Onderwijsvernieuwing tussen 1900 en 1940

 Onderwijsvernieuwing tussen 1900 en 1940.  

 

Cornelis Oostwal

Onderwijsvernieuwing tussen 1900 en 1940.

“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het handelen”,[1]

Contact: cornelisoostwal@gmail.com

Onderwerp en uitwerking.
Tussen 1853 en 1940 schoven als onderdeel van het democratieringsproces dat zich over de tweede helft van de 19 e eeuw en de eerste helft van de 20 e eeuw uitstrekte in de loop van dat proces verschillende emancipatiestrevingen naar voren waarvan die van de arbeidersklasse de belangrijkste, meest omvattende en verststrekkende was. Daarnaast en daardoor gestimuleerd ging ook de jeugd en de vrouwen strijd voeren voor een gelijkberechtigde positie. Voor de jeugd hield democratisering in: erkenning van het eigen karakter van de jeugdfase en de speciale eisen die deze stelde.[2]
Wanneer de jeugd door het ontvluchten van en soms ook noodgedwongen, door zich te verzetten tegen de autoritaire gezins- en schoolsfeer eigen erkenning probeert te bereiken dan worden volwassenen bang dat dit jeugdoptreden ‘uit de hand’ zou lopen en gaan dit ‘in geordende bannen’ leiden.

 Er had zich onder volwassenen in Europa op enig moment de algemene gedachte gevormd dat de maatschappelijke ontwikkeling door de jeugd was voortgebracht. Deze aanbidding van de jeugd was een gevolg van de industrialisering die geleid had tot een roep om de jeugd en niet de hogere leeftijdsklassen. Het had de patriarchale toestanden van een voornamelijk op tradities beheerst leven tot op enkele resten na doen verdwijnen en de maatschappij gemobiliseerd in het teken van de vooruitgang. De prestatie had het gewonnen van het aloude gebruik en het privilege, het kunnen van het weten, het doen van het aanschouwen, het experiment en de berekening van het vertrouwen in het gezag van de autoriteit. Alles werd verwacht van de toekomst. Jeugd en leven waren de leuzen geworden. Jeugd werd gezien als identiek met vernieuwing, jong-zijn betekende: bij-de-tijd. De maatschappij, die het van de techniek en de techniek, die het van de exacte wetenschap moest hebben, had om jonge mensen geroepen, die zich het gemakkelijkst konden aanpassen bij de snel veranderende omstandigheden, die de technische uitvindingen teweegbrachten.  

In het voorliggende wordt een schets gegeven van de wisselwerking tussen de jeugdbeweging enerzijds en het optreden van volwassenen anderzijds aan de hand van de vernieuwing van het onderwijs en de bemoeienis van de overheid met de jeugd.

Opvoeding in het verleden.
De Grieken brachten de jeugd groot voor de uitoefening van een publieke functie. Kennis en vaardigheden werd bijgebracht zoals: klassieke talen, klassieke literatuur, kunst en geschiedenis, plus een gezonde ontwikkeling van het lichaam. Het ging om: het bereiken van perfectie, de vorming van een cultureel ontwikkeld mens. Plato zei: 'Opvoeding houdt in lichaam en ziel alle perfectie geven waar zij vatbaar voor zijn'.
De Romeinen legden de nadruk in de opvoeding ook op de uitoefening van een publieke functie en een actieve deelname aan het publieke leven. Zij beschouwden alle scholing als een voorbereiding op deze rol, waaronder ook culturele doelen: de vorming van iemand tot 'vir bonus' ('gentleman' of 'bonhomme'). De Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero (106 tot 43) zag het kind als ‘speculum naturae’ als ‘spiegel der natuur’ en om de jeugd voor te bereiden op een rol in het publieke leven introduceerde hij de geleidelijke en natuurlijke ontplooiing van iemands talenten.
Christus geeft in het Mattheus-evangelie 18.3 volwassenen het dringende advies te worden gelijk de kinderen: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet veranderd, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’. Hier is sprake van het bijbrengen van een zedelijke, levensbeschouwelijke en politieke houding.
In de middeleeuwen werd de jeugd grootgebracht voor het bestaan van volwassene: de 'homo universalis'.
Erasmus (1490-1520) zag als doel van de opvoeding: de geest het zaad van toewijding laten ontvangen; de vrije kunsten leren liefhebben en grondig kennen; voorbereiding op de plichten des levens en gewennen aan de beginselen van wellevendheid.
Kant (1724-1804) zag als doel van de opvoeding de jeugd voor te bereiden op het toekomstige bestaan als volwassene: ’met het oog op een mogelijke betere staat’.
De Franse filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) roept in Emile ou l’éducation op, de opvoeding aan te laten sluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind en deze niet te richten op het toekomstige leven van volwassene.
De Zweedse, sterk door Nietzsche beïnvloede, pacifiste Ellen Key (1849-1926), proclameert in: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, (de 20 e eeuw tot ‘de eeuw van het kind’ en verhief het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm, waarmee zij overigens niet de eerste was.  Ze zag de vrouw weliswaar als intellectueel de mindere van de man, maar het verhinderde haar niet op te komen voor het vrouwenkiesrecht en de arbeidersbeweging te steunen.[3]
H.R. Roland Holst-van der Schalk schrijft in Kapitaal en Arbeid in Nederland, dat de Nederlandse proletarierskinderen hier weinig van merkten want de nieuwe eeuw bracht aanvankelijk, wat de oude ook had gebracht: uitbuiting, ellende, en verwaarlozing. [4]
Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd jeugdigen een religieus besef bijgebracht. Het religieus-zedenkundige leesboek, met voorbeelden uit de Bijbelse geschiedenis, waarin de godsdienst wordt verheerlijkt vierde hoogtij.
De invoering van de onderwijswet van 1857, waarin naast vakken als lezen, schrijven, en rekenen ook geschiedenis, aardrijkskunde en zingen verplicht werd gesteld, markeerde de overgang naar een onderricht waarin gestreefd werd jeugdigen die kennis en vaardigheden bij te brengen die hen moest voorbereiden op de uitoefening van een beroep of ambacht. Bijgebracht werd wat nodig gevonden werd om het de jeugdige, wanneer deze de school verliet bij het bereiken van het tiende levensjaar, aan het einde van de leerplichtige leeftijd, zonder dat de gehele zesjarige schoolperiode was doorlopen, mogelijk te maken het tot loop- of fietsjongen of loswerkman, zoals dat toen heette, te kunnen brengen. Latere initiatieven zoals de invoering van handenarbeid, gymnastiek, zelfwerkzaamheid, concentratie van de leerstof, zaakonderwijs hadden alle tot doel dit onderricht doelgerichter en efficiënter te laten plaatsvinden.
Cecil Reddie richtte in 1889 in Engeland zijn New School op, Herman Lietz in 1898 in Duitsland zijn Landerziehungsheim, en Edmond Demolins in 1899 in Frankrijk zijn L'Ecole des Roches waar de leerlingen op voet van gelijkheid verkeerden met hun onderwijzer als protest tegen het ‘rationalisme’.
Dikwijls worden in onderwijskringen in Nederland buitenlandse initiatieven aangehaald welke bekend zijn geworden onder de naam Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht. Zo zag Helen Parkhurst (1887-1973) zich aan de éénmansschool in Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes geplaatst voor de taak de kinderen van de opdringende emigrantenstroom van diverse nationaliteiten en zeer verschillend intellectueel niveau in een nog dunbevolkt land ‘in de smeltkroes’ van het onderwijs om te vormen tot loyale staatsburgers. Ze schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken. Ze kon met financiële steun van de welgestelde familie Crane in 1919 The Children's University School, openen. Peter Petersen (1884-1952) werd in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas steeds uit minder jeugdigen bestond. Hij maakte een einde aan de jaarklassen, vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet ze in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd.
Célestin Freinet (1896-1966) werd in 1920 op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen waardoor de jeugdigen weinig gemotiveerd het onderricht volgden. Hij bood jeugdigen de mogelijkheid zich aan de hand van de eigen interesse en belangstelling te verdiepen in door hen zelfgekozen onderwerpen. Maria Montessori (1870-1952) werd in 1907 in Rome in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome geconfronteerd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling. Zij liet om de jeugdigen de mogelijkheid te geven zich intellectueel te ontwikkelen met eigen gemaakt materiaal voelen, horen, zien en ruiken. Ze weerde sprookjes uit haar school, verving het vrije tekenen door het omtrekken van geometrische figuren om zo een vaste hand van schrijven bij te brengen en oefende de zintuigen niet aan geluiden en kleuren in de natuur, maar aan rammelbusjes en kleurenspoeltjes. Pestalozzi liet uit armoede, de jeugdigen elkaar helpen. Bij O. Decroly stond in Brussel de natuurlijke ontplooiing van de vermogens van het kind en het leren niet door luisteren maar door eigen activiteit op de voorgrond met zijn ‘école pour la vie et par la vie’ en zijn ‘leren uit het volle leven’ en zijn ‘centres d’intérêt’. Georg Kerschensteiner had zijn ‘Arbeidsschule’. Leo Tolstoj richtte voor de boerenkinderen van Jasnaja Poljana een winterschool op - zomers werden de kinderen geacht genoeg in het boerenbedrijf te leren. Al deze buitenlandse initiatieven hadden als doel het onderricht doelgerichter en efficienter te laten plaatsvinden.
Op het eind van de eeuw kreeg in Engeland, in Frankrijk, ten slotte ook in Duitsland de gedachte van een ‘vrije’ school gestalte: anti-intellectualistisch, contact met de natuur, vorming van het gevoelsleven en veel lichaamsbeweging. Een schoolgemeenschap met min of meer uitgebreid zelfbestuur en zelfverzorging in huis en tuin en scholing van de kunstzinnige aanleg. In Engeland werkte op die basis het in 1899 gestichte Abbotsholme, en in Frankrijk verrees in hetzelfde jaar de Ecole des Roches. In Duitsland ijverde G. Wyneken, een geëxalteerde idealist, voor een Freie Schulgemeinde, een Duitse uitgave van de Amerikaanse school-city, die hij in 1906 in Wickersdorf verwezenlijkte. In 1899 stichtte dr. Lietz zijn Landerziehungsheim in Ilsenburg, in 1910 Paul Geheeb zijn Odenwaldschule. Voor de Eerste Wereldoorlog waren er minstens twintig van zulke vernieuwingsscholen in Duitsland en een tachtigtal in West-Europa.

Nederlandse denkers over opvoeding.
B.A. Knoppers komt in Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung, tot de conclusie dat een zelfstandig door de jeugd geleidde organisatie in Nederland ‘bijnahe nicht besteht’, over volwassenen komt de schrijver tot de conclusie dat deze maar weinig interesse hadden voor de jeugdbeweging, en het optreden van de overheid wordt slechts zijdelings aangehaald en niet in verband gebracht met de jeugdbeweging. [5]
J.H. Gunnungh, Wzn. noemt in De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, het jaar 1898 als een keerpunt in de geschiedenis van de pedagogie. [6]
I. van der Velde, brengt in: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940, het streven onder volwassenen het onderwijs te vernieuwen in de periode 1900-1916 in verband met bezwaren tegen de klassikale school en het klassikaal onderwijs, in de periode 1916-1931 in verband met buitenlandse invloeden en in de periode 1931-1940 in verband met een wijziging in de wijze waarop de leerstof wordt aangeboden. [7]
S.J.C. Freudenthal-Lutter geeft in: Naar de school van morgen, een summier overzicht van enkele pogingen van volwassenen het onderwijs te vernieuwen. [8]
Th. Van Tijn stelt in: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag, ook in: Student, en in: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd zijn door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen.[9]
Die zouden hun uitdrukking vinden in de politieke arena, maar ook in die van de opvoeding en in die van het onderwijs. Dit laatste zou dan op twee manieren plaatsvinden: in de eerste plaats zou er telkens - al voor de theoretisch-didactische problemen rijzen – een opmerkelijk vergrootte aandrang komen van de kant van de ouders van tot dusver van onderricht meer of minder verstoken kinderen om hun spruiten wel naar de betreffende onderwijsinstellingen te sturen. Hierdoor zou er in een korte tijd een tekort ontstaan aan onderwijscapaciteit (geld, ruimte, leerkrachten enz.). In de tweede plaats zou er een veranderde visie op doelstellingen en methoden van het onderwijs ontstaan. Ten derde zou dat een uitvloeisel zijn van een veranderde visie op de maatschappij (onderwijs bereid voor op het leven in de maatschappij en aard en inhoud daarvan hangen dus af van de visie die men heeft van de maatschappij), anderzijds zouden juist door de toeloop naar onderwijsinstellingen uit de minder gevormde milieus nieuwe pedagogisch-didactische problemen rijzen.
H. Verwey-Jonker haalt in Emancipatiebewegingen in Nederland, de zelfstandige door jeugdigen gevormde en geleidde organisaties slechts zijdelings aan. [10]
N.L. Dodde, stelt in Het Nederlandse onderwijs veranderd, dat in plaats van daadwerkelijke vernieuwing en verbetering van het onderwijs in de periode 1898 tot 1963 slechts over een verandering van het onderwijs gesproken kan worden. [11]


