in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland ontstonden.

Verschillende predikanten, waaronder H.P. Scholten, Hendrik de Cock van Ulrum en A. Brummelkamp van Hattem waren in botsing gekomen met de in 1816 gevormde Nederlands Hervormde Kerk. Zij werden alle door de kerkelijke autoriteiten geschorst of afgezet. De Cock had zich met zijn volgelingen in 1934 meester gemaakt van het kerkgebouw in Ulrum, Middelstum, Uithuizermeeden, Groningen enz.
In 1886 had er een tweede afscheiding plaatsgevonden: Doleantie, o.l.v. Abraham Kuyper. Kuyper wilde met zijn Doleantie meer zeggenschap tegenover de protestantse kerkvorsten. Hij gaf leiding aan het samengaan van de twee groepen van afgescheidenen met nog anderen die in 1892 leidden tot de vorming van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Toen in de Tweede Wereldoorlog de Gereformeerde Kerken het door hen aangehangen gebod de over de mens gestelde machten te eerbiedigen letterlijk namen door de Duitse bezetter te zien als de boven hen gestelde macht, was dit in 1944 voor de hoogleraar Klaas Schilder reden zich af te scheiden. Hij erkende de Duitse bezetter niet als een boven de mens gestelde macht, voor hem was dat de Koningin. Schilder wees hiermee de Duitse bezetter op religieuze gronden af, niet op humanitaire. De afgescheidenen gingen verder als: Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, ook wel als Artikel 31, het artikel uit de bijbel waarop zij hun besluit baseerden.
Kuyper had in 1901 als ministerpresident van het naar hem genoemde kabinet de in januari 1903 gehouden spoorwegstaking veroordeeld als een politiek revolutionaire-, anarchistische actie en misdadige woeling.[22]
T
oen de spoorwegarbeiders in april een tweede staking wilden houden, was hij met een reeks van ‘worgwetten’ gekomen waarin elke pressie op arbeiders die niet aan de staking deelnamen en het werk van de stakende arbeiders wilden overnemen, strafbaar was gesteld.
De uitgever TerHorstJr. was in Groningen geboren als het kind van Eduard Benjamin TerHorst (1828-1896) en Anna Berendina Gerhards. Vader TerHorst was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de papier- en boekwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860). Toen het echtpaar Wolters in 1860 overleed en er geen nakomelingen waren was TerhorstSr. eigenaar geworden van de papier- en boekwinkel. Hij had deze op zijn beurt in 1894 overgedaan aan zijn zoon.
TerHorstJr. had kennis van het orthodox-protestants geloof van Kuyper gekregen van de predikant S.D.van Veen (1856-1924). Ze hadden samen een uitgebreide reis gemaakt langs steden buiten Nederland om zo illustraties te verzamelen voor een uit te geven bijbel.
TerHorstJr.
had verhalen over het dagelijks leven van een gezin laten schrijven door Hindricus Scheepstra (1859-1913) en hem verzocht zich bij het schrijven te laten bijstaan door Gerard Jan Ligthart (1859-1916). De verhalen kwamen in 1906 uit onder de titel: Het boek van Ot en Sien.[23]
Scheepstra was leraar aan de Rijkskweekschool in Groningen en auteur van door de uitgever Wolters (ter Horst Sr. en Jr.) uitgegeven schoolboeken zoals: Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893), Ambachten en bedrijven (1903) en samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899) waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Ook was Scheepstra sinds jaren redacteur van De Schoolwereld, een door Wolters uitgegeven periodiek. Hij was opgegroeid in Roden, op het Drentse platteland.
Ligthart was opgegroeid in de Amsterdamse volksbuurt: De Jordaan. Hij was na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas, wat gebruikelijk was onder zijn leeftijdsgenoten. Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan én geen kind van wie de ouders of leerkrachten dachten dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht.
Jan werd kwekeling aan een lagere school. Dit betekende dat de hoofdonderwijzer hem het vak leerde van onderwijzer en dat hij in de avonduren verdere studie volgde. De eerste keer dat Ligthart examen deed voor de opleiding die hem de bevoegdheid moest geven aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school mislukte. Na de tweede succesvolle poging kreeg Ligthart in 1885 een aanstelling als hoofd van een school in de Tullinghstraat in Den Haag. Hij werd lid van het bestuur van het in 1842 opgerichte Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) waarvan vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid waren.
Het in 1842 opgerichte NOG fuseerde in 1946 met in 1874 opgerichte Bond van Nederlandse Onderwijzers (opgericht 1874). Hieruit ontstond de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV). Uit een fusie van de NOV met de Nederlandse Bond van Leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs (NBLNO) ontstond in 1966 de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP). De ABOP fuseerde in 1997 met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs, de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs en de Vereniging Sint-Bonaventura. Uit de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) ontstond in 1997 de Algemene Onderwijs Bond (AOB).
In de door TerHorstJr. uitgegeven en door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalen wordt het dagelijkse bestaan beschreven van een gezin dat op het platteland een ruime vrijstaande comfortabele woning bewoont met een moeder die geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht en een vader die de kost verdient als hoofdarbeider. Het is een gezin ‘waar van jongsaf Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’.
[24]
In deze romantische verhalen waarin de bucolische idylle (het land en herdersleven) de boventoon voert staat het beschreven bestaan op het platteland in schril contrast met het feitelijke bestaan van de overgrote meerderheid van bevolking.
De omstandigheden waaronder de arbeiders op het platteland leefden waren erbarmelijk: volkomen verwaarloosd, dikwijls in lemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd, verstoken van alle middelen van bestaan.
[25]
Het in de verhalen beschreven dagelijkse bestaan stond ook in schril contrast met het dagelijkse leven van de jeugdigen in de steden. Bij de volkstelling uit 1899 bleek dat in Nederland bijna een kwart van de bevolking (23%) in een eenkamerwoning gehuisvest was; dat percentage bedroeg voor de stad Rotterdam en de provincie Groningen 58%, voor de provincie Drenthe zelfs 62%.
In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden naamloze stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, waar ratten en wandluizen de nimmer ontbrekende gasten waren. Waar een waterleiding meestal ontbrak en dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. De moeders en de vaders werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie.
Dat Scheepstra zich door de uitgever moest laten bijstaan bij het schrijven door Ligthart hield verband met de achtergrond van Ligtharts maatschappelijke opvattingen: het gereformeerde geloof, waarvan Ligthart blijk had gegeven aanhanger te zijn. De gereformeerde predikant C.W. Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was.
[26]
De predikant Willem Banning (1888-1971) beschrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.
[27]
De uitgever Ter Horst Jr. had in het voorjaar van 1899 het periodiek: De schoolwereld. Weekblad van het lager onderwijs in Nederland en de koloniën, met M.J. Koenen (auteur van het Verklarend Woordenboek der Nederlandse Taal) en de onderwijzers W.K. Walstra en P.H. Mulder als redacteuren, en door Scheepstra werd geredigeerd, abrupt beëindigd. Drie maanden later was TerHorstJr. een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van een zekere grilligheid’
[28] met een nieuw periodiek gekomen dat hij als titel had gegeven: School en Leven en als ondertitel: Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin en waarvan hij als redacteur had aangesteld Ligthart.
Het door Ligthart geschreven openingsartikel: Een woordje aan ’t slot, deed veel stof opwaaien: het had de lezers te veel doen denken aan een preek.
[29]
De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943), die enkele bijdragen aan School en Leven had geleverd, was in conflict gekomen met Ligthart. Thijssen had niet anders kunnen oordelen dan dat Ligthart zich had laten inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen.
Ook had de uitgever TerHorstJr. op door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalenbundels Ligthart als auteur vermeld en Scheepstra als mede-auteur en de naam van Ligthart als mede-auteur vermeld op een heruitgave van een door Scheepstra en Walstra geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten). De uitgever had de naam van de feitelijke auteur: Walstra onvermeld gelaten.
De wandplaten met een illustratie van een handarbeider die door Ter HorstJr. werden uitgegeven boden een beeld zoals Ligthart een arbeider beschrijft, n.l. als iemand ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’.
[30].
Een beeld zoals ook de predikant J.P. Hasebroek (1812-1896) arbeiders schetst: De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid.
[31]
Om de jeugd kennis bij te brengen van het dagelijkse leven van een handarbeider had Ter HorstJr. wandplaten laten maken met een afbeelding van het dagelijks leven van een arbeider. De in de toenmalige plattelandsgemeente Groningen opgegroeide Cornelis Jetses (1873-1955) had de wandplaten gemaakt naar voorbeeld van illustraties van de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868).[32]

