Onderwijsvernieuwing tussen 1900 en 1940

 Onderwijsvernieuwing tussen 1900 en 1940.  

 

Cornelis Oostwal


Onderwijsvernieuwing tussen 1900 en 1940.

“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het handelen”,[1]

 

Onderwerp
In 1961 verscheen van Ger Harmsen: Blauwe en rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. De auteur beschrijft hierin de voornaamste gebeurtenissen en verschijnselen, die zich tijdens de ontwikkeling van de Nederlandse vrije en linkse jeugdbeweging hebben voorgedaan, tot aan de Tweede Wereldoorlog. Het bevat een descriptie van het feitelijke verloop van afzonderlijke bonden, stromingen en periodieken voor zover de auteur dit van wezenlijk belang scheen. [2]

Het onderzoek van Harmsen ging niet uit van pedagogische gezichtspunten en viel de wisselwerking tussen de opkomst van de jeugdbeweging enerzijds en de toenemende bemoeienis van de regering met het jeugdwerk anderzijds buiten het bestek van zijn onderzoek. Van deze weerspiegeling van de jeugdbeweging in het optreden van volwassenen wordt in het voorliggende onderzoek een schets gegeven.

Angst voor het optreden van de jeugd
Omstreeks 1900 was als gevolg van de industrialisatie de maatschappij gemobiliseerd in het teken van de vooruitgang, Volwassenen verwachtten alles van de jeugd: jonge mensen die zich het gemakkelijkst konden aanpassen aan de gevolgen van  de snel veranderende omstandigheden, die de technische uitvindingen teweegbrachten. Jeugd en leven werden de leuzen. Volwassenen zagen jeugd als identiek met vernieuwing, jong-zijn betekende bij-de-tijd. Gesproken kan worden van een in Europa algemeen voorkomende aanbidding van de jeugd. De gedachte had zich gevormd dat de gehele maatschappelijke ontwikkeling het resultaat van de jeugd was.[3]
Als jeugdigen zich aaneensluiten in door hen zelf geleide jeugdbonden, waarbij ze geen volwassen leiders accepteren, zich afwenden van en zich soms verzetten tegen de oudere generatie nemen uit angst dat dit optreden van de jeugd ‘uit de hand’ loopt ouders en pedagogen het initiatief het onderwijs te vernieuwen, en gaat de overheid zich met de zorg voor de jeugd bemoeien.[4] 

II Theoretische beschouwingen

Geschiedschrijving.
Aan de geschied-kennis zoals die in historische publicaties voorkomt kunnen drie kanten worden onderscheiden:
1) de activiteit van de geschiedschrijver en de persoonlijke psychologische en andere problemen van de betrokkene; 
2) de geschiedkennis in zijn kant en klare gepubliceerde vorm;
3) de invloed van de geschiedkennis op het historisch proces zelf, wanneer dit is gepubliceerd.
Geschied-schrijving in de letterlijke betekenis van het woord bestaat uit de grote verscheidenheid aan oude historische overleveringen in mythische vorm, zoals het heldenepos, het Nibelungenlied en de Ilias, maar ook de latere verhalende werken; geschied-beschouwing zijn de bespiegelende werken van theologische, wijsgerige of theoretische aard, die zich met de zin en het wezen van de geschiedenis bezighouden; geschied-wetenschap ontstond in de 19e eeuw: een kritische bestudering van het historisch proces. Deze drie tezamen: geschied-schrijving, geschied-beschouwing en geschied-wetenschap, kunnen ook worden aangeduid als: geschied-kennis. Ook kan hiervoor wel het woord geschiedschrijving worden gebruikt.
In de natuur kan van een verschijnsel dat volledig aanwezig is en in zijn geheel kan worden waargenomen studie worden gemaakt, naar aanleiding hiervan hypothesen worden opgesteld, en het resultaat van de bevindingen worden geverifieerd door waarneming en experiment. In de maatschappij/historische wetenschap is dit niet mogelijk. Het historisch proces omvat het gebeuren wat achter ons ligt, het gebeuren wat zich op dit moment afspeelt, en het grote scala aan denkbare mogelijkheden die in het historisch proces besloten ligt.
Het heden is een resultante van alle gegroeide krachten en tradities van het verleden, het is de voortschuivende scheidingslijn tussen verleden en toekomst. Een bepaalde ver of minder ver achter ons liggende fase van het historisch proces is niet meer als zodanig aanwezig, al werkt het verleden in het heden, contemporaine-gebeuren, door, het heden vormt immers de uitkomst van het verleden. Het verleden heeft sporen nagelaten. Het heden, het contemporaine-gebeuren, is één groot door het verleden achtergelaten spoor. Immers: elke dag nemen we van iets anders afscheid, zonder het te weten.
De historicus bouwt een beeld van het verleden op d.m.v. de bronnen of resten van het verleden: gebruiksvoorwerpen, wapens, gebouwen, uitingen van beeldende kunst; kronieken, oorkonden, brieven, rekeningen, etc.; legenden, plaatsnamen, spreekwoorden, folkloristische gebruiken. Aan de hand van deze bronnen wordt getracht het verleden te reconstrueren.
Een aantal factoren maken de totstandkoming van een volkomen juist, volledig en definitief beeld van het verleden onmogelijk: de bronnen zijn incompleet, onbetrouwbaar, eenzijdig, gekleurd en onvolledig, zodat het beeld ook wel onvolledig moet zijn. Omdat het maatschappelijk gebeuren voortgekomen is uit de menselijke geest en tegelijk in de menselijke geest bestaat, beïnvloed de mens en maatschappijopvatting van de historicus de beschrijving van het verleden. Deze invloed kan een positieve zijn: de historicus heeft het zelf ervaren en kent het daardoor van binnenuit (betrokkenheid), doch deze beïnvloeding kan ook negatief zijn: de historicus ziet het soms te gekleurd (ideologische bevangenheid). De historicus is ook nog een mens met beperkingen vanwege de tijd waarin hij leeft, en het land en de plaats waar hij woont. Ook speelt het maatschappelijke milieu waarin de historicus is opgegroeid een rol, maar ook diens godsdienstige en politieke gezindheid, en diens ideeën en opvattingen die zo vertrouwd zijn dat deze als vanzelfsprekend voorkomen. Tenslotte spelen bij de historicus ook nog een rol de persoonlijke eigenaardigheden die versterkt zijn door aanleg, temperament, opgedane persoonlijke ervaringen en aangetroffen omstandigheden.

Wat is een historisch feit?
Een historisch feit is niet zonder meer een onwrikbaar, objectief gegeven; een historisch feit is niet in alle perioden gelijk maar afhankelijk van wat onder geschiedenis verstaan wordt; een historisch feit mist niet alleen volstrekte objectiviteit en laat zich niet eenduidig bepalen, maar is ook allerminst een enkelvoudig gegeven.

Ideeëngeschiedenis
Geschiedschrijving is een cumulatief proces, waarbij steeds meer kennis beschikbaar komt, en er zoveel mogelijk aspecten zichtbaar gemaakt worden. In dit onderzoek wordt getracht een beeld te reconstrueren van het verleden. Hierbij gaat het om de samenhang tussen de ideeën = het denken en het handelen.
De term ideeën wordt gebruikt omdat woorden als theorieën en filosofieën een consistente, afgeronde en tegelijk systematisch ontwikkelde gedachtegang veronderstellen waar alleen op het hoogste intellectuele niveau sprake van is.
Filosofisch-wetenschappelijk ontwikkelde gedachtestelsels ontstaan of herleven in de hoofden van slechts enkele originele denkers; meer vereenvoudigde gedachten worden weergegeven door de intellectuele kaders in boeken, tijdschriften en lezingen en onderlinge discussies; min of meer kant en klare bevindingen en conclusies worden weergegeven door de groep der activisten in dagbladen, manifesten en redevoeringen; vage voorstellingen in de vorm van leuzen en slagzinnen vernemen we via mondelinge kontakten onder de brede massa van sympathisanten.
Onderscheid wordt gemaakt tussen een objectief moment: welke gebeurtenissen en omstandigheden waren er gaande binnen een gegeven maatschappelijke totaliteit, en een subjectief moment: hoe hebben de betrokkenen de hun gegeven gebeurtenissen en omstandigheden beleefd en ervaren, wat waren hun beweegredenen om in beweging te komen, tot welk doel moest hun optreden leiden. Kortom: het gaat om het verschaffen van inzicht. Het gaat er om het specifieke, het bijzondere, van een historische situatie bloot te leggen.
Niet wordt teleologisch te werk gegaan: naar een welgevallige of gewenste situatie toeschrijven, niet wordt uitgegaan van het gelijk van de een of het ongelijk van de ander, niet gaat het er om oordelen te geven, of om te vertellen wat aangenaam in de oren klinkt.
Pogingen om uitgaande van een veronderstelde algemene menselijke natuur te komen tot universele psychologische wetten ter verklaring van het historisch en maatschappelijk proces hebben weinig of niets opgeleverd. Meestal worden sociale verschijnselen dan herleid tot een psychologistisch simplisme. Ook verregaande abstracties onttrekken het zicht op de sociale werkelijkheid vaak meer dan dat ze het zicht verhelderen doordat essentiële verschillen tussen verschijnselen worden uitgewist.
Gedachten zijn niet automatisch een gevolg van de sociale herkomst van een denker. Gedachten ontstaan niet vrijelijk in de hoofden van geniale mannen of vrouwen, stammen niet rechtstreeks, automatisch uit de maatschappelijke achtergrond van de denker, zijn geen passieve afbeeldingen of weerspiegelingen van het maatschappelijk leven die zich onafhankelijk daarvan voltrekken in de hoofden van denkers.
Gedachten ontstaan in, vormen en ontwikkelen zich door, de ontwikkelingen in het maatschappelijk leven. Dat een bepaalde sociale groepering een gedachte heeft uitgewerkt en tracht dit te verwezenlijken, betekend niet automatisch dat daarmee ook de belangen van die sociale groepering zijn gediend. De juistheid van een gedachte wordt niet bepaald doordat het verkondigd wordt door een persoon van een bepaald ras of geslacht, of door een persoon met een bepaalde afkomst of leeftijd, of door een persoon met een bepaalde maatschappelijke positie, of een persoon met een bepaalde godsdienstige of politieke achtergrond, of doordat het afkomstig is van de degene die het te berde brengt. Ideeën en opvattingen van een politiek heersende sociale groepering berusten niet altijd op vooroordelen, ook zijn het niet altijd ideologieën die het eigen belang (moeten) dienen. De juistheid van een idee of opvatting en het belang wat er mee gediend wordt dient altijd gezocht te worden in het sociale gebeuren zelf.

Nederlandse denkers over onderwijs en opvoeding.
B.A. Knoppers komt in Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung, tot de conclusie dat een zelfstandig door de jeugd geleidde organisatie in Nederland ‘bijnahe nicht besteht’, over volwassenen komt de schrijver tot de conclusie dat deze maar weinig interesse hadden voor de jeugdbeweging, en het optreden van de overheid wordt slechts zijdelings aangehaald en niet in verband gebracht met de jeugdbeweging. [5]
J.H. Gunnungh, Wzn. noemt in De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, het jaar 1898 als een keerpunt in de geschiedenis van de pedagogie. [6]
I. van der Velde, brengt in: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940, het streven onder volwassenen het onderwijs te vernieuwen in de periode 1900-1916 in verband met bezwaren tegen de klassikale school en het klassikaal onderwijs, in de periode 1916-1931 in verband met buitenlandse invloeden en in de periode 1931-1940 in verband met een wijziging in de wijze waarop de leerstof wordt aangeboden. [7]
S.J.C. Freudenthal-Lutter geeft in: Naar de school van morgen, een summier overzicht van enkele pogingen van volwassenen het onderwijs te vernieuwen. [8]
Th. Van Tijn stelt in: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag, ook in: Student, en in: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, dat de achtergrond van vernieuwingen van het onderricht gevormd zijn door de deelnemers aan maatschappelijke emancipatiebewegingen.[9]
Die zouden hun uitdrukking vinden in de politieke arena, maar ook in die van de opvoeding en in die van het onderwijs. Dit laatste zou dan op twee manieren plaatsvinden: in de eerste plaats zou er telkens - al voor de theoretisch-didactische problemen rijzen – een opmerkelijk vergrootte aandrang komen van de kant van de ouders van tot dusver van onderricht meer of minder verstoken kinderen om hun spruiten wel naar de betreffende onderwijsinstellingen te sturen. Hierdoor zou er in een korte tijd een tekort ontstaan aan onderwijscapaciteit (geld, ruimte, leerkrachten enz.). In de tweede plaats zou er een veranderde visie op doelstellingen en methoden van het onderwijs ontstaan. Ten derde zou dat een uitvloeisel zijn van een veranderde visie op de maatschappij (onderwijs bereid voor op het leven in de maatschappij en aard en inhoud daarvan hangen dus af van de visie die men heeft van de maatschappij), anderzijds zouden juist door de toeloop naar onderwijsinstellingen uit de minder gevormde milieus nieuwe pedagogisch-didactische problemen rijzen.
H. Verwey-Jonker haalt in Emancipatiebewegingen in Nederland, de zelfstandige door jeugdigen gevormde en geleidde organisaties slechts zijdelings aan. [10]
N.L. Dodde, stelt in Het Nederlandse onderwijs veranderd, dat in plaats van daadwerkelijke vernieuwing en verbetering van het onderwijs in de periode 1898 tot 1963 slechts over een verandering van het onderwijs gesproken kan worden. [11]

