Onderwijsvernieuwing tussen 1900 en 1940

 Onderwijsvernieuwing tussen 1900 en 1940.  

 

 “Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het handelen”,[1]

Laatst bijgewerkt:
8-1-2018

Onderwerp

Toen omstreeks 1900 in Nederland jongeren zich aaneensloten in door hen zelf geleidde verenigingen om zich in te zetten voor een verbetering van de mens en de gemeenschap namen volwassenen zoals: ouders en pedagogen uit angst dat dit jongerenoptreden ‘uit de hand’ zou lopen het initiatief het onderwijs te vernieuwen en ging de regering zich met de zorg voor de jeugd bemoeien.
De geïndustrialiseerde wereld had de jeugd geroepen: jonge mensen die zich het gemakkelijkst konden aanpassen aan de snel veranderende omstandigheden, die de technische uitvindingen teweegbrachten. Jeugd en leven waren de leuzen geworden. Jeugd werd gezien als identiek met vernieuwing en bij-de-tijd. Algemeen was de gedachte geworden dat de maatschappelijke ontwikkeling het resultaat was van de jeugd. [2]
In dit onderzoek wordt een historische schets gegeven van de initiatieven van de volwassenen die tot doel hadden het optreden van de jongeren in ‘geordende banen’ te leiden.

 

Methode
G. Harmsen heeft in Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940 het ontstaan, de ontwikkeling en de teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940 geschetst. De schrijver heeft de wisselwerking tussen de opkomst van de jeugdbeweging enerzijds en het optreden van volwassenen anderzijds buiten het bestek van zijn onderzoek gelaten, hoe belangrijk de schrijver dit ook vond en een onderzoek meer dan waard.[3]

 

Ideeëngeschiedenis en geschiedschrijving
Geschiedschrijving is een cumulatief proces, waarbij steeds meer kennis beschikbaar komt, en er zoveel mogelijk aspecten zichtbaar gemaakt worden. In dit onderzoek wordt getracht een beeld te reconstrueren van het verleden. Hierbij gaat het om de samenhang tussen de ideeën = het denken en het handelen.
De term ideeën wordt gebruikt omdat woorden als theorieën en filosofieën een consistente, afgeronde en tegelijk systematisch ontwikkelde gedachtegang veronderstellen waar alleen op het hoogste intellectuele niveau sprake van is.
Filosofisch-wetenschappelijk ontwikkelde gedachtestelsels ontstaan of herleven in de hoofden van slechts enkele originele denkers; meer vereenvoudigde gedachten worden weergegeven door de intellectuele kaders in boeken, tijdschriften en lezingen en onderlinge discussies; min of meer kant en klare bevindingen en conclusies worden weergegeven door de groep der activisten in dagbladen, manifesten en redevoeringen; vage voorstellingen in de vorm van leuzen en slagzinnen vernemen we via mondelinge kontakten onder de brede massa van sympathisanten.
Onderscheid kan worden gemaakt tussen een objectief moment: welke gebeurtenissen en omstandigheden waren er gaande binnen een gegeven maatschappelijke totaliteit, en een subjectief moment: hoe hebben de betrokkenen de hun gegeven gebeurtenissen en omstandigheden beleefd en ervaren, wat waren hun beweegredenen om in beweging te komen, tot welk doel moest hun optreden leiden. Kortom: het gaat om het verschaffen van inzicht. Het gaat er om het specifieke, het bijzondere, van een historische situatie bloot te leggen.
Niet wordt teleologisch te werk gegaan: naar een welgevallige of gewenste situatie toeschrijven, niet wordt uitgegaan van het gelijk van de een of het ongelijk van de ander, niet gaat het er om oordelen te geven, of om te vertellen wat aangenaam in de oren klinkt.
Pogingen om uitgaande van een veronderstelde algemene menselijke natuur te komen tot universele psychologische wetten ter verklaring van het historisch en maatschappelijk proces hebben weinig of niets opgeleverd. Meestal worden sociale verschijnselen dan herleid tot een psychologistisch simplisme. Ook verregaande abstracties onttrekken het zicht op de sociale werkelijkheid vaak meer dan dat ze het zicht verhelderen doordat essentiële verschillen tussen verschijnselen worden uitgewist.
Gedachten zijn niet automatisch een gevolg van de sociale herkomst van een denker. Gedachten ontstaan niet vrijelijk in de hoofden van geniale mannen of vrouwen, stammen niet rechtstreeks, automatisch uit de maatschappelijke achtergrond van de denker, zijn geen passieve afbeeldingen of weerspiegelingen van het maatschappelijk leven die zich onafhankelijk daarvan voltrekken in de hoofden van denkers.
Gedachten ontstaan in, vormen en ontwikkelen zich door, de ontwikkelingen in het maatschappelijk leven.
Dat een bepaalde sociale groepering een gedachte heeft uitgewerkt en tracht dit te verwezenlijken, betekend niet automatisch dat daarmee ook de belangen van die sociale groepering zijn gediend.
De juistheid van een gedachte wordt niet bepaald doordat het verkondigd wordt door een persoon van een bepaald ras of geslacht, of door een persoon met een bepaalde afkomst of leeftijd, of door een persoon met een bepaalde maatschappelijke positie, of een persoon met een bepaalde godsdienstige of politieke achtergrond, of doordat het afkomstig is van de degene die het te berde brengt. Ideeën en opvattingen van een politiek heersende sociale groepering berusten niet altijd op vooroordelen, ook zijn het niet altijd ideologieën die het eigen belang (moeten) dienen.
De juistheid van een idee of opvatting en het belang wat er mee gediend wordt dient altijd gezocht te worden in het sociale gebeuren zelf.

Jeugd en onderwijs.
B.A. Knoppers komt in Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung, tot de conclusie dat een zelfstandig door de jeugd geleidde organisatie in Nederland ‘bijnahe nicht besteht’, over volwassenen komt de schrijver tot de conclusie dat deze maar weinig interesse hadden voor de jeugdbeweging, en het optreden van de overheid wordt slechts zijdelings aangehaald en niet in verband gebracht met de jeugdbeweging. [4]
J.H. Gunnungh, Wzn. noemt in De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, het jaar 1898 als een keerpunt in de geschiedenis van de pedagogie. [5]
I. van der Velde, brengt in: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940, het streven onder volwassenen het onderwijs te vernieuwen in de periode 1900-1916 in verband met bezwaren tegen de klassikale school en het klassikaal onderwijs, in de periode 1916-1931 in verband met buitenlandse invloeden en in de periode 1931-1940 in verband met een wijziging in de wijze waarop de leerstof wordt aangeboden. [6]
S.J.C. Freudenthal-Lutter geeft in: Naar de school van morgen, een summier overzicht van enkele pogingen van volwassenen het onderwijs te vernieuwen. [7]
Th. Van Tijn stelt in: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag, ook in: Student, en in: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd zijn door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen.[8]
Die zouden hun uitdrukking vinden in de politieke arena, maar ook in die van de opvoeding en in die van het onderwijs. Dit laatste zou dan op twee manieren plaatsvinden: in de eerste plaats zou er telkens - al voor de theoretisch-didactische problemen rijzen – een opmerkelijk vergrootte aandrang komen van de kant van de ouders van tot dusver van onderricht meer of minder verstoken kinderen om hun spruiten wel naar de betreffende onderwijsinstellingen te sturen. Hierdoor zou er in een korte tijd een tekort ontstaan aan onderwijscapaciteit (geld, ruimte, leerkrachten enz.). In de tweede plaats zou er een veranderde visie op doelstellingen en methoden van het onderwijs ontstaan. Ten derde zou dat een uitvloeisel zijn van een veranderde visie op de maatschappij (onderwijs bereid voor op het leven in de maatschappij en aard en inhoud daarvan hangen dus af van de visie die men heeft van de maatschappij), anderzijds zouden juist door de toeloop naar onderwijsinstellingen uit de minder gevormde milieus nieuwe pedagogisch-didactische problemen rijzen.
H. Verwey-Jonker haalt in Emancipatiebewegingen in Nederland, de zelfstandige door jeugdigen gevormde en geleidde organisaties slechts zijdelings aan. [9]
N.L. Dodde, stelt in Het Nederlandse onderwijs veranderd, dat in plaats van daadwerkelijke vernieuwing en verbetering van het onderwijs in de periode 1898 tot 1963 slechts over een verandering van het onderwijs gesproken kan worden. [10]

Opvoeding in het verleden.
Bij de Grieken had de opvoeding tot doel de jeugd kennis en vaardigheden bij te brengen die nodig werd geacht voor het uitoefenen van een publieke functie zoals: klassieke talen, klassieke literatuur, kunst en geschiedenis, plus een gezonde ontwikkeling van het lichaam. Het ging hierbij om: het bereiken van perfectie, de vorming van een cultureel ontwikkeld mens en de voorbereiding op het burgerschap. 'Opvoeding houdt in lichaam en ziel alle perfectie geven waar zij vatbaar voor zijn', zei Plato.
Ook bij de Romeinen lag de nadruk op het bijbrengen van kennis en vaardigheden. Een goed opgeleid man had een publieke functie en nam actief deel aan het publieke leven. Alle scholing werd beschouwd als een voorbereiding op deze rol. Naarmate de Romeinen meer ideeën overnamen van de Grieken begonnen ook de culturele doelen van belangrijker te worden, en de vorming van iemand tot 'vir bonus' ('gentleman' of 'bonhomme').
In het voorgaande wordt uitsluitend de melding gedaan van bijbrengen van kennis en vaardigheden.
In het Mattheus-evangelie 18.3 waar Christus het dringende advies geeft te worden gelijk de kinderen: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet veranderd, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’, is geen sprake van het bijbrengen van kennis en vaardigheden maar eerder van het bijbrengen van een bepaalde zedelijke, levensbeschouwelijke en politieke  houding=opvoeding.
Ook de Franse filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) die in Emile ou l’éducation, oproept de opvoeding aan te laten sluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind en deze niet te richten op het toekomstige leven van volwassene heeft het eerder over opvoeding als zedelijke, levensbeschouwelijke en politieke  houding=opvoeding dan over het bijbrengen van kennis en vaardigheden.
De Zweedse, sterk door Nietzsche beïnvloede, pacifiste Ellen Key (1849-1926), proclameert in: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, (waarin ze de vrouw ziet als intellectueel de mindere van de man, wat haar niet verhinderde op te komen voor het vrouwenkiesrecht en de arbeidersbeweging te steunen), de 20 e eeuw tot ‘de eeuw van het kind’ en verhief het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm. [11]
De Nederlandse proletarierskinderen zouden hier weinig van merken zo schrijft H.R. Roland Holst-van der Schalk in Kapitaal en Arbeid in Nederland, want de nieuwe eeuw bracht aanvankelijk, wat de oude ook had gebracht: uitbuiting, ellende, en verwaarlozing. [12]
Key was hiermee overigens niet de eerste die het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm verhief. De Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero (106 tot 43) zag het kind al als ‘speculum naturae’ als ‘spiegel der natuur’. Het doel de jeugd door middel van kennis en vaardigheden voor te bereiden op een rol in het publieke leven gold ook in de zeventiende en achttiende eeuw. Tevens werd het doel van de geleidelijke en natuurlijke ontplooiing van iemands talenten geïntroduceerd.
Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd jeugdigen een religieus besef bijgebracht. Het religieus-zedenkundige leesboek, met voorbeelden uit de Bijbelse geschiedenis, waarin de godsdienst wordt verheerlijkt vierde hoogtij. De invoering van de onderwijswet van 1857, waarin naast vakken als lezen, schrijven, en rekenen ook geschiedenis, aardrijkskunde en zingen verplicht werd gesteld, markeerde de overgang naar een onderricht waarin gestreefd werd die kennis en vaardigheden bij te brengen die de jeugdigen moest voorbereiden op de uitoefening van een beroep of ambacht. Bijgebracht werd wat nodig gevonden werd om het de jeugdige, wanneer deze de school verliet bij het bereiken van het tiende levensjaar, aan het einde van de leerplichtige leeftijd, zonder dat de gehele zesjarige schoolperiode was doorlopen, mogelijk te maken het tot loop- of fietsjongen of loswerkman zoals dat toen heette, te kunnen brengen. Latere initiatieven zoals de invoering van handenarbeid, gymnastiek, zelfwerkzaamheid, concentratie van de leerstof, zaakonderwijs hadden alle tot doel het onderricht doelgerichter en efficiënter te laten plaatsvinden.
Als protest tegen het ‘rationalisme’ werden scholen opgericht waar de leerlingen op voet van gelijkheid verkeerden met hun onderwijzer. Zo richtte  Cecil Reddie in 1889 in Engeland zijn New School op, Herman Lietz in 1898 in Duitsland zijn Landerziehungsheim, en Edmond Demolins in 1899 in Frankrijk zijn L'Ecole des Roches.
Dikwijls worden in onderwijskringen in Nederland buitenlandse initiatieven aangehaald welke bekend zijn geworden onder de naam Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht.
Helen Parkhurst (1887-1973) die aan de éénmansschool in de plaats Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes zich geplaats zag voor de taak de kinderen van de opdringende emigrantenstroom van diverse  nationaliteiten en zeer verschillend intellectueel niveau in een nog dun bevolkt land ‘in de smeltkroes’ van het onderwijs om te vormen tot loyale staatsburgers, schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken. Ze kon met financiële steun van de welgestelde familie Crane in 1919 The Children's University School, openen.
Peter Petersen (1884-1952) die in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd werd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas steeds uit minder jeugdigen bestond, maakte een einde aan de jaarklassen. Hij vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet de jeugdigen in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en liet de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd.
Célestin Freinet (1896-1966) die in 1920 op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd werd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen waardoor de jeugdigen weinig gemotiveerd het onderricht volgden, bood jeugdigen de mogelijkheid om zich aan de hand van de eigen interesse en belangstelling te verdiepen in door hen zelfgekozen onderwerpen.
Maria Montessori (1870-1952) die in 1907 in Rome in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome geconfronteerd werd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling, liet om de jeugdigen de mogelijkheid te geven zich intellectueel te ontwikkelen met eigen gemaakt materiaal voelen, horen, zien en ruiken. Ze weerde de sprookjes uit haar school, verving het vrije tekenen door het omtrekken van geometrische figuren om tot een vaste hand van schrijven te komen en oefende de zintuigen niet aan geluiden en kleuren in de natuur, maar aan rammelbusjes en kleurenspoeltjes.
Pestalozzi liet uit armoede de jeugdigen, wat in de klassikale school als bedrog gestraft werd, elkaar helpen. De natuurlijke ontplooiing van de vermogens van het individuele kind en het leren niet door luisteren maar door eigen activiteit staat op de voorgrond bij O. Decroly met zijn ‘école pour la vie et par la vie’ in Brussel, zijn globalisatietheorie, zijn ‘leren uit het volle leven’ en zijn ‘centres d’intérêt’, en Georg Kerschensteiner met zijn ‘Arbeidsschule’.
Leo Tolstoj richtte voor de boerenkinderen van Jasnaja Poljana een winterschool op - zomers werden de kinderen geacht genoeg in het boerenbedrijf te leren. Op het eind van de eeuw krijgt in Engeland, in Frankrijk, ten slotte ook in Duitsland de gedachte van een ‘vrije school gestalte: anti-intellectualistisch, contact met de natuur en vorming van het gevoelsleven, veel lichaamsbeweging, schoolgemeenschap met min of meer uitgebreid zelfbestuur en zelfverzorging in huis en tuin, scholing van de kunstzinnige aanleg.
In Engeland werkte op die basis het in 1899 gestichte Abbotsholme, en in Frankrijk verrees in hetzelfde jaar de Ecole des Roches. In Duitsland ijverde G. Wyneken, een geëxalteerde idealist, voor een Freie Schulgemeinde, een Duitse uitgave van de Amerikaanse school city, die hij in 1906 in Wickersdorf verwezenlijkte. In 1899 stichtte dr. Lietz zijn Landerziehungsheim in Ilsenburg, in 1910 Paul Geheeb zijn Odenwaldschule. Voor de Eerste Wereldoorlog waren er minstens twintig van zulke vernieuwingsscholen in Duitsland en een tachtigtal in West-Europa.