e) Plichtsbesef  
Hélène Mercier (1839-1910) laat in Ons Huis in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan de jeugdigen de kennis vermeerderen. Er was een bibliotheek en een leeszaal, aan een praatavond, een zondagavondbijeenkomst, een lezing of een voordracht worden deelgenomen, een tentoonstelling worden bezocht, onderricht worden gevolgd in de Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen, in kleding verstellen, in muziek maken, in toneel spelen.[33]
In het eerste decennium van de twintigste eeuw had zich onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen een denken gevormd waarin werd aangenomen dat wanneer over voldoende algemene kennis beschikten vanzelf een einde zou komen aan hun sociale misstanden. Woordvoerder van dit een vrijzinnig-democratisch denken was Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905). Kerdijk had privé-onderwijs gevolgd, rechten gestudeerd aan de Rijksuniversiteit van Utrecht, een proefschrift geschreven over de 'arbeiderskwestie' en in 1901 de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) opgericht waarvan Mercier zich had aangesloten.
Kerdijk had zich laten inspireren door het werk van E.C.Knappert (1860-1952). Knappert had eerder in Leiden in het Leidse volkshuis geopend aan werkloos geworden dienstmeisjes en andere vrouwelijke jeugdigen de mogelijkheid geboden onderricht te volgen in Nederland, in het herstellen van kleding, in verpleging, gelegenheid te maken van een bibliotheek, wandeltochten te maken, een zangkoor voor arbeiders en vakantiedagen voor de bezoekers.

Knappert had de Mulo gevolgd, de acte Frans gehaald en het diploma godsdienstonderwijzeres. In 1896 had ze de brochure De Arbeidskerk in Engeland van John Trevar vertaald en gepropageerd die een socialisme voorstond waarin aan intellectuelen de leiding werd toegedacht.