II Theoretische beschouwingen

Geschiedschrijving.
Aan de geschied-kennis zoals die in historische publicaties voorkomt kunnen drie kanten worden onderscheiden:
1) de activiteit van de geschiedschrijver en de persoonlijke psychologische en andere problemen van de betrokkene; 
2) de geschiedkennis in zijn kant en klare gepubliceerde vorm;
3) de invloed van de geschiedkennis op het historisch proces zelf, wanneer dit is gepubliceerd.
Geschied-schrijving in de letterlijke betekenis van het woord bestaat uit de grote verscheidenheid aan oude historische overleveringen in mythische vorm, zoals het heldenepos, het Nibelungenlied en de Ilias, maar ook de latere verhalende werken; geschied-beschouwing zijn de bespiegelende werken van theologische, wijsgerige of theoretische aard, die zich met de zin en het wezen van de geschiedenis bezighouden; geschied-wetenschap ontstond in de 19e eeuw: een kritische bestudering van het historisch proces. Deze drie tezamen: geschied-schrijving, geschied-beschouwing en geschied-wetenschap, kunnen ook worden aangeduid als: geschied-kennis. Ook kan hiervoor wel het woord geschiedschrijving worden gebruikt.
In de natuur kan van een verschijnsel dat volledig aanwezig is en in zijn geheel kan worden waargenomen studie worden gemaakt, naar aanleiding hiervan hypothesen worden opgesteld, en het resultaat van de bevindingen worden geverifieerd door waarneming en experiment. In de maatschappij/historische wetenschap is dit niet mogelijk. Het historisch proces omvat het gebeuren wat achter ons ligt, het gebeuren wat zich op dit moment afspeelt, en het grote scala aan denkbare mogelijkheden die in het historisch proces besloten ligt.
Het heden is een resultante van alle gegroeide krachten en tradities van het verleden, het is de voortschuivende scheidingslijn tussen verleden en toekomst. Een bepaalde ver of minder ver achter ons liggende fase van het historisch proces is niet meer als zodanig aanwezig, al werkt het verleden in het heden, contemporaine-gebeuren, door, het heden vormt immers de uitkomst van het verleden. Het verleden heeft sporen nagelaten. Het heden, het contemporaine-gebeuren, is één groot door het verleden achtergelaten spoor. Immers: elke dag nemen we van iets anders afscheid, zonder het te weten.
De historicus bouwt een beeld van het verleden op d.m.v. de bronnen of resten van het verleden: gebruiksvoorwerpen, wapens, gebouwen, uitingen van beeldende kunst; kronieken, oorkonden, brieven, rekeningen, etc.; legenden, plaatsnamen, spreekwoorden, folkloristische gebruiken. Aan de hand van deze bronnen wordt getracht het verleden te reconstrueren.
Een aantal factoren maken de totstandkoming van een volkomen juist, volledig en definitief beeld van het verleden onmogelijk: de bronnen zijn incompleet, onbetrouwbaar, eenzijdig, gekleurd en onvolledig, zodat het beeld ook wel onvolledig moet zijn. Omdat het maatschappelijk gebeuren voortgekomen is uit de menselijke geest en tegelijk in de menselijke geest bestaat, beïnvloed de mens en maatschappijopvatting van de historicus de beschrijving van het verleden. Deze invloed kan een positieve zijn: de historicus heeft het zelf ervaren en kent het daardoor van binnenuit (betrokkenheid), doch deze beïnvloeding kan ook negatief zijn: de historicus ziet het soms te gekleurd (ideologische bevangenheid). De historicus is ook nog een mens met beperkingen vanwege de tijd waarin hij leeft, en het land en de plaats waar hij woont. Ook speelt het maatschappelijke milieu waarin de historicus is opgegroeid een rol, maar ook diens godsdienstige en politieke gezindheid, en diens ideeën en opvattingen die zo vertrouwd zijn dat deze als vanzelfsprekend voorkomen. Tenslotte spelen bij de historicus ook nog een rol de persoonlijke eigenaardigheden die versterkt zijn door aanleg, temperament, opgedane persoonlijke ervaringen en aangetroffen omstandigheden.

Wat is een historisch feit?
Een historisch feit is niet zonder meer een onwrikbaar, objectief gegeven; een historisch feit is niet in alle perioden gelijk maar afhankelijk van wat onder geschiedenis verstaan wordt; een historisch feit mist niet alleen volstrekte objectiviteit en laat zich niet eenduidig bepalen, maar is ook allerminst een enkelvoudig gegeven.

Ideeëngeschiedenis
Geschiedschrijving is een cumulatief proces, waarbij steeds meer kennis beschikbaar komt, en er zoveel mogelijk aspecten zichtbaar gemaakt worden. In dit onderzoek wordt getracht een beeld te reconstrueren van het verleden. Hierbij gaat het om de samenhang tussen de ideeën = het denken en het handelen.
De term ideeën wordt gebruikt omdat woorden als theorieën en filosofieën een consistente, afgeronde en tegelijk systematisch ontwikkelde gedachtegang veronderstellen waar alleen op het hoogste intellectuele niveau sprake van is.
Filosofisch-wetenschappelijk ontwikkelde gedachtestelsels ontstaan of herleven in de hoofden van slechts enkele originele denkers; meer vereenvoudigde gedachten worden weergegeven door de intellectuele kaders in boeken, tijdschriften en lezingen en onderlinge discussies; min of meer kant en klare bevindingen en conclusies worden weergegeven door de groep der activisten in dagbladen, manifesten en redevoeringen; vage voorstellingen in de vorm van leuzen en slagzinnen vernemen we via mondelinge kontakten onder de brede massa van sympathisanten.
Onderscheid wordt gemaakt tussen een objectief moment: welke gebeurtenissen en omstandigheden waren er gaande binnen een gegeven maatschappelijke totaliteit, en een subjectief moment: hoe hebben de betrokkenen de hun gegeven gebeurtenissen en omstandigheden beleefd en ervaren, wat waren hun beweegredenen om in beweging te komen, tot welk doel moest hun optreden leiden. Kortom: het gaat om het verschaffen van inzicht. Het gaat er om het specifieke, het bijzondere, van een historische situatie bloot te leggen.
Niet wordt teleologisch te werk gegaan: naar een welgevallige of gewenste situatie toeschrijven, niet wordt uitgegaan van het gelijk van de een of het ongelijk van de ander, niet gaat het er om oordelen te geven, of om te vertellen wat aangenaam in de oren klinkt.
Pogingen om uitgaande van een veronderstelde algemene menselijke natuur te komen tot universele psychologische wetten ter verklaring van het historisch en maatschappelijk proces hebben weinig of niets opgeleverd. Meestal worden sociale verschijnselen dan herleid tot een psychologistisch simplisme. Ook verregaande abstracties onttrekken het zicht op de sociale werkelijkheid vaak meer dan dat ze het zicht verhelderen doordat essentiële verschillen tussen verschijnselen worden uitgewist.
Gedachten zijn niet automatisch een gevolg van de sociale herkomst van een denker. Gedachten ontstaan niet vrijelijk in de hoofden van geniale mannen of vrouwen, stammen niet rechtstreeks, automatisch uit de maatschappelijke achtergrond van de denker, zijn geen passieve afbeeldingen of weerspiegelingen van het maatschappelijk leven die zich onafhankelijk daarvan voltrekken in de hoofden van denkers.
Gedachten ontstaan in, vormen en ontwikkelen zich door, de ontwikkelingen in het maatschappelijk leven. Dat een bepaalde sociale groepering een gedachte heeft uitgewerkt en tracht dit te verwezenlijken, betekend niet automatisch dat daarmee ook de belangen van die sociale groepering zijn gediend. De juistheid van een gedachte wordt niet bepaald doordat het verkondigd wordt door een persoon van een bepaald ras of geslacht, of door een persoon met een bepaalde afkomst of leeftijd, of door een persoon met een bepaalde maatschappelijke positie, of een persoon met een bepaalde godsdienstige of politieke achtergrond, of doordat het afkomstig is van de degene die het te berde brengt. Ideeën en opvattingen van een politiek heersende sociale groepering berusten niet altijd op vooroordelen, ook zijn het niet altijd ideologieën die het eigen belang (moeten) dienen. De juistheid van een idee of opvatting en het belang wat er mee gediend wordt dient altijd gezocht te worden in het sociale gebeuren zelf.

III Christelijke en nationale deugden.
Omstreeks 1890 toen er een einde was gekomen aan een periode van hoge werkloosheid en er niet alleen onder volwassenen heftige debatten ontstaan over de betekenis van de parlementaire democratie maar ook onder de arbeidersjeugd en zij kiezen voor de anti-parlementaire weg gaan volwassenen uit angst voor maatschappelijke hervormingen de jeugd christelijke en maaatschappelijke deugden bijbrengen.

Vanaf 1884 had zich een economische crises voorgedaan die voor veel arbeiders werkloosheid had gebracht. De depresssie was gevallen in een tijdvak waarin de economische aktiviteit vanaf 1873 dalende was en zou duren tot 1895. Er werden minder grond- en hulpstoffen gebruikt zoals: ijzer, staaal, en hout, en inn mindere mate invoer van stoom en andere werktuigen. In vele bedrijfstakken was de helft of driekwart van de arbeiders zonder werk. Het was in Amsterdam tot straatdemonstraties gekomen waarbij, indien er gezongen werd of langs drukke wegen gedemonstreerd, door de politie opgetreden werd. Toen een demonstratie door Amsterdam trok, groeide die aan tot ongeveer 3000 man, met in het midden van de stoet borden die gedragen werden met het opschrift: Werk en brood voor allen, wij eisen geen aalmoes maar werk. De textielindustrie beleefde slechte tijden, in de bouwvakken heerste grote werkloosheid. De kou had de nood onder de arbeiders bijzonder schrijnend gemaakt.
De crises in de landbouw die in 1878 losbarstte was nog eens groter dan die in de nijverheid.[12]
In de Verenigde Staten was door een toename van de immigratie en snelle uitgifte van land de productie van graan geweldig toegenomen, dat dankzij de verbeterde transportmiddelen: spoor en stoomboot, gemakkelijk en dus goedkoop naar Europa vervoerd kon worden, wat een forse daling van de graanprijzen in Nederland tot gevolg had. De daling van de prijs voor graan had ook een daling van andere producten tot gevolg: bonen, erwten, aardappelen, suikerbieten. Duizenden arbeiders, werkzaam op het platteland in de agrarische industrie, waren naar de steden getrokken in de hoop daar werk te vinden, met als gevolg dat de menigte der werklozen buitengewoon toenam. Anderen bleven in hun gemeente, in leven gehouden door de karige giften der diaconieën of burgerlijke armbesturen.
Massale en langdurige werkloosheid vooral in de winter had een belangrijk deel van de bevolking aan de rand van het bestaansminimum of zelfs daaronder gebracht. De honger was overal. De wet uit 1854 waarmee de taak van de overheid in het ondersteunen van de armen was beperkt en overgelaten aan kerken en particuliere instellingen had de honger in omvang doen toenemen. Werklozen en armen hadden zich zo goed mogelijk zien te redden. Alleen in uiterste noodzaak sprong de overheid bij.

Ook de arbeidersjeugd had de gevolgen van de crises gemerkt. Ze waren op 11 à 12-jarige leeftijd van school gekomen en aan het werk gegaan als loopjongen, drukkers- of zetters leerling, schilders knecht, sigarenmaker, aankomend horlogemaker, diamantslijpers leerling, winkelbediende, timmermansjongen, meubelmaker. In Nederland domineerden vergeleken met de omringende landen handel, verkeer en geldbedrijf nog lang.

De crises had geleid tot een verscherpte concurrentie tussen enerzijds bedrijven die over voldoende financiele middelen beschikten om gebruik te kunnen maken van de stoommachine en over te gaan naar een fabrieksmatige productie waardoor ze sneller konden produceren met minder kosten, en anderzijds de bedrijven die de kosten voor een uitbreiding van de fabrieksmatige productie niet konden opbrengen, waardoor bij hen de afzet van producten verminderde. Deze laatste bedrijven hadden moeite gekregen het hoofd boven water te houden en de kosten hiervan afgewenteld op de jongeren door het loon te verlagen of door dit zo laag mogelijk te houden. Dit was voor de jeugdigen onaanvaardbaar.
Ze hadden zich in 1885 aaneengesloten in een Socialistische Jongelieden Bond (SJB). De plaastelijke bonden hadden zich op 12 augustus 1888 aaneengesloten tot de Sociaal-Democratische Jongelieden Bond (SDJB) die was in zijn geheel lid geworden van de toenmalige door Domela Nieuwenhuis geleidde arbeiderspartij: Sociaal Democratische Bond (SJB).