Opvoeding in het verleden.
Bij de Grieken had de opvoeding tot doel de jeugd kennis en vaardigheden bij te brengen die nodig werd geacht voor het uitoefenen van een publieke functie zoals: klassieke talen, klassieke literatuur, kunst en geschiedenis, plus een gezonde ontwikkeling van het lichaam. Het ging hierbij om: het bereiken van perfectie, de vorming van een cultureel ontwikkeld mens en de voorbereiding op het burgerschap. Plato zei: 'Opvoeding houdt in lichaam en ziel alle perfectie geven waar zij vatbaar voor zijn'.
Bij de Romeinen lag de nadruk op het bijbrengen van kennis en vaardigheden: een goed opgeleid man had een publieke functie en nam actief deel aan het publieke leven. Alle scholing werd beschouwd als een voorbereiding op deze rol. Naarmate de Romeinen meer ideeën overnamen van de Grieken begonnen ook de culturele doelen van belangrijker te worden, en de vorming van iemand tot 'vir bonus' ('gentleman' of 'bonhomme').
De Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero (106 tot 43) zag het kind al als ‘speculum naturae’ als ‘spiegel der natuur’. Het doel de jeugd door middel van kennis en vaardigheden voor te bereiden op een rol in het publieke leven gold ook in de zeventiende en achttiende eeuw. Tevens werd het doel van de geleidelijke en natuurlijke ontplooiing van iemands talenten geïntroduceerd.
In het Mattheus-evangelie 18.3 waar Christus het dringende advies geeft te worden gelijk de kinderen: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet veranderd, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’, is geen sprake van het bijbrengen van kennis en vaardigheden maar eerder van het bijbrengen van een bepaalde zedelijke, levensbeschouwelijke en politieke  houding=opvoeding.
In de middeleeuwen werd als doel van de opvoeding gezien de jeugd grootbrengen voor het bestaan van volwassene de 'homo universalis'. Erasmus (1490-1520) zag als doel van opvoeding: de geest het zaad van toewijding laten ontvangen; de vrije kunsten leren liefhebben en grondig kennen; voorbereiding op de plichten des levens en gewennen aan de beginselen van wellevendheid.
Kant (1724-1804) zag als doel van de opvoeding de jeugd voor te bereiden op het toekomstige bestaan als volwassene: ’met het oog op een mogelijke betere staat’.
De Franse filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) roept op in Emile ou l’éducation, de opvoeding aan te laten sluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind en deze niet te richten op het toekomstige leven van volwassene. Hij had  het eerder over opvoeding als zedelijke, levensbeschouwelijke en politieke houding dan over het bijbrengen van kennis en vaardigheden.
De Zweedse, sterk door Nietzsche beïnvloede, pacifiste Ellen Key (1849-1926), proclameert in: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, (waarin ze de vrouw ziet als intellectueel de mindere van de man, wat haar niet verhinderde op te komen voor het vrouwenkiesrecht en de arbeidersbeweging te steunen), de 20 e eeuw tot ‘de eeuw van het kind’ en verhief het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm. [12]
De Nederlandse proletarierskinderen zouden hier weinig van merken zo schrijft H.R. Roland Holst-van der Schalk in Kapitaal en Arbeid in Nederland, want de nieuwe eeuw bracht aanvankelijk, wat de oude ook had gebracht: uitbuiting, ellende, en verwaarlozing. [13]
Key was hiermee overigens niet de eerste die het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm verhief.
Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd jeugdigen een religieus besef bijgebracht. Het religieus-zedenkundige leesboek, met voorbeelden uit de Bijbelse geschiedenis, waarin de godsdienst wordt verheerlijkt vierde hoogtij. De invoering van de onderwijswet van 1857, waarin naast vakken als lezen, schrijven, en rekenen ook geschiedenis, aardrijkskunde en zingen verplicht werd gesteld, markeerde de overgang naar een onderricht waarin gestreefd werd die kennis en vaardigheden bij te brengen die de jeugdigen moest voorbereiden op de uitoefening van een beroep of ambacht. Bijgebracht werd wat nodig gevonden werd om het de jeugdige, wanneer deze de school verliet bij het bereiken van het tiende levensjaar, aan het einde van de leerplichtige leeftijd, zonder dat de gehele zesjarige schoolperiode was doorlopen, mogelijk te maken het tot loop- of fietsjongen of loswerkman zoals dat toen heette, te kunnen brengen. Latere initiatieven zoals de invoering van handenarbeid, gymnastiek, zelfwerkzaamheid, concentratie van de leerstof, zaakonderwijs hadden alle tot doel het onderricht doelgerichter en efficiënter te laten plaatsvinden.
Als protest tegen het ‘rationalisme’ werden scholen opgericht waar de leerlingen op voet van gelijkheid verkeerden met hun onderwijzer. Zo richtte Cecil Reddie in 1889 in Engeland zijn New School op, Herman Lietz in 1898 in Duitsland zijn Landerziehungsheim, en Edmond Demolins in 1899 in Frankrijk zijn L'Ecole des Roches.
Dikwijls worden in onderwijskringen in Nederland buitenlandse initiatieven aangehaald welke bekend zijn geworden onder de naam Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht.
Helen Parkhurst (1887-1973) zag zich aan de éénmansschool in Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes geplaats voor de taak de kinderen van de opdringende emigrantenstroom van diverse nationaliteiten en zeer verschillend intellectueel niveau in een nog dunbevolkt land ‘in de smeltkroes’ van het onderwijs om te vormen tot loyale staatsburgers. Ze schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken. Ze kon met financiële steun van de welgestelde familie Crane in 1919 The Children's University School, openen.
Peter Petersen (1884-1952) werd in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas steeds uit minder jeugdigen bestond. Hij maakte een einde aan de jaarklassen, vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet ze in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd.
Célestin Freinet (1896-1966) werd in 1920 op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen waardoor de jeugdigen weinig gemotiveerd het onderricht volgden. Hij bood jeugdigen de mogelijkheid zich aan de hand van de eigen interesse en belangstelling te verdiepen in door hen zelfgekozen onderwerpen.
Maria Montessori (1870-1952) werd in 1907 in Rome in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome geconfronteerd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling. Zij liet om de jeugdigen de mogelijkheid te geven zich intellectueel te ontwikkelen met eigen gemaakt materiaal voelen, horen, zien en ruiken. Ze weerde sprookjes uit haar school, verving het vrije tekenen door het omtrekken van geometrische figuren om zo een vaste hand van schrijven bij te brengen en oefende de zintuigen niet aan geluiden en kleuren in de natuur, maar aan rammelbusjes en kleurenspoeltjes.
Pestalozzi liet uit armoede, de jeugdigen, wat in de klassikale school als bedrog gestraft werd, elkaar helpen. Bij O. Decroly stond in Brussel de natuurlijke ontplooiing van de vermogens van het kind en het leren niet door luisteren maar door eigen activiteit op de voorgrond met zijn ‘école pour la vie et par la vie’ en zijn ‘leren uit het volle leven’ en zijn ‘centres d’intérêt’.
Georg Kerschensteiner had zijn ‘Arbeidsschule’.
Leo Tolstoj richtte voor de boerenkinderen van Jasnaja Poljana een winterschool op - zomers werden de kinderen geacht genoeg in het boerenbedrijf te leren. Op het eind van de eeuw kreeg in Engeland, in Frankrijk, ten slotte ook in Duitsland de gedachte van een ‘vrije’ school gestalte: anti-intellectualistisch, contact met de natuur, vorming van het gevoelsleven en veel lichaamsbeweging. Een schoolgemeenschap met min of meer uitgebreid zelfbestuur en zelfverzorging in huis en tuin en scholing van de kunstzinnige aanleg.
In Engeland werkte op die basis het in 1899 gestichte Abbotsholme, en in Frankrijk verrees in hetzelfde jaar de Ecole des Roches. In Duitsland ijverde G. Wyneken, een geëxalteerde idealist, voor een Freie Schulgemeinde, een Duitse uitgave van de Amerikaanse school-city, die hij in 1906 in Wickersdorf verwezenlijkte. In 1899 stichtte dr. Lietz zijn Landerziehungsheim in Ilsenburg, in 1910 Paul Geheeb zijn Odenwaldschule. Voor de Eerste Wereldoorlog waren er minstens twintig van zulke vernieuwingsscholen in Duitsland en een tachtigtal in West-Europa.
De door Romein in ‘De eeuw van het Kind’ vermelde school van Rudolf Steiner en de Kindergemeenschap van Kees Boeke zijn van een later datum en van een geheel andere aard, zoals uit dit onderzoek zal blijken.
Bij alle hiervoor beschreven initiatieven werd die kennis en vaardigheid bijgebracht die de jeugdigen in staat moesten stellen een beroep of ambacht uit te oefenen.

III  Christelijke en nationale deugden.
Omstreeks 1890 hing over Europa een economische depressie. Deze werd ook in Nederland gevoeld. Het werd een periode van slechte tijden.
In de winter van 93- 94 was in vele bedrijfstakkende helft of driekwart van de arbeiders zonder werk. Het was in Amsterdam tot straatdemonstraties gekomen waarbij indien er gezongen werd of langs drukke wegen gedemonstreerd door de politie op de werklozen gehakt werd. Toen op 20 december 1893 een demonstratie door Amsterdam trok, groeide die aan tot ongeveer 3000 man, met in het midden van de stoet borden die gedragen werden met het opschrift ’Werk en brood voor allen, wij eisen geen aalmoes maar werk. De textielindustrie beleefde slechte tijden, in de bouwvakken heerste grote werkloosheid. De kou had de nood onder de arbeiders bijzonder schrijnend gemaakt. De crises in de landbouw die omstreeks 1870 begon had de gevolgen van die in de industrie nog een keer verergerd. Duizenden arbeiders, werkzaam op het platteland in de agrarische industrie, waren naar de steden getrokken in de hoop daar werk te vinden, met als gevolg dat de menigte der werklozen buitengewoon toenam. Anderen bleven in hun gemeente, in leven gehouden door de karige giften der diaconieën of burgerlijke armbesturen.
De arbeiders leden door het ontbreken van werkgelegenheid en onder de schommelingen hierin in de tweede helft van de 19e eeuw. Massale en langdurige werkloosheid vooral in de winter had een belangrijk deel van de bevolking aan de rand van het bestaansminimum of zelfs daaronder gebracht. De honger was overal. De wet uit 1854 waarmee de taak van de overheid in het ondersteunen van de armen was beperkt en overgelaten aan kerken en particuliere instellingen had de honger in omvang doen toenemen. Werklozen en armen hadden zich zo goed mogelijk zien te redden. Alleen in uiterste noodzaak sprong de overheid bij.
Na 1895 was op de lange economische depressie een opleving en een kapitalistische bloeiperiode gevolgd, weliswaar onderbroken door geregeld terugkerende crisissen die kort van duur waren. De banken, de handel en de industrie maakten weer winst, de werkloosheid onder de arbeiders daalde, de landbouw fleurde op, de tuinbouw kwam op. In de grote havensteden kwam de handel handen te kort; vele nieuwe fabrieken verrezen.
De groei van de nijverheid had na 1899 vooral plaatsgevonden door een toename van het aantal kleinbedrijven: bedrijven met minder dan 5 arbeiders. Jeugdigen die op 11 à 12-jarige leeftijd van school waren gekomen en werkten bij deze kleinbedrijven als loopjongen, drukkers- of zetters leerling, schilders knecht, sigarenmaker, aankomend horlogemaker, diamantslijpers leerling, winkelbediende, timmermansjongen, meubelmaker hadden de gevolgen van de zware economische crises gemerkt. De crises had geleid tot een verscherpte concurrentie tussen enerzijds bedrijven die over voldoende financiële middelen beschikten om gebruik te kunnen maken van de stoommachine en over te gaan naar een fabrieksmatige productie waardoor ze sneller konden produceren met minder kosten, en anderzijds de bedrijven die de kosten voor een uitbreiding van de fabrieksmatige productie niet konden opbrengen, waardoor bij hen de afzet van producten verminderde. Deze laatste bedrijven kregen moeite het hoofd boven water te houden en hadden de kosten hiervan afgewenteld op de jongeren door het loon te verlagen of door dit zo laag mogelijk te houden.
Onder deze jeugdigen ontstond omstreeks 1885 de drang zich aaneen te sluiten en zich georganiseerd te verzetten. Ze sloten zich aaneen in jongelingsverenigingen die zich op 12 augustus 1888 aaneensloten tot de Sociaal-Democratische Jongelieden Bond (SDJB).
De jeugdigen verspreidden manifesten, lazen kranten, boeken en brochuren, gingen s’nachts motto’s plakken en kalken, lieten zich door H. Roland Holst-van der Schalk de beginselen van de socialistische wereldbeschouwing bijbrengen. [14]
De jeugdigen hielden propaganda- en colportagetochten onder het zingen van de melodie van de Marseillaise, die bijna altijd vergezeld gingen met kloppartijen met de politie. Soms werd er gecolporteerd gewapend met knuppels als verdedigingsmiddel tegen de handtastelijkheden van een vijandig gezinde bevolking. Elke gebeurtenis werd aangegrepen om verzet te kunnen plegen tegen de politie.[15]
De SDJB werd in zijn geheel lid van de toenmalige door Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) geleide Sociaal Democratische Bond (SDB). De jongeren werden bij Domela Nieuwenhuis thuis ontvangen en meer dan eens werd voor hen achterstallige zaalhuur of opgelopen doktersrekeningen betaald. De jongelieden volgden Domela tot in zijn kleding toe en voor hen golden zijn geschriften als onomstotelijk.
De jeugdigen verzetten zich tegen geloof en kerk, streden tegen de ‘slang’ van het militarisme, zagen: het leger als ‘de kanker, die knaagt aan de welvaart des volks’ dat ze zoveel als mogelijk was probeerden te ondermijnen en te verzwakken en richtten zich tegen de remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’.[16]
De remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’ maakte het mogelijk dat jeugdigen hun militaire verplichting konden laten verrichten (afkopen) door een ander. De militaire-dienstplicht door de mannelijke jeugdigen ging in het jaar in waarin zij negentien werden. De regering had van tevoren het aantal vastgesteld, in de regel was dat 60.000. Tegen de 15.000 vielen eraf op medische, soms ook op andere gronden. De resterende ruim 45.000 werden in twee groepen verdeeld: de buitengewoon dienstplichtigen die, als tenminste de materiele omstandigheden het toelieten, in buitengewone omstandigheden opgeroepen konden worden, en de gewoon dienstplichtigen die voor eerste oefening moesten opkomen. Deze groep was op 19.500 man gesteld. Van alle fysiek geschikten kregen dus velen vijstelling: wegens broederdienst (uit elk gezien behoefde slechts een zoon op te komen), wegens kostwinnerschap, wegens persoonlijke onmisbaarheid of wegens het bekleden van, of in opleiding zijn voor, een geestelijk of godsdienstig-menslievend ambt. Waren deze vrijstellingen verleend, dan waren er nog altijd meer dan 19.500 oproepbare. Dan ging het lot beslissen. De namen werden genummerd; de nummers werden tijdens de jaarlijkse zitting van de vaste lotingscommissie in de Ridderzaal in Den Haag door middel van een draaiende trommel getrokken en met de onderhavige naam ving de inlijving aan, net zo lang tot er 19.500 bijeen waren. De remplaçantenwet, of de ‘bloedwet’ maakte het mogelijk dat jeugdigen die door de loting aangewezen waren hun militaire verplichtingen te verrichten konden afkopen door deze door een ander te laten verrichten. Dit had ertoe geleid dat jeugdigen uit de financieel beter gesitueerde sociale laag van de bevolking hun militaire verplichting tegen een vergoeding lieten verrichten door leeftijdsgenoten uit de financieel slecht gesitueerde sociale laag: de laag der arbeiders. Tegen deze wet hielden jeugdigen tegen de tijd dat de uitslag van de loting bekend werd gemaakt bij de lokalen van de aanstaande militairen demonstraties, colporteerden er en verspreidden er manifesten.
Binnen de door Domela Nieuwenhuis geleide SDB waren debatten ontstaan over de betekenis van de parlementaire democratie: was het een middel om te komen tot maatschappelijke her­vorming of alleen een agitatiemiddel om het werkende volk wakker te schudden.
De Friese advocaat: Pieter Jelles Troelstra (1860-1930) verwachtte meer van een stapsgewijze hervorming door middel van wetgeving via het parlement. Hij stapte in 1894 uit de SDB en richtte samen met elf gelijkgezinden, (de ‘twaalf apostelen’) de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) op. Dan vindt ook onder de jeugdigen binnen de SDJB de discussie plaats over de vraag welke weg naar een klasseloze maatschappij kan leiden: de parlementaire weg door middel van wetgeving via het parlement of de anti-parlementaireweg door middel van een opeenvolging van elkaar aanvullende en versterkende, tenslotte op revolutie uitlopende werkstakingen. Als de jeugdigen dan kiezen voor de anti-parlementaire weg en de naam veranderen in Socialistische Jongelieden Bond (SJB) dan nemen volwassenen met een afkeer van het orthodoxe calvinisme en het liberalisme enerzijds en een vrees voor de hardheid en ruwheid van de socialistische arbeidersbeweging en het daarmee samenhangende felle atheïsme anderzijds, uit angst dat het optreden van de jeugdigen zal leiden tot een nieuwe periode van werkloosheid, het initiatief de jeugd christelijke en nationale deugden bij te brengen.