In 1915 werd ze directrice van de Amsterdamse School voor Maatschappelijk Werk. Toen Knappert in 1926 met pensioen ging had ze haar intrek genomen in een huisje op het terrein van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Bentveld.
Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren.
In Nederland waren socialistische studenten betrokken geweest bij de eerste pogingen om tot het Toynbee-werk te komen.
Na de dood van Arnold was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.

f) Werklust
Leerkrachten aan de Engendaalschool in Soest laten de jeugdigen in een schooltuin werken.[34]
In het eerste decennium der negentiende eeuw had zich onder bepaalde groepen van intellectuelen en kunstenaars een denken gevormd waarin werd aangenomen dat voor een ieder die wilde werken een gelukkig bestaan mogelijk was. Woordvoerder van dit humanitair-idealisme was Frederik Willem van Eeden (1860-1932). Van Eeden had de opleiding gevolgd tot arts. Hij was ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde
[35] die behoorde tot die groep van intellectuelen bij wie omstreeks 1900 productieve associaties (kolonies) zeer in trek waren. Ze hadden kritiek op het kapitalisme, en trachtten door het oprichten van communistische productieve associaties een aanvang te maken met een communistische maatschappij.[36]
Van Eeden had in 1898 in Bussum zijn productieve associatie: Walden opgericht. Hij nam aan dat er in West-Europa en Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op komst was en had zijn plan ontworpen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij.
Zo schrijft Van Eeden aan Henri Borel (28 februari 1898): 'Als je me belooft te zwijgen, dan zal ik je vertellen wat er hier broeit. Ik heb allang mijn huis te groot gevonden en mijn leven te verkwistend. Ik verteer meer dan 6000 's jaars en ik weet niet waaraan. Dat opeten van wat anderen zo moeitevol voortbrengen, gaat mij verdrieten. Nu ga ik een stukje grond kopen, daarop een klein huis zetten, mijn huishouden bezuinigen en van mijn grond zien te halen wat er door overleg en werk van te halen is. Dan zal ik geld overhouden en daarvan wil ik laten leven wie met mij hetzelfde leven wil delen, maar die er nu niet toe in staat is, omdat hij zich niet vrij kan kopen van de maatschappij ( .. ) Een sober buitenleven, handenarbeid en studie. Geen geldmakerij meer, de band met het kapitaal zo klein mogelijk, de eigen voortbrenging zo groot mogelijk. Ik zal trachten grond machtig te worden. Vrij zonder hypotheek of schulden natuurlijk. We beginnen met de eenvoudigste woningen en langzaamaan.'

Van Eeden zette zijn hele vermogen op het spel om de slachtoffers van de spoorwegstaking van 1903 te helpen
.
Hoever de kolonie Walden echter buiten de realiteit van het leven stond, illustreert de kijk van een paar arbeidersjongens op deze zaak: 'In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we op een zondag er heen waren gelopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zoals dat toen genoemd werd, en z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar weer naar Amsterdam terug.[37]

Van Eeden had gesteld dat het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting berustte: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’. [38]
Van Eeden nam het bestaan aan van drie standen: zij die het inkomen verkrijgen uit de opbrengst van geld: grondbezitters, aandeelhouders, renteniers; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij de overheid of uit het verrichten van arbeid als zelfstandige beroepsbeoefenaar: lakeien, ambtenaren, artsen, advocaten; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij particulieren: fabrieksarbeiders, dagloners.
[39]
Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levensvoorwaarden en -omstandigheden af, wat hem er niet van weerhouden had zijn hele vermogen op het spel te zetten voor hulp aan de slachtoffers van de spoorwegstaking van 1903. Hij zag als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze.[40]
Van Eeden was bewonderaar van de Oosterse theosoof Abindranath Tagore (1861-1941) en enige tijd aanhanger van het denken van de in Groningen in een straatarm geboren hoogleraar in de filosofie, en pre-fascist: G.J.P.J. Bolland (1854-1922). Van Eeden had in De Nieuwe Gids, waarvan hij redacteur was, geschreven dat de gedachten die hij had verwoord in zijn Redekunstige grondslag van verstandhouding, grote overeenkomst vertoonden met die van Bolland.
[41]
Van Eeden zou bij een andere gelegenheid spreken over ‘de vriendelijke, goedhartige en naïef-geniale professor.
[42]
Van Eeden richtte later de Bond van de koninklijken van geest op, waarmee hij zijn stempel wilde drukken op de cultuur en politiek van Europa,
De kolonie Walden ontwikkelde van een amateuristisch tuinbouwbedrijf zonder duidelijke reglementen tot een antikapitalistische commune, die niet anarchistisch werd genoemd maar in de praktijk wel uitging van gemeenschappelijke besluitvorming en vrijwillige beheersing van egoïsme. Het economisch zwaartepunt lag in latere jaren niet meer in land- of tuinbouw maar in enkele coöperatieve bedrijven, waarvan de bakkerij tot lang na de opheffing van Walden floreerde.
Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or Life in the woods laten verschijnen.
Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.
[43]

g) Naastenliefde
De onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) laat in Vledderveen (Gr.) de jeugdigen de verdeling van consumptiegoederen naspelen. Hij had hiervoor op een perceel dalgrond een afbeelding gemaakt van Nederland, Europa en Amerika. [44]
Onder volwassenen die zich niet thuis voelden in de SDAP had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een eerlijke verdeling van consumptiegoederen. Woordvoerder van dit denken was de predikant Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938). De Ligt behoorde tot die groep van christen-socialisten die het weliswaar eens was met de strijd van de SDAP tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten, maar afwijzend stond tegenover het culturele en geestelijke klimaat van de SDAP. In de SDAP werd het christelijk geloof afgewezen als zijnde in strijd met de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én gezien als in strijd met de menselijke waardigheid doordat het mensen van strijd voor lotsverbetering afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakt.[45]
De Ligt, zoon van een predikant, volgde van 1903 tot 1910 de opleiding tot predikant. Hij werd aanhanger van het orthodox-protestantse denken van de pre-fascist G.J.P.J. Bolland (1854-1922) en sloot zich in 1910 aan bij de in 1907 opgerichte Bond van Christen-Socialisten (BVCS).
[46]
Bij de BVCS sloten volwassenen zich aan uit anti-revolutionaire en christelijk historische kringen en volwassenen rond het christelijk weekblad Algemeen Welzijn die geloofden dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een betere verdeling van consumptiegoederen.
De Ligt schreef in 1914 een nieuw beginselprogramma voor de BVCS: God Uzelf Uw Naaste waarin hij opriep het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.
[47]

3. Respect voor een ieders godsdienstige-, levens- of maatschappelijke overtuiging.

Omstreeks 1920 nemen volwassenen met een religieus-socialistische levensovertuiging het initiatief de niet-leerplichtige jeugd respect bij te brengen voor een ieders godsdienstige-, levens- of maatschappelijke overtuiging.