Toelichting: De SDB was op 12 februari 1882 ontstaan uit plaatselijke sociaal-democratische verenigingen. De eerste vereniging was opgericht op 7 juli 1878 in Amsterdam door Willem Ansing (1837-1900). Deze door Ansing opgerichte Sociaal-Democratische Vereeniging (SDV) was een 'gemengde' vereniging: hiervan konden niet alleen handwerkslieden lid worden, maar ook onderwijzers, kantoorbedienden, winkelhouders en een ieder die met de beginselen kon instemmen.[13]
Tot de leden behoorden: Willem Ansing, Klaas Ris (1821-1902) en Hendrik Gerhard (1829-1886). In Haarlem, Den Haag en Rotterdam ontstonden later soortgelijke sociaal-democratische verenigingen.
Bernardus Hermanus Heldt (1841-1914), Ansing en Gerhard hadden contact gekregen met de toen 33-jarige Lutherse predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919). Domela Nieuwenhuis was met grote felheid opgekomen voor invoering van het algemeen kiesrecht, en had gesproken over socialisme. Zijn propaganda sloeg aan bij duizenden. Hij meende dat het tijd was voor een krachtige organisatie die zich hiervoor zou inzetten. Hij had het christelijk geloof losgelaten, en was een overtuigde atheïst geworden. Op 1 september 1897 nam hij afscheid als predikant en werd weldra de erkende leider van het Nederlandse socialisme.
Nadat ook in Rotterdam een Sociaal-Democratische Vereeniging was opgericht sloten de plaatselijke verenigingen zich aaneen en ontstond in 1881 de landelijke Sociaal-Democratische Bond (SDB) met als voorzitter H.Gerhard, enkele jaren later opgevolgd door: Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919).
Domela Nieuwenhuis was geboren in Amsterdam als zoon van een hoogleraar aan het Luthers seminarium. Hij werd Luthers predikant, maar trad in 1879 af. Onbarmhartig trok hij van leer tegen de vijf machten die, zo zag hij het, in samenspanning de arbeiders knevelden en hun alle rechten onthielden, de vijf K’s: Kapitaal, Kazerne, Kerk, Kroeg en Koning. Hij werd in 1887 lid van de Tweede Kamer voor het district Schoterland.

De jongeren namen deel aan een in 1889 in Den Haag belegde meeting tegen de kinderarbeid, zagen geheelonthouding als voorwaarde voor een ‘socialistische bewustwording’, verzetten zich tegen geloof en kerk, zagen Domela Nieuwenhuis als hun held met wie ze intens meeleefden tijdens zijn gevangenschap,  en streden tegen de ‘slang’ van het militarisme waarbij de concrete aktie zich richtte tegen de remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’.[14]

De remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’ maakte het mogelijk dat jeugdigen hun militaire verplichting konden laten verrichten (afkopen) door een ander. De militaire-dienstplicht door de mannelijke jeugdigen ging in het jaar in waarin zij negentien werden. De regering had van tevoren het aantal vastgesteld, in de regel was dat 60.000. Tegen de 15.000 vielen eraf op medische, soms ook op andere gronden. De resterende ruim 45.000 werden in twee groepen verdeeld: de buitengewoon dienstplichtigen die, als tenminste de materiele omstandigheden het toelieten, in buitengewone omstandigheden opgeroepen konden worden, en de gewoon dienstplichtigen die voor eerste oefening moesten opkomen. Deze groep was op 19.500 man gesteld. Van alle fysiek geschikten kregen dus velen vijstelling: wegens broederdienst (uit elk gezien behoefde slechts een zoon op te komen), wegens kostwinnerschap, wegens persoonlijke onmisbaarheid of wegens het bekleden van, of in opleiding zijn voor, een geestelijk of godsdienstig-menslievend ambt. Waren deze vrijstellingen verleend, dan waren er nog altijd meer dan 19.500 oproepbare. Dan ging het lot beslissen. De namen werden genummerd; de nummers werden tijdens de jaarlijkse zitting van de vaste lotingscommissie in de Ridderzaal in Den Haag door middel van een draaiende trommel getrokken en met de onderhavige naam ving de inlijving aan, net zo lang tot er 19.500 bijeen waren. De remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’ maakte het mogelijk dat jeugdigen die door de loting aangewezen waren hun militaire verplichtingen te verrichten konden afkopen door deze door een ander te laten verrichten. Dit had ertoe geleid dat jeugdigen uit de financieel beter gesitueerde sociale laag van de bevolking hun militaire verplichting tegen een vergoeding lieten verrichten door leeftijdsgenoten uit de financieel slecht gesitueerde sociale laag: de laag der arbeiders.
Tegen deze wet hielden de jeugdigen tegen de tijd dat de uitslag van de loting bekend werd gemaakt bij de lokalen van de aanstaande militairen demonstraties, colporteerden er en verspreidden er manifesten. Verder hielden de jeugdigen optochten, onder het zingen van liederen gezongen op de wijze van de Marseillaise, die door de politie uiteengeslagen werden.
Dikwijls werden de jongeren veroordeeld voor hun opteden: tegen de 19-jarige L. Schotting werd voor het verspreiden van een vlugschrift 2 maanden gevangenisstraf geëist [15], K.A.Bos en C.G.Tieleman werden voor het verspreiden van een strooibiljet veroordeeld tot een gevangenisstraf: Bos voor 8 maanden en C.G.Tieleman tot 6 maanden [16], en een anderwerd in Den Haag wegens het verspreiden van opruiende geschriften veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf.[17]
De jeugdigen lieten zich door H. Roland Holst-van der Schalk de beginselen van de socialistische wereldbeschouwing bijbrengen [18], colporteerden soms gewapend met knuppels als verdedigingsmiddel tegen de handtastelijkheden van een vijandig gezinde bevolking en grepen elke gebeurtenis aan om verzet te kunnen plegen tegen de politie.[19]

Na 1890 was op de lange economische depressie een opleving en een kapitalistische bloeiperiode gevolgd, weliswaar onderbroken door geregeld terugkerende crisissen die kort van duur waren. De banken, de handel en de industrie hadden weer winst gemaakt, de werkloosheid onder de arbeiders was gedaald, de landbouw was opgefleurd, de tuinbouw was opgekomen, in de grote havensteden was de handel handen te kort gekomen, vele nieuwe fabrieken waren verrezen.
Binnen de door Domela Nieuwenhuis geleide SDB waren heftige debatten ontstaan over de betekenis van de parlementaire democratie. Domela koos voor de anti-parlementaireweg: een opeenvolging van elkaar aanvullende en versterkende, tenslotte op revolutie uitlopende werkstakingen. De Friese advocaat: Pieter Jelles Troelstra (1860-1930) koos voor een stapsgewijze hervorming door middel van wetgeving via het parlement. Hij stapte in 1894 uit de SDB en richtte samen met elf gelijkgezinden, (de ‘twaalf apostelen’), in Zwolle de Sociaal-Democratische  Arbeiders Partij (SDAP) op.
Als ook de arbeidersjeugd in de Sociaal-Democratische Jongelieden Bond (SDJB) de diskussie voerd over het belang van de parlementaire democratie en tenslotte kiest voor de anti-parlementaire weg van de door Domela geleidde SDB en ze de naam SDJB veranderen in Socialistische Jongelieden Bond (SJB) dan gaan volwassenen met een afkeer van het orthodoxe calvinisme en het liberalisme enerzijds en een vrees voor de hardheid en ruwheid van de socialistische arbeidersbeweging en het daarmee samenhangende felle atheïsme anderzijds, uit angst dat het optreden van de socialistische arbeidersjeugd zal leiden tot maatschappelijke hervormingen en een nieuwe periode van werkloosheid, de jeugd christelijke en nationale deugden bijbrengen.


Zelfbeheersing
De onderwijzer Jentje J. F. Kleefstra (1860-1929) laat aan de Brinioschool in Hilversum sport beoefenen: voetballen, schaatsen, zwemmen, korfballen, wandelen. [20]
Opm. Sport was in het laatste kwart van de 19e eeuw ‘als vermaak’ uit Engeland overgewaaid. Het werd in de financieel betere lagen van de Nederlandse bevolking gezien als een a-politieke vorm van vrijetijdsbesteding voor jonge mannen.
In het laatste decennium der negentiende eeuw had zich een sociaal-darwinistisch denken gevormd waarin werd aangenomen dat de maatschappij zich vanzelf zou ontwikkelen tot een gemeenschap met weldenkende en weldoende mensen en er een einde zou komen aan sociale misstanden.
Charles Darwin (1809-1882) had, mogelijk gemaakt door de overweldigende hoeveelheid gegevens door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie die hem ter beschikking stonden, gesteld dat de natuur niet een voor eens en altijd vaststaand gebeuren was maar een niet eindigende evolutie doormaakte van opkomende en ondergaande planten- en diersoorten. De zoöloog Alfred Russel Wallace (1923-1913) die uitvoerig onderzoek had gedaan in o.a. de Indische Archipel, was onafhankelijk van Darwin tot dezelfde conclusie gekomen. Darwin en Wallace hadden hierover op 1 juli 1858 gezamenlijk een verklaring afgelegd voor de Linnean Society of Londen.
Darwin was tot zijn conclusies gekomen mede onder invloed van de liberale ideologie in het Engeland van zijn tijd en geïnspireerd door de dominee Thomas Malthus (1766-1834).[21]
Toelichting: Malthus had in An essay on the principle of population geschetst hoe in tijden van een tekort aan voeding de sterksten overleefden. [22]
Hij had gesteld dat er voortdurend perioden zouden ontstaan waarin een tekort aan voedsel zou zijn doordat de omvang van de bevolking exponentieel vermeerderde: 1-2-4-8-16-32-64 en de beschikbare voeding lineair: 1-2-3-4-5-6. Malthus’ demografische ‘verelendungstheorie’ dat overbevolking leidde tot een tekort aan voeding bleek onjuist. Het bleek dat een toename van de omvang van de bevolking, leidde tot een stijging van het aanbod van arbeidskrachten wat een daling van de hoogte van het loon tot onder het bestaansminimum tot gevolg had.
De voorzitter van de Maatschappij van Nijverheid duidde op een vergadering kindersterfte en werkloosheid dan ook letterlijk aan als ‘twee verschijnselen die wijzen op een normaal en krachtig zich uitzettende bevolking. Zij zijn de kanalen waarlangs het overtollige afvloeit. Naar aanleiding hiervan werd in 1881 in Nederland de Nieuw-Malthusiaanse Bond opgericht, dat met de voorlichtingsbrochure ‘De middelen ter voorkoming van groote gezinnen’ en een zogenaamd ‘middelenboekje’ zich richtte op de beperking van geboorten.
In het in Duitsland in het laatste decennium der negentiende eeuw gevormd natuurwetenschappelijk denken werd aangenomen dat niet alleen het organisch-leven: mens, plant en dier, een doorgaande evolutie doormaakte, maar ook het an-organisch leven: de maatschappij en dat ook hierin een proces van natuurlijke selectie plaatsvond, waardoor de mensen die het meest over de eigenschappen beschikten zich onder gegeven gewijzigde omstandigheden te handhaven, overleefden. Zo zou de samenleving zich vanzelf ingroeien tot een gemeenschap met weldenkende en weldoende mensen. Woordvoerder was Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919). Haeckel was woordvoerder en popularisator van een door de successen van de natuurwetenschappen gevormd agressief-wijsgerig materialisme. Hij had in 1899 de bestseller Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie, laten verschijnen. [23]
Het boek was een ongeëvenaard succes – er werd in honderden publicaties en tijdschriften over gepubliceerd en er werden drie miljoen exemplaren in meer dan twintig talen van verkocht. De SDAP’er: Adriaan Henri Gerhard (1858-1948) had het boek van Haeckel in het Nederlands vertaald laten verschijnen.[24]
Gerhard genoot groot aanzien in de SDAP. Hij had Een Sociaal Sprookje laten verschijnen, dat verschillende malen werd gedrukt en voorgelezen op vergade­ringen.[25]


Verantwoordelijkheidsbesef
De regering Pierson Goeman-Borgesius (1897-1901) laat jeugdigen die door de rechter zijn veroordeeld opvoeden in het eigen gezin. Ze liet de jeugdigen niet meer opsluiten, gaf voogdijraden de taak de rechter te adviseren en gezinsvoogden, verenigd in de Pro Juventute verenigingen, de leiding van het gezin.
Rond de wisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw had een sociaal-liberaal denken gevormd waarin werd aangenomen dat door opvoeding een einde zou komen aan sociale misstanden. Woordvoerder was de hoogleraar in de staathuishoudkunde en statistiek en minister van justitie in de regering: Adriaan Cort van der Linden (1846-1935). Hij was jeugdigen zoals de 19-jarige L. Schotting waartegen voor het verspreiden van een vlugschrift  2 maanden gevangenisstraf was geëist [26], K.A.Bos en C.G.Tieleman die voor het verspreiden van een strooibiljet waren veroordeeld tot een gevangenisstraf: Bos voor 8 maanden en C.G.Tieleman tot 6 maanden [27], en  een ander die in Den Haag wegens het verspreiden van opruiende geschriften was veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf [28] met andere ogen gaan zien: hij had ze gepromoveerd van ‘schooiertje’ en ‘boefje’ tot het ‘misdeelde kind’.
Cort van der Linden had gesteld dat in de opvoeding matigheid, orde, en spaarzaamheid moest worden bijgebracht.[29]

Plichtsbesef

Hélène Mercier (1839-1910) laat jeugdigen in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan in Amsterdam gebruik maken van een bibliotheek en een leeszaal, deelnemen aan een praatavond of een zondagavondbijeenkomst, een lezing of een voordracht volgen, een tentoonstelling bezoeken, onderricht volgen in de Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen, in kleding verstellen, in muziek maken, in toneel spelen.[30]
In het eerste decennium van de twintigste eeuw had zich onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen een vrijzinnig-democratisch denken gevormd waarin werd aangenomen dat met voldoende algemene ontwikkeling aan sociale misstanden vanzelf een einde zou komen.
Woordvoerder van dit denken was Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905). Kerdijk had privéonderwijs gevolgd, rechten gestudeerd aan de Rijksuniversiteit van Utrecht, een proefschrift geschreven over de 'arbeiderskwestie' en in 1901 de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) opgericht.
Charlotte Knappert (1860-1952) had eerder in Leiden het Leidse volkshuis, dat was bedoeld als werkverschaffing voor dienstmeisjes en vrouwelijke jeugdigen die werkloos waren geworden, omgezet tot een maatschappelijk cultureel centrum. Knappert bood er leesonderricht, en onderricht in het herstellen van kleding, verpleging, een spaarkas, gelegenheid te maken van een bibliotheek, wandeltochten, een zangkoor voor arbeiders en vakantiedagen voor de bezoekers.
Knappert had de Mulo gevolgd, de acte Frans gehaald en het diploma godsdienstonderwijzeres. In 1915 was ze directrice geworden van de Amsterdamse School voor Maatschappelijk Werk. Toen Knappert in 1926 met pensioen ging had ze haar intrek genomen in een huisje op het terrein van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Bentveld.
Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren.
In Nederland waren socialistische studenten betrokken geweest bij de eerste pogingen om tot Toynbee-werk te komen.
Na de dood van Arnold was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.