Zelfbeheersing
De onderwijzer Johan Kleefstra (1860-1929) laat aan de Brinioschool in Hilversum sport beoefenen zoals: voetballen, schaatsen, zwemmen, korfballen, wandelen. [17]
Opm. Sport was in het laatste kwart van de 19e eeuw ‘als vermaak’ uit Engeland overgewaaid. Het werd in de financieel betere lagen van de Nederlandse bevolking gezien als een a-politieke vorm van vrijetijdsbesteding voor jonge mannen.
Kleefstra: ‘Rijst niet ’t beeld voor u op van den lange slungel, die met de neus in de wind, een hoge boord onder de kin, een partij geleerdheid onder de arm, overal met zijn waanwijsheid te koop loopt? Denkt ge niet aan den bengel die vagebondeert langs ’s Heeren wegen, alsof de heele wereld zijn domijn is? Die u met een brutaal gezicht staat te treiteren, en uw tuin afstroopt, uw eigendom beschadigd en om God noch gebod iets geeft? Of is uw ergernis meer opgewekt door de nufjes, die reeds als dames behandeld willen worden, terwijl ze nog in de korte rokken zijn en die den neus ophalen voor alles, wat zuivere, ronde natuur is?.[18]
In het laatste decennium der negentiende eeuw had zich een sociaal-darwinistisch denken gevormd waarin werd aangenomen dat de maatschappij zich vanzelf zou ontwikkelen tot een gemeenschap met weldenkende en weldoende mensen en er een einde zou komen aan sociale misstanden.
Charles Darwin (1809-1882) had, mogelijk gemaakt door de overweldigende hoeveelheid gegevens door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie die hem ter beschikking stonden, gesteld dat de natuur niet een voor eens en altijd vaststaand gebeuren was maar een niet eindigende evolutie doormaakte van opkomende en ondergaande planten- en diersoorten. De zoöloog Alfred Russel Wallace (1923-1913) die uitvoerig onderzoek had gedaan in o.a. de Indische Archipel, was onafhankelijk van Darwin tot dezelfde conclusie gekomen. Darwin en Wallace hadden hierover op 1 juli 1858 gezamenlijk een verklaring afgelegd voor de Linnean Society of Londen.
Darwin was tot zijn conclusies gekomen mede onder invloed van de liberale ideologie in het Engeland van zijn tijd en geïnspireerd door de dominee Thomas Malthus (1766-1834).[19]
Toelichting: Malthus had in An essay on the principle of population geschetst hoe in tijden van een tekort aan voeding de sterksten overleefden. [20]
Hij had gesteld dat er voortdurend perioden zouden ontstaan waarin een tekort aan voedsel zou zijn doordat de omvang van de bevolking exponentieel vermeerderde: 1-2-4-8-16-32-64 en de beschikbare voeding lineair: 1-2-3-4-5-6. Malthus’ demografische ‘verelendungstheorie’ dat overbevolking leidde tot een tekort aan voeding bleek onjuist. Het bleek dat een toename van de omvang van de bevolking, leidde tot een stijging van het aanbod van arbeidskrachten wat een daling van de hoogte van het loon tot onder het bestaansminimum tot gevolg had.
De voorzitter van de Maatschappij van Nijverheid duidde op een vergadering kindersterfte en werkloosheid dan ook letterlijk aan als ‘twee verschijnselen die wijzen op een normaal en krachtig zich uitzettende bevolking. Zij zijn de kanalen waarlangs het overtollige afvloeit. Naar aanleiding hiervan werd in 1881 in Nederland de Nieuw-Malthusiaanse Bond opgericht, dat met de voorlichtingsbrochure ‘De middelen ter voorkoming van groote gezinnen’ en een zogenaamd ‘middelenboekje’ zich richtte op de beperking van geboorten.
In het in Duitsland in het laatste decennium der negentiende eeuw gevormd natuurwetenschappelijk denken werd aangenomen dat niet alleen het organisch-leven: mens, plant en dier, een doorgaande evolutie doormaakte, maar ook het an-organisch leven: de maatschappij en dat ook hierin een proces van natuurlijke selectie plaatsvond, waardoor de mensen die het meest over de eigenschappen beschikten zich onder gegeven gewijzigde omstandigheden te handhaven, overleefden. Zo zou de samenleving zich vanzelf ingroeien tot een gemeenschap met weldenkende en weldoende mensen. Woordvoerder was Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919). Haeckel was woordvoerder en popularisator van een door de successen van de natuurwetenschappen gevormd agressief-wijsgerig materialisme. Hij had in 1899 de bestseller Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie, laten verschijnen. [21]
Het boek was een ongeëvenaard succes – er werd in honderden publicaties en tijdschriften over gepubliceerd en er werden drie miljoen exemplaren in meer dan twintig talen van verkocht. De SDAP’er: Adriaan Henri Gerhard (1858-1948) had het boek van Haeckel in het Nederlands vertaald laten verschijnen.[22]
Gerhard genoot groot aanzien in de SDAP. Hij had Een Sociaal Sprookje laten verschijnen, dat verschillende malen werd gedrukt en voorgelezen op vergade­ringen.[23]

Verantwoordelijkheidsbesef
De regering Pierson Goeman-Borgesius (1897-1901) laat jeugdigen die door de rechter zijn veroordeeld niet meer opsluiten maar opvoeden in het eigen gezin. Voogdijraden kregen de taak de rechter te adviseren en gezinsvoogden, verenigd in de Pro Juventute verenigingen, de leiding van het gezin. De regering was jeugdigen zoals: de 19-jarige L. Schotting tegen wie voor het verspreiden van het vlugschrift: de Bloedbelasting, onder de lotelingen, 2 maanden gevangenisstraf was geëist [24], en K.A.Bos en C.G.Tieleman die in Amsterdam voor het verspreiden van een strooibiljet waren veroordeeld tot een gevangenisstraf: Bos voor 8 maanden en C.G.Tieleman tot 6 maanden [25], en een ander (Lucas) in Den Haag die wegens het verspreiden van opruiende geschriften was veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf [26], met iets andere ogen gaan zien en had ze gepromoveerd van ‘schooiertje’ en ‘boefje’ tot het ‘misdeelde kind’.
Rond de eeuwwisseling van de negentiende eeuw had zich een sociaal-liberaal denken gevormd waarin aangenomen dat door opvoeding een einde kon komen aan sociale misstanden. Woordvoerder was de hoogleraar in de staathuishoudkunde en statistiek en minister van justitie in de regering: Adriaan Cort van der Linden (1846-1935). Cort van der Linden had gesteld dat in de opvoeding  matigheid, orde, en spaarzaamheid moest worden bijgebracht.[27]

Plichtsbesef

Hélène Mercier (1839-1910) geeft jeugdigen in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan in Amsterdam de gelegenheid de algemene ontwikkeling te vergroten door hen gebruik te laten maken van een bibliotheek en een leeszaal, een praatavond of een zondagavondbijeenkomst te laten bijwonen, een lezing of voordracht te laten volgen, een tentoonstelling te laten bezoeken, onderricht te geven in de Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen, in kleding verstellen, in muziek maken, in toneel spelen.[28]
In het eerste decennium der twintigste eeuw had zich onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen een vrijzinnig-democratisch denken gevormd waarin werd aangenomen dat door vergroting van de algemene ontwikkeling sociale misstanden opgeheven konden worden. Waarvoerder was Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905). Kerdijk was opgegroeid in een welgesteld gezin. Hij had privéonderwijs gekregen en rechten gestudeerd aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Kerdijk had in 1873 een proefschrift geschreven over de 'arbeiderskwestie' en was redacteur van het Sociaal Weekblad, waarin publiceerden; H.L. Drucker, H. Goeman Borgesius, B.H. Pekelharing, H.P.G. Quack, J.C. van Marken en Hélène Mercier. Hij had in 1901 de Vrijzinnig Democratische Bond opgericht en gesteld dat met voldoende algemene ontwikkeling mensen zelf hun sociale omstandigheden konden verbeteren.
Kerdijk had zich laten inspireren door het werk van Charlotte Knappert (1860-1952). Knappert had de Mulo gevolgd, de acte Frans gehaald en het diploma godsdienstonderwijzeres. Zij had in 1899 in Leiden Het Leidse Volkshuis geopend toen een grote brand had gewoed in een katoenfabriek waarbij honderden vrouwen werkloos waren geworden. Het Volkshuis was bedoeld als werkverschaffing, maar was door Knappert omgezet tot een maatschappelijk cultureel centrum. Ze organiseerde er voor dienstmeisjes en vrouwelijke jeugdigen die werkzaam waren op de fabriek, leesonderricht en onderricht in het herstellen van kleding, bood verpleging aan in de wijk, hield een spaarkas, gaf gelegenheid gebruik te maken van een bibliotheek, organiseerde wandelingen, had een zangkoor voor arbeiders en organiseerde er vakantiedagen voor de bezoekers.
In 1915 werd Knappert directrice van de Amsterdamse School voor Maatschappelijk Werk. Toen Knappert in 1926 met pensioen ging nam ze haar intrek in een huisje op het terrein van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Bentveld.
Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren.
In Nederland waren socialistische studenten betrokken geweest bij de eerste pogingen om tot Toynbee-werk te komen.
Na de dood van Arnold was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.


Tevredenheid
De uitgever Eduard Benjamin Ter Horst Jr. (1865-1905) laat voor de jeugd verhalen schrijven over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin en wandplaten vervaardigen met een afbeelding van het dagelijkse leven van een handarbeider. [29]

E.B. Ter Horst Jr. (1865-1905)
In het laatste decennium der negentiende eeuw had zich een vrijzinnig-protestants denken gevormd waarin het gezin werd gezien als van belang voor het maatschappelijk leven en waarin het opkomen van arbeiders voor verbetering van hun lot werd afgewezen.  

Woordvoerder was de predikant Abraham Kuyper (1837-1920). Kuyper had leidinggegeven aan een afsplitsing van de hervormde kerk waaruit samen met andere groepen van gelovigen in 1892 de Gereformeerde Kerk waren ontstaan.
Vanuit de in 1816 gevormde Nederlands Hervormde Kerk was in 1834 de eerste afscheiding geweest (Acte van Afscheiding of Wederkeer) o.l.v. de  predikant Hendrik de Cock; in 1886 was er een tweede afscheiding: Doleantie, o.l.v. Abraham Kuyper; in 1892 hadden de twee groepen van afgescheidenen samen met nog anderen onder de leiding van Abraham Kuyper de Gereformeerde Kerken in Nederland gevormd. Naar aanleiding van de pro-Duitse houding in de oorlog van de Gereformeerde Kerken in Nederland had zich in 1944 onder de leiding van Klaas Schilder een groep van gelovigen afgescheiden, zich noemend naar het artikel waarop de gelovigen zich baseerden: Artikel 31, beter bekend onder de naam Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.
Kuyper had in het door hem opgerichte dagblad: De dageraad, een serie van artikelen laten verschijnen onder de titel: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin.[30]
Hij had hierin het huisgezin voorgesteld als de wortel en de kiem waar heel de Staat uit opwast, niet volgens uitvinding der menschen, maar volgens het bestel van den levenden God, waarin de vader eene macht is, die bepaalt hoe het moet, en waaraan het kind zich heeft te onderwerpen, en waarin het besef wordt bijgebracht van eerbied voor een boven ons staand gezag.[31]
Kuyper had tevredenheid voorgesteld als de tegenpool van het communisme en het socialisme en gesteld dat onze plaats in het maatschappelijk leven aan een macht buiten ons (is).[32]
Het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot zag Kuyper als een gevaar voor de veiligheid van het maatschappelijk leven gezien en veroordeelde dit als ‘de dienst van Mammon’. [33]
Kuyper had in 1891 op het door de christelijke werknemersorganisatie Patrimonium gehouden Sociaal-Congres zijn openingsrede: ‘Het sociale vraagstuk en de christelijke religie’ gehouden. Hierin had hij de toehorende arbeiders opgeroepen af te zien van verbetering van het lot en hun in de plaats daarvan gewezen op ‘het eeuwige leven’. [34]
Kuyper had ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’ in het vooruitzicht gesteld en erop gewezen dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.[35]
Kuyper was in 1901 minister-president en minister van binnenlandse zaken geworden in de naar hem genoemde regering. Hij had zich in 1903 in felle bewoordingen gekeerd tegen de in januari gehouden spoorwegstaking door deze te veroordelen als een politiek revolutionaire-, anarchistische actie en misdadige woeling. Hij was, toen bekend werd dat de spoorwegarbeiders in april een tweede staking wilden houden, met wetten gekomen waarin elke pressie op de arbeiders die zich tegen een staking keerden en het werk van de stakers wilden uitvoeren, strafbaar was gesteld. Toen bekend werd dat militairen ingezet zouden worden om de staking te breken, hadden jongeren de militairen opgeroepen massaal de dienst te weigeren.
De verhalen over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin waren geschreven door de in Drenthe geboren en getogen Hindricus Scheepstra (1859-1913) die zich op verzoek van de uitgever bij het schrijven had laten bijstaan door de onderwijzer Gerard Jan Ligthart (1859-1916).
De in Groningen opgegroeide uitgever Ter HorstJr. had op 15 augustus 1894 de boek- en papierwinkel Wolters overgenomen van zijn vader: Ter HorstSr. (1828-1896). Deze was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de boek- en papierwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860) en na het overlijden van Wolters in juli 1860 en het overlijden van dienst echtgenote in december van hetzelfde jaar eigenaar geworden van de boek- en papierwinkel.