Aan de vooravond van de eerste wereldoorlog besloot de regering een onderzoek in te stellen naar ‘de aard en omvang van organisaties die zich bezig houden met de vorming der niet-leerplichtige jeugd en deze commissie de bevoegdheid te geven denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen’.[48]
Naar aanleiding van de conclusie in dit in 1917 ingestelde onderzoek ‘dat het verreweg grootste deel der oudere jeugd geenerlei onderwijs meer ontvangt’ ’[49] stelt in 1918 de leiding van de SDAP samen met de leiding van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) een Centrale voor Jeugdontwikkeling in met als taak voor de bij de SDAP en het NVV aangesloten jeugdigen ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren en laat het lid van het gemeentebestuur in Amsterdam voor de SDAP en wethouder voor het onderwijs: Eduard (Eliazer) Polak (1880-1962) voor de jeugdigen aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes in Amsterdam ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten organiseren.[50]  
Naar voorbeeld van de door SDAP en NVV ingestelde Centrale voor Jeugdontwikkeling stelt in 1920 de regering Ruys de Beerenbrouck (1918-1922), (bestaande uit: Rooms Katholieke Staats Partij, Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie) stelde een Centrale Jeugdraad in met als taak ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren voor de niet bij de SDAP of het NVV aangesloten jeugdigen.

Na de Eerste Wereldoorlog had zich in de SDAP een denken gevormd waarin socialisme werd gezien als een gezindheid. Aangenomen werd dat deelname aan ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten zou leiden tot respect voor een ieders persoonlijke overtuiging en dat zo verschillen in godsdienstige-, levens- of maatschappelijke overtuiging zouden worden overbrugd. 

Woordvoerder van dit religieuze gezindheids-socialisme was Willem Banning (1888-1971). Banning, opgegroeid in Friesland als zoon van een visser, had aan de Rijkskweekschool in Haarlem de opleiding gevolgd voor onderwijzer. Hij was huisonderwijzer en op later leeftijd in Leiden de opleiding gevolgd voor predikant, hem financiel mogelijk gemaakt door een bevriend notaris. Banning was een vooraanstaand lid van de SDAP en aanhanger van het op het christendom geïnspireerd religieus denken van de hoogleraar in de godgeleerdheid Karel Hendrik Roessingh (1886-1925). Roessingh had als student in Engeland kennis gemaakt met de Woodbrookers en in 1908 de Vereniging van Woodbrookers in Holland opgericht.

Aanhangers van de Woodbrookers (Quakers) hadden in Selly Oak, in de buurt van het Engelse Birmingham, hun Woodbrook College, waarvoor de welgestelde George Cadbury (aanhanger der Quakers) zijn woonhuis en bijbehorende tuinen, Woodbrook, beschikbaar had gesteld. Naast Woodbrook werd Westhill het meest bekend.
Roessingh had bij zijn aanstelling als hoogleraar in de godgeleerdheid opgeroepen ‘persoonlijkheden’ te worden door ‘niet ons eigen geweten te onderwerpen aan het voorschrift van eene kerk, aan de wet van een staat, aan het gezag van een ander mensch’, maar af te gaan op de eigen persoonlijke overtuiging.
[51]
Banning had tijdens zijn opleiding tot predikant kennis gemaakt met het op het christendom geïnspireerd religieus denken van Roessingh. Om tegenwicht te geven aan het proletarisch- en marxistisch-socialisme van de arbeidersbeweging en het daarmee verbonden felle atheïsme had Banning met enkele anderen in 1919 de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (AG) opgericht. Deze AG kreeg met financiële steun van o.a. H. Roland Holst-Van der Schalk in Bentveld (NH) een onderkomen waar bijeenkomsten gehouden konden worden voor werklozen, waaraan Clara Wichman en H. Roland Holst-van der Schalk regelmatig hun medewerking verleenden.[52] Later zou de AG er een onderkomen bij krijgen in Kortehemmen (Frl).[53]
Banning zou na de Tweede Wereldoorlog voorstander worden van een ethische volkspartij en een pleitbezorger van een, op instigatie van J.de Quay (1901-1985) genoemd, ‘personalistisch socialisme’. Het begrip "personalistisch socialisme" had in en direct na de bezetting betekenis doordat het toen functioneerde als verzamelpunt van personen en groepen van verschillende aard en oorsprong.