Tevredenheid
De uitgever Eduard Benjamin Ter Horst Jr. (1865-1905) publiceert over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin en geeft wandplaten uit met een afbeelding van het dagelijkse leven van een handarbeider. [31]
In het laatste decennium der negentiende eeuw had zich een vrijzinnig protestants denken gevormd waarin het gezin werd gezien als van belang voor het maatschappelijk leven en het opkomen van arbeiders voor verbetering van hun lot werd afgewezen. Woordvoerder was de predikant Abraham Kuyper (1837-1920). Kuyper had in het door hem opgerichte dagblad: De dageraad, in een serie van artikelen geschreven het huisgezin te zien als ‘de wortel en de kiem waar heel de Staat uit opwast, niet volgens uitvinding der menschen, maar volgens het bestel van den levenden God’, waarin de vader ‘ eene macht is, die bepaalt hoe het moet, en waaraan het kind zich heeft te onderwerpen, en waarin het besef wordt bijgebracht van eerbied voor een boven ons staand gezag.[32]
Kuyper had tevredenheid voorgesteld als de tegenpool van het communisme en het socialisme en gesteld dat onze plaats in het maatschappelijk leven ‘aan een macht buiten ons (is)’.[33]
Hij zag het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot als een gevaar voor de veiligheid van het maatschappelijk leven.[34]
Kuyper had in 1891 op het door de christelijke werknemersorganisatie Patrimonium georganiseerde Sociaal-Congres in de openingsrede de toehorende arbeiders opgeroepen af te zien van verbetering van het lot en hun in de plaats daarvan gewezen op ‘het eeuwige leven’. [35]
Hij had de arbeiders ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’ in het vooruitzicht gesteld en er op gewezen dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.[36]

Kuyper had leidinggegeven aan een afsplitsing van de hervormde kerk waaruit samen met andere groepen van gelovigen in 1892 de Gereformeerde Kerk ontstond.

Vanuit de in 1816 gevormde Nederlands Hervormde Kerk was in 1834 de eerste afscheiding geweest (Acte van Afscheiding of Wederkeer) o.l.v. de predikant Hendrik de Cock; in 1886 was er een tweede afscheiding: Doleantie, o.l.v. Abraham Kuyper; in 1892 hadden de twee groepen van afgescheidenen samen met nog anderen onder de leiding van Abraham Kuyper de Gereformeerde Kerken in Nederland gevormd. Naar aanleiding van de pro-Duitse houding in de oorlog van de Gereformeerde Kerken in Nederland had zich in 1944 onder de leiding van Klaas Schilder een groep van gelovigen afgescheiden, zich noemend naar het artikel waarop de gelovigen zich baseerden: Artikel 31, beter bekend onder de naam Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.


Kuyper was in 1901 minister-president geworden en minister van binnenlandse zaken in het naar hem genoemde kabinet. Hij had zich in 1903 in felle bewoordingen gekeerd tegen de in januari gehouden spoorwegstaking door deze te veroordelen als een politiek revolutionaire-, anarchistische actie en misdadige woeling. Hij was, toen bekend werd dat de spoorwegarbeiders in april een tweede staking wilden houden, met wetten gekomen waarin elke pressie op de arbeiders die een staking afwezen en het werk van de stakers wilden overnemen, strafbaar was gesteld. Toen bekend werd dat militairen ingezet zouden worden om de staking te breken, hadden jongeren de militairen opgeroepen massaal de dienst te weigeren.
De in Groningen opgegroeide TerHorstJr. had op 15 augustus 1894 de boek- en papierwinkel: Wolters overgenomen van zijn vader: Ter HorstSr. (1828-1896). Deze was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de boek- en papierwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860). Hij was na het overlijden van Wolters in juli 1860, en het overlijden van diens echtgenote in december, eigenaar geworden van de boek- en papierwinkel.
TerHorstJr. had met de predikant S.D.van Veen (1856-1924) een uitgebreide reis gemaakt langs buitenlandse steden om illustraties te verzamelen voor een uit te geven bijbel. Hij had de verhalen over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin laten schrijven door Hindricus Scheepstra (1859-1913) die zich bij het schrijven had moeten laten bijstaan door de onderwijzer Gerard Jan Ligthart (1859-1916).
Scheepstra was opgegroeid in Roden, op het Drentse platteland en leraar aan de Rijkskweekschool in Groningen. Hij had vele door de uitgever Wolters (ter Horst Sr.en Jr.) uitgegeven schoolboeken geschreven zoals: Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893), Ambachten en bedrijven (1903), een handleiding bij een serie illustraties van beroepen en ambachten, en samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917): Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899), waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Ook was Scheepstra sinds jaren redacteur van De Schoolwereld, een door Wolters uitgegeven periodiek.
De onderwijzer Ligthart was opgegroeid in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan in een gereformeerd gezin. Ligthart was na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas, zoals gebruikelijk was onder zijn leeftijdsgenoten. Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan én geen kind van wie de ouders of leerkrachten vonden dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht. Jan nam aan een lagere school een baantje aan als hulpje, en volgde in de avonduren de opleiding voor onderwijzer. De eerste keer dat Ligthart examen deed voor de opleiding die hem de bevoegdheid moest geven aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school mislukte. Nadat de tweede poging succes had kreeg Ligthart in 1885 een aanstelling als hoofd van een school in de Tullinghstraat in Den Haag. Hij werd lid van het bestuur van het in 1842 opgerichte Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) waarvan vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid waren. Het NOG zette zich in voor het ophouden van de stand en voor verdieping van het beroep. De leiding in de strijd voor verbetering van het lot van het onderwijzend personeel was dan ook niet in handen van het NOG, maar van de vele jaren later, in 1874, opgerichte Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO). De BNO zette zich in zowel voor verbetering van het onderricht en voor de belangen van de jeugd, als voor het belang van de onderwijzer. De leden van de BNO stonden op het standpunt dat tussen beider belangen een onverbrekelijk verband bestond: ze voerde actie voor een betere salariëring, voor een grotere zelfstandigheid voor de klassenonderwijzer, voor schoolvoeding en kleding van overheidswege, voor schoolartsen en voor gezondheid- en vakantiekolonies. Het NOG en de BNO bestreden elkaar dikwijls op bepaalde punten te vuur en te zwaard. Het kwam voor dat onderwijzers bij de aanstelling moesten beloven zich niet aan te zullen sluiten bij de BNO.
Het Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) was in 1842 opgericht. De Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO) was opgericht in 1874.Uit een fusie van het NOG en de BNO ontstond in 1946 de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV). Uit een fusie van het NOV met de Nederlandse Bond van Leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs (NBLNO) ontstond in 1966 de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP).
De ABOP fuseerde met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs (AVMO), de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs (CVHMO) en de Vereniging Sint-Bonaventura. Uit de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) ontstond in 1997 de Algemene Onderwijs Bond (AOB).

In de door TerHorstJr. uitgegeven verhalen wordt het dagelijkse bestaan beschreven van een gezin dat op het platteland een ruime vrijstaande comfortabele woning bewoont, met een moeder die geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht en een vader die de kost verdient als hoofdarbeider. Het is een gezin ‘waar van jongsaf Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’. [37]
Het zijn romantische verhalen waarin de bucolische idylle de boventoon voert. Het in de verhalen beschreven bestaan stond in schril contrast met het feitelijke bestaan van de bevolking op het platteland. De omstandigheden waaronder de arbeiders leefden waren erbarmelijk: volkomen verwaarloosd, dikwijls in lemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd, verstoken van alle middelen van bestaan.[38]
Bij de volkstelling uit 1899 bleek dat in Nederland bijna een kwart van de bevolking (23 %) in een eenkamerwoning gehuisvest was; dat percentage bedroeg voor de stad Rotterdam en de provincie Groningen 58%, voor de provincie Drenthe zelfs 62%.
Het in de verhalen beschreven dagelijkse bestaan stond ook in schril contrast met
het dagelijkse leven van de jeugdigen in de volksbuurten van de grote steden. In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden naamloze stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, waar ratten en wandluizen de nimmer ontbrekende gasten waren. Waar een waterleiding meestal ontbrak en dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. De moeders en de vaders werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie.
Dat Scheepstra zich door de uitgever moest laten bijstaan bij het schrijven door Ligthart hield verband met de achtergrond van Ligtharts maatschappelijke opvattingen: het gereformeerde geloof van Abraham Kuyper, waarvan Ligthart blijk had gegeven aanhanger te zijn.
De gereformeerde predikant C.W. Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was.[39]
De predikant Willem Banning (1888-1971) beschrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.[40]
De naam van Ligthart was plotseling verschenen op een nieuw periodiek dat Ter Horst Jr. had uitgegeven met als titel: School en Leven en als ondertitel: Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin. Het periodiek was enkele maanden verschenen nadat Ter HorstJr., een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van een zekere grilligheid’ [41], in het voorjaar van 1899 het eerder door hem uitgegeven periodiek: De schoolwereld. Weekblad van het lager onderwijs in Nederland en de koloniën, waarvan M.J. Koenen (auteur van het Verklarend Woordenboek der Nederlandse Taal), de onderwijzer: W.K. Walstra en P.H. Mulder de redactie voerden, en wat door Scheepstra werd geredigeerd, abrupt had beëindigd. Het openingsartikel van Ligthart: Een woordje aan ’t slot, had veel stof doen opwaaien: het had de lezers te veel doen denken aan een preek.[42]
De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943) die enkele bijdragen aan School en Leven had geleverd was in conflict gekomen met Ligthart. Thijssen had niet anders kunnen oordelen dan dat Ligthart zich had laten inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen.
Ook was de naam van Ligthart door de uitgever TerHorstJr., als auteur vermeld op door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalenbundels, en Scheepstra als mede-auteur. De naam van Ligthart was ook vermeld als mede-auteur op de heruitgave van een door Scheepstra en Walstra geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten), terwijl de naam van de feitelijke auteur: Walstra onvermeld was gebleven.
De wandplaten met een illustratie van een handarbeider die door Ter HorstJr. werden uitgegeven lieten weinig medegevoel en begrip zien. Het beeld komt overeen met het beeld zoals Ligthart een arbeider beschreef, n.l. als iemand ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’.[43].
Een beeld zoals ook de predikant J.P. Hasebroek (1812-1896) arbeiders schetst: De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid. [44]
Ook deze predikant leek het aan medegevoel en begrip te ontbreken.
 De door Ter Horst Jr. uitgegeven wandplaten met een afbeelding van een arbeider waren gemaakt door de in de toenmalige plattelandsgemeente Groningen opgegroeide Cornelis Jetses (1873-1955). Jetses had ze gemaakt naar voorbeeld van de illustraties van de Groningse onderwijzer Brugsma. Jetses voorzag ook het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkelde Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, van afbeeldingen die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien.[45]

Saamhorigheid
Aan de Humanitaire School in Laren mogen de jeugdigen met elkaar samenwerken en elkaar helpen.[46]
Tussen 1896 en de Eerste Wereldoorlog had zich een Christen-anarchisme, of Humanitaire Idealisme of Tolstojanisme gevormd waarin werd aangenomen dat samenwerking, en wederzijdse hulp, de ontwikkeling van de gemeenschap zou bevorderen. [47]
Woordvoerder was de hoogleraar in de histologie: Jacob (Koos) van Rees (1854-1924). Van Rees: ‘een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’, . . . een mensenvriend, maar niet zonder heersersneigingen [48], had in zijn woonhuis enkele kamers beschikbaar gesteld voor het onderricht en huisvesting van de onderwijzers en sprong bij wanneer er een financieel tekort dreigde te ontstaan. Hij had in Blaricum eerder een kolonie opgericht waaraan een einde was gekomen toen de plaatselijke bevolking de gebouwen van de kolonie vernielden uit woede van de gevolgen van de op 8 januari 1903 gehouden spoorwegstaking.
De Russische edelman Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910) was omstreeks 1900 plotseling met veel werken voor de dag gekomen. [49]
Tolstoj werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19 e eeuw gezien die een enorme indruk maakte. Tolstoj was de zoon van een der oudste grafelijke families in het tsarenrijk. Ze zouden in de veertiende eeuw met een schare van volgelingen uit het westen zijn gekomen, om zich in de Oekraïne te vestigen. Hun aanzien was gestegen en hun rijkdom toegenomen. Ze behoorden onder Peter I in elk geval tot de voornaamste adellijke geslachten. Lev Nikolajevitsj scheen voorbestemd tot een loopbaan in de hogere regionen van de maatschappij. Tolstoi sloot zich aan bij het expeditieleger dat van 1851 tot 1853 in de Kaukasus opereerde om de opstandige bergvolken te temmen. De militaire realiteit in de Kaukasus die voor Tolstoj aanvankelijk een woest en vurig spel, sloeg als snel om in een verwerpelijke gruwel. Het lot had hem tot landjonker, tot grootgrondbezitter gemaakt. Hij had Jasjana Poljana geërfd en daarmee de verantwoordelijkheid over duizend lijfeigenen: geknechten, onwetend, onmondig. Tolstoj’s zorg was het aan de onwetendheid van deze bezitloze boerenmassa een einde te maken. Het schoolexperiment was steeds een van Tolstoj’s lievelingsdenkbeelden geweest. Hij maakte op het einde van de vijftiger jaren zijn eerste West-Europese reis: Italië, Frankrijk, Zwitserland, Duitsland.
Tolstojanen lieten zich inspireren door de politicus, historicus en bioloog Peter Kropotkin (1842-1921). Kropotkin was meer wetenschappelijk ingesteld dan Tolstoj. Kropotkin had kritiek geuit op Darwin's kijk op de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens die het bestaan veronderstelde van een strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en een strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest. Kropotkin had erop gewezen dat in het tsaristisch Rusland, waar feodale en communale samenlevingsvormen domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking, en van wederzijdse hulp, de ontwikkeling van de gemeenschap had bevorderd.[50]