Scheepstra was leraar aan de Rijkskweekschool in Groningen en opgegroeid in Roden, op het Drentse platteland. Hij had vele door de uitgever Wolters (ter Horst Sr.en Jr.) uitgegeven schoolboeken geschreven zoals: Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893) Ambachten en bedrijven (1903), een handleiding bij een serie illustraties van beroepen en ambachten, en samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899), waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Scheepstra was sinds jaren redacteur van De Schoolwereld, een door Wolters uitgegeven periodiek.
De onderwijzer Ligthart was opgegroeid in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan in een gereformeerd gezin. Ligthart was na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas, zoals gebruikelijk was onder zijn leeftijdsgenoten. Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan én geen kind van wie de ouders of leerkrachten vonden dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht. Jan nam aan een lagere school een baantje aan als hulpje, en volgde in de avonduren de opleiding voor onderwijzer. De eerste keer dat Ligthart examen deed voor de opleiding die hem de bevoegdheid moest geven aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school mislukte. Nadat de tweede poging succes had kreeg Ligthart in 1885 een aanstelling als hoofd van een school in de Tullinghstraat in Den Haag. Hij werd lid van het bestuur van het in 1842 opgerichte Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) waarvan vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid waren. Het NOG zette zich in voor het ophouden van de stand en voor verdieping van het beroep. De leiding in de strijd voor verbetering van het lot van het onderwijzend personeel was dan ook niet in handen van het NOG, maar van de vele jaren later, in 1874, opgerichte Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO). De BNO zette zich in zowel voor verbetering van het onderricht en voor de belangen van de jeugd, als voor het belang van de onderwijzer. De leden van de BNO stonden op het standpunt dat tussen beider belangen een onverbrekelijk verband bestond: ze voerde actie voor een betere salariëring, voor een grotere zelfstandigheid voor de klassenonderwijzer, voor schoolvoeding en kleding van overheidswege, voor schoolartsen en voor gezondheid- en vakantiekolonies. Het NOG en de BNO bestreden elkaar dikwijls op bepaalde punten te vuur en te zwaard. Het kwam voor dat onderwijzers bij de aanstelling moesten beloven zich niet aan te zullen sluiten bij de BNO.
Het Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) was in 1842 opgericht. De Bond van Nederlandse Onderwijzers (BNO) was opgericht in 1874.Uit een fusie van het NOG en de BNO ontstond in 1946 de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV). Uit een fusie van het NOV met de Nederlandse Bond van Leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs (NBLNO) ontstond in 1966 de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP).
De ABOP fuseerde met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs (AVMO), de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs (CVHMO) en de Vereniging Sint-Bonaventura. Uit de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) ontstond in 1997 de Algemene Onderwijs Bond (AOB).

In de door TerHorst Jr. uitgegeven verhalen wordt het dagelijkse bestaan beschreven van een gezin dat op het platteland een ruime vrijstaande comfortabele woning bewoont, met een moeder die geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht en een vader die de kost verdient als hoofdarbeider. Het is een gezin ‘waar van jongsaf Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’. [36]
Het zijn romantische verhalen waarin de bucolische idylle de boventoon voert. Het in de verhalen beschreven bestaan stond in schril contrast met het feitelijke bestaan van de bevolking op het platteland. De omstandigheden waaronder de arbeiders leefden waren erbarmelijk: volkomen verwaarloosd, dikwijls in lemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd, verstoken van alle middelen van bestaan.[37]
Bij de volkstelling uit 1899 bleek dat in Nederland bijna een kwart van de bevolking (23 %) in een eenkamerwoning gehuisvest was; dat percentage bedroeg voor de stad Rotterdam en de provincie Groningen 58%, voor de provincie Drenthe zelfs 62%.
Het in de verhalen beschreven dagelijkse bestaan stond ook in schril contrast met
het dagelijkse leven in de volksbuurten van de grote steden waar de grootste groep van de jeugdige lezers zijn bestaan had. In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden naamloze stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, waar ratten en wandluizen de nimmer ontbrekende gasten waren. Waar een waterleiding meestal ontbrak en dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. De moeders en de vaders werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie.
Dat Scheepstra zich door de uitgever moest laten bijstaan bij het schrijven door Ligthart hield verband met de achtergrond van Ligtharts maatschappelijke opvattingen: het gereformeerde geloof van Abraham Kuyper, waarvan Ligthart blijk had gegeven aanhanger te zijn.
De gereformeerde predikant C.W. Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was.[38]
De predikant Willem Banning (1888-1971) beschrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.[39]
De naam van Ligthart was plotseling verschenen op een nieuw periodiek dat Ter Horst Jr. had uitgegeven met als titel: School en Leven en als ondertitel: Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin. Het periodiek was enkele maanden verschenen nadat Ter HorstJr., een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van een zekere grilligheid’ [40], in het voorjaar van 1899 het eerder door hem uitgegeven periodiek: De schoolwereld. Weekblad van het lager onderwijs in Nederland en de koloniën, waarvan M.J. Koenen (auteur van het Verklarend Woordenboek der Nederlandse Taal), de onderwijzer: W.K. Walstra en P.H. Mulder de redactie voerden, en wat door Scheepstra werd geredigeerd, abrupt had beëindigd. Het openingsartikel van Ligthart: Een woordje aan ’t slot, had veel stof doen opwaaien: het had de lezers te veel doen denken aan een preek.[41]
De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943) die enkele bijdragen aan School en Leven had geleverd was in conflict gekomen met Ligthart. Thijssen had niet anders kunnen oordelen dan dat Ligthart zich had laten inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen.
Ook was de naam van Ligthart door de uitgever TerHorstJr., als auteur vermeld op door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalenbundels, en Scheepstra als mede-auteur. De naam van Ligthart was ook vermeld als mede-auteur op de heruitgave van een door Scheepstra en Walstra geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten), terwijl de naam van de feitelijke auteur: Walstra onvermeld was gebleven.
De wandplaten met een illustratie van een handarbeider die Ter Horst Jr. had laten vervaardigen lieten weinig medegevoel en begrip zien. Ze vertonen gelijkenis met het beeld zoals Ligthart een arbeider beschreef, n.l. als iemand ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’.[42].
Een beeld zoals ook de predikant J.P. Hasebroek (1812-1896) de arbeiders schetst: De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid. [43]
Ook deze predikant leek het aan medegevoel en begrip te ontbreken.
Ter Horst Jr. had de wandplaten met een afbeelding van een arbeider laten maken door de in de toenmalige plattelandsgemeente Groningen opgegroeide Cornelis Jetses (1873-1955). Jetses maakte de wandplaten naar voorbeeld van de illustraties van de Groningse onderwijzer Brugsma. Jetses voorzag ook het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkelde Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, van afbeeldingen die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien.[44]

Saamhorigheid
Aan de Humanitaire School in Laren mogen de jeugdigen met elkaar samenwerken en elkaar helpen.[45]
Tussen 1896 en de eerste wereldoorlog had zich het Christen-anarchisme, of Humanitaire Idealisme of Tolstojanisme gevormd waarin werd aangenomen dat samenwerking, en wederzijdse hulp, de ontwikkeling van de gemeenschap bevorderde. [46]
Woordvoerder was de hoogleraar in de histologie: Jacob (Koos) van Rees (1854-1924). Van Rees: ‘een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’,  . . .  een mensenvriend, maar niet zonder heersersneigingen [47], had in zijn woonhuis enkele kamers beschikbaar gesteld voor het onderricht en huisvesting van de onderwijzers en sprong bij wanneer er een financieel tekort dreigde te ontstaan. Hij had in Blaricum eerder een kolonie opgericht waaraan een einde was gekomen toen de plaatselijke bevolking de gebouwen van de kolonie vernielden uit woede van de gevolgen van de op 8 januari 1903 gehouden spoorwegstaking.
De Russische edelman Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910) was omstreeks 1900 plotseling met veel werken voor de dag gekomen. [48]
Tolstoj werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19 e eeuw gezien die een enorme indruk maakte. Tolstoj was de zoon van een der oudste grafelijke families in het tsarenrijk. Ze zouden in de veertiende eeuw met een schare van volgelingen uit het westen zijn gekomen, om zich in de Oekraïne te vestigen. Hun aanzien was gestegen en hun rijkdom toegenomen. Ze behoorden onder Peter I in elk geval tot de voornaamste adellijke geslachten. Lev Nikolajevitsj scheen voorbestemd tot een loopbaan in de hogere regionen van de maatschappij. Tolstoi sloot zich aan bij het expeditieleger dat van 1851 tot 1853 in de Kaukasus opereerde om de opstandige bergvolken te temmen. De militaire realiteit in de Kaukasus die voor Tolstoj aanvankelijk een woest en vurig spel, sloeg als snel om in een verwerpelijke gruwel. Het lot had hem tot landjonker, tot grootgrondbezitter gemaakt. Hij had Jasjana Poljana geërfd en daarmee de verantwoordelijkheid over duizend lijfeigenen: geknechten, onwetend, onmondig. Tolstoj’s zorg was het aan de onwetendheid van deze bezitloze boerenmassa een einde te maken. Het schoolexperiment was steeds een van Tolstoj’s lievelingsdenkbeelden geweest. Hij maakte op het einde van de vijftiger jaren zijn eerste West-Europese reis: Italië, Frankrijk, Zwitserland, Duitsland.
Tolstojanen lieten zich inspireren door de politicus, historicus en bioloog Peter Kropotkin (1842-1921). Kropotkin was meer wetenschappelijk ingesteld dan Tolstoj. Kropotkin had kritiek geuit op Darwin's kijk op de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens die het bestaan veronderstelde van een strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en een strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest. Kropotkin had erop gewezen dat in het tsaristisch Rusland, waar feodale en communale samenlevingsvormen domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking, en van wederzijdse hulp, de ontwikkeling van de gemeenschap had bevorderd.[49]

Werklust
Lodewijk van Mierop (1876-1930) laat aan de Engendaalschool in Soest de jeugdigen een stukje grond naar eigen inzicht bewerken.[50]
    In het eerste decennium der negentiende eeuw had zich onder bepaalde groepen van intellectuelen een humanitair-idealisme gevormd waarin werd aangenomen dat op kolonies voor een ieder die wilde werken een gelukkig bestaan mogelijk was. Woordvoerder was de arts Frederik Willem van Eeden (1860-1932). Van Eeden ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde[51]  behoorde tot die groep van intellectuelen bij wie omstreeks 1900 heiligings-levensgemeenschappen (kolonies) zeer in trek waren waar ze door zelftucht en voorbeeld hoopten een aanvang te kunnen maken met de verbetering van de maatschappelijke ordening.[52]
Van Eeden had in 1898 in Bussum zijn kolonie Walden opgericht. Hij geloofde dat er in West-Europa en Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op komst was en had plannen ontworpen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij. Van Eeden had gesteld dat het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting berustte: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’. [53]
Van Eeden nam het bestaan aan van drie standen: zij die het inkomen verkrijgen uit de opbrengst van geld: grondbezitters, aandeelhouders, renteniers; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij de overheid of uit het verrichten van arbeid als zelfstandige beroepsbeoefenaar: lakeien, ambtenaren, artsen, advocaten; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij particulieren: fabrieksarbeiders, dagloners. [54]
Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levensvoorwaarden en -omstandigheden af. Hij zag als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze.[55]
Van Eeden was bewonderaar van de Oosterse theosoof Abindranath Tagore (1861-1941) en enige tijd aanhanger van de hoogleraar in de filosofie, en pre-fascist: G.J.P.J. Bolland (1854-1922). Van Eeden had in De Nieuwe Gids, waarvan hij redacteur was, geschreven dat de gedachten die hij had verwoord in zijn Redekunstige grondslag van verstandhouding, grote overeenkomst vertoonden met die van Bolland.[56]
Van Eeden zou bij een andere gelegenheid spreken over ‘de vriendelijke, goedhartige en naïef-geniale professor. [57]
De kolonie Walden had zich ontwikkeld van een amateuristisch tuinbouwbedrijf zonder duidelijke reglementen tot een antikapitalistische commune, die zich niet anarchistisch noemde maar in de praktijk wel uitging van gemeenschappelijke besluitvorming en vrijwillige beheersing van egoïsme. Het economisch zwaartepunt lag in latere jaren niet meer in land- of tuinbouw maar in enkele coöperatieve bedrijven, waarvan de bakkerij tot lang na de opheffing van Walden floreerde.
Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or Life in the woods laten verschijnen.
Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.[58]