Als tegenhanger van het op SDAP-leest geschoeide ontwikkelings- en ontspanningswerk werden Volkshogescholen opgericht met als doel ‘het geven van een zedelijk-geestelijke ontwikkeling aan volwassen personen als grondslag voor vernieuwing der volkscultuur en versterking van de volksgemeenschap’. [54]
De eerste kwam tot stand door initiatief van Jarig van der Wielen (1880-1950) in Bakkeveen (1932) voor jonge boeren, werklozen en studenten.
Aan de scholen voor maatschappelijk werk, later genoemd: Sociale Academies, kwamen opleidingen voor jeugd en jongerenwerk (sociaal-cultureel werk). De regering waarschuwden de organisaties die kampementen organiseerden en zich bedienden van door het rijk beschikbaar gesteld kampeermateriaal voor het kunnen ontstaan van een onzedelijke sfeer, waarmee bedoeld werd o.a. het niet eerbiedigen van een ieders uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging. Aanbevolen werd te komen tot een hiërarchische centralistische organisatie om toezicht te kunnen houden en eventueel de nodige maatregelen te kunnen nemen.
Het gemeentebestuur van Rotterdam benoemde op 26 mei 1921 een Adviserend Ambtenaar inzake de Opvoeding van de rijpere jeugd en richtte op 10 januari 1922 de Rotterdamse Jeugd Raad op. Het gemeentebestuur van Amsterdam stelde op 1 januari 1923 een tijdelijk ambtenaar aan belast met het toezicht op de van gemeentewege gesubsidieerde verenigingen welke zich bezighouden met Toynbeewerk en Vrije Jeugdvorming.

 

4. respect voor een ieders persoonlijke eigenschap.

Volwassenen met een corporatistisch wereldbeeld nemen het initiatief jeugdigen bij te brengen   respect te hebben voor een ieders persoonlijke eigenschap.[55]

a) Respect voor een ieders aanleg
De onderwijzer Berend Wouters laat aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen de jeugdigen kiezen een activiteit te verrichten met de handen of een met ‘het hoofd’.[56]
Wouters had zich op 10 mei 1903 onder nummer 23648 als lid laten inschrijven van de Theosophical Society. In de Theosophical Society had zich een denken gevormd waarin een ieders maatschappelijke positie gezien werd als een zaak van aanleg. De Theosophical Society was in 1875 opgericht door Helena Blavatsky (1831-1891) en enkele sympathisanten. Blavatsky was geboren als Helena Petrowna von Hahn Rottenstern in de Oekraine in het financieel beter gesitueerde deel van de bevolking en gehuwd geweest met Nikofor Blavatsky. De Theosofische Vereniging was opgericht met als doel te komen tot een sfeer van algehele broederschap zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. De Vereniging was een groot succes met vele vertakkingen over de wereld. In 1910 waren er bijna zevenhonderd loges (afdelingen), verdeeld over ruim zestien landen waaronder Nederland, met in totaal bijna 17.000 leden.

b) Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling.
Aan de Pallas Athene School in Amersfoort laat de onderwijzer Johann (Jo) Hermann Bolt (1883-1973) de jeugdigen vanaf 1924 onderricht volgen in groepjes die samengesteld zijn uit verschillende leerjaren.[57]
Bolt was in Deventer opgegroeid in een gezin waarvan de ouders het Luthers geloof aanhingen. Hij had zich op 26 maart 1915 onder nummer 58560 als lid laten inschrijven van de Theosofische Vereniging.
[58]
In de Theosophical Society had zich na de dood van Blavatsky een denken gevormd waarin een ieders maatschappelijke positie gezien werd als een zaak van geestelijke ontwikkeling. Woordvoerder van dit denken was Annie (Wood) Besant (1847-1933). Besant had eerder een leidende functie binnen de Anglicaanse kerk. Zij had na de dood van Blavatsky de leiding van de Theosofische Vereniging overgenomen en in 1911 de jonge Indiër Jiddu Krishnamurtie (1895-1986) aangesteld als de nieuwe wereldleraar, de opvolger van Jezus. Om de jonge Indiër te ontmoeten kwamen op de jaarlijkse Sterkampen in Ommen tussen 1923 en 1930, vele duizenden aanhangers uit alle delen van de wereld bijeen.

c) Respect voor een ieders temperament
Aan de Vrije School in Den Haag [59] liet men gelijkgestemde jeugdigen gezamenlijk onderricht volgen.[60]
Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925) had verkondigd dat een ieders maatschappelijke positie een zaak was van temperament. Steiner was enkele jaren lid van de Theosofische Vereniging en in 1913 met een ‘eigen’ Antroposofisch Gesellschaft gekomen toen Annie Besant in Krishnamurti de toekomstige wereldleraar meende te hebben ontdekt.
Steiner
had in 1919 in Stuttgart de leiding gekregen over de Freie Waldorfschule. De school was opgezet door Emil Mohlt (1878-1936) eigenaar van de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen.
Steiner nam aan dat een ieders temperament een gevolg was van invloeden uit de kosmos: zon, maan en sterren. Hij onderscheidde vier temperamenten: sanguinisch (opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) of cholerisch (opvliegend).
De Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) had eerder gewezen op de aanwezigheid van vier onderling kwalitatief verschillende elementen die alle door zintuigelijke waarneming bekend zijn: de vaste aarde, het vloeibare water, de gasvormige lucht en het gloeiende verterende vuur; de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322) had eerder gewezen op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren; onder invloed van de vier elementen van Aristoteles had de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) in het menselijk lichaam vier lichaamsvochten (humores) aangenomen: bloed (sanguis), slijm (flegma), zwarte gal (melancholia) en gele gal (cholera) van wier vermenging gezondheid, ziekte en verdere hoedanigheden afhingen; de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) had eerder geschreven over de leer der temperamenten: sanguiniese, flegmatische, melancholiese en choleriese; de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) had eerder de theorie ontwikkeld dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van de in de kosmos voorkomende elementen: zon en maan.
[61]