Werklust
Lodewijk van Mierop (1876-1930) laat aan de Engendaalschool in Soest de jeugdigen een stukje grond bewerken.[51]
In het eerste decennium der negentiende eeuw had zich onder bepaalde groepen van intellectuelen een humanitair-idealisme gevormd waarin werd aangenomen dat voor een ieder die wilde werken een gelukkig bestaan mogelijk was. Woordvoerder was de arts Frederik Willem van Eeden (1860-1932). Van Eeden ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde[52] behoorde tot die groep van intellectuelen bij wie omstreeks 1900 heiligings-levensgemeenschappen (kolonies) zeer in trek waren waar ze door zelftucht en voorbeeld hoopten een aanvang te kunnen maken met de verbetering van de maatschappelijke ordening.[53]
Van Eeden had in 1898 in Bussum zijn kolonie Walden opgericht. Hij geloofde dat er in West-Europa en Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op komst was en had plannen ontworpen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij. Van Eeden had gesteld dat het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting berustte: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’. [54]
Van Eeden nam het bestaan aan van drie standen: zij die het inkomen verkrijgen uit de opbrengst van geld: grondbezitters, aandeelhouders, renteniers; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij de overheid of uit het verrichten van arbeid als zelfstandige beroepsbeoefenaar: lakeien, ambtenaren, artsen, advocaten; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij particulieren: fabrieksarbeiders, dagloners. [55]
Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levensvoorwaarden en -omstandigheden af. Hij zag als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze.[56]
Van Eeden was bewonderaar van de Oosterse theosoof Abindranath Tagore (1861-1941) en enige tijd aanhanger van de hoogleraar in de filosofie, en pre-fascist: G.J.P.J. Bolland (1854-1922). Van Eeden had in De Nieuwe Gids, waarvan hij redacteur was, geschreven dat de gedachten die hij had verwoord in zijn Redekunstige grondslag van verstandhouding, grote overeenkomst vertoonden met die van Bolland.[57]
Van Eeden zou bij een andere gelegenheid spreken over ‘de vriendelijke, goedhartige en naïef-geniale professor. [58]
De kolonie Walden had zich ontwikkeld van een amateuristisch tuinbouwbedrijf zonder duidelijke reglementen tot een antikapitalistische commune, die zich niet anarchistisch noemde maar in de praktijk wel uitging van gemeenschappelijke besluitvorming en vrijwillige beheersing van egoïsme. Het economisch zwaartepunt lag in latere jaren niet meer in land- of tuinbouw maar in enkele coöperatieve bedrijven, waarvan de bakkerij tot lang na de opheffing van Walden floreerde.
Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or Life in the woods laten verschijnen.
Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.[59]


Naastenliefde
De onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) laat aan de school in Vledderveen (Grn) de verdeling van consumptiegoederen naspelen. Borgman heeft hiervoor op een perceel dalgrond een afbeelding gemaakt van Nederland, Europa en Amerika.[60]
Onder volwassenen die zich niet thuis voelden in de SDAP had zich een socialisme gevormd waarin werd aangenomen dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een eerlijke verdeling van consumptiegoederen. Woordvoerder was de predikant Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938). De Ligt behoorde tot die groep van volwassenen die het weliswaar niet oneens was met de strijd van de SDAP tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten, maar afwijzend stond tegenover het culturele en geestelijke klimaat van de SDAP. In de SDAP werd het christelijk geloof afgewezen als zijnde in strijd met de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én gezien als in strijd met de menselijke waardigheid doordat het mensen van strijd voor lotsverbetering afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakt.[61]
 De Ligt had van 1903 tot 1910 theologie gestudeerd. Gedurende zijn studietijd was hij aanhanger van de orthodox-protestant en pre-fascist G.J.P.J. Bolland (1854-1922). De Ligt had zich in 1910 aangesloten bij de in 1907 opgerichte Bond van Christen-Socialisten (BVCS). Bij de BVCS sloten zich volwassenen aan uit anti-revolutionaire en christelijk historische kringen en volwassenen rond het christelijke weekblad Algemeen Welzijn die geloofden dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een betere verdeling van consumptiegoederen.
De Ligt schreef in 1914 een nieuw beginselprogramma voor de BVCS: God Uzelf Uw Naaste waarin hij opriep het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.[62]


IV  Broederschap
Omstreeks 1920 toen er een einde was gekomen aan het gebrek en de nood in de arbeidersgezinnen en het bloedvergieten zonder zin van de Eerste Wereldoorlog en de politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd in geestdrift raakt voor de Sovjet-Unie waar de Oktober-revolutie heeft plaatsgevonden gaan volwassenen uit angst voor een revolutie en weer een oorlog de jeugd een besef van algehele broederschap bijbrengen.

De botsende belangen der Europese imperialistische mogendheden hadden geleid tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op 3 augustus 1914. Tussen het na 1870 snel opkomende Duitse industriële kapitalisme en de over de gehele wereld gevestigde macht van het oude Britse kapitalisme was een strijd uitgebroken om een herverdeling van koloniën, invloedssferen en afzetmarkten. De strijd tussen Frankrijk en Duitsland om Elzas-Lotharingen en tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije om invloed op de Balkan had de economische tegenstelling vooral tussen Engeland en Duitsland versterkt. Bij de wedren om koloniën of invloedssferen, niet alleen voor de afzet van producten maar steeds meer ook voor het beleggen van kapitaal, waren Duitsland, Italië en Japan te laat geweest. Zij hadden alleen nog op kosten van Engeland, Frankrijk, België of Nederland aan koloniën kunnen komen. De spanningen tussen de grote Europese mogendheden waren voortdurend toegenomen. Er was een bewapeningswedloop op gang gekomen en verschillende keren had een oorlog nabij geleken.
Door het militaire bondgenootschap tussen Frankrijk, Rusland en Engeland enerzijds en Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië anderzijds, had de oorlog het karakter gekregen van een wereldoorlog. In 1917 schaarden de Verenigde Staten zich aan de zijde van Frankrijk en Engeland.
Doordat de Duitse legers direct België waren binnengevallen en onder de voet hadden gelopen om zo sneller Parijs te kunnen bereiken, was ook voor Nederland de oorlog zeer nabij geleken. Het leger was gemobiliseerd. Vele arbeiders waren plotseling onder de wapenen geroepen wat het economisch leven had ontwricht. De productie van arbeids- en verbruiksmiddelen was voor een belangrijk deel omgezet in de productie van oorlogsmaterieel. De producten van land- en tuinbouw en die van de visserij hadden gretig aftrek gevonden onder de oorlogvoerenden. Grote voorraden levensmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Het percentage werklozen was gestegen van 7,4% tot 27%. Grote hoeveelheden aardappelen en groenten, rijst en cacaopoeder waren in reusachtige hoeveelheden aan Duitsland verkocht. Met medewerking van de minister van landbouw: Posthuma, waren enorme hoeveelheden zuivelproducten, eieren en groenten geëxporteerd. Ook transportmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Nederland was een hongerland geworden.
Het zgn. ‘Ellendekongres’ van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in november 1915 had een onheilspellende daling van het levenspeil aan het licht gebracht, ook bij de niet bij het NVV aangesloten arbeiders. De verhoging van de lonen, zelfs van de sociaalkrachtigste arbeidersgroepen, bleek aanmerkelijk achtergebleven bij de stijging der prijzen, die toen al voor de voornaamste levensbenodigdheden op 30% werd geschat. Er hadden talrijke stakingen plaatsgevonden: metaalbewerkers, loodgieters, slagers, chauffeurs, grondwerkers, steenzetters, melkslijters en nog andere categorieën hadden in de loop van dat jaar het werk neergelegd om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden af te dwingen. In de textielindustrie in Tilburg was het tot een staking gekomen. Mijnwerkers hadden gedurende ongeveer twee weken gestaakt. In Rotterdam hadden de havenarbeiders gestaakt. Er waren hongeropstootjes. In de zomer van 1917 was in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan bijna geen aardappel meer te koop, terwijl er in de Prinsengracht schepen vol met aardappels lagen, bestemd voor de export. Dit had geleid tot het Aardappeloproer. Er vonden plunderingen plaats, demonstraties en gewelddadigheden. In de kazernes van de Harskamp vond een soldatenoproer plaats. De levensmiddelenpolitiek van de regering had als gevolg dat een groot deel der stedelijke bevolking honger leed.
Doordat de uitvoer door was gegaan, was Nederland verdacht geworden, met als gevolg dat Nederland door Amerika was gerantsoeneerd, maar ook dat Nederlandse graanschepen in beslag waren genomen, dat de uitvoer van koloniale producten uit Indonesië naar Nederland was gehinderd. Elke uitvoer van levensmiddelen was onmogelijk gemaakt en de invoer van voedsel voor mens en dier, evenals die van kunstmest, tot een minimum beperkt. Deze rantsoenerings-politiek had geleid tot een totale ineenstorting van de Nederlandse invoer van overzee gedurende het laatste oorlogsjaar.

In Rusland had onvrede onder de bevolking geleid tot een revolutie. Er was veel onvrede in Rusland door de heersende armoede. In 1898 was in Rusland de Russische Sociaaldemocratische Arbeiders Partij (RSDAP) opgericht. De RSDAP was in 1903 nog verboden door haar radicale ideeën maar was wel steeds meer in opkomst. Een scheuring had in 1903 geleid tot het ontstaan van twee groepen: de Bolsjewieken (bolsjinstvo=meerderheid) steunend op de arbeiders en de boeren en niet wilden samenwerken met de liberale oppositie; de Mensjewieken (minderheid) steunend op de kleine middenstanders en de grondeigenaren en wel wilden samenwerken met de liberale oppositie.
Tsaar Nicolaas II had in 1904 de oorlog verklaard aan Japan: de Tsaar was van mening dat Japan zijn grenzen te veel richting Russisch grondgebied had uitgebreid. Deze oorlogsverklaring gevoegd bij de armoede onder de bevolking had in 1905 geleid tot de eerste Russische revolutie. Tsaar Nicholaas II had een deel van zijn alleenheerschappij moeten afstaan aan een in 1906 ingesteld parlement: de Doema. Er was een raad van arbeiders opgericht, Sovjet, die geleid werd door Leon Trotski (1879-1940). De sovjet- afgevaardigden waren democratisch gekozen en erkend als het hoogste gezag in het land. Er waren al snel meerdere sovjets voor verschillende groepen arbeiders ontstaan zoals: spoorwegarbeiders en fabrieksarbeiders.
De onvrede onder de bevolking was gebleven. Dit had in 1917 tussen 8 en 15 maart (februari volgens de Russische jaartelling) geleid tot de Februari-revolutie. Er was een einde gekomen aan de heerschappij van de dynastie van de Romanov’s die zo’n 300 jaar lang had geregeerd. De familie was naar Jekaterinenburg verbannen waar ze in 1918 met geweld om het leven was gebracht.
De Doema had een Voorlopige Regering ingesteld. Het nieuwe bewind van liberalen en gematigde socialisten had echter de oorlog met Duitsland voortgezet en geen haast gemaakt met het verdelen van het grondbezit onder de boeren. Tegenover deze Voorlopige Regering stonden de raden (sovjets) van arbeiders, boeren en soldaten. De sovjets waren hier fel op tegen omdat de oorlog Rusland al miljoenen slachtoffers had gekost. Er was een strijd ontstaan tussen de Mensjewieken en de Bolsjewieken. De Mensjewieken zaten in de Voorlopige Regering en de Bolsjewieken waren vertegenwoordigd in de Sovjets. De meeste arbeiders hadden de Bolsjewieken gesteund omdat zij de meest radicale veranderingen wilden doorvoeren. De verliezen en de nog steeds aanwezige armoede hadden weer voor onrust gezorgd.
De leider van de Bolsjewieken: Vladimir Lenin (1870-1924) had ‘alle grond aan de boeren, alle macht aan de sovjets, alle fabrieken aan de arbeiders en vrede met Duitsland’ gewenst. Lenin was na een mislukte staatsgreep in de zomer van 1917 naar Finland gevlucht, maar in september teruggekomen. De sovjets onder de leiding van Lenin hadden de Voorlopige Regering afgezet tijdens de Oktoberrevolutie (1917). Lenin had vrede gesloten met Duitsland in het verdrag van Brest-Litovsk (1917), een streep door alle buitenlandse leningen en beleggingen gehaald en alle productiemiddelen onteigend. Pogingen van diverse Europese mogendheden, de Verenigde Staten en Japan, om door militaire interventie het revolutionaire bewind ten val te brengen en de rijke Russische bodemschatten in handen te krijgen, waren mislukt.