Geschiedschrijving.
Het heden is een resultante van alle gegroeide krachten en tradities van het verleden. Het verleden laat sporen na d.m.v. bronnen. De historicus bouwt een beeld van het verleden op d.m.v. de bronnen. De bronnen zijn echter onvolledig, zodat het beeld ook wel onvolledig moet zijn. Omdat het maatschappelijk gebeuren voortgekomen is uit de menselijke geest en tegelijkertijd in de menselijke geest bestaat, beïnvloed de mens en maatschappijopvatting van de historicus de beschrijving van het verleden. Deze invloed kan een positieve zijn: de historicus heeft het zelf ervaren en kent het daardoor van binnenuit (betrokkenheid), doch deze beïnvloeding kan ook negatief zijn: de histiricus ziet het soms te gekleurd (ideologische bevangenheid).
Een aantal factoren maken de totstandkoming van een volkomen juist, volledig en definitief beeld van het verleden onmogelijk: de bronnen zijn dikwijls incompleet, onbetrouwbaar, eenzijdig en gekleurd en de historicus is een mens met beperkingen vanwege de tijd waarin hij leeft, en het land en de plaats waar hij woont. Ook speelt het maatschappelijk milieu waarin de historicus is opgegroeid een rol, en diens godsdienstige en politieke gezindheid, en zijn ideeën en opvattingen die zo vertrouwd zijn dat ze als vanzelfsprekend voorkomen. Bij de historicus spelen ook nog een rol de persoonlijke eigenaardigheden die versterkt zijn door aanleg, temperament, opgedane persoonlijke ervaringen en aangetroffen omstandigheden.
In de natuur kan van een verschijnsel dat volledig aanwezig is en in zijn geheel kan worden waargenomen studie worden gemaakt, naar aanleiding hiervan hypothesen worden opgesteld, en het resultaat van de bevindingen worden geverifieerd door waarneming en experiment.
In de maatschappij/historische wetenschap is dit niet mogelijk. Het historisch proces omvat het gebeuren wat achter ons ligt, het gebeuren wat zich op dit moment in het hier en nu afspeelt, en het omvat het grote scala aan denkbare mogelijkheden die in het historisch proces besloten liggen.
Het heden is de voortschuivende scheidingslijn tussen verleden en toekomst. Een bepaalde ver of minder ver achter ons liggende fase van het historisch proces is niet meer als zodanig aanwezig, al werkt het verleden in het heden=contemporaine-gebeuren, door, het is immers de uitkomst van het verleden. Het verleden heeft sporen nagelaten. Het heden is in feite één groot door het verleden achtergelaten spoor. Elke dag nemen we van iets anders afscheid, zonder het te weten.

Wat is een historisch feit?
Een historisch feit is niet zonder meer een onwrikbaar, objectief gegeven; een historisch feit is niet in alle perioden gelijk maar afhankelijk van wat onder geschiedenis verstaan wordt; een historisch feit mist niet alleen volstrekte objectiviteit en laat zich niet eenduidig bepalen, maar is ook allerminst een enkelvoudig gegeven.
Belangrijk is dus dat de herkomst van de historische feiten in de geschiedschrijving nauwkeurig wordt aangegeven.

 

Christelijke en nationale deugden.

Omstreeks 1900 toen, na een periode van economische depressie een opleving en een economische bloeiperiode was gevolgd, jeugdigen strijd gingen voeren voor het socialisme namen volwassen het initiatief de jeugd christelijke en nationale deugden bij te brengen.
De gevolgen van de zware economische depressie die vanaf 1870 over Europa hing waren ook in Nederland gevoeld.
Het was een periode van slechte tijden. De textielindustrie beleefde slechte tijden, in de bouwvakken heerste grote werkloosheid. De kou had de nood onder de arbeiders bijzonder schrijnend gemaakt. De crises in de landbouw die omstreeks 1870 begon had de gevolgen van die in de industrie nog een keer verergerd. Duizenden arbeiders, werkzaam op het platteland in de agrarische industrie, waren naar de steden getrokken in de hoop daar werk te vinden, met als gevolg dat de menigte der werklozen buitengewoon toenam. Anderen bleven in hun gemeente, in leven gehouden door de karige giften der diaconieën of burgerlijke armbesturen.
De arbeiders leden door het ontbreken van werkgelegenheid en onder de schommelingen hierin in de tweede helft van de 19e eeuw. Massale en langdurige werkloosheid vooral in de winter had een belangrijk deel van de bevolking aan de rand van het bestaansminimum of zelfs daaronder gebracht. De honger was overal. De wet uit 1854 waarmee de taak van de overheid in het ondersteunen van de armen was beperkt en overgelaten aan kerken en particuliere instellingen had de honger in omvang doen toenemen. Werklozen en armen hadden zich zo goed mogelijk zien te redden. Alleen in uiterste noodzaak sprong de overheid bij.

Na 1895 was op de lange economische depressie een opleving en een kapitalistische bloeiperiode gevolgd, weliswaar onderbroken door geregeld terugkerende crisissen die kort van duur waren. De banken, de handel en de industrie maakten weer winst, de werkloosheid onder de arbeiders daalde, de landbouw fleurde op, de tuinbouw kwam op. In de grote havensteden kwam de handel handen te kort; vele nieuwe fabrieken verrezen.

Ook jeugdigen die op 11 à 12-jarige leeftijd van school waren gekomen en aan het werk gegaan bij een kleine baas als loopjongen, drukkers- of zetters leerling, schilders knecht, sigarenmaker, aankomend horlogemaker, diamantslijpers leerling, winkelbediende, timmermansjongen, meubelmakersjongen hadden de gevolgen van de zware economische crises gemerkt. De crises had geleid tot een verscherpte concurrentie tussen enerzijds bedrijven die over voldoende financiële middelen beschikten om gebruik te kunnen maken van de stoommachine en over te gaan naar een fabrieksmatige productie waardoor ze sneller konden produceren met minder kosten, en anderzijds de bedrijven die de kosten voor een uitbreiding van de fabrieksmatige productie niet konden opbrengen, waardoor bij hen de afzet van producten verminderde. Deze laatste bedrijven kregen moeite het hoofd boven water te houden en hadden de kosten hiervan afgewenteld op de jongeren door het loon te verlagen of door dit zo laag mogelijk te houden.
Onder deze jeugdigen ontstond omstreeks 1885 de drang zich aaneen te sluiten en zich georganiseerd te verzetten. Ze sloten zich aaneen in jongelingsverenigingen die zich op 12 augustus 1888 aaneensloten tot de Sociaal-Democratische Jongelieden Bond (SDJB).
De jeugdigen verspreidden manifesten, lazen kranten, boeken en brochures [13], gingen s’nachts motto’s plakken en kalken, lieten zich door H. Roland Holst-van der Schalk de beginselen van de socialistische wereldbeschouwing bijbrengen. [14]
Ze hielden propaganda- en colportagetochten onder het zingen van de melodie van de Marseillaise bijna altijd vergezeld met kloppartijen met de politie. Soms werd er gecolporteerd gewapend met knuppels als verdedigingsmiddel tegen de handtastelijkheden van een vijandig gezinde bevolking. Elke gebeurtenis werd aangegrepen om verzet te kunnen plegen tegen de politie.[15]

De SDJB werd in zijn geheel lid van de toenmalige door Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) geleide Sociaal Democratische Bond (SDB). Domela Nieuwenhuis ontving de jeugdigen thuis en tastte meer dan eens in de beurs om achterstallige zaalhuur of opgelopen doktersrekeningen te betalen. Hij werd door de jongelieden tot in zijn kleding toe gevolgd en zijn geschriften golden als onomstotelijk.
De jeugdigen zagen geheelonthouding als voorwaarde van de socialistische ‘bewustwording’. Ze verzetten zich tegen geloof en kerk, streden tegen de ‘slang’ van het militarisme, zagen: het leger als ‘de kanker, die knaagt aan de welvaart des volks’ dat ze zoveel als mogelijk was probeerden te ondermijnen en te verzwakken.[16]
De jeugdigen richtten zich met name tegen de remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’. Deze wet maakte het mogelijk dat jeugdigen hun militaire verplichting konden laten verrichten (afkopen) door een ander. Dit had er toe geleid dat jeugdigen uit de financiel beter gesitueerde sociale laag van de bevolking hun militaire verplichting tegen een vergoeding lieten verrichten door leeftijdsgenoten uit de financiel slecht gesitueerde sociale laag: de laag der arbeiders. Dat gebeurde meestal door de bemiddelling van een remplaçantenbaas, bemiddelaar, die een belangrijk gedeelte van de vergoeding in eigen zak stak. Doordat het vervullen van de militaire-dienstplicht gold voor een door de regering van te voren vastgesteld aantal jongeren, werd door loting vastgesteld wie van de plicht was vrijgesteld. Tegen de tijd dat de uitslag van de loting bekend werd gemaakt hielden de jeugdigen bij de lokalen van de aanstaande militairen demonstraties tegen het bestaan van de remplaçantenwet, colporteerden er en verspreidden er manifesten.

Binnen de SDB waren debatten ontstaan over de betekenis van de parlementaire democratie: was het een middel om te komen tot maatschappelijke her­vorming of alleen een agitatiemiddel om het werkende volk wakker te schudden. De Friese advocaat: Pieter Jelles Troelstra (1860-1930) verwachtte meer van een stapsgewijze hervorming door middel van wetgeving via het parlement. Hij stapte in 1894 uit de SDB en richtte samen met elf gelijkgezinden, (de ‘twaalf apostelen’) de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) op.
Als de jeugdigen in de SDJB kiezen voor de anti-parlementaire weg van de SDB en in 1898 de naam veranderen in Socialistische Jongelieden Bond (SJB) dan gaan volwassenen met een afkeer van het orthodoxe calvinisme en liberalisme enerzijds en een vrees voor de hardheid en ruwheid van de socialistische arbeidersbeweging en het daarmee samenhangende felle atheïsme anderzijds, uit angst voor het ontstaan van een nieuwe periode van werkloosheid, christelijke en nationale deugden bijbrengen.

Zelfbeheersing
De onderwijzer Jentje Johan Kleefstra (1860-1929) laat de jeugdigen aan de Brinioschool in Hilversum sport beoefenen.[17] Kleefstra die lid was van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) liet de jeugdigen voetballen, schaatsen, zwemmen, korfballen, wandelingen maken
Het doel was ‘de lange slungel die met de neus in de wind, een hoge boord onder de kin, een partij geleerdheid onder de arm, overal met zijn waanwijheid te koop loopt’ en ‘de nufjes, die reeds als dames behandeld willen worden, terwijl ze nog in de korte rokken zijn’ de gelegenheid geven zich te ontwikkelen tot ‘gezonde, krachtige, tevreden menschen’.[18]         
Toelichting: Sport was in het laatste kwart van de 19e eeuw ‘als vermaak’ uit Engeland overgewaaid. Het werd in de financieel betere lagen van de Nederlandse bevolking gezien als een a-politieke vorm van vrijetijdsbesteding voor jonge mannen.