d) Respect voor de leider
Aan de Hillegomschool in Amsterdam (Eerste Openbare Lagere School met Persoonlijkheidsonderwijs) liet de onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) onderricht volgen zonder een vast omschreven leerplan, zonder een lesrooster en zonder vaste lesmethoden.[62]
In de jaren twintig had de ex-jezuïet Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944) veel van zich horen spreken met zijn ‘Beginselen der beeldende wiskunde’.[63]
Het werd v
oor de onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) zijn ‘wijsgerig grondbeginsel’.[64]
Schoenmaekers had het katholiek gymnasium in Rolduc gevolgd en de door de jezuïeten geleide opleiding tot priester in Rome. Hij had zich op enig moment afgekeerd van de roomse-kerk maar niet van het roomse-geloof: hij zag zich zelfs ‘katholieker dan de roomsche kerk, katholieker dan de paus’.
[65]
De van huis uit niet onbemiddelde Schoenmaekers had in Amsterdam aansluiting gezocht bij de kring van vrijzinnige christenen en vrijdenkers en in 1904 het tijdschrift Levensrecht opgericht: Maandschrift ter verbreiding der vrije ideeën, waaraan o.a. meewerkten Frederik van Eeden en Domela Nieuwenhuis. Zijn verzoek lid te kunnen worden van de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia vincit anymos', was hem geweigerd. Hij was korte tijd lid van de afdeling Amsterdam van de Theosofische Vereeniging onder lidmaatschapsnummer 1131, werd sympathisant van de antroposoof Rudolf Steiner, studeerde een jaar in Pennsylvania theologie en ging uiteindelijk in Laren (NH) wonen. In zijn Larense tijd had Schoenmaekers contact met de daar wonende groep van kunstenaars, aangeduid met De Stijl, waaronder de schilder Piet Mondriaan (1872-1944), maar vermeed elke discussie met andersdenkenden. De schilder Mondriaan had lange tijd waardering voor zijn denkbeelden maar ergerde zich op den duur aan deze 'schoolmeester-paus'. De dichter Jan Greshoff beschrijft hem als iemand die beschikte over een meeslepend redenaarstalent, maar geen tegenspraak duldde.
[66]
Schoenmaekers huldigde een in katholieke kringen op de middeleeuwse gildeverhoudingen geïnspireerd corporatief (corporatief is afgeleid van het Latijnse woord corpora = lichaam) denken. Hierin worden de delen van een lichaam samen als een onlosmakelijk geheel gezien waarvan geen van de delen gemist kan worden wil het lichaam functioneren, maar waarbij het hoofd en de ledematen niet gezien worden als gelijkwaardig. De maatschappij wordt hiermee vergeleken. Hier worden groepen van arbeiders en ondernemers als een onlosmakelijk geheel gezien waarvan geen groep gemist kan worden wil de samenleving functioneren, maar waarin arbeiders en ondernemers niet gezien worden als gelijkwaardig: er zijn leiders en er zijn volgelingen. Eenieder dient tevreden te zijn met de plaats in het maatschappelijk leven, al hebben diegenen die deze kijk hebben wel de neiging, voor zichzelf een plaats aan de top te reserveren. 

 

e) Respect voor de beste
Omstreeks 1926 laat Cornelis Boeke (1884-1954) aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap in Bilthoven de jeugdigen bij alle werkzaamheden de beste kiezen als leider. Boeke was opgegroeid in Alkmaar in een gezin waarvan de ouders het Nederlands Hervormde geloof aanhingen. Hij had een opleiding tot ingenieur gevolgd en zendings werk verricht in Syrie. Boeke was lid van de Nederlandse Christen Studenten Vereniging (NCSV)[67] de eerste stap van de jeugd uit het financieel goed gesitueerde deel van de bevolking zich aaneen te sluiten, en was lid van de Practisch Idealisten Associatie (PIA).
De PIA
was door de hoogleraar in de rechtswetenschap: J.J. van der Leeuw (1893-1934), toen hij nog student was, uit Londen in Nederland geïntroduceerd. Het was na de NCSV de tweede stap van de jeugd uit het financieel zeer goed gesitueerde deel van de bevolking zich aaneen te sluiten.[68]
De vader van Boeke was directeur van de HBS, de vader van Van der Leeuw was firmant van de Van Nelle fabriek, een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam, een ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en weer een ander was directeur van de glasfabriek in Leerdam.

In de PIA waren geen leden die toekeken, allen waren medewerker, ieder was verantwoordelijk voor het werk.
[69]
Bij het toetreden tot de PIA moesten de leden een verklaring ondertekenen waarin ze beloofden af te zien van het najagen van eigen eer en voordeel.
[70]
Van der Leeuw had tegenover het historisch-materialisme een historisch-idealisme gesteld: een geestelijke omwenteling diende plaats te vinden binnen in de mens.
[71]
Hij hing de gedachte aan dat een leidende positie in het maatschappelijk leven een zaak was van de beste te zijn en dat respect hiervoor verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging zouden doen overbruggen.
Van der Leeuw had opgeroepen een begin te maken met de opbouw van ‘een aristo-democratie’, een regeringsvorm waarbij op alle terreinen van het maatschappelijk leven ‘groepverbanden ‘gevormd zijn, waaruit ‘de beste’ gekozen worden als hoofd, die op hun beurt uit het midden de beste kiezen voor het bestuur van grotere gemeenschappen, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen is.
[72]
Het deed allemaal wat pre-fascistisch aan: een sterk eenhoofdig gezag.
Diverse leden werden lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de Sterkampen op het landgoed Eerde in Ommen waar ook elk jaar een kamp van de PIA plaatsvond. Van der Leeuw sloot zich later aan bij de Theosofische Vereniging, werd voorzitter van de Nederlandse Afdeling, en was nauw betrokken bij de zomerkampen rond Krishnamurti in Ommen.