De Russische Revolutie had grote invloed uitgeoefend op het politiek en maatschappelijk gebeuren in de rest van Europa en Azië. In november 1918 hadden revolutionaire bewegingen een einde gemaakt aan het Duitse keizerrijk, het Oostenrijkse keizerrijk en het Ottomaanse rijk. In de omliggende landen waren de regeringen en de gegoede burgerij nerveus geworden. De regering in Nederland was, in de hoop gevrijwaard te worden van ‘revolutionaire woelingen’, met allerlei verbeteringen gekomen: de wettelijke achturendag was ingevoerd, het algemeen mannenkiesrecht en kort daarop het vrouwenkiesrecht, de hoogte van het ouderdomspensioen was verhoogd en de leeftijd waarop het inging verlaagd, aan de gezinnen der miliciens die het leven hadden gelaten als gevolg van de bommen op de Zeven Provinciën waren ettelijke miljoenen als schadeloosstelling uitgekeerd en het loon van het personeel in dienst van de gemeentelijke en landelijke overheid was sprongsgewijs verhoogd.
Het waren de dagen van de ‘bibber-bourgeoisie’. De burgemeester van Rotterdam, Zimmerman, had om de onvermijdelijke omwenteling in elk geval ordentelijk te laten plaatsvinden, twee vakbondsleiders: A. Heykoop en J. Brautigam, bij zich geroepen en medegedeelt dat hij ‘van plan was om ook in geval van een revolutionaire beweging’ (die hij voorzag) ‘in ieder geval (zijn) best te doen voor het behoud der orde’; de waterleiding, de elektrische centrale, de gasfabriek, de banken zou hij ongestoord laten voortwerken, op de stations zou hij de orde handhaven. Voor alle zekerheid had Zimmerman nog een résumé gemaakt van het besprokene. Zijn gesprekspartners hadden niet anders kunnen concluderen dan dat de burgemeester van ’s lands tweede stad gecapituleerd had nog voor de revolutie was ingezet! Heykoop en Brautigam waren, nog vóór zij Zimmerman bezochten, door de voorzitter van de machtige Scheepvaartvereniging Zuid: P. Nijgh, ontvangen, ‘die ervan overtuigd was dat de Duitse gebeurtenissen hier zouden doorzetten’; hij had schielijk verbetering beloofd van de arbeidsvoorwaarden. Minister-president Ruys had die avond in Den Haag gesproken met de liberale en vrijzinnig-democratische leiders: ‘Huns inziens was alles verloren. De revolutie was niet te keren. We moesten maar wat toegeven, bijv. een paar socialisten in het kabinet opnemen.’
De redactie van De Telegraaf had aan de voorzitter van de SDAP gemeld 'dat zij bereid waren, vooral met de veelverbreide Courant, een eventueele revolutie te steunen'.[63].
De politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd was diep onder de indruk gekomen van het gebrek en de nood in de arbeidersgezinnen en het bloedvergieten zonder zin met een niet meer goed voor te stellen omvang. Ze had gedemonstreerd, protestvergaderingen gehouden, gestaakt zelfs hier en daar en politieke partijen veroordeeld. Leden van de Sociaal-Anarchistische Jeugdorganisaties (SAJO) hadden begin 1918 explosief materiaal ontvreemd uit een opslagplaats voor munitie en springstoffen in de omgeving van Amsterdam met het doel een aanslag te plegen op het gebouw van De Beurs in Amsterdam, (de aanslag was mislukt en de jeugdigen waren veroordeeld tot gevangenisstraffen van 12 tot 6 maanden). Herman Groenendaal had geweigerd de militaire dienst te vervullen, was daarvoor gearresteerd en hiervoor in hongerstaking gegaan. Het had geleid tot wekenlange demonstraties, protestvergaderingen en hier en daar stakingen waarbij duizenden arbeiders betrokken waren. Twee andere jeugdigen, Albert de Jong en Bart de Ligt, waren veroordeeld wegens opruiing tot resp. 19 en 27 dagen gevangenisstraf.
De politieke jongeren verwachtten dat het kapitalisme zich niet meer zou herstellen. Als ze dan in geestdrift raakt voor de Sovjet-Unie waar de Oktoberrevolutie heeft plaatsgevonden, dan gaan volwassenen met een samenhangende wereld- en levensbeschouwing en een hang naar theosofie, antroposofie of een op het christendom geïnspireerde religie uit angst voor een revolutie en weer een oorlog de jeugd een besef van algehele broederschap bijbrengen.

Respect voor een ieders godsdienstige-, levens- of maatschappelijke overtuiging.
Volwassenen in de SDAP en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) en de regering laten voor jeugdigen ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten organiseren. De leiding van de SDAP en het NVV kwam met een Centrale voor Jeugdontwikkeling en de regering met een Centrale Jeugdraad.
In 1900 hadden op het Brusselse congres der Socialistische Internationale in Parijs de aangesloten nationale partijen de opdracht gekregen antimilitaristische socialistische jeugdbonden op te richten. Hierop hadden volwassenen in de SDAP op 10 mei 1901 de Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’ opgericht. [64]
Na de mislukte tweede spoorwegstaking in 1903 had de Zaaier zo veel leden dat dit voor volwassenen in de SDAP aanleiding was op 23 april 1905 opnieuw een De Zaaier op te richten, nu met het doel het in socialistische zin opvoeden van de jeugd. Toen in de SDAP een groepering ontstond die voorstander was van een anti-parlementaire weg naar sociale verbeteringen en de Sociaal-Democratische Partij (SDP) oprichte sloten de jeugdigen in De Zaaier zich hierbij aan. Dit werd voor de leiding van de SDAP reden de band met de nieuwe De Zaaier te verbreken. In 1911 had de leiding van de SDAP weer een nieuwe jongerenorganisatie opgericht: Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP), nu met als doel de algemene ontwikkeling van de jeugdigen te bevorderen door het aanbieden van cursussen in staatshuishoudkunde, geschiedenis, Nederlandse taal, administratie. Deze JOderSDAP leidde niet tot het grote aantal leden waarop de leiding van de SDAP had gehoopt. De jeugdigen waren ontevreden met de lessen van ‘schoolmeesters in taal en sterrenkunde’. Ze gaven te kennen dat ze politiek wilden bedrijven, meer zelfstandigheid wilden, een landelijke organisatie wilden vormen, een landelijk blad wilden uitgeven, af wilden van de verplichting om met 18 jaar van de SDAP lid te worden en keerden de JOderSDAP de rug toe.
Naar aanleiding hiervan had het lid van de SDAP in de Tweede Kamer: Gerhard, in 1914, aan de vooravond van de eerste wereldoorlog, de liberale regering Cort van der Linden (1913-1918) verzocht een onderzoek in te stellen naar ‘de aard en omvang van organisaties die zich bezig houden met de vorming der niet-leerplichtige jeugd en deze commissie de bevoegdheid te geven denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen’.[65]
Toen na de Eerste Wereldoorlog het de leiding van de SDAP en het NVV duidelijk was dat de JOderSDAP geen sukses was, waren ze met een Centrale voor Jeugdontwikkeling gekomen dat als taak had ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren voor de bij een der werknemersorganisaties aangesloten jeugdigen, met als doel hun het besef bij te brengen respect te hebben voor een ieders godsdienstige, levens- of maatschappelijke overtuiging. [66]
De in 1918 nieuw aangetreden confessionele regering Ruys de Beerenbrouck (1918-1922), bestaande uit: Rooms Katholieke Staats Partij, Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie kwam met een op SDAP leest geschoeide Centrale Jeugdraad dat eveneens als taak kreeg ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren maar nu voor de niet bij een der werknemers-organisaties aangesloten jeugdigen. De regering had haar besluit beargumenteerd door te wijzen op de resultaten van het in 1914 door het liberale kabinet verrichtte onderzoek waaruit gebleken zou zijn ‘dat het verreweg grootste deel der oudere jeugd geenerlei onderwijs meer ontvangt’.[67] 
Als tegenhanger van het op SDAP-leest geschoeide ontwikkelings- en ontspanningswerk werden Volkshogescholen opgericht met als doel ‘het geven van een zedelijk-geestelijke ontwikkeling aan volwassen personen als grondslag voor vernieuwing der volkscultuur en versterking van de volksgemeenschap’. [68]
De eerste kwam tot stand door initiatief van Jarig van der Wielen (1880-1950) in Bakkeveen (1932) voor jonge boeren, werklozen en studenten.
Aan de scholen voor maatschappelijk werk, later genoemd: Sociale Academies, kwamen opleidingen voor jeugd en jongerenwerk (sociaal-cultureel werk). De regering waarschuwden de organisaties die kampementen organiseerden en zich bedienden van door het rijk beschikbaar gesteld kampeermateriaal voor het kunnen ontstaan van een onzedelijke sfeer, waarmee bedoeld werd o.a. het niet eerbiedigen van een ieders uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging. Aanbevolen werd te komen tot een hiërarchische centralistische organisatie om toezicht te kunnen houden en eventueel de nodige maatregelen te kunnen nemen.
Het gemeentebestuur van Rotterdam benoemde op 26 mei 1921 een Adviserend Ambtenaar inzake de Opvoeding van de rijpere jeugd en richtte op 10 januari 1922 de Rotterdamse Jeugd Raad op. Het gemeentebestuur van Amsterdam stelde op 1 januari 1923 een tijdelijk ambtenaar aan belast met het toezicht op de van gemeentewege gesubsidieerde verenigingen welke zich bezighouden met Toynbeewerk en Vrije Jeugdvorming.

Respect voor een ieders persoonlijke overtuiging.
Het lid van de Gemeenteraad voor de SDAP en wethouder voor het onderwijs in Amsterdam: Eduard (Eliazer) Polak (1880-1962) laat aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes de jeugdigen zelfstandig een taak kiezen, het materiaal kiezen wat ze willen gebruiken, en uitmaken of ze zitten of staan.
In de twintiger jaren had zich in de SDAP een socialisme gevormd waarin werd aangenomen dat respect voor een ieders persoonlijke overtuiging verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging zou doen overbruggen. Woordvoerder hiervan was Willem Banning (1888-1971). Banning had aan de Rijkskweekschool in Haarlem de opleiding gevolgd voor onderwijzer en op later leeftijd de opleiding voor predikant. Hij was een vooraanstaand lid van de SDAP en aanhanger van het op het christendom geïnspireerde religieus denken der Woodbrookers.
De hoogleraar in de godgeleerdheid Karel Hendrik Roessingh (1886-1925) had als student in Engeland kennis gemaakt met de Woodbrookers en terug in Nederland in 1916 de Vereniging der Woodbrookers opgericht. De aanhangers der Woodbrookers (Quakers) hadden in Selly Oak, in de buurt van het Engelse Birmingham, hun Woodbrook College waarvoor de welgestelde George Cadbury (aanhanger der Quakers) zijn woonhuis en bijbehorende tuinen, Woodbrook, beschikbaar stelde. Naast Woodbrook werd Westhill het meest bekend.
Roessingh had bij zijn aanstelling als hoogleraar in de godgeleerdheid opgeroepen ‘persoonlijkheden’ te worden door ‘niet ons eigen geweten te onderwerpen aan het voorschrift van eene kerk, aan de wet van een staat, aan het gezag van een ander mensch’, maar af te gaan op de eigen persoonlijke overtuiging.[69]
Roessingh had in 1916 de Vereniging der Woodbrookers opgericht. Banning had om tegenwicht te kunnen bieden aan het proletarisch- en marxistisch-socialisme van de arbeidersbeweging en aan het daarmee verbonden felle atheïsme in 1919 de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (AG) opgericht.[70]
Hij zou na de Tweede Wereldoorlog voorstander worden van een ethische volkspartij en een pleitbezorger van een, op instigatie van J.de Quay (1901-1985) genoemd, ‘personalistisch socialisme’.

Respect voor een ieders aanleg
De onderwijzer Berend Wouters (1882-????) laat aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen de jeugdigen activiteiten verrichten die afhankelijk zouden zijn van de aanleg: werken met de handen in de werkplaats of in de tuin, of deelnemen aan een groepsspel of het beoefenen van kunst. [71]
In de Theosophical Society werd aangenomen dat een ieders positie in de samenleving een zaak was van aanleg. De Theosophical Society was in 1875 opgericht door Helena Blavatsky (1831-1891) en enkele sympathisanten. Blavatsky was geboren als Helena Petrowna von Hahn Rottenstern in de Oekraine in het financieel beter gesitueerde deel van de bevolking en gehuwd geweest met Nikofor Blavatsky. De Theosofische Vereniging was opgericht met als doel te komen tot een sfeer van algehele broederschap zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. De Vereniging werd een groot succes met vele vertakkingen over de wereld. Wouters had zich op 10 mei 1903 onder nummer 23648 als lid laten inschrijven. In 1910 waren er bijna zevenhonderd loges (afdelingen), verdeeld over ruim zestien landen waaronder Nederland, met in totaal bijna 17.000 leden.

Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling.
De onderwijzer J.H. Bolt (…..- 1965??????) laat aan de Pallas-Athene School in Amersfoort jeugdigen met een verschillende mate van geestelijke ontwikkeling gezamenlijk onderricht volgen.[72]
Na de dood van Blavatsky werd in de Theosophical Society aangenomen dat een ieders maatschappelijke positie een zaak was van geestelijke ontwikkeling. Woordvoerder hiervan was Annie (Wood) Besant (1847-1933).  de leiding van de Theosofische Vereniging overgenomen. Besant had eerder een leidende functie binnen de Anglicaanse kerk, na de dood van Blavatsky de leiding van de Theosofische vereniging overgenomen en in 1911 de jonge Indiër Jiddu Krishnamurtie (1895-1986) aangesteld als de opvolger van Jezus, de nieuwe wereldleraar. Om de jonge Indiër te ontmoeten kwamen op de jaarlijkse Sterkampen in Ommen tussen 1923 en 1930, vele duizenden aanhangers uit alle delen van de wereld bijeen. Bolt had zich op 26 maart 1915 onder nummer 58560 als lid van de Theosofische Vereniging laten inschrijven.


Respect voor een ieders temperament
Aan de Vrije School in Den Haag wordt in het onderricht rekening gehouden met het temperament van de jeugdigen. [73]
In het Antroposofisch Gesellschaft werd aangenomen dat een ieders sociale positie een zaak was van temperament. Het was in 1913 opgericht door Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925). Steiner was tien jaar lid van de Theosofische Vereniging en met een ‘eigen’ Antroposofisch Gesellschaft gekomen toen Annie Besant in Krishnamurti de toekomstige wereldleraar meende te hebben ontdekt.
Steiner kreeg in 1919 in Stuttgard de leiding over de Freie Waldorfschule, opgezet door Emil Mohlt (1878-1936), eigenaar van de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen.
Steiner nam aan dat een ieders temperament een zaak was van de kosmos: de zon, de maan en de sterren. Hij onderscheidde vier temperamenten: sanguinisch (opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) of cholerisch (opvliegend).
De Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) had eerder gewezen op de aanwezigheid van vier onderling kwalitatief verschillende elementen die alle door zintuigelijke waarneming bekend zijn: de vaste aarde, het vloeibare water, de gasvormige lucht en het gloeiende verterende vuur; de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322) had eerder gewezen op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren; de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) had eerder gewezen op de aanwezigheid in het menselijk lichaam van vier lichaamsvochten: sanguis (bloed), flegma (slijm), melancholie (zwarte gal) en cholera (gele gal); de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) had eerder geschreven over de leer der temperamenten; de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) had eerder de theorie ontwikkeld dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van de in de kosmos voorkomende elementen: zon en maan.[74]

Respect voor leiders en volgelingen
De onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) laat aan de Hillegomschool in Amsterdam elke jeugdige onderricht volgen aan de hand van een eigen lesrooster, een eigen leerplan, een eigen methode van onderricht, een eigen volgorde van vakken, een eigen tempo en een eigen wijze van uitwerken.[75]
In katholieke kringen had zich het corporatieve denken uitgebreid waarin werd aangenomen dat er leiders zijn en volgelingen. De ex-jezuit Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944) deed veel van zich horen met zijn ‘Beginselen der beeldende wiskunde’.[76]
Voor Groeneweg vormde het zijn ‘wijsgerig grondbeginsel’.[77]
Schoenmaekers had het gymnasium in Rolduc gevolgd en de door de jezuïeten geleide opleiding tot priester in Rome. Hij had in Amsterdam aansluiting gezocht bij de kring van vrijzinnige christenen en vrijdenkers en in 1904 het tijdschrift Levensrecht opgericht: Maandschrift ter verbreiding der vrije ideeën, waaraan o.a. meewerkten Frederik van Eeden en Domela Nieuwenhuis.
Schoenmaekers wilde lid worden van de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia Vincit Anymos', doch dit verzoek was hem geweigerd. Hij liet zich in 1905 in Amsterdam als lid inschrijven van de Theosofische Vereniging onder nummer 1131, werd sympathisant van de antroposoof Rudolf Steiner, studeerde in Pennsylvania een jaar theologie, en ging uiteindelijk in Laren wonen.
De dichter Jan Greshoff beschrijft hem als iemand die beschikte over een meeslepend redenaarstalent, maar geen tegenspraak duldde.[78]
In zijn Larense tijd had Schoenmaekers contact met de daar wonende groep van kunstenaars, aangeduid met De Stijl, waaronder de schilder Piet Mondriaan (1872-1944). Mondriaan had lange tijd waardering voor de denkbeelden Schoenmaeker, maar ergerde zich op den duur aan deze 'schoolmeester-paus' die zich ‘katholieker dan de roomsche kerk, katholieker dan de paus’ zag .[79]

In het in katholieke kringen zich uitbreidende corporatieve denken (corporatief is afgeleid van het Latijnse woord corpora = lichaam) worden de delen van een lichaam samen als een onlosmakelijk geheel gezien waarvan geen van de delen gemist kan worden wil het lichaam functioneren, maar waarbij het hoofd en de ledematen niet worden gezien als gelijk. De maatschappij wordt hiermee vergeleken. Hierin worden de groepen van arbeiders en ondernemers samen als een onlosmakelijk geheel gezien waarvan geen groep gemist kan worden wil de samenleving funktioneren, maar waarin arbeiders en ondernemers niet worden gezien als gelijk. Er zijn leiders en volgelingen en een ieder dient dus tevreden te zijn met de plaats in het maatschappelijk leven, al hebben diegenen die deze kijk hebben wel de neiging, voor zichzelf een plaats aan de top te reserveren.  

Respect voor de beste
Cornelis Boeke (1884-1954) laat aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap in Bilthoven bij alle werkzaamheden de beste kiezen als hoofd. Hij noemde de school Werkplaats, de onderwijzer Medewerker en de jeugdige Werker.
In de Practisch Idealisten Associatie (PIA) werd aangenomen dat een leidende positie in de samenleving een zaak was van de beste. De PIA was door de hoogleraar in de rechtswetenschap: J.J. van der Leeuw (1893-1934) toen hij nog student was, uit Londen in Nederland geïntroduceerd.[80]
De PIA was na de in 1896 opgerichte Nederlandse Christelijke Studenten Vereniging (NCSV) de tweede stap van de jeugd uit de zeer gegoede kringen zich aaneen te sluiten.[81]
Ook Boeke was lid van de PIA. Zijn vader was directeur van de HBS, de vader van Van der Leeuw was firmant van de Van Nelle fabriek, een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam, een ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en weer een ander was directeur van de glasfabriek in Leerdam.
In de PIA had elke plaatselijke afdeling haar leider, de plaatselijke leiders vertegenwoordigden hun afdeling in de Raad der Leiders. Bij het toetreden tot de PIA moesten de leden een verklaring ondertekenen waarin ze beloofden af te zien van het najagen van eigen eer en voordeel. [82]
Diverse leden van de PIA werden lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de Sterkampen op het landgoed Eerde in Ommen waar ook elk jaar een kamp van de PIA plaatsvond.
Van der Leeuw had tegenover het historisch materialisme een historisch-idealisme gesteld: een geestelijke omwenteling binnen in de mens.[83]
Hij hing de gedachte aan dat een leidende positie in het maatschappelijk leven een gevolg was van de beste te zijn en dat respect voor de beste verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging zouden doen overbruggen.
Van der Leeuw had opgeroepen een begin te maken met de opbouw van ‘een aristo-democratie’, een samenleving waar op alle terreinen van het maatschappelijk leven ‘groepverbanden ‘gevormd zouden zijn, waaruit ‘de beste’ gekozen werd als hoofd, die op hun beurt uit het midden de beste zouden kiezen voor het bestuur van grotere gemeenschappen, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen zou zijn. [84]
Het doet allemaal wat pre-fascistisch aan: een sterk eenhoofdig gezag. Van der Leeuw sloot zich later aan bij de Theosofische Vereniging, werd voorzitter van de Nederlandse Afdeling, en was nauw betrokken bij de zomerkampen rond Krishnamurti in Ommen.

 

V Socialistische levenshouding
Als omstreeks 1930, na de op donderdag 24 oktober 1929 uitgebroken economische depressie met zijn massale werkloosheid, de leiding van SDAP en NVV gezamenlijk met een Plan van de Arbeid komen om tot een herstel van de bestaanszekerheid te komen en jongeren sympathie krijgen voor de Sovjet-Unie, het land dat in deze jaren niet door een economische depressie werd geroerd gaan volwassenen de jeugd een socialistische levenshouding bijbrengen

 

Op zwarte donderdag 24 oktober 1929 waren de koersen van de aandelen op de New-Yorkse effectenbeurs ineengestort en was er een economische depressie uitgebroken met een omvang, duur en intensiteit zoals de wereld voordien nooit had gekend. [85]
De crises was mondiaal; niet slechts in de Verenigde Staten, niet slechts in de kapitalistische wereld, maar over de gehele aarde tot in de grondstoffenlanden toe was de werking merkbaar. Er was, dat wist men, in de Verenigde Staten waanzinnig gespeculeerd op de effectenmarkt; slechts weinigen hadden zich daar zorgen over gemaakt. Fortuinen waren verloren gegaan, ook van Nederlanders die in Amerika hun fondsen belegd of mee gespeculeerd hadden en nu met één slag hun kapitalen kwijt waren geraakt. Maar daar was het niet bij gebleven. Het wegvallen van het vertrouwen in de toekomst had in de Verenigde Staten onmiddellijk geleid tot inkrimping van de productie; inkrimping van de productie tot werkloosheid; werkloosheid tot verminderde vraag; verminderde vraag tot nóg verdere productiebeperking - het was een vicieuze cirkel geworden, een spiraal die zich hardnekkig omlaag schroefde. Toen de moeilijkheden zich in de loop van 1930 overplantten naar Europa hadden de moeilijkheden zich opgestapeld. Prijzen kelderden, winsten maakten plaats voor gigantische verliezen. Het ongeëvenaard grote aantal kapitaalverliezen en faillissementen had de werkloosheid in de ettelijke miljoenen doen oplopen. De werkloosheid had massa­le en hardnekkige vormen aangenomen. De algemene prijsdaling had de boeren extra-hard getroffen. De prijs voor tarwe was in vier jaar tijd met bijna de helft gedaald, die van rogge, boter, varkensvlees met meer dan de helft. Er was vrijwel geen landbouwer die nog de eindjes aan elkaar had kunnen knopen; hoe hard er ook gewerkt werd, de bedrijven loonden niet meer. Uit het gehele economische leven (bedrijf na bedrijf had de productie moeten inkrimpen of zelfs stopzetten) waren de arbeiders bij tienduizenden ontslagen. Door middel van loonsverlagingen hadden de ondernemers getracht hun bedrijf rendabel te houden, althans de verliezen te beperken. De bedrijven die niet onder de arbeidsinspectie vielen, hadden de neiging vertoond, van hun arbeiders buitensporige prestaties te vergen. Wie nog als zelfstandige in het economisch verkeer stond, deed vaak zijn uiterste best om te voorkomen dat hij om werklozensteun moest aankloppen. Chauffeurs, en in het bijzonder zij die niet in loondienst waren maar zelf de eigenaar waren van een vrachtauto maakten dagen, ja weken achtereen, arbeidstijden van 16 tot 18 uur per dag, of van 24 tot 48 uren aaneen. Er waren gevallen bekend welke nog zeer veel verder gingen en waarbij de betrokken chauffeurs weken achtereen slechts een nacht per week nachtrust op hun bed hadden, terwijl zij voor de rest hun rust bij stukjes en beetjes maar in de cabine van hun auto tussen de ongelimiteerde werkuren door moesten trachten te verkrijgen.
De daling van het inkomen van arbeiders en financieel beter-gesitueerden was een catastrofe voor de middenstand, speciaal voor de winkeliers. Duizenden winkels waren opgeheven, andere van eigenaar verwisseld. De grote massa was steeds meer verarmd waardoor er steeds minder producten waren gekocht. Er was overproductie ontstaan. Het bankwezen, de industrie, de handel, de scheepvaart, hadden de neerslag van de economische crises gevoeld. De landbouw evenals de landbouw-verwerkende bedrijven hadden slag op slag gekregen. De tuinbouw was ingestort doordat naburige landen hun grenzen geheel of bijna geheel hadden afgesloten voor haar producten. De vissersvloot lag voor een groot deel werkeloos in de havens. Gebouwd werd er haast niet meer. De meeste bedrijven gingen bij de dag achteruit. Het aantal werklozen was steeds groter geworden en loonsverlagingen waren niet van de lucht.[86]
Bedrijfsleven en regering waren door de diepe crisis volledig verrast. Men hadden in beide milieus geleefd in de ban van de liberale economie en vonden dat het niet op de weg van de overheid lag, die malaise actief te bestrijden. De economie heette slechts gebaat bij ‘het vrije spel der maatschappelijke krachten’; de overheid diende zich te onthouden van ingrijpen. Zij mocht dan op de grondslag van de bestaande bedrijvigheid sociaal-beschermende maatregelen nemen en zelf op enkele sectoren, voornamelijk met haar openbare nutsbedrijven, als producente optreden – in wezen, zo zag men het, was die bedrijvigheid buiten haar om gegaan. Haar taak was het, vooral met het oog op het buitenlands ruilverkeer, het vertrouwen in de stabiliteit van de valuta hoog te houden. Dat had zij bevorderd, zo meende men, door de begroting in evenwicht te houden, zo weinig mogelijk schulden te maken, bestaande schulden af te lossen.