Een van de oprichters van de SDAP: Adriaan Henri Gerhard (1858-1948) had verkondigd dat door de doorgaande ontwikkeling van de mens zowel in zijn biologische staat als in zijn staat als maatschappelijk wezen de gemeenschap zich vanzelf zou ingroeien tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen.
Gerhard was zeer populair. Zijn Sociaal Sprookje werd verschillende malen gedrukt en voorgelezen op vergade­ringen. Hij was woordvoerder van een in het laatste decennium van de negentiende eeuw gevormd sociaal-darwinistisch denken. Gerhard had het boek van Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919): Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, in het Nederlands vertaald laten verschijnen.[19]
De bioloog Haeckel was aanhanger van een monistisch denken waarin het organisch leven: het leven van mens, plant en dier, én het anorganisch leven: maatschappelijk leven, als één geheel werd gezien.[20]
Haeckel was aanhanger van een zich vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw zich van de westerse wereld meester gemaakt sociaal-darwinistisch denken.
Haeckel had in 1899 Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie laten verschijnen. Het boek was een ongeëvenaard succes – er werd een drie miljoen exemplaren in meer dan twintig talen van verkocht. Haeckel had zich laten inspireren door de Engelse bioloog Charles Darwin (1809-1882). Darwin had, mogelijk gemaakt door de overweldigende hoeveelheid gegevens door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie die hem ter beschikking stonden, in 1859 The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life gepubliceert. Darwin was evenals de zooloog A.R.Wallace, die uitvoerig onderzoek had verricht in o.a. de Indische Archipel, tot de theorie gekomen dat de natuur niet een voor eens en altijd vaststaand gebeuren was, maar een niet eindigende evolutie doormaakte en dat door middel van een proces van natuurlijke selectie de soort die het meest de eigenschappen had zich onder bepaalde gegeven omstandigheden te handhaven overleefde. [21]
Darwin had samen met Wallace op 1juli 1858 een verklaring afgelegd voor de de Linnean Society of Londen, een jaar voordat hij zijn Origin of species publiceerde.
Darwin had zich laten inspireren door de dominee Thomas Malthus (1766-1834). Malthus had in An Essay on the Principle of Population, dat in 1798 voor het eerst verscheen onder de schuilnaam: J. Johnson, gesteld dat de omvang van de bevolking altijd twee keer zo groot zou zijn dan de hoeveelheid beschikbare voedingsmiddelen (behoudens rampen of epidemieën) en dat in zo’n situatie van overbevolking het zwakke deel van de bevolking zou overlijden en het sterke deel in leven blijven.[22]
Malthus’ demografische verelendungstheorie bleek overigens onjuist: het is de vraag naar arbeidskracht dat de hoogte van het loon bepaald. Malthus reageerde echter op de omstandigheden die hij in zijn tijd zag, n.l. dat een stijgend gebrek aan voedsel samenging met een stijging van het aantal kinderen. Immers, met een zo groot mogelijk aantal kinderen kon het gezin zich in leven houden.
De voorzitter van de Maatschappij van Nijverheid duidde op een vergadering kindersterfte en werkloosheid letterlijk aan als ‘twee verschijnselen die wijzen op een normaal en krachtig zich uitzettende bevolking. Zij zijn de kanalen waarlangs het overtollige afvloeit.[23]
Het resultaat was de Nieuw-Malthusiaanse Bond, die werd opgericht in 1881, en een voorlichtingscampagne begon waarin een zogenaamd ‘middelenboekje’ centraal stond.

Verantwoordelijkheidsbesef
De minister van justitie Adriaan Cort van der Linden (1846-1935) in het kabinet: Pierson Goeman-Borgesius (1897-1901) laat jeugdigen die door de rechter zijn veroordeeld niet meer opsluiten maar opvoeden, voogdijraden de rechter adviseren, en gezinsvoogden, verenigd in de Pro Juventute verenigingen, de leiding van het gezin nemen.

Cort van der Linden was hoogleraar in de staathuishoudkunde en statistiek. Hij had verkondigd dat opvoeding een einde kon maken aan sociale misstanden.[24]

Hij was het arbeiderskinden zoals: de 19-jarige L. Schotting die voor het verspreiden van het vlugschrift: de Bloedbelasting onder de lotelingen 2 maanden gevangenisstraf tegen zich hoorde eisen, [25] en K.A.Bos en C.G.Tieleman die in Amsterdam voor het verspreiden van een strooibiljet waren veroordeeld tot een gevangenisstraf: Bos voor 8 maanden en C.G.Tieleman tot 6 maanden, [26] en een ander (Lucas) in Den Haag die wegens het verspreiden van opruiende geschriften was veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf, [27] met iets andere ogen gaan zien: hij had ze gepromoveerd van ‘schooiertje’ en ‘boefje’ tot het ‘misdeelde kind’.
Cort van der Linden was woordvoerder van een rond de eeuwwisseling van de negentiende- en de twintigste eeuw gevormd sociaal-liberaal denken. Hij zag de staat niet meer slechts als een noodzakelijk kwaad, met geen ander doel dan het scheppen van de voorwaarden voor een onbelemmerde ontwikkeling van alle mogelijkheden, maar ook om ‘te waken voor een regtvaardige verdeeling van de maatschappelijke productie’.[28]
Cort van de Linden zag als doel van de staat te beogen:’dat iedere arbeider, ieder die werkt inderdaad het loon ontvangt van zijn verdienste, en het als de natuurlijke plicht van de staat te beslissen over de wijze hoe het goed wordt verdeeld.[29]
Hij zag het als taak van de staat te zorgen voor onderwijs ‘omdat toch reeds de verschillen in het vermogen der ouders verschillen teweegbrengen in de verschillende stelling der kinderen welke door gene wetgeving geheel kunnen worden weggenomen’. [30]
Cort van der Linden zag als voorwaarde om de armoede te verhelpen de vermeerdering van kennis: ‘Vermeerdering van kennis zal de arbeiders bewaren voor de onbeperkte overgave.
Maar als allerbelangrijkste doel van de staat zag Cort van der Linden de verhoging van het zedelijk peil: ‘Matigheid, orde, spaarzaamheid zijn er noodig om van de werkman een zelfstandig man te maken’, en stelt  ‘Ten slotte heeft de werkman zijn eigen lot in handen.’ [31]
 
Plichtsbesef
Hélène Mercier (1839-1910) geeft jeugdigen in Ons Huis aan de Rozenstraat in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan de gelegenheid zich algemeen te ontwikkelen door ze gebruik te laten maken van een bibliotheek en een leeszaal, een praatavond of een zondagavondbijeenkomst te laten bijwonen, een lezing of voordracht te laten volgen, een tentoonstelling te laten bezoeken, onderricht te geven in de Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen, in verstellen, in muziek maken, in toneel spelen.[32]
Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905), oprichter van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB), had verkondigd dat door algemene ontwikkeling een einde kon komen aan sociale misstanden. Kerdijk was woordvoerder van een in het eerste decennium der twintigste eeuw onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen gevormd vrijzinnig-democrarisch denken.
Kerdijk was geinspireerd door het werk van Charlotte Knappert (1860-1952). Knappert had de Mulo gevolgd, de acte Frans gehaald en het diploma godsdienstonderwijzeres.
Zij had in 1899 in Leiden Het Leidse Volkshuis geopend toen een grote brand had gewoed in een katoenfabriek waarbij honderden vrouwen werkloos waren geworden. Het Volkshuis was bedoeld als werkverschaffing, maar was door Knappert omgezet tot een maatschappelijk cultureel centrum. Ze organiseerde er voor dienstmeisjes en vrouwelijke jeugdigen die werkzaam waren op de fabriek, leesonderricht en onderricht in het herstellen van kleding, bood verpleging aan in de wijk, hield een spaarkas, gaf gelegenheid gebruik te maken van een bibliotheek, organiseerde wandelingen, had een zangkoor voor arbeiders en organiseerde er vakantiedagen voor de bezoekers.
In 1915 werd Knappert directrice van de Amsterdamse School voor Maatschappelijk Werk. De oud-leerlinge J.E.Bloembergen, over Knappert: “Mej. Knappert verwachtte alles, d.w.z. het beste van ons. Zij haatte schijn, halfheid, dilettantisme en met het volste recht eischte zij van hen, die eenmaal den drempel van de school voor enkele jaren zouden overschrijden, algeheele toewijding en ernst. (…)Mej. Knappert, die door haar veelzijdige kennis en bekendheid der arbeidsveld, ook buiten de school, voor hare leerlingen steeds wist te ontdekken, heeft ons land een onschatbare dienst bewezen door aan vele meisjes, die zonder haar zeker ingedut zouden zijn, een kans te bieden, tot frissche, flinke, werkende persoonlijkheden uit te groeien’.[33]
Toen Knappert in 1926 met pensioen ging nam ze haar intrek in een huisje op het terrein van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Bentveld.
Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren.
In Nederland waren socialistische studenten betrokken geweest bij de eerste pogingen om tot Toynbee-werk te komen.
Na de dood van Arnold was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.

Tevredenheid
De uitgever Eduard Benjamin Ter HorstJr. (1865-1905) laat jeugdigen zich verdiepen in het dagelijkse huiselijk leven van een gezin en het bestaan van handarbeider.
De predikant Abraham Kuyper (1837-1920) had verkondigd dat het gezin gezien moest worden als ‘de wortel en de kiem . . . waar heel de Staat  uit opwast’ en dat ‘de beslissing over de positie, waarin we geboren zouden worden, niet aan ons stond, maar aan een macht buiten ons’. [34]
Kuyper had leidinggegeven aan de afsplitsing van de Nederlands Hervormde Kerk waaruit samen met andere groepen van gelovigen in 1892 de Gereformeerde Kerken waren ontstaan. [35]
Kuyper was in 1901 ministerpresident en minister van binnenlandse zaken geworden in het naar hem genoemde kabinet. Hij had zich in felle bewoordingen gekeerd tegen de in 1903 gehouden spoorwegstaking door deze te veroordelen als een politiek revolutionaire-, anarchistische actie en misdadige woeling.
Toen Kuyper op 18 februari 1903 met een aantal wetten was gekomen waarin elke pressie op onderkruipers, arbeiders die zich tegen de staking keerden en het werk van de stakers wilden uitvoeren, strafbaar was gesteld en om de staking te kunnen breken  jongeren die hun militaire dienstplicht hadden vervuld had opgeroepen zich opnieuw te melden en ook nog een paar regimenten van jeugdigen die de dienstplicht nog feitelijk vervulden paraat had gehouden, hadden jongeren zich in het conflict gemengd door de militairen op te roepen massaal de dienst te weigeren.
Hij had in een opstel Handenarbeid opgeroepen arbeiders bij te brengen ‘met weinig tevreden leeren zijn’.[36]
Kuyper had op het in 1891 door de christelijke werknemersorganisatie Patrimonium georganiseerde Sociaal-Congres het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot veroordeeld als ‘de dienst van Mammon’ en de toehorende arbeiders opgeroepen af te zien van verbetering van het lot en om in de plaats daarvan ‘het eeuwige leven’ op de voorgrond te stellen. Kuyper had de toehorende arbeiders in het vooruitzicht gesteld  ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’ en er op gewezen dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.[37]

Ter HorstJr. was eigenaar van de boek- en papierwinkel Wolters. Hij had deze op 15 augustus 1894 overgenomen van zijn vader. Ter HorstSr. (1828-1896) was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de boek- en papierwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860). Toen Wolters in juli 1860 overleed en zijn echtgenote in december van hetzelfde jaar was de boek- en papierwinkel overgegaan naar de broer van Wolters’ echtgenote: Ter HorstSr.

TerHorst Jr. had Hindricus Scheepstra (1859-1913) verhalen laten schrijven over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin, en zich bij het schrijven laten bijstaan door de onderwijzer Gerard Jan Ligthart (1859-1916), hoewel van deze nog slechts een enkel artikel was verschenen. [38]
Scheepstra was opgegroeid in Roden, op het Drentse platteland. Hij was leraar aan de Rijkskweekschool in Groningen en had vele door de uitgever Wolters (ter Horst Sr. en Jr.) uitgegeven schoolboeken geschreven zoals: Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893), en Ambachten en bedrijven (1903), een handleiding bij een serie illustraties van beroepen en ambachten, en samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899), waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Ook was Scheepstra sinds jaren redacteur van De Schoolwereld, een door Wolters uitgegeven periodiek.
Ligthart was onderwijzer aan de school in de Tullinghstraat in Haag. Hij was opgegroeid in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan in een orthodox protestants gezin. Hij was na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas, zoals gebruikelijk was onder zijn leeftijdsgenoten. Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan én geen kind van wie de ouders of leerkrachten vonden dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht. Jan had aan een lagere school een baantje aangenomen als hulpje, en volgde in de avonduren de opleiding voor onderwijzer. De eerste keer dat Ligthart examen deed voor de opleiding die hem de bevoegdheid moest geven aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school mislukte. Nadat de tweede poging sukses had was Ligthart in 1885 aangesteld als hoofd van een school in de Tullinghstraat in Den Haag.
Hij werd lid van het bestuur van het in 1842 opgerichtte Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) waarvan vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid waren. Het NOG zette zich in voor het ophouden van de stand en voor verdieping van het beroep. De leiding in de strijd voor verbetering van het lot van het onderwijzend personeel was dan ook niet in handen van het NOG, maar van de vele jaren later, in 1874, opgerichtte Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO). De BNO zette zich in zowel voor verbetering van het onderricht en voor de belangen van de jeugd, als voor het belang van de onderwijzer. De leden van de BNO stonden op het standpunt dat tussen beider belangen een onverbrekelijk verband bestond: ze voerde actie voor een betere salariëring, voor een grotere zelfstandigheid voor de klasseonderwijzer, voor schoolvoeding en kleding van overheidswege, voor schoolartsen en voor gezondheid- en vakantiekolonies. Het NOG en de BNO bestreden elkaar dikwijls op bepaalde punten te vuur en te zwaard. Het kwam voor dat onderwijzers bij de aanstelling moesten beloven zich niet aan te zullen sluiten bij de BNO.