Naastenliefde
De onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) laat aan de school in Vledderveen (Grn) op een perceel dalgrond waar een afbeelding is gemaakt van Nederland, Europa en Amerika de verdeling van consumptiegoederen naspelen.[59]

    Onder volwassenen die zich niet thuis voelden in de SDAP had zich een christen- socialisme gevormd waarin werd aangenomen dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een eerlijke verdeling van consumptiegoederen. Woordvoerder was de predikant Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938). De Ligt behoorde tot die groep van volwassenen die het weliswaar niet oneens was met de strijd van de SDAP tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten, maar afwijzend stond tegenover het culturele en geestelijke klimaat van de SDAP. In de SDAP werd het christelijk geloof afgewezen als zijnde in strijd met de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én gezien als in strijd met de menselijke waardigheid doordat het mensen van strijd voor lotsverbetering afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakt.[60]
 De Ligt had van 1903 tot 1910 theologie gestudeerd. Gedurende zijn studietijd was hij aanhanger van de orthodox-protestant en pre-fascist G.J.P.J. Bolland (1854-1922). De Ligt had zich in 1910 aangesloten bij de in 1907 opgerichte Bond van Christen-Socialisten (BVCS). Bij de BVCS sloten zich volwassenen aan uit anti-revolutionaire en christelijk historische kringen en volwassenen rond het christelijke weekblad Algemeen Welzijn die geloofden dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een betere verdeling van consumptiegoederen.
De Ligt schreef in 1914 een nieuw beginselprogramma voor de BVCS: God Uzelf Uw Naaste waarin hij opriep het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.[61]

IV  Broederschap
De botsende belangen der imperialistische mogendheden leidden ertoe dat op 3 augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Tussen het na 1870 snel opkomende Duitse industriële kapitalisme en de over de gehele wereld gevestigde macht van het oude Britse kapitalisme was een strijd uitgebroken om een herverdeling van koloniën, invloedssferen en afzetmarkten. De strijd tussen Frankrijk en Duitsland om Elzas-Lotharingen en tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije om invloed op de Balkan had de economische tegenstellingen vooral tussen Engeland en Duitsland versterkt. Bij de wedren om koloniën of invloedssferen, niet alleen voor de afzet van producten maar steeds meer ook voor het beleggen van kapitaal, waren Duitsland, Italië en Japan te laat geweest. Zij hadden alleen nog op kosten van Engeland, Frankrijk, België of Nederland aan koloniën kunnen komen. De spanningen tussen de grote Europese mogendheden waren voortdurend toegenomen. Er was een bewapeningswedloop op gang gekomen en verschillende keren was een oorlog nabij geleken. De botsende belangen der imperialistische mogendheden leidden ertoe dat op 3 augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Door het militaire bondgenootschap tussen Frankrijk, Rusland en Engeland enerzijds en Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië anderzijds, had de oorlog het karakter gekregen van een wereldoorlog. In 1917 schaarden de Verenigde Staten zich aan de zijde van Frankrijk en Engeland.
Doordat de Duitse legers direct België waren binnengevallen en onder de voet hadden gelopen om zo sneller Parijs te kunnen bereiken, was ook voor Nederland de oorlog zeer nabij geleken. Het leger was gemobiliseerd. Vele arbeiders waren plotseling onder de wapenen geroepen wat het economisch leven had ontwricht. De productie van arbeids- en verbruiksmiddelen was voor een belangrijk deel omgezet in de productie van oorlogsmaterieel. De producten van land- en tuinbouw en die van de visserij hadden gretig aftrek gevonden onder de oorlogvoerenden. Grote voorraden levensmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Het percentage werklozen was gestegen van 7,4% tot 27%. Grote hoeveelheden aardappelen en groenten, rijst en cacaopoeder waren in reusachtige hoeveelheden aan Duitsland verkocht. Met medewerking van de minister van landouw: Posthuma, waren enorme hoeveelheden zuivelproducten, eieren en groenten geëxporteerd. Door de uitvoer van vee was de veestapel onrustbarend verminderd. Ook transportmiddelen waren aan het buitenland verkocht. Nederland was een hongerland geworden. Het zgn. ‘Ellendekongres’ van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in november 1915 had een onheilspellende daling van het levenspeil aan het licht gebracht, ook bij de niet bij het NVV aangesloten arbeiders. De verhoging van de lonen, zelfs van de sociaalkrachtigste arbeidersgroepen, bleek aanmerkelijk achtergebleven de stijging der prijzen, die toen al voor de voornaamste levensbenodigdheden op 30% werd geschat. Er vonden talrijke stakingen plaats: metaalbewerkers, loodgieters, slagers, chauffeurs, grondwerkers, steenzetters, melkslijters en nog andere categorieën hadden in de loop van dat jaar het werk neergelegd om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden af te dwingen. In de textielindustrie in Tilburg was het tot een staking gekomen. Mijnwerkers hadden gedurende ongeveer twee weken gestaakt. In Rotterdam hadden de havenarbeiders gestaakt. Er waren hongeropstootjes. In de zomer van 1917 was in de Amsterdamse volksbuurt De Jordaan bijna geen aardappel meer te koop, terwijl er in de Prinsengracht schepen vol met aardappels lagen, bestemd voor de export. Dit had geleid tot het Aardappeloproer. Er vonden plunderingen plaats, demonstraties en gewelddadigheden. In de kazernes van de Harskamp vond een soldatenoproer plaats. De levensmiddelenpolitiek van de regering had als gevolg dat een groot deel der stedelijke bevolking honger leed.
Doordat de uitvoer door was gegaan, was Nederland verdacht geworden, met als gevolg dat Nederland door Amerika was gerantsoeneerd, maar ook dat Nederlandse graanschepen in beslag waren genomen, dat de uitvoer van koloniale producten uit Indonesië naar Nederland was gehinderd. Elke uitvoer van levensmiddelen was onmogelijk gemaakt en de invoer van voedsel voor mens en dier, evenals die van kunstmest, tot een minimum beperkt. Deze rantsoenerings-politiek had geleid tot een totale ineenstorting van de Nederlandse invoer van overzee gedurende het laatste oorlogsjaar. In de laatste jaren van de oorlog had de bevolking gebrek gekregen aan voedsel, kleding, grondstoffen, halffabricaten, steenkool, petroleum.
In Rusland had de onvrede onder de bevolking geleid tot een revolutie. Er was veel onvrede in Rusland door de heersende armoede. In 1898 was in Rusland de Russische Sociaaldemocratische Arbeiders Partij (RSDAP) opgericht. De RSDAP was in 1903 nog verboden door haar radicale ideeën maar was wel steeds meer in opkomst. Een scheuring had in 1903 geleid tot het ontstaan van twee groepen: de Bolsjewieken (bolsjinstvo=meerderheid) steunend op de arbeiders en de boeren en niet wilden samenwerken met de liberale oppositie; de Mensjewieken (minderheid) steunend op de kleine middenstanders en de grondeigenaren en wel wilden samenwerken met de liberale oppositie.
Tsaar Nicolaas II had in 1904 de oorlog verklaard aan Japan: de Tsaar was van mening dat Japan zijn grenzen te veel richting Russisch grondgebied had uitgebreid. Deze oorlogsverklaring gevoegd bij de armoede onder de bevolking had in 1905 geleid tot de eerste Russische revolutie. Tsaar Nicholaas II had een deel van zijn alleenheerschappij moeten afstaan aan een in 1906 ingesteld parlement: de Doema. Er was een raad van arbeiders opgericht, Sovjet, die geleid werd door Leon Trotski (1879-1940). De sovjet- afgevaardigden waren democratisch gekozen en erkend als het hoogste gezag in het land. Er waren al snel meerdere sovjets voor verschillende groepen arbeiders ontstaan zoals: spoorwegarbeiders en fabrieksarbeiders.
De onvrede onder de bevolking was gebleven. Dit had in 1917 tussen 8 en 15 maart (februari volgens de Russische jaartelling) geleid tot de Februari-revolutie. Er was een einde gekomen aan de heerschappij van de dynastie van de Romanov’s die zo’n 300 jaar lang had geregeerd. De familie was naar Jekaterinenburg verbannen waar ze in 1918 met geweld om het leven was gebracht.
De Doema had een Voorlopige Regering ingesteld. Het nieuwe bewind van liberalen en gematigde socialisten had echter de oorlog met Duitsland voortgezet en geen haast gemaakt met het verdelen van het grondbezit onder de boeren. Tegenover deze Voorlopige Regering stonden de raden (sovjets) van arbeiders, boeren en soldaten. De sovjets waren hier fel op tegen omdat de oorlog Rusland al miljoenen slachtoffers had gekost. Er was een strijd ontstaan tussen de Mensjewieken en de Bolsjewieken. De Mensjewieken zaten in de Voorlopige Regering en de Bolsjewieken waren vertegenwoordigd in de Sovjets. De meeste arbeiders hadden de Bolsjewieken gesteund omdat zij de meest radicale veranderingen wilden doorvoeren. De verliezen en de nog steeds aanwezige armoede hadden weer voor onrust gezorgd.
De leider van de Bolsjewieken: Vladimir Lenin (1870-1924) had ‘alle grond aan de boeren, alle macht aan de sovjets, alle fabrieken aan de arbeiders en vrede met Duitsland’ gewenst. Lenin was na een mislukte staatsgreep in de zomer van 1917 naar Finland gevlucht, maar was in september teruggekomen. De sovjets onder de leiding van Lenin hadden de Voorlopige Regering afgezet tijdens de Oktoberrevolutie (1917). Lenin had vrede gesloten met Duitsland in het verdrag van Brest-Litovsk (1917), een streep door alle buitenlandse leningen en beleggingen gehaald en alle productiemiddelen onteigend. Pogingen van diverse Europese mogendheden, de Verenigde Staten en Japan, om door militaire interventie het revolutionaire bewind ten val te brengen en de rijke Russische bodemschatten in handen te krijgen, waren mislukt, na een jarenlange bloedige en wrede oorlog.
De Russische Revolutie had grote invloed uitgeoefend op het politiek en maatschappelijk gebeuren in de rest van Europa en Azië. In november 1918 hadden revolutionaire bewegingen een einde gemaakt aan het Duitse keizerrijk, het Oostenrijkse keizerrijk en het Ottomaanse rijk. 
In de omliggende landen waren de regeringen en de gegoede burgerij nerveus geworden. De regering in Nederland was, in de hoop gevrijwaard te worden van ‘revolutionaire woelingen’, met allerlei verbeteringen gekomen: de wettelijke achturendag was ingevoerd, het algemeen mannenkiesrecht en kort daarop het vrouwenkiesrecht, de hoogte van het ouderdomspensioen was verhoogd en de leeftijd waarop het inging verlaagd, aan de gezinnen der miliciens die het leven hadden gelaten als gevolg van de bommen op de Zeven Provinciën waren ettelijke miljoenen als schadeloosstelling uitgekeerd en het loon van het personeel in dienst van de gemeentelijke en landelijke overheid was sprongsgewijs verhoogd.
Het waren de dagen van de ‘bibber-bourgeoisie’. De burgemeester van Rotterdam, Zimmerman, was zo door paniek bevangen geweest dat hij, om de onvermijdelijke omwenteling in elk geval ordentelijk te laten plaatsvinden, twee vakbondsleiders: A. Heykoop en J. Brautigam, bij zich had geroepen en gezegd dat hij ‘van plan was om ook in geval van een revolutionaire beweging’ (die hij voorzag) ‘in ieder geval (zijn) best te doen voor het behoud der orde’; de waterleiding, de elektrische centrale, de gasfabriek, de banken zou hij ongestoord laten voortwerken, op de stations zou hij de orde handhaven.
Voor alle zekerheid had Zimmerman nog een résumé gemaakt van het besprokene. Wat hadden zijn gesprekspartners anders kunnen concluderen dan dat de burgemeester van ’s lands tweede stad gecapituleerd had nog voor de revolutie was ingezet! Hij had 9 november 1918, op het moment dat de Duitse revolutie gedreigd had over te slaan naar Nederland, nog net niet de sleutel van de stad overhandigd. Heykoop en Brautigam waren, nog vóór zij Zimmerman bezochten, door de voorzitter van de machtige Scheepvaartvereniging Zuid, P. Nijgh, ontvangen, ‘die ervan overtuigd was dat de Duitse gebeurtenissen hier zouden doorzetten’; hij had schielijk verbetering beloofd van de arbeidsvoorwaarden. Minister-president Ruys had die avond in Den Haag gesproken met de liberale en vrijzinnig-democratische leiders: ‘Huns inziens was alles verloren. De revolutie was niet te keren. We moesten maar wat toegeven, bijv. een paar socialisten in het kabinet opnemen.’
De leiding van de Rooms-Katholieke Staatspartij had een manifest in een oplaag van een half miljoen exemplaren laten drukken, waarin tot trouw aan Koningin en ministers was opgeroepen. Aalberse, de rooms-katholieke minister van arbeid, had het voorstel gedaan troepen uit de noordelijke en zuidelijke provincies naar Amsterdam, Rotterdam en Den Haag te zenden. De minister van oorlog had het voornemen goedgekeurd maar erop gewezen dat er geen geld voor was. De organisatoren in Leeuwarden hadden f 10.000 nodig. Nog voor sluitingstijd van de postkantoren, had de Rotterdamse scheepvaartmagnaat A.G. Kröller ze ter beschikking gesteld. De redactie van De Telegraaf had aan de voorzitter van de SDAP gemeld 'dat zij bereid waren, vooral met de veelverbreide Courant, een eventueele revolutie te steunen'.[62].
De Bijzondere Vrijwillige Landstorm, dat burgers had bewapend die het reguliere leger ondersteunden, was snel gegroeid van honderden tot duizenden, vooral afkomstig uit antirevolutionaire en rooms-katholieke kringen. Door de confessionele partijen en door de liberalen en vrijzinnig-democraten was opgeroepen tot steun aan het wettig gezag.
De confessionele vakbeweging had in zeer korte tijd een massale actie weten te ontketenen ter ondersteuning van het gezag. Er was een 'Hoofd-comité van actie tegen de revolutie' tot stand gekomen en het vorstenhuis was het middelpunt van een betoon van aanhankelijkheid geworden. De ledentallen van de confessionele vakcentrales waren met 100% gestegen. De leiding van het NVV had het nodig gevonden uit te spreken dat zij uitsluitend legale (wettige) wegen wilde gaan bij het verbeteren van de positie van de arbeiders.
Angst, gehechtheid aan staatsbestel en vorstin, hadden zich ontlaadt in demonstraties waarvan de grootste en indrukwekkendste op maandag 18 november 1918 op het Malieveld in Den Haag was gehouden. Al om half twaalf waren alle straten die er heen voerden, zwart van de mensen. Anderhalf uur later was de Koningin verschenen. Haar rijtuig was stilgestaan. Een troep dolenthousiaste soldaten had de paarden afgespannen en het rijtuig verder voortgetrokken. Er was een zee van mensen, en veel vlaggen van verenigingen, in meerderheid roomse vaandels. Het rijtuig, met nog steeds de Koningin, haar echtgenoot prins Hendrik en haar negenjarig dochtertje, prinses Juliana erin, was het Voorhout opgetrokken waar het paleis stond van de zes-en-vijftigjarige Koningin-moeder Emma. Deze was geschrokken eerst toen zij het rijtuig zonder paarden zag aankomen. Ze dacht dat de Revolutie was uitgebroken en dat de Koningin door het volk gevankelijk was meegevoerd. Maar toen ze boven alles uit de juichkreten en het Wilhelmus had gehoord, had ze begrepen wat dit alles betekende. Ze was op het balkon gekomen en was even geestdriftig toegejuicht.
De politiek geïnteresseerde arbeidersjeugd was diep onder de indruk gekomen van het gebrek en de nood in de arbeidersgezinnen en het bloedvergieten zonder zin met een niet meer goed voor te stellen omvang. Ze had gedemonstreerd, protestvergaderingen gehouden, gestaakt zelfs hier en daar en politieke partijen veroordeeld.
Leden van de Sociaal-Anarchistische Jeugdorganisaties (SAJO) hadden begin 1918 explosief materiaal ontvreemd uit een opslagplaats voor munitie en springstoffen in de omgeving van Amsterdam met het doel een aanslag te plegen op het gebouw van De Beurs in Amsterdam, (de aanslag was mislukt en de jeugdigen waren veroordeeld tot gevangenisstraffen van 12 tot 6 maanden). Herman Groenendaal had geweigerd de militaire dienst te vervullen, was daarvoor gearresteerd en was hiervoor in hongerstaking gegaan. Het leidde tot wekenlange demonstraties, protestvergaderingen en hier en daar stakingen waarbij duizenden arbeiders betrokken waren. Twee andere jeugdigen, Albert de Jong en Bart de Ligt, waren veroordeeld wegens opruiing tot resp. 19 en 27 dagen gevangenisstraf.
De jongeren verwachtten dat het kapitalisme zich niet meer zou herstellen. Ze raakten in geestdrift voor de Sovjet-Unie waar de Oktober-revolutie had plaats gevonden en verwachtten dat dit een nieuw tijdperk in de mensheid zou inluiden ondanks de pogingen van diverse Europese mogendheden – ook de verenigde Staten en Japan lieten zich hierbij niet onbetuigd – om door militaire interventie het revolutionaire bewind ten val te brengen en de rijke Russische bodemschatten in handen te krijgen.
De jonge Dirk Struik (1894-2000) schreef over de Russische Revolutie: ‘Ze was een prachtige zonsopgang  alle denkende menselijke wezens hebben meegedaan om deze epoche te verheerlijken’ en voegde hier aan toe: ‘De revolutie bracht nieuwe hoop na het bloedige bankroet van het kapitalisme, ze bood uitzicht op een nieuwe mensheid, en toonde de macht van de marxistische gedachte’.[63]
Struik herhaalde in zijn memoires de woorden van Hegel over de Franse Revolutie: “Ze was een prachtige zonsopgang — alle denkende menselijke wezens hebben meegedaan om deze epoche te verheerlijken” en voegde hier in zijn eigen woorden aan toe: ‘De revolutie bracht nieuwe hoop na het bloedige bankroet van het kapitalisme, ze bood uitzicht op een nieuwe mensheid, en toonde de macht van de marxistische gedachte’.[64]
De socioloog Karl Mannheim wijst er op dat een ‘Polarerlebnis’ voor een bepaalde generatie bepalend is voor de rest van het leven waardoor alle latere ervaringen als door een magneetpool gericht, gekleurd worden. [65]
In Harderwijk kwam het tot de vorming van een soldatenraad, die onderhandeld had met de officieren over betere voeding, meer soldij en direct verlof. In de laatste maanden van de oorlog was de lucht vol van berichten en geruchten over opstanden en revolutie.
Als jongeren in geestdrift raken voor de Sovjet-Unie waar de Oktoberrevolutie heeft plaatsgevonden, dan nemen volwassenen met een samenhangende wereld- en levensbeschouwing en een hang naar theosofie, antroposofie of een op het christendom geïnspireerde religie uit angst dat het optreden van de jeugdigen zal leiden tot een revolutie en weer een oorlog het initiatief de jeugd een besef van algehele broederschap bij te brengen.