4.Socialistische levenshouding.
Omstreeks 1930 nemen volwassenen voor wie socialisme een zaak is van gezindheid het initiatief jeugdigen een socialistische levenshouding bij te brengen.

Aan de Quakerschool op het landgoed Eerde te Ommen werden socialistische levenswaarden bijgebracht: kameraadschap, gemeenschapszin, arbeidsvreugde
In de SDAP had zich een denken gevormd waarin socialisme werd gezien als een zaak van gezindheid. Aangenomen werd dat het socialisme diende plaats te vinden in het eigen ‘persoonlijke’ leven. Woordvoerder van dit personalistisch-socialisme zoals het wel werd genoemd, was: Jacobus (Koos) Jan Vorrink (1891-1955). Vorrink had de opleiding voor onderwijzer gevolgd aan de Rijkskweekschool in Haarlem, dezelfde school waarin Banning de opleiding had gevolgd, zij het enkele jaren lager. Hij was actief in de Kwekelingen Geheelonthoudersbond, in 1920 aangesteld als bezoldigd bestuurder van de AJC en in 1934 met behulp van de AJC-lobby, die alle afde­lin­gen afreisde, voorzitter geworden van de SDAP. Hij had de AJC omgevormd naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien bij de Sozialistische Arbeiter Jugend. De jeugd daar bezocht geen cafe’s, bioscopen of dancings - zij trokken op vrije dagen met hun mandolines de natuur in, gingen kamperen, beoefenden het volksdansen, zongen volksliederen en voerden stijlvolle dansen uit, waren afkerig van banaliteit, waren niet gekleed in ‘burgerlijke’ confectiepakjes met stijve boorden maar in manchesterkleding met open hemden.
Vorrink was het met de directeur van een clubhuis in Rotterdam geheel eens toen deze de volksjeugd had beoordeeld als geestelijk leeg en zedelijk laf: de geestelijke leegheid van de gemiddelde volksjongen (is) veel en groter dan wij vroeger ooit hadden gemeend en dat hij - alle onderwijs, museums, kerken, meetings enz. ten spijt – geheel en al buiten onze cultuur voortleeft, en: Nooit heeft een jongen het voor het gezag opgenomen, nooit heeft een doen blijken, dat hij een vernieling of andere overtreding afkeurde en meegewerkt om de schuldige op te sporen.. . . ’t is niets anders dan bangigheid om in een zaak te worden gemoeid.
[73]
In 1929 was verschenen: Der Sozialismus als Kultuurbewegung van de in Duitsland gevormde Belg: Hendrik de Man (1885-1953). Vorrink had het boekje van De Man zo belangrijk gevonden dat hij het zelf had vertaald en uitgegeven.
[74]
De Man had verkondigd dat de daadwerkelijke verwezenlijking van het socialisme diende te gebeuren in het eigen leven en in de eigen levensgemeenschap.
[75]
Hij zag socialisme, in tegenstelling tot het arbeiderssocialisme dat van de economie uitging en een drastische verandering van het economisch stelsel beoogde, meer als een zaak van de psychologie.
De Man was op zijn beurt gegrepen door de gedachten van G.L. Radbruch (1878-1949). Radbruch zag als belangrijkste socialistische levenswaarden: ‘Kameradschaft, Gemeinsinn, Arbeitsfreude.
[76]

5. Samenvatting en slotbeschouwing.
In
het democratiseringsproces dat zich over de tweede helft van de 19 e en de eerste helft van de 20 e eeuw uitstrekte, was de jeugd uit de volksklasse strijd gaan voeren voor een berechtigde positie gelijk aan die van de volwassenen. Ze hadden zich soms afgewend van en zich soms verzet tegen de oudere generatie, door volwassenleiders niet te accepteren. Volwassenen met een afkeer van socialisme en de arbeidersbeweging, en een pessimistisch, conservatief, ‘organisch' en ‘holistisch’ denken, gaan dan - uit angst voor chaos en de verwachting dat de cultuur ten onder zal gaan - opvoeden: een door hen aangehangen politiek-maatschappelijke kijk op mens en samenleving bijbrengen waarin rationalisme en intellectualisme werden afgewezen.[77]

 

[1] M. Bloch: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.

[2] Morsch, C.J.J.A: Met de moed van de hoop. Studies over de vernieuwing van opvoeding, onderwijs en maatschappij in Nederland in de periode tussen 1930 en 1984. Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor in de Sociale Wetenschappen aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen 19 december 1984.

[3] Leerkrachten waren o.a. Jentje J. F. Kleefstra (1860-1929), Kleefstra, W.v.d. Jagt (klassieke talen), H.J. Boeken (klassieke talen), Z. Stokvis (Nederlands), K. van Damme (Frans), mej. Lohman (Duits), C. M. Borneman (Engels), B. Vreeken (wiskunde en boekhouden), C. J. H. Raad (wiskunde en tekenen), mej. A. Kleefstra (onderwijzeres), J. A. van Schooten (tekenen), mej. W. Bolland (Frans, Duits, Engels)

[4] Keefstra, J.J.: Wat maken wij van onze jongeren. In Studien in Volkskracht. Amsterdam 1905,

[5] A. H. Gerhard,: Een Sociaal Sprookje, Amsterdam 1914

[6] A. H. Gerhard: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,

[7] E.H.P.H.Haeckel: Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philisofie

[8] De grote denkers der eeuwen, Ernst Haeckel en zijn monisme, Amsterdam, zj.

[9] C. Darwin: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.

[10] Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population. Malthus publiceerde het voor het eerst in 1798 onder de schuilnaam: J. Johnson.