Het Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) was in 1842 opgericht. De Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO) was opgericht in 1874.Uit een fusie van het NOG en de BNO ontstond in 1946 de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV). Uit een fusie van het NOV met de Nederlandse Bond van Leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs (NBLNO) ontstond in 1966 de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP).
De ABOP fuseerde met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs (AVMO), de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs (CVHMO) en de Vereniging Sint-Bonaventura. Uit de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) ontstond in 1997 de Algemene Onderwijs Bond (AOB).


De door TerHorstJr. uitgebrachte verhalen verschenen in 1904 voor het eerst onder de titel ‘Het boek van Ot en Sien’.[39]
In de verhalen wordt het dagelijkse bestaan beschreven van een gezin dat op het platteland een ruime vrijstaande comfortabele woning bewoont, met een moeder die geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht en een vader die de kost verdient als hoofdarbeider. Het is een gezin ‘waar van jongsaf Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’. [40]
Het zijn romantische verhalen waarin de bucolische idylle de boventoon voert. Het hierin beschreven bestaan stond in schril contrast met het feitelijke bestaan van de bevolking op het platteland. De omstandigheden waaronder de arbeiders leefden waren erbarmelijk: volkomen verwaarloosd, dikwijls in leemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd, verstoken van alle middelen van bestaan.[41]
Bij de volkstelling-1899 bleek dat bijna een kwart van de bevolking (23 %) in een eenkamerwoning gehuisvest was; dat percentage bedroeg voor de stad Rotterdam en de provincie Groningen 58, voor de provincie Drente zelfs 62.
Het in de verhalen beschreven dagelijkse bestaan stond in een even groot contrast met het dagelijkse leven in de volksbuurten van de grote steden waar de grootste groep van de jeugdige lezers zijn bestaan had. Hier was het dagelijkse bestaan niet veel beter dan op het platteland.
In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden naamloze stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, waar ratten en wandluizen de nimmer ontbrekende gasten waren. Waar een waterleiding meestal ontbrak en dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. De moeders en de vaders werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie.
De keuze van Ter HostJr. voor Ligthart om hem Scheepstra te laten bijstaan bij het schrijven hield verband met de achtergrond van Ligtharts maatschappelijke opvattingen: het gereformeerde geloof van Abraham Kuyper, waarvan Ligthart blijk had gegeven aanhanger te zijn.
De gereformeerde predikant C.W.Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was.[42]
De predikant Willem Banning (1888-1971) beschrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.[43]
De uitgever Ter HorstJr. was een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van een zekere grilligheid’. [44]
Hij had in het voorjaar van 1899 het door hem uitgegeven, en sinds jaar en dag door Scheepstra geredigeerde periodiek De schoolwereld. Weekblad van het lager onderwijs in Nederland en de koloniën abrupt beeindigd en enkele maanden later een nieuw laten verschijnen. Ter HorstJr. had het nieuw uitgegeven periodiek als titel gegeven: School en Leven en als ondertitel: Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin en als redacteur er van aangesteld: Jan Ligthart.
Ligtharts’ openingsartikel: Een woordje aan ’t slot, deed veel stof opwaaien: het deed de lezers te veel denken aan een preek.[45]
De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943) leverde enkele bijdragen aan School en Leven maar kwam in conflict met Ligthart. Thijssen kon niet anders oordelen dan dat Ligthart zich liet inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen.
Ter HorstJr. liet op door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalenbundels als auteur vermelden: Ligthart en als mede-auteur: Scheepstra, en op de her-uitgave van een door Scheepstra en Walstra geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten) als mede-auteur vermelden: Ligthart en de naam van de feitelijke auteur: Walstra onvermeld.
De wandplaten met een illustratie van een handarbeider die Ter HorstJr. liet vervaardigen lieten weinig medegevoel en begrip zien. Ze boden een beeld van een arbeider ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’.[46].
Een beeld zoals de predikant J.P.Hasebroek (1812-1896) geeft over de  Zeeuwse arbeiders: De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid. [47]
Ook deze predikant leek het aan medegevoel en begrip te ontbreken.
Ter HorstJr. had de wandplaten met een afbeelding van een arbeider laten maken door de in de toenmalige plattelands gemeente Groningen opgegroeide Cornelis Jetses (1873-1955). Jetses maakte de wandplaten naar voorbeeld van de illustraties van de Groningse onderwijzer Brugsma. Jetses voorzag ook het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkelde Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, van afbeeldingen die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien.
Het schrijverschap leverde Scheepstra en Ligthart en geen windeieren op: Ligthart belegde zijn geld in een perceel bosgrond, en Scheepstra kocht een herenhuis op ‘stand’ aan de Ossenmarkt in Groningen.

Saamhorigheid
Aan de Humanitaire School in Laren laten de leerkrachten de jeugdigen met elkaar samenwerken en elkaar te  helpen.[48]
Peter Kropotkin (1842-1921), politicus, historicus enbioloog had verkondigd dat bepaalde vormen van samenwerking en wederzijdse hulp de ontwikkeling van de gemeenschap hadden bevorderd.  [49]
Hij achtte de cooperatie van meer belang dan de concurrentieKropotkin was de grote inspirator van het tussen 1896 en de eerste wereldoorlog gevormde Nederlandse Tolstojanisme.[50]
Woordvoerder van het Christen-anarchisme of Humanitaire Idealisme zoals het Nederlandse Tolstojanisme ook wel werd genoemd was de hoogleraar Jacob (Koos) van Rees (1854-1924). Van Rees ‘een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’,  . . .  een mensenvriend, maar niet zonder heersersneigingen [51], had in zijn woonhuis enkele kamers beschikbaar gesteld voor het onderricht en huisvesting van de onderwijzers en sprong bij  wanneer er een financieel tekort dreigde te ontstaan. Hij had in Blaricum eerder een kolonie opgericht waaraan een einde was gekomen toen de plaatselijke bevolking de gebouwen van de kolonie vernielden uit woede van de gevolgen van de op 8 januari 1903 gehouden spoorwegstaking.
Omstreeks 1900 was de Russische edelman Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910) plotseling met veel werken voor de dag gekomen. [52]
Hij werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19 e eeuw gezien die een enorme indruk maakte.
Tolstoj was de zoon van een der oudste grafelijke families in het tsarenrijk. Ze zouden in de veertiende eeuw met een schare van volgelingen uit het westen zijn gekomen, om zich in de Oekraine te vestigen. Hun aanzien was gestegen en hun rijkdom toegenomen. Ze behoorden onder Peter I in elk geval tot de voornaamste adellijke geslachten. Lev Nikolajevitsj scheen voorbestemd tot een loopbaan in de hogere regionen van de maatschappij. Tolstoi sloot zich aan bij het expeditieleger dat van 1851 tot 1853 in de Kaukassus opereerde om de opstandige bergvolken te temmen. De militaire realiteit in de Kaukasus die voor Tolstoj aanvankelijk een woest en vurig spel spel, sloeg als snel om in een verwerpelijke gruwel. Het lot had hem tot landjonker, tot grootgrondbezitter gemaakt. Hij had Jasjana Poljana geerfd en daarmee de verantwoordelijkheid over duizend lijfeigenen: geknechten, onwetend, onmondig. Tolstoj’s zorg was het aan de onwetendheid van deze bezitloze boerenmassa een einde te maken. Het schoolexperiment was steeds een van Tolstoj’s lievelingsdenkbeelden geweest. Hij maakte op het einde van de vijfiger jaren zijn eerste westeuropese reis: Italie, Frankrijk, Zwiteserland, Duitsland.
Tolstojanen in Nederland lieten zich inspireren door Kropotkin. Kropotkin was meer wetenschappelijk ingesteld dan Tolstoj. Kropotkin had kritiek geuit op Darwin's kijk op de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens die het bestaan veronderstelde van een strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en een strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest. Hij wees er op dat in de Middeleeuwen, toen feodale en communale samenlevingsvormen nog domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking en wederzijdse hulp de ontwikkeling van de gemeenschap hadden bevorderd.

Werklust
Aan de Engendaalschool in Soest laat Lodewijk van Mierop (1876-1930) de jeugdigen de grond bewerken. [53]
De arts Frederik Willem van Eeden (1860-1932), ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde’ had verkondigd dat op kolonies voor een ieder die wilde werken een gelukkig leven mogelijk was.[54]
Van Eeden behoorde tot die groep van intellectuelen bij wie kolonies zeer intrek waren. Afgeschrikt door de ongegneerde strijdmetheoden van het socialisme, en toch bewogen door de maatschappelijke noden, hoopten ze door zelftucht en voorbeeld een aanvang te maken met de verbetering van de maatschappelijke ordening.[55]
Van Eeden had in 1898 in Bussum zijn klonie Walden opgericht. Hij geloofde dat er in West-Europa en Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op komst was en had plannen ontworpen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij. Van Eeden stelde dat het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting berustte: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’. [56]
Van Eeden nam het bestaan aan van drie standen: zij die het inkomen verkrijgen uit de opbrengst van geld: grondbezitters, aandeelhouders, renteniers; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij de overheid of uit het verrichten van arbeid als zelfstandige beroepsbeoefenaar: lakeien, ambtenaren, artsen, advocaten; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij particulieren: fabrieksarbeiders, dagloners. [57]
Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levensvoorwaarden en -omstandigheden af. Hij zag als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze.[58]
Van Eeden was bewonderaar van de Oosterse theosoof Abindranath Tagore (1861-1941) en enige tijd aanhanger van de hoogleraar in de filosofie en pre-fascist: G.J.P.J.Bolland (1854-1922). Van Eeden had in De Nieuwe Gids, waarvan hij redacteur was, geschreven dat de gedachten die hij had verwoord in zijn Redekunstige grondslag van verstandhouding, grote overeenkomst vertoonden met die van Bolland.[59]
Van Eeden zou bij een andere gelegenheid spreken over ‘de vriendelijke, goedhartige en naief-geniale professor. [60]
De kolonie Walden had zich ontwikkeld van een amateuristisch tuinbouwbedrijf zonder duidelijke reglementen tot een antikapitalistische commune, die zich niet anarchistisch noemde maar in de praktijk wel uitging van gemeenschappelijke besluitvorming en vrijwillige beheersing van egoïsme. Het economisch zwaartepunt lag in latere jaren niet meer in land- of tuinbouw maar in enkele coöperatieve bedrijven, waarvan de bakkerij tot lang na de opheffing van Walden floreerde.
Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or Life in the woods laten verschijnen.
Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.[61]

Naastenliefde
De onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) laat bij de school in Vledderveen (Grn) op een perceel dalgrond waar een afbeelding is gemaakt van Nederland, Europa en Amerika, de jeugdigen de verdeling van consumptiegoederen naspelen.[62]
De predikant Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938) had verkondigd dat door een betere verdeling van consumptiegoederen een einde kon komen aan sociale misstanden.
De Ligt behoorde tot die groep van volwassenen die zich niet thuis voelden binnen de SDAP. Het was niet zo dat ze het oneens waren met de strijd van de SDAP tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten, maar wezen het culturele en geestelijke klimaat van de SDAP af. In de SDAP werd het christelijk geloof afgewezen als zijnde in strijd met de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én gezien als in strijd met de menselijke waardigheid doordat het mensen van strijd voor lotsverbetering afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakt.[63]
 De Ligt had van 1903 tot 1910 theologie gestudeerd. Gedurende zijn studietijd was hij aanhanger van de orthodox-protestant en pre-fascist G.J.P.J. Bolland (1854-1922). De Ligt sloot zich in 1910 aan bij de in 1907 opgerichtte Bond van Christen-Socialisten (BVCS). Bij de BVCS sloten zich volwassenen aan uit anti-revolutionaire en christelijk historische kringen en volwassenen rond het christelijke weekblad Algemeen Welzijn. Zij geloofden dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een betere verdeling van consumptiegoederen.
De Ligt schreef in 1914 een nieuw beginselprogramma voor de BVCS: God Uzelf Uw Naaste waarin hij opriep het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.[64]

De regering doet onderzoek naar de ontwikkelingsmogelijkheden van de jeugd.
Op verzoek van het lid voor de SDAP in de Tweede Kamer: A.H.Gerhard doe het liberale kabinet Cort van der Linden (1913-1918) onderzoek naar de ontwikkelingsmogelijkheden van niet-leerplichtige jeugdigen. Gerhard had in de SDAP te maken gehad met jeugdigen die een eigen  socialistisch standpunt wilden innemen en eigenmachtig actie wilden voeren.
Op het Brusselse congres der  Socialistische Internationale in 1900 in Parijs hadden de aangesloten nationale partijen de opdracht gekregen anti-militaristische socialistische jeugdbonden op te richten.[65]
Op 10 mei 1901 was door volwassenen in de SDAP voor jeugdigen de Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’ opgericht. [66]
Toen dit na de mislukte tweede spoorwegstaking in 1903 veel leden verloor, en het landelijk contakt tussen de afzonderlijke plaatselijke bonden verliep, was door de volwassenen in de SDAP op 23 april 1905 een nieuwe De Zaaier opgericht met als doel het in socialistische zin opvoeden van de jeugd. De volwassenen zagen de strijd tegen het militarisme niet meer als een zaak voor jeugdigen. Op het eerste congres van de ‘nieuwe’ De Zaaier op 8 april 1906, besloten de jeugdigen zich in te zetten het wezen en het karakter van het militarisme duidelijk te maken en elk jaar een openbare vergadering te houden. Toen enkele door Karl Marx geinspireerde leden in de SDAP de Sociaal-Democratische Partij (SDP) oprichtten sloten de jeugdigen van de nieuwe De Zaaier zich hierbij aan. De SDAP was voorstander van een parlementaire weg naar sociale verbeteringen, en de jeugdigen waren voorstander van de anti-parlementaire weg. Dit was voor het bestuur van de SDAP reden de band met De Zaaier te verbreken.
In 1911 was door de SDAP een nieuwe jongerenorganisatie opgericht: Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP) met als doel het bevorderen van de algemene ontwikkeling van de jongeren door middel van cursussen in staatshuishoudkunde, geschiedenis, Nederlandse taal, administratie. Toen de jeugdigen aangaven dat ze een eigen  socialistisch standpunt wilden innemen en eigenmachtig actie voeren en de oprichting van de JOderSDAP niet had geleid tot het grote aantal leden waarop de leiding van de SDAP had gehoopt had Gerhard in de Tweede Kamer het liberale kabinet-Cort van der Linden, in 1914, aan de vooravond van de eerste wereldoorlog het onderzoek verzocht naar ‘de aard en omvang van organisaties die zich bezig houden met de vorming der niet-leerplichtige jeugd en deze commissie de bevoegdheid te geven denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen’ dat in in 1917 was ingesteld.[67]


Democratische gezindheid.
Omstreeks 1920 toen, na een periode waarin het overgrote deel van de bevolking gebrek had geleden als gevolg van de oorlog, de regering met allerlei verbeteringen kwam, jongeren in geestdrift raakten voor de Sovjet-Unie waar de Oktoberrevolutie had plaatsgevonden, namen volwassenen het initiatief de jeugd een democratische gezindheid bij te brengen.