Respect voor een ieders godsdienstige-, levens- of maatschappelijke overtuiging.
De regering Ruys de Beerenbrouck (1918-1922) laat voor jeugdigen die niet bij een jeugdorganisatie zijn aangesloten ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten organiseren. Een Centrale Jeugdraad kreeg de taak deze activiteiten te organiseren. De leiding van de SDAP en van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) had in 1918 een Centrale voor Jeugdontwikkeling ingesteld. Deze was in 1920 omgezet in een Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen, verder bekend als Arbeiders Jeugd Centrale (AJC).[66]
Als tegenhanger van het op SDAP-leest geschoeide ontwikkelings- en ontspanningswerk waren Volkshogescholen opgericht met als doel ‘het geven van een zedelijk-geestelijke ontwikkeling aan volwassen personen als grondslag voor vernieuwing der volkscultuur en versterking van de volksgemeenschap’. (Statuten 1939). De eerste was door initiatief van Jarig van der Wielen (1880-1950) in Bakkeveen (1932) opgericht voor jonge boeren, werklozen en studenten.
Op het Brusselse congres der Socialistische Internationale in 1900 in Parijs hadden de aangesloten nationale partijen de opdracht gekregen antimilitaristische socialistische jeugdbonden op te richten.[67]
Met dit doel hadden volwassenen in de SDAP op 10 mei 1901 de Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland genaamd ‘De Zaaier’ opgericht. [68]
Deze De Zaaier verloor na de mislukte tweede spoorwegstaking in 1903 zo veel leden dat dit voor volwassenen in de SDAP aanleiding was op 23 april 1905 opnieuw een De Zaaier op te richten, nu met het doel het in socialistische zin opvoeden van de jeugd. Toen in de SDAP een groepering ontstond die voorstander werd van een anti-parlementaire weg naar sociale verbeteringen en de Sociaal-Democratische Partij (SDP) oprichtten hadden de jeugdigen zich hierbij aangesloten. Dit was voor de leiding van de SDAP reden de band met de nieuwe De Zaaier te verbreken.
In 1911 had de SDAP weer een nieuwe jongerenorganisatie opgericht de: Jongeren Organisatie der SDAP (JOderSDAP), nu met als doel de algemene ontwikkeling van de jeugdigen te bevorderen door het aanbieden van cursussen in staatshuishoudkunde, geschiedenis, Nederlandse taal, administratie. De oprichting van deze JOderSDAP had niet geleid tot het grote aantal leden waarop de leiding van de SDAP hoopte door ontevredenheid van de jeugdigen over de lessen van ‘schoolmeesters in taal en sterrenkunde’. De jeugdigen gaven te kennen dat ze politiek wilden bedrijven, meer zelfstandigheid wilden, een landelijke organisatie wilden vormen, een landelijk blad wilden uitgeven, af wilden van de verplichting om met 18 jaar lid te worden van de SDAP. Ze keerden de JOderSDAP de rug toe. Toen had het lid voor de SDAP in de Tweede Kamer: Gerhard, in 1914, aan de vooravond van de eerste wereldoorlog de liberale regering Cort van der Linden (1913-1918) had verzoek gedaan een onderzoek in te stellen naar ‘de aard en omvang van organisaties die zich bezig houden met de vorming der niet-leerplichtige jeugd en deze commissie de bevoegdheid te geven denkbeelden te ontwikkelen op welke wijze de algemene verheffing van de rijpere jeugd zou zijn te verkrijgen’.[69]
In 1918, nadat de Eerste Wereldoorlog was beeindigd, had de regering Ruys de Beerenbrouck (1918-1922), bestaande uit: Rooms Katholieke Staats Partij, Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie, uit de resultaten van het in 1914 ingestelde onderzoek geconcludeerd ‘dat het verreweg grootste deel der oudere jeugd geenerlei onderwijs meer ontvangt’. Ze had hierop een Centrale Jeugdraad ingesteld met als taak voor de niet bij een werknemers-organisatie aangesloten jeugdigen ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren met als doel de jeugd het besef bij te brengen een ieders godsdienstige, levens- of maatschappelijke overtuiging te respecteren. [70] 
Aan de scholen voor maatschappelijk werk, later genoemd: Sociale Academies, kwamen opleidingen voor jeugd en jongerenwerk (sociaal-cultureel werk). Organisaties die kampementen organiseerden en zich bedienden van door het rijk beschikbaar gesteld kampeermateriaal werden gewaarschuwd voor het kunnen ontstaan van een onzedelijke sfeer, waarmee bedoeld werd o.a. het niet eerbiedigen van een ieders uiteenlopende godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging. Aanbevolen werd te komen tot een hiërarchische centralistische organisatie om toezicht te kunnen houden en eventueel de nodige maatregelen te kunnen nemen.
Het gemeentebestuur van Rotterdam benoemde op 26 mei 1921 een Adviserend Ambtenaar inzake de Opvoeding van de rijpere jeugd en richtte op 10 januari 1922 de Rotterdamse Jeugd Raad op. Het gemeentebestuur van Amsterdam stelde op 1 januari 1923 een tijdelijk ambtenaar aan belast met het toezicht op de van gemeentewege gesubsidieerde verenigingen welke zich bezighouden met Toynbeewerk en Vrije Jeugdvorming.

Respect voor een ieders persoonlijke overtuiging.
Het lid van de Gemeenteraad voor de SDAP en wethouder voor het onderwijs in Amsterdam: Eduard (Eliazer) Polak (1880-1962) laat aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes de jeugdigen zelfstandig een taak kiezen, het materiaal kiezen wat ze willen gebruiken, en uitmaken of ze zitten of staan.     In de SDAP had zich een religieus-socialisme hevormd waarin werd aangenomen dat respect voor een ieders persoonlijke overtuiging verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging zouden doen overbruggen.
Woordvoerder was Willem Banning (1888-1971). Banning had op later leeftijd de opleiding voor predikant gevolgd en was een vooraanstaand lid van de SDAP. In het op het christendom geïnspireerde religieus denken der Woodbrookers werd geloofd in reconcilliation: respect voor een ieders persoonlijke overtuiging zou verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging doen overbruggen. De aanhangers (Quakers) hadden in Selly Oak, in de buurt van het Engelse Birmingham, hun Woodbrook College waarvoor de welgestelde George Cadbury (aanhanger der Quakers) zijn woonhuis en bijbehorende tuinen, Woodbrook, beschikbaar stelde. Naast Woodbrook werd Westhill het meest bekend.
Woordvoerder was de hoogleraar in de godgeleerdheid Karel Hendrik Roessingh (1886-1925). Roessingh had als student in Engeland kennis gemaakt met de Woodbrookers. Roessingh had terug in Nederland in 1916 de Vereniging der Woodbrookers opgericht en in hetzelfde jaar bij zijn aanstelling als hoogleraar in de godgeleerdheid opgeroepen ‘persoonlijkheden’ te worden door ‘niet ons eigen geweten te onderwerpen aan het voorschrift van eene kerk, aan de wet van een staat, aan het gezag van een ander mensch’, maar af te gaan op de eigen persoonlijke overtuiging.[71]
Om tegenwicht te kunnen bieden aan het proletarisch- en marxistisch-socialisme van de arbeidersbeweging en aan het daarmee verbonden felle atheïsme had Banning in 1919 de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (AG) opgericht.[72]
Hij zou na de Tweede Wereldoorlog voorstander worden van een ethische volkspartij en een pleitbezorger van een, op instigatie van J.de Quay (1901-1985) genoemd, ‘personalistisch socialisme’.

Respect voor een ieders aanleg
De onderwijzer Berend Wouters (1882-  ) laat aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen de jeugdigen afhankelijk van de aanleg activiteiten deelnemen met de handen: werken in de werkplaats of in de tuin, of een activiteit doen waarvoor een meer intellectuele vaardigheid is vereist: een groepsspel of het beoefenen van kunst. [73]

    In de Theosophical Society had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat een ieders sociale positie een zaak was van aanleg. Woordvoerder was de theosofe Helena Blavatsky (1831-1891). Blavatsky was geboren als Helena Petrowna von Hahn Rottenstern in de Oekraine afkomstig uit het financieel beter gesitueerde deel van de bevolking en gehuwd geweest met Nikofor Blavatsky. Ze had in 1875 samen met enkele geestverwanten de Theosophical Society opgericht met als doel te komen tot een sfeer van algehele broederschap zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur zou leiden. De Theosofische Vereniging werd een groot succes met vele vertakkingen over de wereld. Wouters (1882 - ???) had zich op 10 mei 1903 onder nummer 23648 als lid laten inschrijven bij de Theosofische Vereniging. In 1910 waren er bijna zevenhonderd loges (afdelingen), verdeeld over ruim zestien landen, met in totaal bijna 17.000 leden. De Nederlandse vereniging, het 'zevende blad aan de lotus', werd opgericht in 1897 en onderverdeeld in loges, met zo'n dertienhonderd leden, waarvan ruim driehonderd in Indië.

Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling.
De onderwijzer J.H. Bolt (…..) laat aan de Pallas-Athene School in Amersfoort jeugdigen met een verschillende mate van geestelijke ontwikkeling gezamenlijk onderricht volgen.[74]
Na de dood van Blavatsky had zich in de Theosofische Vereniging een denken gevormd waarin werd aangenomen dat een ieders sociale positie een zaak was van geestelijke ontwikkeling. Woordvoerder was de theosofe Annie (Wood) Besant (1847-1933). Besant had eerder een leidende functie binnen de Anglicaanse kerk en na de dood van Blavatsky de leiding van de Theosofische Vereniging overgenomen. Besant had in 1911 de jonge Indiër Jiddu Krishnamurtie (1895-1986) aangesteld als de opvolger van Jezus, de nieuwe wereldleraar. Om de Indiër te ontmoeten kwamen op de jaarlijkse Sterkampen in Ommen tussen 1923 en 1930, vele duizenden aanhangers uit alle delen van de wereld bijeen. Bolt had zich op 26 maart 1915 onder nummer 58560 als lid van de Theosofische Vereniging laten inschrijven.

 

 

 

Respect voor een ieders temperament
Aan de Vrije School in Den Haag wordt in het onderricht rekening gehouden met het temperament van de jeugdigen. [75]
In het Antroposofisch Gesellschaft had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat een ieders sociale positie een zaak was van temperament. Woordvoerder was de antroposoof Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925).[76]
Steiner was tien jaar lid van de Theosofische Vereniging, en was toen Annie Besant in Krishnamurti de toekomstige wereldleraar ontdekt meende te hebben, in 1913 zijn ‘eigen’ Antroposofisch Gesellschaft opgericht. Hij kreeg in 1919 in Stuttgard de leiding over de Freie Waldorfschule, opgezet door Emil Mohlt (1878-1936), eigenaar van de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen.
Steiner onderscheidde vier temperamenten: sanguinisch (opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) of cholerisch (opvliegend) die bepaald zouden zijn door de invloed vanuit de kosmos: zon, maan en sterren.
De Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) had eerder gewezen op de aanwezigheid van vier onderling kwalitatief verschillende elementen die alle door zintuigelijke waarneming bekend zijn: de vaste aarde, het vloeibare water, de gasvormige lucht en het gloeiende verterende vuur; de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322) had eerder gewezen op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren; de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) had eerder gewezen op de aanwezigheid in het menselijk lichaam van vier lichaamsvochten: sanguis (bloed), flegma (slijm), melancholie (zwarte gal) en cholera (gele gal); de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) had eerder geschreven over de leer der temperamenten; de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) had eerder de theorie ontwikkeld dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van de in de kosmos voorkomende elementen: zon en maan.[77]

Respect voor leiders en volgelingen
De onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) laat aan de Hillegomschool in Amsterdam elke jeugdige onderricht volgen aan de hand van een eigen lesrooster, een eigen leerplan, een zelf gekozen methode van onderricht, een zelf gekozen volgorde van vakken, een eigen tempo en een eigen wijze van uitwerken.[78]

                                                                            

    

L. Groeneweg (1877-1950)


    

    In het roomse solidarisme werd aangenomen dat er leiders zijn en volgelingen. Woordvoerder was de ex-jezuïet Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944). Schoenmaekers had het gymnasium in Rolduc gevolgd en de door de jezuïeten geleide opleiding tot priester in Rome. Hij had in Amsterdam aansluiting gezocht bij de kring van vrijzinnige christenen en vrijdenkers en in 1904 het tijdschrift Levensrecht opgericht: Maandschrift ter verbreiding der vrije ideeën, waaraan o.a. meewerkten Frederik van Eeden en Domela Nieuwenhuis.
Schoenmaekers wilde lid worden van de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia Vincit Anymos', doch zijn verzoek was hem geweigerd. Hij liet zich in 1905 in Amsterdam als lid inschrijven van de Theosofische Vereniging onder nummer 1131, werd sympathisant van de antroposoof Rudolf Steiner, studeerde een jaar in Pennsylvania theologie, en ging uiteindelijk in Laren wonen.
De dichter Jan Greshoff beschrijft hem als iemand die beschikte over een meeslepend redenaarstalent, maar geen tegenspraak duldde.[79]
In zijn Larense tijd had hij contact gezocht met de daar wonende groep van kunstenaars aangeduid met De Stijl, waaronder de schilder Mondriaan, die lange tijd waardering had voor zijn denkbeelden had, maar zich op den duur ergerde aan deze 'schoolmeester-paus'.
Schoenmaekers deed omstreeks 1920 veel van zich horen met zijn ‘Beginselen der beeldende wiskunde’.[80]
Hij zag zich ‘katholieker dan de roomsche kerk, katholieker dan de paus’.[81]
In het roomse solidarisme (=ander woord voor corporatisme; corporatief is afgeleid van het Latijnse woord corpora = lichaam) wordt de maatschappij vergeleken met een organisme waarvan de delen samen het onlosmakelijke geheel vormen. Het hoofd en de ledematen worden gezien als ongelijk, maar geen van beide kan gemist worden wilde het lichaam functioneren. Mensen worden gezien als niet gelijk. Er zijn leiders en er zijn volgelingen die, evenals de lichaamsdelen, elkaar daardoor juist nodig hebben. Een ieder dient tevreden te zijn met de plaats in het maatschappelijk leven, al hebben diegenen die deze kijk hebben wel de neiging, voor zichzelf een plaats aan de top te reserveren.  

Respect voor de beste
Cornelis Boeke (1884-1954) laat aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap in Bilthoven bij alle voorkomende werkzaamheden de beste kiezen als hoofd. Hij noemde de school Werkplaats, de onderwijzer: Medewerker en de jeugdige: Werker. In het gevormde historisch-idealistisch politieke denken werd aangenomen dat een maatschappelijke positie als Hoofd een zaak was van de beste te zijn. Woordvoerder was de hoogleraar in de rechtswetenschap: J.J. van der Leeuw (1893-1934).[82]
Van der Leeuw had, toen hij nog student was uit Londen de Practisch Idealisten Associatie (PIA) in Nederland geïntroduceerd. De PIA was na de in 1896 opgerichte Nederlandse Christelijke Studenten Vereniging (NCSV) de tweede stap van de jeugd uit de zeer gegoede kringen zich aaneen te sluiten.[83]
Ook Boeke was lid van de PIA. Zijn vader was directeur van de HBS, de vader van Van der Leeuw was firmant van de Van Nelle fabriek, een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam, een ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en weer een ander was directeur van de glasfabriek in Leerdam.
De PIA was een reactie op oorlog en revolutie. In de PIA was eenieder medewerker, elke plaatselijke afdeling had haar leider, de plaatselijke leiders vertegenwoordigden hun afdeling in de Raad der Leiders, en besluiten werden genomen bij overeenstemming van stemmen. Bij het toetreden tot de PIA werd van de leden verwacht een beginselverklaring te ondertekenen waarin ze verklaarden:
Wij willen de mensheid dienen, in plaats van eigen eer en voordeel na te jagen. Wij willen onze lagere natuur beheersen, in plaats van haar onbeteugeld te laten. Wij willen de innerlijke werkelijkheid der dingen onderscheiden van hun uiterlijke schijn. Met alle gelijkgezinden willen wij in eenheid samenwerken om, bezield door deze idealen, een betere samenleving te vormen en we zullen ons hierbij door geen uiterlijke verschillen laten verdelen. [84]
Diverse leden van de PIA werden tevens lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de Sterkampen op het landgoed Eerde in Ommen waar ook elk jaar een kamp van de PIA plaatsvond.
Van der Leeuw had tegenover het historisch materialisme een historisch-idealisme gesteld: een geestelijke omwenteling binnen in de mens.[85]
Hij hing de gedachte aan dat een leidende positie in het maatschappelijk leven een gevolg was van de beste te zijn en dat respect voor de beste verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging zouden doen overbruggen.
Van der Leeuw had opgeroepen een begin te maken met de opbouw van ‘een aristo-democratie’, een samenleving waar op alle terreinen van het maatschappelijk leven ‘groepverbanden ‘gevormd zouden zijn, waaruit ‘de beste’ gekozen werd als hoofd, die op hun beurt uit het midden de beste zouden kiezen voor het bestuur van grotere gemeenschappen, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen zou zijn. [86]
Het doet allemaal wat pre-fascistisch aan: geen parlementarisme en partijenstelsel, maar een sterk eenhoofdig gezag. Van der Leeuw sloot zich later aan bij de Theosofische Vereniging, werd voorzitter van de Nederlandse Afdeling, en was nauw betrokken bij de zomerkampen rond Krishnamurti in Ommen.

 

 

V  Socialistische levenshouding
Vier jaar lang was het goed gegaan  ook in Nederland, zij het dat de landbouw enigszins bleef klagen en de scheepvaart een tekort had aan vrachten. Werklozen waren er vrijwel niet. Er werd, dat wist men, in de Verenigde Staten waanzinnig gespeculeerd op de effectenmarkt; slechts weinigen maakten zich daar zorgen over.
Op zwarte donderdag 24 oktober 1929 stortten de koersen van de aandelen op de New-Yorkse effectenbeurs ineen. Er gingen fortuinen verloren, ook van Nederlanders die in Amerika hun fondsen belegd of mee gespeculeerd hadden en nu met één slag hun kapitalen kwijtraakten. Maar daar bleef het niet bij. Het wegvallen van het vertrouwen in de toekomst leidde in de Verenigde Staten onmiddellijk tot inkrimping van de productie; de inkrimping van de productie tot werkloosheid; de werkloosheid tot verminderde vraag; de verminderde vraag tot nóg verdere productiebeperking - het werd een vicieuze cirkel, een spiraal die zich hardnekkig omlaag schroefde, niet alleen aan gene, maar spoedig ook aan deze zijde van de Atlantische Oceaan. Prijzen kelderden, winsten maakten plaats voor gigantische verliezen. Er brak een economische depressie uit met een omvang, duur en intensiteit zoals de wereld voordien nooit had gekend. De crises was mondiaal; niet slechts in de Verenigde Staten, niet slechts in de kapitalistische wereld, maar over de gehele aarde tot in de grondstoffenlanden toe was de werking merkbaar geweest. Door het ongeëvenaard grote aantal kapitaalverliezen en faillissementen was de werkloosheid in de ettelijke miljoenen gelopen. De werkloosheid had massa­le en hardnekkige vormen aangenomen. De algemene prijsdaling had de boeren extra-hard getroffen. De prijs voor tarwe was in vier jaar tijd met bijna de helft gedaald, die van rogge, boter, varkensvlees met meer dan de helft. Er was vrijwel geen landbouwer die nog de eindjes aan elkaar had kunnen knopen; hoe hard er ook gewerkt werd, de bedrijven loonden niet meer. Uit het gehele economische leven (bedrijf na bedrijf had de productie moeten inkrimpen of zelfs stopzetten) waren de arbeiders bij tienduizenden ontslagen. Door middel van loonsverlagingen hadden de ondernemers getracht hun bedrijf rendabel te houden, althans de verliezen te beperken. De bedrijven die niet onder de arbeidsinspectie vielen, hadden de neiging vertoond, van hun arbeiders buitensporige prestaties te vergen. Wie nog als zelfstandige in het economisch verkeer stond, deed vaak zijn uiterste best om te voorkomen dat hij om werklozensteun moest aankloppen. Chauffeurs, en in het bijzonder zij die niet in loondienst waren maar zelf de eigenaar waren van een vrachtauto maakten dagen, ja weken achtereen, arbeidstijden van 16 tot 18 uur per dag, of van 24 tot 48 uren aaneen. Er waren gevallen bekend welke nog zeer veel verder gingen en waarbij de betrokken chauffeurs weken achtereen slechts een nacht per week nachtrust op hun bed hadden, terwijl zij voor de rest hun rust bij stukjes en beetjes maar in de cabine van hun auto tussen de ongelimiteerde werkuren door moesten trachten te verkrijgen.
De daling van het inkomen van arbeiders en financieel beter-gesitueerden was een catastrofe voor de middenstand, speciaal voor de winkeliers. Duizenden winkels waren opgeheven, andere van eigenaar verwisseld. De grote massa was steeds meer verarmd waardoor er steeds minder producten waren gekocht. Er was overproductie ontstaan. Het bankwezen, de industrie, de handel, de scheepvaart, hadden de neerslag van de economische crises gevoeld. De landbouw evenals de landbouw-verwerkende bedrijven hadden slag op slag gekregen. De tuinbouw was ingestort doordat naburige landen hun grenzen geheel of bijna geheel hadden afgesloten voor haar producten. De vissersvloot lag voor een groot deel werkeloos in de havens. Gebouwd werd er haast niet meer. De meeste bedrijven gingen bij de dag achteruit. Het aantal werklozen was steeds groter geworden en loonsverlagingen waren niet van de lucht.[87]
Bedrijfsleven en regering waren door de diepe crisis volledig verrast. Men hadden in beide milieus geleefd in de ban van de liberale economie en vonden dat het niet op de weg van de overheid lag, die malaise actief te bestrijden. De economie heette slechts gebaat bij ‘het vrije spel der maatschappelijke krachten’; de overheid diende zich te beperken. Zij mocht dan op de grondslag van de bestaande bedrijvigheid sociaal-beschermende maatregelen nemen en zelf op enkele sectoren, voornamelijk met haar openbare nutsbedrijven, als producente optreden – in wezen, zo zag men het, was die bedrijvigheid buiten haar om gegaan. Haar taak was het, vooral met het oog op het buitenlands ruilverkeer, het vertrouwen in de stabiliteit van de valuta hoog te houden. Dat had zij bevorderd, zo meende men, door de begroting in evenwicht te houden, zo weinig mogelijk schulden te maken, bestaande schulden af te lossen.
In 1935 kwam de leiding van SDAP en NVV gezamenlijk met een Plan van de Arbeid met als doel te komen tot een herstel van de bestaanszekerheid. Het was geïnspireerd op een door Hendrik de Man (1885-1953) ontworpen gelijknamig plan waarmee de Belgische socialistische partij in 1933 was gekomen. In dit plan had De Man de denkbeelden verwerkt van de in 1917 naar Amerika uitgeweken Rus: W.S.Wojtinski (1885-1960), de vakbondsleider: F.Tarnow en het lid van het Duitse parlement voor de Sociaal Democratische Partei: Fritz Baade (1893 -1974).
Het drietal had gepleit voor een vergroting van de koopkracht, het verlenen op grote schaal van bankkredieten en het bewerkstelligen van werkverruiming door een uitgebreide politiek van openbare werken om zo de neergaande lijn van de economie om te buigen in een opgaande. Het plan had de geestdrift gewekt en niet alleen bij de arbeiders maar ook bij de middenstand en het had ook de boeren uitzicht geboden op herstel van de bestaanszekerheid.
Bij jongeren had de crises tot grote onzekerheid geleid.[88]
De verlammende invloed van de massale en niet eindigende werkloosheid had diep ingegrepen in het gemoedsleven van de jongeren. Bij hen was de behoefte gerezen aan houvast, hardheid en zakelijkheid. Ze hadden genoeg van de ‘geduldpredikers’ en de ‘geleidelijkheidsapostelen’, die steeds weer aandrongen op afwachten, vooral niets doen in deze crisestijd.[89]
De jongeren discussieerden over het socialisme en kregen sympathie voor de Sovjet-Unie, het land dat in deze jaren van werkloosheid niet door een economische depressie werd geroerd.
De AJC had zich voornamelijk beziggehouden de werkloze jeugd in speciaal voor hen georganiseerde kampen gedurende een of meer weken wat levensvreugde te bieden waar ze een moment de dodelijke sleur van het nietsdoen en het zich overbodig voelen konden vergeten.
Toen het orgaan van een groep oppositioneel en radicaal gezindten in de AJC: De Socialist, druk werd gelezen en verkocht op jeugdbijeenkomsten liet Koos Vorrink weten er voor te zijn dat ieder lid een eigen standpunt had, maar een georganiseerde oppositiemeeting zoals die van de groep van oppositioneel en radicaal gezindten afkeurde.
Toen een aantal jongeren behoefte kreeg aan meer politieke voorlichting over de koloniale en ontwapeningsproblemen en voorstelde meer politieke voorlichting te laten geven door kritische leden uit de SDAP sprak Vorrink van een giftig wantrouwen tegen de leiding en de opposanten worden weggezet als communisten.
Als een niet onaanzienlijk aantal AJC’ers lid wordt van de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) dan nemen volwassenen uit angst dat het optreden van de jongeren zal leiden tot een wijziging van het economisch stelsel het initiatief de beginselen van een socialistische levenshouding bij te brengen.