Bij jongeren had de crises tot grote onzekerheid geleid.[87]
De verlammende invloed van de massale en niet eindigende werkloosheid had tot de behoefte geleid aan houvast, hardheid en zakelijkheid. Ze hadden genoeg van de ‘geduldpredikers’ en de ‘geleidelijkheidsapostelen’, die steeds weer aandrongen op afwachten en vooral niets doen in deze crisestijd.[88]
De AJC had zich voornamelijk beziggehouden de werkloze jeugd in speciaal voor hen georganiseerde kampen gedurende een of meer weken wat levensvreugde te bieden waar ze een moment de dodelijke sleur van het nietsdoen en het zich overbodig voelen konden vergeten.
In 1935 was de leiding van SDAP en NVV gezamenlijk met een Plan van de Arbeid gekomen dat tot een herstel van de bestaanszekerheid moest leiden. Het was geïnspireerd op een door Hendrik de Man (1885-1953) ontworpen gelijknamig plan waarmee de Belgische socialistische partij in 1933 was gekomen. In dit plan had De Man de denkbeelden verwerkt van de in 1917 naar Amerika uitgeweken Rus: W.S.Wojtinski (1885-1960), de vakbondsleider: F.Tarnow en het lid van het Duitse parlement voor de Sociaal Democratische Partei: Fritz Baade (1893 -1974).
Het drietal had gepleit voor een vergroting van de koopkracht, het verlenen op grote schaal van bankkredieten en het bewerkstelligen van werkverruiming door een uitgebreide politiek van openbare werken om zo de neergaande lijn van de economie om te buigen in een opgaande. Het plan had de geestdrift gewekt en niet alleen bij de arbeiders maar ook bij de middenstand en het had ook de boeren uitzicht geboden op herstel van de bestaanszekerheid.
Maar als jongeren discussieren over het socialisme en sympathie krijgen voor de Sovjet-Unie, het land dat in deze jaren niet door een economische depressie werd geroerd en een niet onaanzienlijk aantal jongeren in de AJC lid wordt van de in 1932 door enkele uitgetreden of geroyeerde SDAP’ers opgerichtte Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) dan gaan volwassenen voor wie socialisme een zaak was van psychologie uit angst voor een wijziging van het economisch stelsel de jeugd een socialistische levenshouding bijbrengen.

Kameraadschap, Gemeenschapszin, Arbeidsvreugde
Op het landgoed Eerde te Ommen worden de jeugdigen de beginselen bijgebracht van een socialistische levenshouding.
In de SDAP had zich een socialisme gevormd waarin werd aangenomen dat de daadwerkelijke verwezenlijking hiervan diende te gebeuren in het eigen leven. Woordvoerder was: Jacobus (Koos) Jan Vorrink (1891-1955). Vorrink had aan de Rijkskweekschool in Haarlem de opleiding voor onderwijzer gevolgd, dezelfde school waarin Banning de opleiding had gevolgd, zij het enkele jaren lager, was actief in de Kwekelingen Geheelonthoudersbond en in 1934 met behulp van de AJC-lobby, die alle afde­lin­gen afreisde, tot voorzitter geko­zen van de SDAP. Hij had de AJC omgevormd naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien bij de Sozialistische Arbeiter Jugend. De jeugd daar bezocht geen cafe’s, bioscopen of dancings - zij trokken op vrije dagen met hun mandolines de natuur in, gingen kamperen, beoefenden het volksdansen, zongen volksliederen en voerden stijlvolle dansen uit, waren afkerig van banaliteit, waren niet gekleed in ‘burgerlijke’ confectiepakjes met stijve boorden maar in manchesterkleding met open hemden.
Vorrink was met de directeur van een clubhuis in Rotterdam geheel eens geweest toen deze de volksjeugd had beoordeeld als geestelijk leeg en zedelijk laf: de geestelijke leegheid van de gemiddelde volksjongen (is) veel en groter dan wij vroeger ooit hadden gemeend en dat hij - alle onderwijs, museums, kerken, meetings enz. ten spijt – geheel en al buiten onze cultuur voortleeft, en: Nooit heeft een jongen het voor het gezag opgenomen, nooit heeft een doen blijken, dat hij een vernieling of andere overtreding afkeurde en meegewerkt om de schuldige op te sporen.. . . ’t is niets anders dan bangigheid om in een zaak te worden gemoeid.[89]
In het in 1929 verschenen: Der Sozialismus als Kultuurbewegung van de in Duitsland gevormde Belg: Hendrik de Man (1885-1953), werd socialisme gezien als een zaak van de gezindheid van de mens. In dit socialisme werd in tegenstelling tot het arbeiderssocialisme, dat van de economie uitging en in de eerste plaats een drastische verandering van het economisch stelsel beoogde, meer uitgegaan van de psychologie en werd aangenomen dat de daadwerkelijke verwezenlijking van het socialisme diende te gebeuren in het eigen leven en in de eigen levensgemeenschap.[90]
Vorrink had het boekje van De Man zo belangrijk gevonden dat hij het zelf had vertaald en uitgegeven.[91]
De Man was op zijn beurt gegrepen door de gedachten van G.L. Radbruch (1878-1949). Radbruch zag als belangrijkste waarden van een socialistische gemeenschap: ‘Kameradschaft, Gemeinsinn, Arbeitsfreude. [92]

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX



[1] M. Bloch: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.


[2] Harmsen,G.: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling enteruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen1975.


[3] E. Key: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, van J. Wesseling-van Rossum, Zutphen 1906.


[4] H.Roland Holst- van der Schalk: Kapitaal en Arbeid. Nijmegen 1977


[5] B. A. Knoppers: Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung. Emsdetten 1931.


[6] J. H. Gunnungh Wzn.: De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, Amsterdam 1939.


[7] I. van der Velde: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940. Groningen 1970.


[8] S. J. C. Freudenthal-Lutter: Naar de school van morgen. Alphen aan de Rijn. Blz. 141.


[9] Th. van Tijn: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag. In: Jeugd, school en wereld. Jrg. 55, 1971, no. 4; ook in: Student. Januari\februari 1972; zie ook zijn artikel: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, o.r.v.: L. Box, J. Dronkers, M. Molenaar en J. Mulder. Nijmegen 1977,


[10] H. Verwey-Jonker: Emancipatiebewegingen in Nederland. Deventer 1983.


[11] N. L. Dodde: Het Nederlandse onderwijs veranderd. Muiderberg 1983.


[12] Brugmans, I. J.: De agrarische revolutie. In: Paardenkracht en mensenmacht, blz.288 e.v., Leiden 1983.

 

[13] B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 235.

 

[14] G.Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw. In Blauwe en Rode jeugd, blz. 24 ev.


[15] De rechtbank ontsloeg hem van rechtsvervolging, maar het O.M. ging hiertegen in beroep. Zie: B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 541.


[16] Bymholt, blz. 673


[17] Bymholt blz 674


[18] H.Roland Holst: De Socialistische opvoeding der jeugd. Rotterdam 1907,


[19] G.Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw, In: Blauwe en Rode Jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.


[20] Overige leekrachten waren o.a. Kleefstra, W.v.d. Jagt (klassieke talen), H.J. Boeken (klassieke talen), Z. Stokvis (Nederlands), K. van Damme (Frans), mej. Lohman (Duits), C. M. Borneman (Engels), B. Vreeken (wiskunde en boekhouden), C. J. H. Raad (wiskunde en tekenen), mej. A. Kleefstra (onderwijzeres), J. A. van Schooten (tekenen), mej. W. Bolland (Frans, Duits, Engels)


[21] C. Darwin: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.


 

[22] Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population. Malthus publiceerde het voor het eerst in 1798 onder de schuilnaam: J. Johnson.

 


[23] E.H.P.H.Haeckel:Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philisofie


[24] A. H. Gerhard: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,


 

[25] A. H. Gerhard,: Een Sociaal Sprookje, Amsterdam 1914


[26] De rechtbank ontsloeg hem van rechtsvervolging, maar het O.M. ging hiertegen in beroep. Zie: B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 541.


[27] Bymholt, blz. 673


[28] Bymholt blz 674


[29] A. Cort van der Linden,: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203


 

[30] M. Soree & M.Snepvangers: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.


[31] Ligthart, J en H.Scheepstra: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1906.


[32] A. Kuyper: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[33] A. Kuyper: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[34] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[35] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[36] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[37] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


 

[38] H. Roland Holst-van der Schalk: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977. Opm: alleen de bevolking in de steen- en pannenbakkerijen langs de Gelderse rivieren hadden het mogelijk nog armer


 

[39] C. W. Coolsma: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.


 

[40] W. Banning: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.


 

[41] J. de Groot: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.


[42] J.Ligthart: Een woordje aan ‘t slot. In: School en Leven. Eerste jaargang, no.52.


 

[43] J.Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


 

[44] J. P. Hasebroek: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.


[45] Ligthart zou zijn geld beleggen in een perceel bosgrond, en Scheepstra kocht een herenhuis ‘op stand’ aan de Ossenmarkt in Groningen.


[46] Leerkrachten waren o.a.: Deutman-De Meijer, Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Nelly Korver, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot


[47] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[48] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[49] Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962: gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.


 

[50] P. Kropotkin: Wederkeerig dienstbetoon, een factor der evolutie. Amsterdam 1904 (Mutual aid: a factor in evolution. 1902). Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.



[51] Leerkrachten waren o.a.: J.M. Telders, mw. M. van der Es, mw. P. van der Knoop, mw. T van Mierop-Mulder, Felix Ortt.


[52] G. Stuiveling: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.


 

[53] Geschiedenis van het Amsterdamsch Studentenleven 1632-1923.


[54] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[55] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[56] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[57] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 229


[58] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 543,


[59] F. van Eeden: H. Thoreau, Walden or life in the woods. Londen 1908.


 

[60] H. L. Borgman: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K. Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph. Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H. Schuurman: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.


[61] H. Noordegraaf: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.


 

[62] B. de Ligt: God Uzelf Uw Naaste. 1912.


[63] W. H. Vliegen: Die onze kracht ontwaken deed. Deel III, p.437-438.


[64] G. Harmsen: Blauwe en Rode Jeugd, Nijmegen 1975, blz. 53


[65] Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer 1913/1914, blz. 1583-1584.


[66]  De Centrale voor Jeugdontwikkeling was in 1920 omgezet in een Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen die verder bekend werd als Arbeiders Jeugd Centrale (AJC).

 


[67] Verslag van de staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Ingesteld bij koninklijk Besluit van 18 juni 1917 No 58.


 

[68] Statuten 1939.


[69] K. H. Roessingh: Persoonlijkheid en Cultuur. Haarlem 1916.


[70] W. Banning: Wat wil en doet de arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Amsterdam 1934; ook in: Wie zijn de Woodbrookers, in: Ons werk. Geschriften van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.2, zj; en: Om de groei der gemeenschap. Arnhem 1926, en: De arbeidersbeweging als beschavingsmacht. Geschriften van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.3, zpl, zj.


[71] Wouters, B: Evolutie in idealen voor opvoeding. In: Theosofia, jrg. XXVII, 10 janauari 1920.


[72] J. H. Bolt: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn. In Theosofia, febr.1920, jrg XXVII.


[73] Leerkrachten waren o.a.: Daniel (Daan) Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn (1874-1959), Pieter Jacobus de Haan (1891-1968) en Max Leon Stibbe (1898-1973)

 
 

[74] Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.


 

[75] L. Groeneweg: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920, blz.299. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.


[76] M. H.J.: Schoenmaekers: Beginselen der beeldende wiskunde. Bussum 1916.


[77] Groeneweg, L.: Scholen met losser klasseverband, in: Paedagogische Studien, jrg 5, blz 299, 1920


[78] Het Vaderland, 24-1-1957


[79] M. H.J.: Schoenmaekers: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde. Blz. 199 e.v. Bussum 1916.


[80] Bolkestein, G.: Aan Kees Boeke, Wormerveer 1956


[81] Harmsen G.: Blauwe en Rode Jeugd, blz. 241


[82] Leeuw, J.J. van der: De jongeren aan den opbouw. Den Haag 1923.


[83] Leeuw van der J.J.: Het Practisch Idealisme. Baarn 1922


[84] Leeuw van der J. J.: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.

 

[85] Brugmans, I. J.: Het nieuwe kapitalisme. In: Paardenkracht en mensenmacht, blz. 514 e.v. Leiden 1983.


[86] G. Harmsen: Economische crises, massale werkloosheid, fascisme en oorlogsdreiging. In: Voor de Bevrijding van de arbeid, Nijmegen 1975, blz.172. Zie ook: L.de Jong


[87] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 305.


[88] Harmsen, G: De rode jeugdbeweging in de jaren van werkloosheid en oorlogsdreiging


[89] K. Vorrink: De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925. Blz.4.


[90] H. de Man: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929, blz.45.


[91] K. Vorrink: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928


[92] G. L. Radbruch: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.