De botsende belangen der imperialistiese mogendheden hadden op 3 augustus 1914 tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog geleid. Het overgrote deel van de bevolking had te maken gekregen met een periode van gebrek.
In de periode voor 1914 waren de spanningen tussen de grote europese mogendheden voortdurend toegenomen. Een bewapeningswedloop was op gang gekomen en verschillende keren was een oorlog nabij geleken. De strijd op wereldschaal om een herverdeling van koloniën, invloedssferen en afzetmarkten tussen het na 1870 snel opkomende Duitse industriële kapitalisme en de over de gehele wereld gevestigde macht van het oude Britse kapitalisme was op een wereldoorlog uitgelopen. Bij de wedren om koloniën of invloedssferen, niet alleen voor de afzet van produkten maar steeds meer ook voor het beleggen van kapitaal, waren Duitsland, Italië en Japan te laat geweest. Alleen op kosten van Engeland, Frankrijk, België of Nederland hadden zij nog aan koloniën kunnen komen. Door het militaire bondgenootschap tussen Frankrijk, Rusland en Engeland enerzijds en Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië anderzijds, had de oorlog het karakter gekregen van een wereldoorlog. De strijd tussen Frankrijk en Duitsland om Elzas-Lotharingen en tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije om invloed op de Balkan had de ekonomiese tegenstellingen versterkt, vooral die tussen Engeland en Duitsland.
Multi-nationale ondernemingen hadden met behulp van de militaire macht, ekonomies achtergebleven gebieden geplunderd door middel van zeer voordelige kapitaalsbeleggingen in plantages, mijnen, olievelden, spoorwegen en in mindere mate in fabrieken.
De Eerste Wereldoorlog brak uit tussen het Duitse en Oostenrijkse keizerrijk aan de ene kant en het Britse en Franse imperium met het Russiese tsarisme aan de andere. In 1917 schaarden de Verenigde Staten zich aan de zijde van Frankrijk en Engeland. Doordat de Duitse legers direkt België waren binnengevallen en onder de voet hadden gelopen om zo sneller Parijs te kunnen bereiken, was ook voor Nederland de oorlog zeer nabij geleken. Het leger was gemobiliseerd. Vele arbeiders waren plotseling onder de wapenen geroepen wat het ekonomisch leven had ontwricht. De productie van arbeids- en verbruiksmiddelen was voor een balangrijk deel omgezet in de productie van oorlogsmaterieel. De producten van land- en tuinbouw en die van de visserij hadden gretig aftrek gevonden onder de oorlogvoerenden. Grote voorraden levensmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Het percentage werkozen was gestegen van 7,4% tot 27%. Grote hoeveelheden aardappelen en groenten, rijst en cacaopoeder waren in reusachtige hoeveelheden aan Duitsland verkocht. Met medewerking van de minister van landouw: Posthuma, waren enorme hoeveelheden  zuivelproducten, eieren en groenten gexporteerd. Door de uitvoer van vee was de veestapel onrustbarend verminderd. Ook transportmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Nederland was een hongerland geworden.
Het zgn. ‘Ellendekongres’ van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in november 1915 had een onheilspellende daling van het levenspeil aan het licht gebracht, ook bij de niet bij het NVV aangesloten arbeiders. De verhoging van de lonen, zelfs van de sociaalkrachtigste arbeidersgroepen, bleek aanmerkelijk achtergebleven de stijging der prijzen, die toen al voor de voornaamste levensbenodigdheden op 30% werd geschat. Er vonden talrijke stakingen plaats: metaalbewerkers, loodgieters, slagers, chauffeurs, grondwerkers, steenzetters, melkslijters en nog andere categorieën hadden in de loop van dat jaar het werk neergelegd om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden af te dwingen. In de textielindustrie in Tilburg was het tot een staking gekomen. Mijnwerkers hadden gedurende ongeveer twee weken gestaakt. In Rotterdam hadden de havenarbeiders gestaakt. Er waren hongeropstootjes. In de zomer van 1917 was in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan bijna geen aardappel meer te koop, terwijl er in de Prinsengracht schepen vol met aardappels lagen, bestemd voor de export. Dit had geleid tot het Aardappeloproer. Er vonden plunderingen plaats, demonstraties en gewelddadigheden. In de kazernes van de Harskamp vond een soldatenoproer plaats. De levensmiddelenpolitiek van de regering had als gevolg dat een groot deel der stedelijke bevolking honger leed.
Doordat de uitvoer door was gegaan, was Nederland verdacht gewordn, met als gevolg dat Nederland door Amerika was gerantsoeneerd, maar ook dat Nederlandse graanschepen in beslag waren genomen, dat de uitvoer van koloniale producten uit Indonesië naar Nederland was gehinderd. Elke uitvoer van levensmiddelen was onmogelijk gemaakt en de invoer van voedsel voor mens en dier, evenals die van kunstmest, tot een minimum beperkt. Deze rantsoenerings-politiek had geleid tot een totale ineenstorting van de Nederlandse invoer van overzee gedurende het laatste oorlogsjaar. In de laatste jaren van de oorlog had de bevolking gebrek gekregen aan voedsel, kleding, grondstoffen, halffabricaten, steenkool, petroleum.

In Rusland had de onvrede onder de bevolking geleid tot een revolutie. Er was veel onvrede in Rusland door de heersende armoede. In 1898 was in Rusland de Russische Sociaaldemocratische Arbeiders Partij (RSDAP) opgericht. De RSDAP was in 1903 nog verboden door haar radicale ideeën maar was wel steeds meer in opkomst. Een scheuring had in 1903 geleid tot het ontstaan van twee groepen: de Bolsjewieken (bolsjinstvo=meerderheid) steunend op de arbeiders en de boeren en niet wilden samenwerken met de liberale oppositie; de Mensjewieken (minderheid) steunend op de kleine middenstanders en de grondeigenaren en wel wilden samenwerken met de liberale oppositie.
Tsaar Nicolaas II had in 1904 de oorlog verklaard aan Japan: de Tsaar was van mening dat Japan zijn grenzen te veel richting Russisch grondgebied had uitgebreid. Deze oorlogsverklaring gevoegd bij de armoede onder de bevolking had in 1905 geleid tot de eerste Russische revolutie. Tsaar Nicholaas II had een deel van zijn alleenschappij moeten afstaan aan een in 1906 ingesteld parlement: de Doema. Er was een raad van arbeiders opgericht, Sowjet, die geleid werd door Leon Trotski (1879-1940). De sovjet- afgevaardigden waren democratisch gekozen en erkend als het hoogste gezag in het land. Er waren al snel meerdere sovjets voor verschillende groepen arbeiders ontstaan zoals: spoorwegarbeiders en fabrieksarbeiders.
De onvrede onder de bevolking was gebleven. Dit had in 1917 tussen 8 en 15 maart (februari volgens de Russische jaartelling) geleid tot de Februari-revolutie. Er was een einde gekomen aan de heerschappij van de dynastie van de Romanov’s die zo’n 300 jaar lang had geregeerd. De familie was naar Jekaterinenburg verbannen waar ze in 1918 met geweld om het leven was gebracht.
De Doema had een Voorlopige Regering ingesteld. Het nieuwe bewind van liberalen en gematigde socialisten had echter de oorlog met Duitsland voortgezet en geen haast gemaakt met het verdelen van het grondbezit onder de boeren. Tegenover deze Voorlopige Regering stonden de raden (sovjets) van arbeiders, boeren en soldaten.
De sovjets waren hier fel op tegen omdat de oorlog Rusland al miljoenen slachtoffers had gekost. Er was een strijd ontstaan tussen de Mensjewieken en de Bolsjewieken. De Mensjewieken zaten in de Voorlopige Regering en de Bolsjewieken waren vertegenwoordigd in de Sovjets. De meeste arbeiders hadden de Bolsjewieken gesteund omdat zij de meest radicale veranderingen wilden doorvoeren. De verliezen en de nog steeds aanwezige armoede hadden weer voor onrust gezorgd.
De leider van de Bolsjewieken: Vladimir Lenin (1870-1924) had ‘alle grond aan de boeren, alle macht aan de sovjets, alle fabrieken aan de arbeiders en vrede met Duitsland’ gewenst. Lenin was na een mislukte staatsgreep in de zomer van 1917 naar Finland gevlucht, maar was in september terug gekomen. De sovjets onder de leiding van Lenin hadden de Voorlopige Regering afgezet tijdens de Oktoberrevolutie (1917). Lenin had vrede gesloten met Duitsland in het verdrag van Brest-Litovsk (1917), een streep door alle buitenlandse leningen en beleggingen gehaald en alle productiemiddellen onteigend.
Pogingen van diverse Europese mogendheden, de Verenigde Staten en Japan, om door militaire interventie het revolutionaire bewind ten val te brengen en de rijke Russische bodemschatten in handen te krijgen, waren mislukt, na een jarenlange bloedige en wrede oorlog.
De Russische Revolutie had grote invloed uitgeoefend op het politiek en maatschappelijk gebeuren in de rest van Europa en Azië. In november 1918 hadden revolutionaire bewegingen een einde gemaakt aan het Duitse keizerrijk, het Oostenrijkse keizerrijk en het Ottomaanse rijk. 
In de omliggende landen waren de regeringen en de gegoede burgerij nerveus geworden. De regering in Nederland was, in de hoop gevrijwaard te worden van ‘revolutionaire woelingen’, met allerlei verbeteringen gekomen: de wettelijke achturendag was ingevoerd, het algemeen mannenkiesrecht en kort daarop het vrouwenkiesrecht, de hoogte van het ouderdomspensioen was verhoogd en de leeftijd waarop het inging verlaagd, aan de gezinnen der miliciens die het leven hadden gelaten als gevolg van de bommen op de Zeven Provincien waren ettelijke miljoenen als schadeloosstelling uitgekeerd en het loon van het personeel in dienst van de gemeentelijke en landelijke overheid was sprongsgewijs verhoogd.
Het waren de dagen van de ‘bibber-bourgeoisie’. De burgemeester van Rotterdam, Zimmerman, was zo door paniek bevangen geweest dat hij, om de onvermijdelijke omwenteling in elk geval ordentelijk te laten plaatsvinden, twee vakbondsleiders: A. Heykoop en J. Brautigam, bij zich had geroepen en gezegd dat hij ‘van plan was om ook in geval van een revolutionaire beweging’ (die hij voorzag) ‘in ieder geval (zijn) best te doen voor het behoud der orde’; de waterleiding, de electrische centrale, de gasfabriek, de banken zou hij ongestoord laten voortwerken, op de stations zou hij de orde handhaven.
Voor alle zekerheid had Zimmerman nog een résumé gemaakt van het besprokene. Wat hadden zijn gesprekspartners anders kunnen concluderen dan dat de burgemeester van ’s lands tweede stad gecapituleerd had nog voor de revolutie was ingezet! Hij had 9 november 1918, op het moment dat de Duitse revolutie gedreigd had over te slaan naar Nederland, nog net niet de sleutel van de stad overhandigd. Heykoop en Brautigam waren, nog vóór zij Zimmerman bezochten, door de voorzitter van de machtige Scheepvaartvereniging Zuid, P. Nijgh, ontvangen, ‘die er van overtuigd was dat de Duitse gebeurtenissen hier zouden doorzetten’; hij had schielijk verbetering beloofd van de arbeidsvoorwaarden. Minister-president Ruys had die avond in Den Haag geproken met de liberale en vrijzinnig-democratische leiders: ‘Huns inziens was alles verloren. De revolutie was niet te keren. We moesten maar wat toegeven, bijv. een paar socialisten in het kabinet opnemen.’
De leiding van de Rooms-Katholieke Staatspartij had een manifest in een oplaag van een half miljoen exemplaren laten drukken, waarin tot trouw aan Koningin en ministers was opgeroepen. Aalberse, de rooms-katholieke minister van arbeid, had het voorstel gedaan troepen uit de noordelijke en zuidelijke provincies naar Amsterdam, Rotterdam en Den Haag te zenden. De minister van oorlog had het voornemen goedgekeurd maar er op gewezen dat er geen geld voor was. De organisatoren in Leeuwarden hadden f 10.000 nodig. Nog voor sluitingstijd van de postkantoren, had de Rotterdamse scheepvaartmagnaat A.G.Kröller ze ter beschikking gesteld. De redactie van De Telegraaf had aan de voorzitter van de SDAP gemeld 'dat zij bereid waren, vooral met de veelverbreide Courant, een eventueele revolutie te steunen'.[68].
De Bijzondere Vrijwillige Landstorm, dat burgers had bewapend die het reguliere leger ondersteunden, was snel gegroeid van honderden tot duizenden, vooral afkomstig uit antirevolutionaire en rooms-katholieke kringen. Door de confessionele partijen en door de liberalen en vrijzinnig-democraten was opgeroepen tot steun aan het wettig gezag.
De confessionele vakbeweging had in zeer korte tijd een massale actie weten te ontketenen ter ondersteuning van het gezag. Er was een 'Hoofd-comité van actie tegen de revolutie' tot stand gekomen en het vorstenhuis was het middelpunt van een betoon van aanhankelijkheid geworden. De ledentallen van de confessionele vakcentrales waren met 100% gestegen. De leiding van het NVV had het nodig gevonden uit te spreken dat zij uitsluitend legale (wettige) wegen wilde gaan bij het verbeteren van de positie van de arbeiders.
Angst, gehechtheid aan staatsbestel en vorstin, hadden zich ontlaad in demonstraties waarvan de grootste en indrukwekkendste op maandag 18 november 1918 op het Malieveld in Den Haag was gehouden. Al om half twaalf waren alle straten die er heen voerden, zwart van de mensen. Anderhalf uur later was de Koningin verschenen. Haar rijtuig was stilgestaan. Een troep dol-enthousiaste soldaten had de paarden afgespannen en het rijtuig verder voortgetrokken. Er was een zee van mensen, en veel vlaggen van verenigingen, in meerderheid roomse vaandels. Het rijtuig, met nog steeds de Koningin, haar echtgenoot prins Hendrik en haar negenjarig dochtertje, prinses Juliana er in, was het Voorhout opgetrokken waar het paleis stond van de zes-en-vijftigjarige Koningin-moeder Emma. Deze was geschrokken eerst toen zij het rijtuig zonder paarden zag aankomen. Ze dacht dat de Revolutie was uitgebroken en dat de Koningin door het volk gevankelijk was meegevoerd. Maar toen ze boven alles uit de juichkreten en het Wilhelmus had gehoord, had ze begrepen wat dit alles betekende. Ze was op het balkon gekomen en was even geestdriftig toegejuicht.

De politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd was diep onder de indruk gekomen van het gebrek en de nood in de arbeidersgezinnen en het bloedvergieten zonder zin met een niet meer goed voor te stellen omvang. Ze had gedemonstreerd, protestvergaderingen gehouden, gestaakt zelfs hier en daar en politieke partijen veroordeeld.
Leden van de Sociaal-Anarchistische Jeugdorganisaties (SAJO) hadden begin 1918 explosief materiaal ontvreemd uit een opslagplaats voor munitie en springstoffen in de omgeving van Amsterdam met het doel een aanslag te plegen op het gebouw van De Beurs in Amsterdam, (de aanslag was mislukt en de jeugdigen waren veroordeeld tot gevangenisstraffen van 12 tot 6 maanden). Herman Groenendaal had geweigerd de militaire dienst te vervullen, was daarvoor gearresteerd en was hiervoor in hongerstaking gegaan. Het leidde tot wekenlange demonstraties, protestvergaderingen en hier en daar stakingen waarbij duizenden arbeiders betrokken waren. Twee andere jeugdigen, Albert de Jong en Bart de Ligt, waren veroordeeld wegens opruiing tot resp. 19 en 27 dagen gevangenisstraf.
De jongeren verwachtten dat het kapitalisme zich niet meer zou herstellen. Ze raakten in geestdrift voor de Sovjet-Unie waar de Oktober-revolutie had plaats gevonden en verwachtten dat dit een nieuw tijdperk in de mensheid zou inluiden ondanks de pogingen van diverse Europese mogendheden – ook de verenigde Staten en japan lieten zich hierbij niet onbetuigd – om door militaire interventie het revolutionaire bewind ten val te brengen en de rijke Russische bodemschatten in handen te krijgen.
De jonge Dirk Struik (1894-2000) schreef over de Russische Revolutie: ‘Ze was een prachtige zonsopgang  alle denkende menselijke wezens hebben meegedaan om deze epoche te verheerlijken’ en voegde hier aan toe: ‘De revolutie bracht nieuwe hoop na het bloedige bankroet van het kapitalisme, ze bood uitzicht op een nieuwe mensheid, en toonde de macht van de marxistische gedachte’.[69]
Struik herhaalde in zijn memoires de woorden van Hegel over de Franse Revolutie: “Ze was een prachtige zonsopgang — alle denkende menselijke wezens hebben meegedaan om deze epoche te verheerlijken” en voegde hier in zijn eigen woorden aan toe: ‘De revolutie bracht nieuwe hoop na het bloedige bankroet van het kapitalisme, ze bood uitzicht op een nieuwe mensheid, en toonde de macht van de marxistische gedachte’.[70]
De socioloog Karl Mannheim wijst er op dat een ‘Polarerlebnis’ voor een bepaalde generatie bepalend is voor de rest van het leven waardoor alle latere ervaringen als door een magneetpool gericht, gekleurd worden. [71]
In Harderwijk kwam het tot de vorming van een soldatenraad, die onderhandeld had met de officieren over betere voeding, meer soldij en direct verlof. Als in de laatste maanden van de oorlog de lucht vol is van berichten en geruchten over opstanden en revolutie dan gaan, uit angst voor een revolutie en opnieuw een oorlog, volwassenen met een samenhangende wereld- en levensbeschouwing en een hang naar theosofie, antroposofie of een op het christendom geïnspireerde religie, de jeugd een democratische gezindheid bijbrengen.

Respect voor een ieders godsdienstige-,  levens of maatschappelijke overtuiging.
Het kabinet Ruys de Beerenbrouck (1918-1922) laat voor jeugdigen die niet bij een jeugdorganisatie zijn aangesloten ontwikkelings- en ontspanningsaktiviteiten organiseren. Het confessionele kabinet (samengesteld uit: Rooms Katholieke Staats Partij, Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie) had als resultaat van het in 1917 door het liberale kabinet Cort van der Linden in 1917 ingestelde onderzoek naar de ontwikkeling van de jeugd geconstateerd ‘dat het verreweg grootste deel der oudere jeugd geenerlei onderwijs meer ontvangt’ .[72] 
Om deze jeugd beter voor te bereiden op ‘de uitoefening van de staatsburgerlijke plichten en rechten’ had het kabinet een Centrale Jeugdraad ingesteld met als taak ontwikkelings- en ontspanningsaktiviteiten te organiseren.  De leiding van SDAP en Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) hadden eerder, in 1918, een Centrale voor Jeugdontwikkeling opgericht.
De in 1911 vanuit de SDAP opgerichtte jeugdorganisatie: Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP) had als taak gekregen het bevorderen van de algemene ontwikkeling van de jongeren door middel van cursussen in staatshuishoudkunde, geschiedenis, Nederlandse taal, administratie.
In Amsterdam hadden jongeren aangegeven politiek te willen bedrijven, meer zelfstandigheid te willen, een landelijke organisatie te willen vormen, een landelijk blad te willen uitgeven en af wilden van de verplichting om met 18 jaar lid te worden van de SDAP. Zij waren ontevreden met de lessen van ‘schoolmeesters in taal en sterrenkunde’ en hadden de JOderSDAP verlaten. De leiding van de SDAP en van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) hadden toen in 1918 een Centrale voor Jeugdontwikkeling opgericht met als doel de jeugd aan de hand van ontwikkelings- en ontspanningsaktiviteiten bij te brengen respect te hebben voor een ieders godsdienstige, levens- of maatschappelijke overtuiging[73].
Deze Centrale voor Jeugdontwikkeling was in 1920 omgezet in een Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen, verder bekend als Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). [74]

Als tegenhanger van het op SDAP-leest geschoeide ontwikkelings- en ontspanningswerk werden Volkshogescholen opgericht met als doel ‘het geven van een zedelijk-geestelijke ontwikkeling aan volwassen personen als grondslag voor vernieuwing der volkscultuur en versterking van de volksgemeenschap’. (Statuten 1939). De eerste kwam in Bakkeveen (1932) voor jonge boeren, werklozen en studenten.

Aan de scholen voor maatschappelijk werk, later genoemd: Sociale Academies, kwamen opleidingen voor jeugd en jongerenwerk (sociaal-cultureelwerk). Organisaties die kampementen organiseerden en zich bedienden van door het rijk beschikbaar gesteld kampeermateriaal werden gewaarschuwd voor het kunnen ontstaan van een onzedelijke sfeer, waarmee bedoeld werd o.a. het niet eerbiedigen van een ieders uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging. Aanbevolen werd te komen tot een hierarchiese centralistische organisatie om toezicht te kunnen houden en eventueel de nodige maatregelen te kunnen nemen.
Het gemeentebestuur van Rotterdam benoemde op 26 mei 1921 een Adviserend Ambtenaar inzake de Opvoeding van de rijpere jeugd en richtte op 10 januari 1922 de Rotterdamse Jeugd Raad op. Het gemeentebestuur van Amsterdam stelde op 1 januari 1923 een tijdelijk ambtenaar aan belast met het toezicht op de van gemeentewege gesubsidieerde verenigingen welke zich bezig houden met Toynbeewerk en Vrije Jeugdvorming.

Respect voor een ieders persoonlijke overtuiging.
Het lid van de Gemeenteraad en wethouder voor het onderwijs voor de SDAP in Amsterdam: Eduard (Eliazer) Polak (1880-1962) laat de jeugdigen aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes zelf beslissen welke taak ze uitvoeren, welk materiaal ze gebruiken, en of ze willen zitten of staan.
De predikant Willem Banning (1888-1971) had verkondigd dat door kennis te maken met een ieders persoonlijke overtuiging verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging worden overbrugd. Banning had de opleiding voor onderwijzers gevolgd aan de Rijkskweekschool voor Onderwijzers in Haarlem en was betrokken geweest bij de oprichting van het Religieus Socialistisch Verbond. Hij had om tegenwicht te kunnen bieden aan het proletarisch- en marxistisch-socialisme van de arbeidersbeweging en aan het daarmee verbonden felle atheïsme in 1919 de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (AG) opgericht.[75]
Banning had op later leeftijd de opleiding voor predikant gevolgd en tijdens de opleiding kennis gemaakt met het op het christendom geïnspireerde religieus denken van de hoogleraar in de godgeleerdheid Karel Hendrik Roessingh (1886-1925). Roessingh had als student in Engeland kennis gemaakt met de Woodbrookers en in 1916 in Nederland de Vereniging der Woodbrookers opgericht. Woodbrookers hingen een op het christendom geïnspireerde religie aan waarin geloofd werd in reconcilliation: door respect te hebben voor een ieders persoonlijke overtuiging zouden verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging worden overbrugd. De aanhangers (Quakers) hadden in Selly Oak, in de buurt van het Engelse Birmingham, hun Woodbrooke College waarvoor de welgestelde George Cadbury (aanhanger der Quakers) zijn woonhuis en bijbehorende tuinen, Woodbrooke, beschikbaar stelde. Naast Woodbrooke werd Westhill het meest bekend.
Roessingh had bij zijn aanstelling als hoogleraar in de godgeleerdheid opgeroepen ‘persoonlijkheden’ te worden door ‘niet ons eigen geweten te onderwerpen aan het voorschrift van eene kerk, aan de wet van een staat, aan het gezag van een ander mensch’, maar af te gaan op de eigen persoonlijke overtuiging.[76]

Respect voor een ieders interesse en belangstelling.
De onderwijzer Berend Wouters laat aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen de jeugdigen aan de hand van de eigen interesse een aktiviteit met de hand verrichten of een aktviteit met ‘het hoofd’.
De theosofe Helena Petrovna Blavatsky (1831-1891) had verkondigd dat een ieders sociale positie een zaak was van interesse en belangstelling en dat dit bepaald is door een kracht buiten de mens (reincarnatie).
Blavatsky was als Von Hahn geboren in de Oekraine en afkomstig uit het financiel beter gesitueerde deel van de bevolking. Ze was op achttienjarige leeftijd gehuwd met Nikofor Blavatsky, ondergouverneur van de provincie Jerevan, er na een paar maanden huwelijk vandoor gegaan naar en verder door het leven gegaan als Helena Petrovna Blavatsky.
Blavatsky had zich in Constantinopel aangesloten als paardrijdster bij een circus en de Hongaarse operazanger Mitrovitsj ontmoet, met wie ze gehuwd schijnt te zijn. Later dook ze op in Parijs als assistente van Daniel Dunglas Home (1833-1886), een in Schotland geboren spiritistisch medium, dook ze op als dirigente van een Servisch koor, en ontmoette op de boerderij van een spiritistenfamilie in Vermont kolonel Olcott, van wie gezegd wordt dat zijn baard een stuk echter was dan zijn militaire rang.
Samen meenden ze dat Blavatsky occulte gaven bezat en hadden op 13 september 1875 de Theosophical Society opgericht met als doel te komen tot een sfeer van algehele broederschap, zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. De onderwijzer Wouters had zich op 10 mei 1903 onder nummer 23648 als lid laten inschrijven.
Van Blavatsky verschenen sterk antichristelijke, antimaterialistische, en mystieke verhalen in: Isis ontsluierd. Sommigen spraken van goddelijke inspiratie, anderen beweerden dat Blavatsky plagiaat had gepleegd van met name het werk van de Engelse dichter, (toneel) schrijver, literatuurcriticus en politicus: Sir Edward Bulwer-Lytton (1803-1873).
Niet lang na de publikatie van Isis ontsluierd, waarvan de eerste druk na tien dagen uitverkocht was en het de schrijfster evenveel lof als laster en schandaal bracht, verlieten Olcott en Blavatsky de Verenigde Staten en plantten ze de theosofie over naar India. In 1880 bekeerden beiden zich tot het boeddhisme. Ook aan het verblijf in India kwam door schandalen een einde. Vervalsingen kwamen aan het licht, trucages werden blootgelegd. Blavatsky verdween naar Europa en schreef haar tweede meesterwerk: De geheime leer, dat net voor haar overlijden in 1891 uitkwam.
De Theosofische Vereniging werd een groot succes met vele vertakkingen over de wereld. In 1910 waren er bijna zevenhonderd loges, verdeeld over ruim zestien landen, met in totaal bijna 17.000 leden. De Nederlandse vereniging, het 'zevende blad aan de lotus', werd opgericht in 1897 en onderverdeeld in loges, met zo'n dertienhonderd leden, waarvan ruim driehonderd in Indie.

Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling.
De onderwijzer Johann Hermann Bolt laat aan de Pallas-Athene School in Amersfoort jeugdigen uit verschillende leerjaren met een verschillende mate van geestelijke ontwikkeling gezamenlijk onderricht volgen.[77]
De theosofe Annie (Wood) Besant (1847-1933) had verkondigd dat een ieders plaats in het sociale gebeuren een zaak was van geestelijke ontwikkeling en dat dit bepaald is door een kracht buiten de mens (reincarnatie). Besant had na de dood van Blavatsky de leiding van de Thesosofische Vereniging overgenomen. Bolt had zich op 26 maart 1915 onder nummer 58560 als lid laten inschrijven.
Besant had eerder een leidende funktie binnen de Anglicaanse kerk en in 1911 de jonge Indier Jiddu Krishnamurtie (1895-1986) aangewezen als de opvolger van Jezus, de nieuwe wereldleraar. Om de jonge Indier te ontmoeten kwamen op de jaarlijkse Sterkampen in Ommen, die tussen 1923 en 1930 plaatsvonden, vele duizenden aanhangers uit alle delen van de wereld bijeen.
Ook Besant geloofde in reïncarnatie: het geloof aan een onpersoonlijk en toch individueel voortbestaand ik. Ze beweerde onder meer Hypathia en Giordano Bruno te zijn geweest.

Respect voor een ieders temperament
Aan de Vrije School in Den Haag wordt in het onderricht rekening gehouden met het temperament van de jeugdigen.[78]
De antroposoof Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925) had verkondigd dat een ieders plaats in het maatschappelijk leven een zaak was van temperament: sanguinisch (opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) of cholerisch (opvliegend) en dat dit bepaald is door de invloed vanuit de kosmos: zon, maan, sterren.[79]
Steiner was tien jaar lid van de Theosofische Vereniging. Hij had, toen Annie Besant in Krishnamurti de toekomstige wereldleraar ontdekt meende te hebben, in 1913 zijn ‘eigen’ gesellschaft opgericht: Antroposofisch Gesellschaft. Hij had in 1919 in Stuttgard de leiding gekregen over de Freie Waldorfschule. De school was opgezet door Emil Mohlt (1878-1936), eigenaar van de sigaretten fabriek Waldorf-Astoria om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen.
Op de aanwezigheid van vier onderling kwalitatief verschillende stoffen: de vaste aarde, het vloeibare water, de gasvormige lucht en het gloeiende verterende vuur had de Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) gewezen; op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren wees de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322); de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) wees op de aanwezigheid in het menselijk lichaam van vier lichaamsvochten: sanguis (bloed), flegma (slijm), melancholie (zwarte gal) en cholera (gele gal); over de leer der temperamenten had de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) geschreven; de theorie dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van in de kosmos voorkomende elementen zon en maan was door de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) ontwikkeld.[80]

Respect voor iedere plaats in het sociale gebeuren.
De onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) laat aan de Hillegomschool in Amsterdam onderricht volgen zonder een lesrooster met afgepaste tijden voor de verschillende vakken, zonder een vastgesteld leerplan met afgebakende leerstof, en zonder een vaste methode van onderricht.[81]
De ex-jezuit Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944) had verkondigd dat mensen niet gelijk zijn maar zeer verschillend en dat ze elkaar juist daardoor nodig hebben. Schoenmaekers had in Rome de opleiding gevolgd tot priester. Hij had zich op enig moment afgekeerd van de kerk maar niet van het roomse (katholieke) denken. Hij zag zich zelfs ‘katholieker dan de roomsche kerk, katholieker dan de paus’.[82]
Schoenmaekers zag de maatschappij als een lichaam (corpora): een organisme waarvan alle delen samen een onlosmakelijk geheel vormen, even onmisbaar zijn, op elkaar zijn aangewezen en een eigen plaats en taak hebben waaraan niets te veranderen valt, gelijk het hoofd en de ledematen die weliswaar ongelijk zijn maar geen van beide gemist kan worden wil het lichaam functioneren. In deze zienswijze zijn er leiders en volgelingen en gaat het erom het organisch gegroeide niet te verstoren. De democratie wordt gezien als een kunstmatige constructie, gebaseerd op een atomistische opvatting van het menselijk samenleven. De van huis uit niet onbemiddelde Schoenmaekers beschikte over een meeslepend redenaarstalent, duldde geen tegenspraak en vermeed elke diskussie met andersdenkenden. Schoenmaekers zocht in Amsterdam aansluiting bij de kring van vrijzinnige christenen en vrijdenkers, bij de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia vincit anymos', dat hem het lidmaatschap weigerde, en was korte tijd lid van de Theosofische Vereeniging.
Schoenmaekers leek enige tijd gehoor te vinden bij enkele kunstenaars die bekend werden als De Stijl waaronder: Theo van Doesburg (pseudoniem van Christian Emil Marie Küpper), Piet Mondriaan, Vilmos Huszár, Bart van der Leck, J.J.P. Oud, Jan Wils, Robert van 't Hoff, Peter Alma, Gerrit Rietveld, Georges Vantongerloo en Chris Beekman.

Respect voor de beste.
Cornelis Boeke (1884-1954) laat aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap in Bilthoven bij alle voorlomende werkzaamheden de beste kiezen als hoofd.
De rechtsgeleerde: J.J. van der Leeuw (1893-1934) had opgeroepen een begin te maken met de opbouw van ‘een aristo-democratie’: een samenleving waar op alle terreinen van het maatschappelijk leven ‘groepverbanden‘ gevormd zijn, waaruit de ‘beste’ gekozen is als hoofd, die op hun beurt uit het midden de beste kiezen voor het bestuur van grotere gemeenschappen, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen is. [83]
Van der Leeuw had, toen hij nog student in de rechten was in Leiden, uit Londen de Practisch Idealisten Asssociatie (PIA) in Nederland geïntroduceerd. Na de in 1896 opgerichtte Nederlandse Christelijke Studenten Vereniging (NCSV) was de PIA de tweede stap van de jeugd uit de zeer gegoede kringen zich aaneen te sluiten.[84]
Boeke was lid van de PIA. Zijn vader was directeur van de HBS, de vader van Van der Leeuw was firmant van de Van Nelle fabriek, een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam, een ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en weer een ander was directeur van de glasfabriek in Leerdam.
De PIA was een reactie op oorlog en revolutie. In de PIA was een ieder medewerker, elke plaatselijke afdeling had haar leider, de plaatselijke leiders vertegenwoordigden hun afdeling in de Raad der Leiders, en besluiten werden genomen bij overeenstemming van stemmen. Bij het toetreden tot de PIA werd van de leden verwacht een beginselverklaring te ondertekenen waarin ze verklaarden:
Wij willen de mensheid dienen, in plaats van eigen eer en voordeel na te jagen. Wij willen onze lagere natuur beheersen, in plaats van haar onbeteugeld te laten. Wij willen de innerlijke werkelijkheid der dingen onderscheiden van hun uiterlijke schijn. Met alle gelijkgezinden willen wij in eenheid samenwerken om, bezield door deze idealen, een betere samenleving te vormen en we zullen ons hierbij door geen uiterlijke verschillen laten verdelen. [85]
Diverse leden van de PIA waren tevens lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de Sterkampen op het landgoed Eerde in Ommen waar ook elk jaar een kamp van de PIA plaatsvond.
Van der Leeuw had tegenover het historisch materialisme een historisch-idealisme gesteld: een geestelijke omwenteling binnen in de mens.[86]
Van der Leeuw geloofde dat met zijn historisch-idealistisch politiek denken verschillen in godsdienstige-, levens- of politieke overtuiging overbrugd konden worden. Hij sloot zich later aan bij de Theosofische Vereniging, was nauw betrokken bij de zomerkampen rond Krishnamurti in Ommen en werd in 1930 voorzitter van de Nederlandse Afdeling van de Thesofische Vereniging.


Socialistische levenshouding

Omstreeks 1930 toen, in de periode van economische depressie de leiding van de SDAP en het NVV gezamenlijk kwamen met een plan om te komen tot een herstel van de bestaanszekerheid, jongeren discussierden over het socialisme en sympathie kregen voor de Sovjet-Unie, het land dat in deze jaren van werkloosheid niet door een economische depressie werd geroerd, namen volwassenen het initiatief de jeugd de beginselen bij te brengen van een socialistische leefwijze.

Op zwarte donderdag 24 oktober 1929 toen de koersen van de aandelen op de New-Yorkse effectenbeurs ineenstortten was er een economische depressie uitgebroken met een omvang, duur en intensiteit zoals de wereld voordien nooit had gekend.[87]
De crises was mondiaal; niet slechts in de Verenigde Staten, niet slechts in de kapitalistische wereld, maar over de gehele aarde tot in de grondstoffenlanden toe was de werking merkbaar geweest. Door het ongeëvenaard grote aantal kapitaalverliezen en faillissementen was de werkloosheid in de ettelijke miljoenen gelopen. De werkloosheid had massa­le en hardnekkige vormen aangenomen. De algemene prijsdaling had de boeren extra-hard getroffen. De prijs voor tarwe was in vier jaar tijd met bijna de helft gedaald, die van rogge, boter, varkensvlees met meer dan de helft. Er was vrijwel geen landbouwer die nog de eindjes aan elkaar had kunnen knopen; hoe hard er ook gewerkt werd, de bedrijven loonden niet meer.
Uit het gehele economische leven (bedrijf na bedrijf had de productie moeten inkrimpen of zelfs stopzetten) waren de arbeiders bij tienduizenden ontslagen. Door middel van loonsverlagingen hadden de ondernemers getracht hun bedrijf rendabel te houden, althans de verliezen te beperken. De bedrijven die niet onder de arbeidsinspectie vielen, hadden de neiging vertoond, van hun arbeiders buitensporige prestaties te vergen. Wie nog als zelfstandige in het economisch verkeer stond, deed vaak zijn uiterste best om te voorkomen dat hij om werklozensteun moest aankloppen. Chauffeurs, en in het bijzonder zij die niet in loondienst waren maar zelf de eigenaar waren van een vrachtauto maakten dagen, ja weken achtereen, arbeidstijden van 16 tot 18 uur per dag, of van 24 tot 48 uren aaneen. Er waren gevallen bekend welke nog zeer veel verder gingen en waarbij de betrokken chauffeurs weken achtereen slechts een nacht per week nachtrust op hun bed hadden, terwijl zij voor de rest hun rust bij stukjes en beetjes maar in de cabine van hun auto tussen de ongelimiteerde werkuren door moesten trachten te verkrijgen.
De daling van het inkomen van arbeiders en financiel beter-gesitueerden was een katastrofe voor de middenstand, speciaal voor de winkeliers. Duizenden winkels waren opgeheven, andere van eigenaar verwiddeld. De grote massa was steeds meer verarmd waardoor er steeds minder producten waren gekocht. Er was overproductie ontstaan. Het bankwezen, de industrie, de handel, de scheepvaart, hadden de neerslag van de economische crises gevoeld. De landbouw evenals de landbouw-verwerkende bedrijven hadden slag op slag gekregen. De tuinbouw was ingestort doordat naburige landen hun grenzen geheel of bijna geheel hadden afgesloten voor haar producten. De vissersvloot lag voor een groot deel werkeloos in de havens. Gebouwd werd er haast niet meer. De meeste bedrijven gingen bij de dag achteruit. Het aantal werklozen was steeds groter geworden en loonsverlagingen waren niet van de lucht.[88]
Bedrijfsleven en regering waren door de diepe crisis volledig verrast. Men hadden in beide milieus geleefd in de ban van de liberale economie en vonden dat het niet op de weg van de overheid lag, die malaise actief te bestrijden. De economie heette slechts gebaat bij ‘het vrije spel der maatschappelijke krachten’; de overheid diende zich te beperken. Zij mocht dan op de grondslag van de bestaande bedrijvigheid sociaal-beschermende maatregelen nemen en zelf op enkele sectoren, voornamelijk met haar openbare nutsbedrijven, als producente optreden – in wezen, zo zag men het, was die bedrijvigheid buiten haar om gegaan. Haar taak was het, vooral met het oog op het buitenlands ruilverkeer, het vertrouwen in de stabiliteit van de valuta hoog te houden. Dat had zij bevorderd, zo meende men, door de begroting in evenwicht te houden, zo weinig mogelijk schulden te maken, bestaande schulden af te lossen.
In 1935 kwam de leiding van SDAP en NVV gezamenlijk met een Plan van de Arbeid met als doel te komen tot een herstel van de bestaanszekerheid. Het was geïnspireerd op een door Hendrik de Man (1885-1953) ontworpen gelijknamig plan waarmee de Belgische socialistische partij in 1933 was gekomen. In dit plan had De Man de denkbeelden verwerkt van de in 1917 naar Amerika uitgeweken Rus: W.S.Wojtinski (1885-1960), de vakbondsleider: F.Tarnow en het lid van het Duitse parlement voor de Sociaal Democratische Partei: Fritz Baade (1893 -1974).
Het drietal had gepleit voor een vergroting van de koopkracht, het verlenen op grote schaal van bankkredieten en het bewerkstelligen van werkverruiming door een uitgebreide politiek van openbare werken om zo de neergaande lijn van de economie om te buigen in een opgaande. Het plan had de geestdrift gewekt en niet alleen bij de arbeiders maar ook bij de middenstand en het had ook de boeren uitzicht geboden op herstel van de bestaanszekerheid.