[11] A. Cort van der Linden,: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203

[12] A. Cort van der Linden,: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203

[13] Opgericht 1903, leerkrachten waren o.a.: Deutman-De Meijer, Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Nelly Korver, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot

[14] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.

[15] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.

[16] Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962: gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.

[17] P. Kropotkin: Wederkeerig dienstbetoon, een factor der evolutie. Amsterdam 1904 (Mutual aid: a factor in evolution. 1902). Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.

[18] Ligthart, J en H.Scheepstra: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1906.

[19] A. Kuyper: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.

[20] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.

[21] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.

[22] Troonrede 1903.

[23] Zie noot 34: Ligthart, J en H.Scheepstra: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1906.

[24] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.

[25] H. Roland Holst-van der Schalk: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977. Opm: alleen de bevolking in de steen- en pannenbakkerijen langs de Gelderse rivieren hadden het mogelijk nog armer

[26] C. W. Coolsma: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.

[27] W. Banning: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.

[28] J. de Groot: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.

[29] J.Ligthart: Een woordje aan ‘t slot. In: School en Leven. Eerste jaargang, no.52.

[30] J.Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.

[31] J. P. Hasebroek: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.

[32] Jetses voorzag ook het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkelde Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, van afbeeldingen die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien.

[33] M. Soree & M.Snepvangers: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.

[34] Opgericht in 1913, leerkrachten waren o.a.: L. van Mierop, J.M. Telders, mw. M. van der Es, mw. P. van der Knoop, mw. T van Mierop-Mulder, Felix Ortt.

[35] G. Stuiveling: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.

[36] Geschiedenis van het Amsterdamsch Studentenleven 1632-1923.

[37] J. Saks: De pionieren van Bussum

[38] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

[39] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

[40] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.

[41] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 229

[42] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 543,

[43] F. van Eeden: H. Thoreau, Walden or life in the woods. Londen 1908.

[44] H. L. Borgman: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K. Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph. Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H. Schuurman: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.

[45] H. Noordegraaf: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.

[46] Noordegraaf, H.: Het christensocialisme van Daan van der Zee. In:Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging, december 1986

[47] B. de Ligt: God Uzelf Uw Naaste. 1912.

[48] Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer 1913/1914, blz. 1583-1584.

[49] Verslag van de staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Ingesteld bij koninklijk Besluit van 18 juni 1917 No 58.

[50] Deze Centrale voor Jeugdontwikkeling werd in 1920 omgezet in een Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen, verder bekend als Arbeiders Jeugd Centrale (AJC).

[51] K. H. Roessingh: Persoonlijkheid en Cultuur. Haarlem 1916.

[52] W. Banning: Wat wil en doet de arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Amsterdam 1934; ook in: Wie zijn de Woodbrookers, in: Ons werk. Geschriften van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.2, zj; en: Om de groei der gemeenschap. Arnhem 1926, en: De arbeidersbeweging als beschavingsmacht. Geschriften van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.3, zpl, zj.

[53] Lindeboom, J.: Het werkverband van de Arbeidersgemeenschap in: Geschiedenis van de Barchem beweging, 1908-1958, zpl.

[54] Statuten 1939.

[55] Corporatisme is afgeleid van het Latijnse woord corpora dat lichamen betekent. De termen corporatisme en solidarisme die vrijwel dezelfde betekenis hebben horen thuis in het zgn. organische denken. In deze denkwijze wordt de maatschappij opgevat als een organisme, d.w.z. alle klassen en groepen worden gezien als organen die ieder even onmisbaar zijn en zonder elkaar niet kunnen bestaan.

[56] Wouters, B: Evolutie in idealen voor opvoeding. In: Theosofia, jrg. XXVII, 10 janauari 1920.

[57] J. H. Bolt: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn. In Theosofia, febr.1920, jrg XXVII.

[58] Zie ook C.J.J.Morsch: Met de moed van de hoop. Studies over de vernieuwing van opvoeding. onderwijs en maatschappij in Nederland in de periode tussen ± 1930 en 1984. Nijmegen 1984.

[59] Leerkrachten waren o.a.: Daniel (Daan) Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn (1874-1959), Pieter Jacobus de Haan (1891-1968) en Max Leon Stibbe (1898-1973)

[60] C.H.Donker: De Vrije School te Den Haag, in: Pedagogische Studien, jrg V, blz 121 e.v. 1925.

[61] Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.

[62] L. Groeneweg: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920, blz.299. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.

[63]M. H.J.: Schoenmaekers: Beginselen der beeldende wiskunde. Bussum 1916.

[64]L. Groeneweg: Scholen met losser klasseverband, in: Paedagogische Studien, jrg 5, blz 299, 1920

[65] M. H.J.: Schoenmaekers: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde. Blz. 199 e.v. Bussum 1916.

[66] Zie J.Greshof in Het Vaderland 24-01-1957

[67] Ook wel aangeduid als Nederlandse-Christen Studenten Vereniging.

[68] Harmsen G.: Blauwe en Rode Jeugd, blz. 241

[69]Leeuw, van der J.J.: De jongeren aan den opbouw, Den Haag, zj.

[70] Harmsen G.: Blauwe en Rode Jeugd, blz. 240

[71] Leeuw van der J.J.: Het Practisch Idealisme. Baarn 1922

[72] Leeuw van der J. J.: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.

[73] K. Vorrink: De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925. Blz.4.

[74] K. Vorrink: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928

[75] H. de Man: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929, blz.45.

[76] G. L. Radbruch: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.

[77] Woordvoerders waren Oswald Spengler (1880-1936) en Arnold Toynbee (1889-1975).