Kameraadschap, Gemeenschapszin, Arbeidsvreugde
Op het landgoed Eerde te Ommen worden de jeugdigen de beginselen bijgebracht van een socialistische levenshouding. In de SDAP had zich een cultuur-socialisme gevormd waarin werd aangenomen dat de daadwerkelijke verwezenlijking van het socialisme diende te gebeuren in het eigen leven. Woordvoerder was: Jacobus (Koos) Jan Vorrink (1891-1955). Vorrink, oud-onderwijzer en jeugd­leider was in 1934 met behulp van de AJC-lobby, die alle afde­lin­gen afreisde, tot voorzitter geko­zen van de SDAP. Hij had eerder de AJC omgevormd naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien bij de Sozialistische Arbeiter Jugend. Daar werden volksliederen gezongen en stijlvolle dansen uitgevoerd, waren de jongeren afkerig van banaliteit, hadden de jongeren de ‘burgerlijke’ confectiepakjes met stijve boorden omgewisseld voor manchesterkleding met open hemden. Vorrink was met de directeur van een clubhuis in Rotterdam van oordeel dat de volksjeugd geestelijk leeg en zedelijk laf was: de geestelijke leegheid van de gemiddelde volksjongen (is) veel en groter dan wij vroeger ooit hadden gemeend en dat hij - alle onderwijs, museums, kerken, meetings enz. ten spijt – geheel en al buiten onze cultuur voortleeft, en: Nooit heeft een jongen het voor het gezag opgenomen, nooit heeft een doen blijken, dat hij een vernieling of andere overtreding afkeurde en meegewerkt om de schuldige op te sporen.. . . ’t is niets anders dan bangigheid om in een zaak te worden gemoeid.[90]
In het in 1929 verschenen: Der Sozialismus als Kultuurbewegung van de in Duitsland gevormde Belg: Hendrik de Man (1885-1953), werd socialisme gezien als een zaak van de gezindheid van de mens. In dit socialisme werd in tegenstelling tot het arbeiderssocialisme, dat van de economie uitging en in de eerste plaats een drastische verandering van het economisch stelsel beoogde, meer uitgegaan van de psychologie en werd aangenomen dat de daadwerkelijke verwezenlijking van het socialisme diende te gebeuren in het eigen leven en in de eigen levensgemeenschap.[91]
Vorrink had het boekje van De Man zo belangrijk gevonden dat hij het zelf had vertaald en uitgegeven.[92]
De Man was op zijn beurt gegrepen door de gedachten van G.L. Radbruch (1878-1949) die als belangrijkste waarden van een socialistische gemeenschap zag: ‘Kameradschaft, Gemeinsinn, Arbeitsfreude. [93]

 

VI  Samenvatting
Omstreeks 1900 toen de geïndustrialiseerde wereld de jeugd riep: jonge mensen die zich het gemakkelijkst konden aanpassen aan de gevolgen van de snel veranderende omstandigheden, die de technische uitvindingen teweegbrachten, en
de jeugd initiatieven nam om te komen tot verbetering van mens en maatschappij namen ouders, pedagogen en de overheid uit angst dat het optreden van de jeugd ‘uit de hand’ zou lopen het initiatief en door hen aangehangen kijk op mens en maatschappij bij te brengen.

 




[1] M. Bloch: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.


[2] Ger Harmsen: Blauwe en rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940.

 

[3] Plessner, H.: Het probleem der generaties, in: Sociologisch jaarboek. III, jrg. 1949.


[4] Harmsen, G.: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.


[5] B. A. Knoppers: Die jugendbewegung in die Niederlanden, ihr Wesen und die peadagogische Behandlung. Emsdetten 1931.


[6] J. H. Gunnungh Wzn.: De studie der paedagogiek in Nederland in de jaren 1898-1938, Amsterdam 1939.


[7] I. van der Velde: Vernieuwingsstreven binnen het Nederlandse onderwijs in de periode 1900-1940. Groningen 1970.


[8] S. J. C. Freudenthal-Lutter: Naar de school van morgen. Alphen aan de Rijn. Blz. 141.


[9] Th. van Tijn: Onderwijsstrijd aan de basis is niet van vandaag. In: Jeugd, school en wereld. Jrg. 55, 1971, no. 4; ook in: Student. Januari\februari 1972; zie ook zijn artikel: Achtergronden van de ontwikkeling van het lager onderwijs en van de schoolstrijd in Nederland, 1862-1905, in: Vrijheid van onderwijs. Marges in het onderwijs in maatschappelijk perspectief, o.r.v.: L. Box, J. Dronkers, M. Molenaar en J. Mulder. Nijmegen 1977,


[10] H. Verwey-Jonker: Emancipatiebewegingen in Nederland. Deventer 1983.


[11] N. L. Dodde: Het Nederlandse onderwijs veranderd. Muiderberg 1983.


[12] E. Key: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, van J. Wesseling-van Rossum, Zutphen 1906.


[13] H.Roland Holst- van der Schalk: Kapitaal en Arbeid. Nijmegen 1977


 

[14]  H.Roland Holst: De Socialistische opvoeding der jeugd. Rotterdam 1907,


[15]  G.Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw, In: Blauwe en Rode Jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975.


[16] G.Harmsen: De socialistische jongeliedenbonden in de 19 e eeuw. In Blauwe en Rode jeugd, blz. 24 ev.


[17] Overige leekrachten waren o.a. Kleefstra, W.v.d. Jagt (klassieke talen), H. J. Boeken (klassieke talen), Z. Stokvis (Nederlands), K. van Damme (Frans), mej. Lohman (Duits), C. M. Borneman (Engels), B. Vreeken (wiskunde en boekhouden), C. J. H. Raad (wiskunde en tekenen), mej. A. Kleefstra (onderwijzeres), J. A. van Schooten (tekenen), mej. W. Bolland (Frans, Duits, Engels)


[18] J.J.Keefstra: Wat maken wij van onze jongeren. In: Studien in Volkskracht. Amsterdam 1905,


[19] C. Darwin: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.


 

[20] Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population. Malthus publiceerde het voor het eerst in 1798 onder de schuilnaam: J. Johnson.

 


[21] E.H.P.H.Haeckel:Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philisofie


[22] A. H. Gerhard: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,


 

[23] A. H. Gerhard,: Een Sociaal Sprookje, Amsterdam 1914


[24] De rechtbank ontsloeg hem van rechtsvervolging, maar het O.M. ging hiertegen in beroep. Zie: B. Bymholt: Geschiedenis der Arbeidersbeweging in Nederland. Amsterdam 1976, blz. 541.


[25] Bymholt, blz. 673


[26] Bymholt blz 674


[27] A. Cort van der Linden,: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203


 

[28] M. Soree & M.Snepvangers: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.


[29] Ligthart, J en H.Scheepstra: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1906.


[30] A. Kuyper: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[31] A. Kuyper: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[32] A. Kuyper: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[33] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[34] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[35] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[36] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


 

[37] H. Roland Holst-van der Schalk: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977. Opm: alleen de bevolking in de steen- en pannenbakkerijen langs de Gelderse rivieren hadden het mogelijk nog armer


 

[38] C. W. Coolsma: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.


 

[39] W. Banning: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.


 

[40] J. de Groot: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.


[41] J.Ligthart: Een woordje aan ‘t slot. In: School en Leven. Eerste jaargang, no.52.


 

[42] J.Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


 

[43] J. P. Hasebroek: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.


[44] Ligthart zou zijn geld beleggen in een perceel bosgrond, en Scheepstra kocht een herenhuis ‘op stand’ aan de Ossenmarkt in Groningen.


[45] Leerkrachten waren o.a.: Deutman-De Meijer, Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Nelly Korver, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot


[46] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[47] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[48] Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962: gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.


 

[49] P. Kropotkin: Wederkeerig dienstbetoon, een factor der evolutie. Amsterdam 1904 (Mutual aid: a factor in evolution. 1902). Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.



[50] Leerkrachten waren o.a.: J.M. Telders, mw. M. van der Es, mw. P. van der Knoop, mw. T van Mierop-Mulder, Felix Ortt.


[51] G. Stuiveling: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.


 

[52] Geschiedenis van het Amsterdamsch Studentenleven 1632-1923.


[53] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[54] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[55] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[56] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 229


[57] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 543,


[58] F. van Eeden: H. Thoreau, Walden or life in the woods. Londen 1908.


 

[59] H. L. Borgman: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K. Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph. Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H. Schuurman: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.


[60] H. Noordegraaf: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.


 

[61] B. de Ligt: God Uzelf Uw Naaste. 1912.


[62] W. H. Vliegen: Die onze kracht ontwaken deed. Deel III, p.437-438.


[63] D. Struik: Mijn socialistische jaren in Nederland. Herinneringen uit 1914-1924. In: Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1977, Nijmegen 1977, blz. 191-246.


 

[64]  D. Struik: Mijn socialistische jaren in Nederland. Herinneringen uit 1914-1924. In: Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1977, Nijmegen 1977, blz. 191-246


[65] K. Mannheim: Das problem der Generationen. In: Kölner Vierteljahreshefte für Soziologie, VII, 1928.


[66] G. Harmsen: De Rode jeugdbeweging in de jaren twintig. In: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 173.


[67] De 'Internationale Arbeiders Associatie', kortweg 'De Internationale' was in 1864 in Londen op initiatief van Engelse en Franse vakbondsleiders opgericht waar vakbondsleiders uit Europa en de Verenigde Staten elkaar vonden.


[68] G. Harmsen: Blauwe en Rode Jeugd, Nijmegen 1975, blz. 53


[69] Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer 1913/1914, blz. 1583-1584.


 

[70] Verslag van de staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Ingesteld bij koninklijk Besluit van 18 juni 1917 No 58.


[71] K. H. Roessingh: Persoonlijkheid en Cultuur. Haarlem 1916.


[72] W. Banning: Wat wil en doet de arbeidersgemeenschap der Woodbrookers. Amsterdam 1934; ook in: Wie zijn de Woodbrookers, in: Ons werk. Geschriften van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.2, zj; en: Om de groei der gemeenschap. Arnhem 1926, en: De arbeidersbeweging als beschavingsmacht. Geschriften van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers in Holland. No.3, zpl, zj.


[73] Wouters, B: Evolutie in idealen voor opvoeding. In: Theosofia, jrg. XXVII, 10 janauari 1920.


[74] J. H. Bolt: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn.  In Theosofia, febr.1920, jrg XXVII.


[75] Leerkrachten waren o.a.: Daniel (Daan) Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn (1874-1959), Pieter Jacobus de Haan (1891-1968) en Max Leon Stibbe (1898-1973)

 

[76] Steiner, R: DAS GEHEIMNIS DER MENSCHLICHEN TEMPERAMENTE; Berlin, 1909.


 

[77] Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.


 

[78] L. Groeneweg: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920, blz.299. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.


[79] Het Vaderland, 24-1-1957


[80] M. H.J.: Schoenmaekers: Beginselen der beeldende wiskunde. Bussum 1916.


[81] M. H.J.: Schoenmaekers: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde. Blz. 199 e.v. Bussum 1916.


[82] Bolkestein, G.: Aan Kees Boeke, Wormerveer 1956


[83] Harmsen G.: Blauwe en Rode Jeugd, blz. 241


[84] Leeuw, J.J. van der: De jongeren aan den opbouw. Den Haag 1923.


[85] Leeuw van der J.J.: Het Practisch Idealisme. Baarn 1922


[86] Leeuw van der J. J.: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.

 

[87] G. Harmsen: Economische crises, massale werkloosheid, fascisme en oorlogsdreiging. In: Voor de Bevrijding van de arbeid, Nijmegen 1975, blz.172. Zie ook: L.de Jong


[88] G. Harmsen: Blauwe en Rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Nijmegen 1975, blz. 305.


[89] Harmsen, G: De rode jeugdbeweging in de jaren van werkloosheid en oorlogsdreiging


[90] K. Vorrink: De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925. Blz.4.


[91] H. de Man: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929, blz.45.


[92] K. Vorrink: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928


[93] G. L. Radbruch: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre  des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.