Bij jongeren had de crises had tot grote onzekerheid geleid.[89]
De verlammende invloed van de massale en niet eindigende werkloosheid had diep ingegrepen in het gemoedsleven van de jongeren. Bij hen was de behoefte gerezen aan houvast, hardheid en zakelijkheid. Ze hadden genoeg van de ‘geduldpredikers’ en de ‘geleidelijkheidsapostelen’, die steeds weer aandrongen op afwachten, vooral niets doen in deze crisestijd.[90]
De AJC had zich voornamenlijk beziggehouden de werkloze jeugd in speciaal voor hen georganiseerde kampen gedurende een of meer weken wat levensvreugde te bieden waar ze een moment de dodelijke sleur van het nietsdoen en het zich overbodig voelen konden vergeten.
Toen het orgaan van een groep oppositioneel en radicaal gezindten in de AJC: De Socialist, druk werd gelezen en verkocht op jeugdbijeenkomsten liet Koos Vorrink weten er voor te zijn dat ieder lid een eigen standpunt had, maar een georganiseerde oppositiemeeting zoals die van de groep van oppositioneel en radicaal gezindten afkeurde.
Toen een aantal jongeren behoefte kreeg aan meer politieke voorlichting over de koloniale en ontwapeningsproblemen en voorstelde meer politieke voorlichting te laten geven door kritische leden uit de SDAP sprak Vorrink van een giftig wantrouwen tegen de leiding en de opposanten worden weggezet als communisten.
Als dan een niet onaanzienlijk aantal AJC’ers lid wordt van de door het uittreden van of geroyeerde SDAP-leden gevormde Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP), gaan volwassenen, uit angst voor een wijziging van het economisch stelsel, de beginselen bijbrengen van een socialistische gemeenschap.
De voorzitter van de SDAP: Jacobus (Koos) Jan Vorrink (1891-1955) had verkondigd dat de daadwerkelijke verwezenlijking van het socialisme diende te gebeuren in eigen leven en in de eigen levensgemeenschap.
Hij was het geheel eens met de directeur van een clubhuis in Rotterdam die de volksjeugd geestelijk leeg en zedelijk laf vond: de geestelijke leegheid van de gemiddelde volksjongen (is) veel en groter dan wij vroeger ooit hadden gemeend en dat hij - alle onderwijs, museums, kerken, meetings enz. ten spijt – geheel en al buiten onze cultuur voortleeft, en: Nooit heeft een jongen het voor het gezag opgenomen, nooit heeft een doen blijken, dat hij een vernieling of andere overtreding afkeurde en meegewerkt om de schuldige op te sporen.. . . ’t is niets anders dan bangigheid om in een zaak te worden gemoeid.[91]
Vorrink had de AJC omgevormd naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien bij de Sozialistische Arbeiter Jugend waar volksliederen werden gezongen en stijlvolle dansen uitgevoerd, waren de jongeren afkerig waren van banaliteit, de jongeren de ‘burgerlijke’ confectiepakjes met stijve boorden hadden omgewisseld voor manchesterkleding met open hemden.
Vorrink had zich laten inspireren door de in Duitsland gevormde Belg: Hendrik de Man (1885-1953). De Man had in 1929 Der Sozialismus als Kultuurbewegung laten verschijnen.[92]
Vorrink had het boekje van De Man zo belangrijk gevonden dat hij het zelf had vertaald en uitgegeven.[93]
De Man was op zijn beurt gegrepen door de gedachten van G.L. Radbruch (1878-1949). Radbruch zag als de belangrijkste waarden van een socialistische gemeenschap: ‘Kameradschaft, Gemeinsinn, Arbeitsfreude. [94]

Samenvatting, beschouwing en conclusies.
Omstreeks 1900 toen jeugdigen zich aaneensloten in zelfstandig door hen geleide organisaties om strijd te gaan voeren voor een beter mens en een betere gemeenschap werden volwassenen zoals: ouders, pedagogen en overheid, bang. Ze werden bang dat het optreden van de jeugdigen ‘uit de hand’ zou lopen en namen toen het initiatief dit jeugdoptreden in ‘geordende’ banen te leiden door het onderwijs te vernieuwen en zich in toenemende mate met de zorg voor de jeugd te bemoeien.
Men keerde zich tegen het ‘intellectualistisch’ onderricht met de nadruk op het bijbrengen van kennis. Men legde de nadruk op de opvoeding van de jeugd. Doelen die voortvloeiden uit het door hen aangehangen wereldbeeld: een christelijk-nationaal, een religieus-socialistisch, een organisch, een aristocratisch of een cultuur-socialistisch.
Jeugdigen werden niet gezien als jeugdigen maar als (toekomstige) volwassenen, en de jeugdfase niet als een waarde inzichzelf maar als een voorportaal van het leven der volwassenen.
Er werd niet geschuwd de jeugd een niet bestaande, irreele, wereld voor te houden zoals dit het geval was in de verhalen over het dagelijkse huiselijk leven van Ot en Sien, en niet geschuwd werd de hulp van de regering in te roepen.

 

[1] M. Bloch: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.


[2] H. Plessner: Het probleem der generaties, in: Sociologisch jaarboek. III, jrg. 1949.


[3] Harmsen, G.: Blauwe en Rode Jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.


[4] B. A. Knoppers: Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung. Emsdetten 1931.


[5] J. H. Gunnungh Wzn.: De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, Amsterdam 1939.


[6] I. van der Velde: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940. Groningen 1970.


[7] S. J. C. Freudenthal-Lutter: Naar de school van morgen. Alphen aan de Rijn. Blz. 141.


[8] Th. van Tijn: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag. In: Jeugd, school en wereld. Jrg. 55, 1971, no. 4; ook in: Student. Januari\februari 1972; zie ook zijn artikel: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, o.r.v.: L. Box, J. Dronkers, M. Molenaar en J. Mulder. Nijmegen 1977,

 

[9] H. Verwey-Jonker: Emancipatiebewegingen in Nederland. Deventer 1983.


 

[10] N. L. Dodde: Het Nederlandse onderwijs veranderd. Muiderberg 1983.

 

[11] E. Key: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, van J. Wesseling-van Rossum, Zutphen 1906.


[12] H.Roland Holst- van der Schalk: Kapitaal en Arbeid. Nijmegen 1977


[13]Gerhard, A.H.: Een Sociaal Sprookje, Amsterdam 1914.


[14] Roland Holst, H.: De Socialistische opvoeding der jeugd. Rotterdam 1907,


[15] Harmsen, R en bl blz. 47


[16] Harmsen, G.: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw. In Blauwe en Rode jeugd, blz. 24 ev.


[17] Leerkrachten waren o.a. W.v.d. Jagt (klassieke talen), H. J. Boeken (klassieke talen) Z. Stokvis (nederlands) , K. van Damme (frans), mej. Lohman (duits), C. M. Borneman (engels), B. Vreeken (wiskunde en boekhouden), C. J. H. Raad (wiskunde en tekenen), mej. A. Kleefstra (onderwijzeres), J. A. van Schooten (tekenen), mej. W. Bolland (frans, duits, engels).


[18] Keefstra, J.J.: Wat maken wij van onze jongeren. In Studien in Volkskracht. Amsterdam 1905,


[19] A. H. Gerhard: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,


 

[20] E. H. P. A.Haeckel: Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie. Bonn 1901.


[21] C. Darwin: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.


[22] T. Malthus: An Essay on the Principle of Population. Malthus publiceerde het voor het eerst in 1798 onder de schuilnaam: J. Johnson.


[23] W . Drees: Zestig jaar levenservaring (1963), p. 53-5 4 en p. 91-92.


[24] A. Cort van der Linden: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203


[25] De rechtbank ontsloeg hem van rechtsvervolging, maar het O.M. ging hiertegen in beroep. Zie: B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 541.


[26] Bymholt, blz. 673


[27] Bymholt blz 674


[28] A. Cort van der Linden: Volk en Staat, Groningen, 1882


[29] A. Cort van der Linden: Volk en Staat, Groningen, 1882


[30] A. Cort van der Linden: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz.194.


[31] A. Cort van der Linden: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203


[32] M. Soree & M.Snepvangers: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.


[33] Bloembergen, J.E. : Opstellen aangeboden aan Emilie C. Knappert op haar zeventigsten verjaardag 15 juni 1930. In: Maatschappelijk Werk, blz. 249-252.

 

[34] A. Kuyper: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[35] Toelichting: Vanuit de in 1816 gevormde Nederlands Hervormde Kerk was in 1834 de eerste afscheiding geweest (Acte van Afscheiding of Wederkeer) o.l.v. de  predikant Hendrik de Cock; in 1886 was er een tweede afscheiding: Doleantie, o.l.v. Abraham Kuyper; in 1892 waren de twee groepen van afgescheidenen samen met nog anderen onder de leiding van Abraham Kuyper tot de Gereformeerde Kerken in Nederland gevormd. Naar aanleiding van de pro-Duitse houding in de oorlog van de Gereformeerde Kerken in Nederland scheidde zich in 1944 onder de leiding van Klaas Schilder een groep van gelovigen af, zich noemend naar het artikelel waarop de gelovigen zich baseerden: Artikel 31, beter bekend onder de naam Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.


[36] A. Kuyper: Handenarbeid, Amsterdam 1889.


[37] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[38] De verhalen werden in 1906 uitgebracht onder de titel: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1904.

 

[39] J. Ligthart en H.Scheepstra: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1904.


[40] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


[41] H. Roland Holst-van der Schalk: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977.


[42] C. W. Coolsma: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.


[43] W. Banning: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.


[44] J. de Groot: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.


[45] J.Ligthart: Een woordje aan ‘t slot. In: School en Leven. Eerste jaargang, no.52.


[46] J.Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


[47] J. P. Hasebroek: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.


[48] Leerkrachten waren o.a.: Deutman-De Meijer, Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Bertha Kofman, Nelly Korver, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot


[49] P. Kropotkin: Wederkeerig dienstbetoon, een factor der evolutie. Amsterdam 1904 (Mutual aid: a factor in evolution. 1902). Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.


[50] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[51] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[52] Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962: gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.



[53] Leerkrachten waren o.a.: J.M. Telders, mw. M. van der Es, mw. P. van der Knoop, mw. T van Mierop-Mulder, Felix Ortt.


[54] G. Stuiveling: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.


 

[55] Geschiedenis van het Amsterdamsch Studentenleven 1632-1923.


[56] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[57] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[58] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[59] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 229


[60] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 543,


[61] F. van Eeden: H. Thoreau, Walden or life in the woods. Londen 1908.


[62] H. L. Borgman: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K. Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph. Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H. Schuurman: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.


[63] H. Noordegraaf: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.


[64] B. de Ligt: God Uzelf Uw Naaste. 1912.


[65] De 'Internationale Arbeiders Associatie', kortweg 'De Internationale' was in 1864 in Londen op initiatief van Engelse en Franse vakbondsleiders opgericht waar vakbondsleiders uit Europa en de Verenigde Staten elkaar vonden.


[66] G. Harmsen: Blauwe en Rode Jeugd, Nijmegen 1975, blz. 53


[67] Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer 1913/1914, blz. 1583-1584.


[68] W. H. Vliegen: Die onze kracht ontwaken deed. Deel III, p.437-438.


[69] D. Struik: Mijn socialistische jaren in Nederland. Herinneringen uit 1914-1924. In: Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1977, Nijmegen 1977, blz. 191-246.


 

[70]  D. Struik: Mijn socialistische jaren in Nederland. Herinneringen uit 1914-1924. In: Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1977, Nijmegen 1977, blz. 191-246


[71] K. Mannheim: Das problem der Generationen. In: Kölner Vierteljahreshefte für Soziologie, VII, 1928.


[72] Verslag van de staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Ingesteld bij koninklijk Besluit van 18 juni 1917 No 58.


[73] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 133


[74] G. Harmsen: De Rode jeugdbeweging in de jaren twintig. In: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 173.


[75] W. Banning: Wat wil en doet de arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Amsterdam 1934; ook in: Wie zijn de Woodbrookers, in: Ons werk. Geschriften van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.2, zj; en: Om de groei der gemeenschap. Arnhem 1926, en: De arbeidersbeweging als beschavingsmacht. Geschriften van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.3, zpl, zj.


[76] K. H. Roessingh: Persoonlijkheid en Cultuur. Haarlem 1916.


[77] J. H. Bolt: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn.  In Theosofia, febr.1920, jrg XXVII.


[78] Leerkrachten aan de school waren o.a. : Daniel Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn 1874-1959), Pieter Jakobus de Haan (1891-1968) en Max Leon Stibbe (1898-1973).


[79] R.Steiner: DAS GEHEIMNIS DER MENSCHLICHEN TEMPERAMENTE; Berlin, 1909.


[80] Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.


[81] L. Groeneweg: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920, blz.299. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.


[82] M. H. Schoenmaekers: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde. Bussum 1916.


[83] Leeuw van der J. J.: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.

 

[84] Harmsen 241


[85] Leeuw, J.J. van der: De jongeren aan den opbouw. Den Haag 1923.


[86] Leeuw van der J.J.: Het Practisch Idealisme. Baarn 1922


[87] J. van Santen: Weimar 1933. Democratie tussen fascisme en communisme. Nijmegen 1983, blz.85.


[88] G. Harmsen: Economische crises, massale werkloosheid, fascisme en oorlogsdreiging. In: Voor de Bevrijding van de arbeid, Nijmegen 1975, blz.172. Zie ook: L.de Jong


[89] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 305.

 

[90] Harmsen, G: De rode jeugdbeweging in de jaren van werkloosheid en oorlogsdreiging


[91] K. Vorrink: De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925. Blz.4.


[92] H. de Man: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929, blz.45.


[93] K. Vorrink: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928


[94] G. L. Radbruch: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre  des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.