Onderwijsvernieuwing in Nederland tussen 1900 en 1940

Onderwijsvernieuwing in Nederland tussen 1900 tot 1940.   

 

Onderwijsvernieuwing in Nederland tussen 1900 en 1940.

Cornelis Oostwal

“Onwetendheid omtrent het verleden schaadt niet alleen de kennis van het heden, maar compromitteert in dat heden zelfs het handelen”, [1]

Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de auteur.

Contact: cornelisoostwal@Gmail.com
Bijgewerkt:
10-10-2019

Beknopte versie.
Inhoud

1) Inleiding

a) Onderwerp
b) Maatschappelijke achtergronden
c) Ideeën

d) Historisch feit

e) Jeugdigen en volwassenen

f) Opvoeding in het verleden
2) Nationaal-christelijke deugden
a) Zelfbeheersing
b) Verantwoordelijkheidsbesef

c) Saamhorigheid
d) Tevredenheid

e) Plichtsbesef  
f) Werklust
g) Naastenliefde
3) Democratische gezindheid

a) Respect voor een ieders religieuze en maatschappelijke opvatting.
b) Respect voor een ieders aanleg
c) Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling
d) Respect voor een ieders temperament
e) Respect voor de leider
f) Respect voor de beste
4) Socialistische levenshouding

Kameraadschap, gemeenschapszin, arbeidsvreugde
5) S
amenvatting

1.Inleiding

Onderwerp
Omstreeks 1900 toen de volksjeugd naast en gestimuleerd door de arbeidersbeweging strijd ging voeren voor een gelijkberechtigde positie ten opzichte van de volwassenen gingen volwassenen zoals: ouders en pedagogen, het onderwijs vernieuwen en ging de overheid zich in toenemende mate met de zorg voor de jeugd bemoeien.

 

Jeugd en volwassenen
In onderwijskringen in Nederland worden dikwijls buitenlandse initiatieven aangehaald, waaronder Dalton, Jenaplan-, Freinet- of Montessori-onderricht, ook wel aangeduid als ‘reform-onderwijs.
Helen Parkhurst (1887-1973) die zich aan de éénmansschool in de plaats Dalton in de Amerikaanse staat Massachutes geplaatst zag voor de taak de kinderen van de emigranten met een zeer verschillende intellectuele ontwikkeling onderwijs te geven schafte het klassikaal-onderricht af en richtte het klaslokaal zodanig in dat jeugdigen er afhankelijk van hun mate van intellectuele ontwikkeling aan een taak met een gepaste graad van moeilijkheid konden werken.
Peter Petersen (1884-1952) die in de Oost-Duitse plaats Jena geconfronteerd werd met jeugdigen die voordat ze alle leerjaren geheel doorlopen hadden de school verlieten, waardoor elke klas uit steeds minder jeugdigen bestond maakte een einde aan de jaarklassen, vormde groepjes van jeugdigen die afkomstig waren uit de klassen 1-3, 4-6, 6/7-8 en 8/9-10, liet de jeugdigen in deze Tisch-groepjes de hun opgedragen taken zoveel als mogelijk was zelfstandig uitvoeren en liet de jeugdigen die jonger in leeftijd waren helpen door de ouderen in leeftijd.
Célestin Freinet (1896-1966) die in 1920 op een dorpsschooltje in Bar-sur-Loupe (Fr) geconfronteerd werd met een overvolle klas en een groot tekort aan hulpmiddelen liet de jeugdigen aan de hand van de eigen interesse en belangstelling zich verdiepen in door hen zelfgekozen onderwerpen.
Maria Montessori (1870-1952) die in 1907 in Rome in het Santo Spirito-ziekenhuis in Rome geconfronteerd werd met jeugdigen die een aanzienlijke achterstand hadden in hun intellectuele ontwikkeling liet de jeugdigen met zelf gemaakt materiaal voelen, horen, zien en ruiken, weerde sprookjes, verving het vrije tekenen door het omtrekken van geometrische figuren om tot een vaste hand van schrijven te komen en oefende de zintuigen met rammelbusjes en kleurenspoeltjes.
Ook waren er voor de Eerste Wereldoorlog scholen in West-Europa waar volwassenen op voet van gelijkheid verkeerden met de jeugdigen zoals: Abbotsholme in Engeland, de Ecole des Roches in Frankrijk, de Freie Schulgemeinde in Wickersdorf (Dl), het Landerziehungsheim in Ilsenburg, de Odenwaldschule.

Tolstoj
(1828-1910) richtte een school op om de kinderen van de boeren die in de winter geen bezigheden hadden, wat onderricht te geven. Dikwijls worden deze initiatieven gezien als inspiratie voor initiatieven in Nederland of er wordt op zijn minst een samenhang verondersteld tussen beide. Uit het voorliggende onderzoek zal blijken of deze veronderstellingen kloppen.


Opvoeding in het verleden.
De Grieken brachten de jeugd groot voor de uitoefening van een publieke functie door kennis en vaardigheden bij te brengen zoals: klassieke talen, klassieke literatuur, kunst en geschiedenis, plus een gezonde ontwikkeling van het lichaam. Het ging om: het bereiken van perfectie, de vorming van een cultureel ontwikkeld mens. Plato zei: 'Opvoeding houdt in lichaam en ziel alle perfectie geven waar zij vatbaar voor zijn'.
De Romeinen legden de nadruk in de opvoeding ook op de uitoefening van een publieke functie en een actieve deelname aan het publieke leven. Zij beschouwden alle scholing als een voorbereiding op deze rol, waaronder ook culturele doelen: de vorming van iemand tot 'vir bonus' ('gentleman' of 'bonhomme'). De Romeinse filosoof Marcus Tullius Cicero (106 tot 43) zag het kind als ‘speculum naturae’ als ‘spiegel der natuur’ en om de jeugd voor te bereiden op een rol in het publieke leven introduceerde hij de geleidelijke en natuurlijke ontplooiing van iemands talenten.
Christus geeft in het Mattheus-evangelie 18.3 volwassenen het dringende advies te worden gelijk de kinderen: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet veranderd, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan’.
In de middeleeuwen werd de jeugd grootgebracht voor het bestaan van volwassene: de 'homo universalis'.
Erasmus (1490-1520) zag als doel van de opvoeding: de geest het zaad van toewijding laten ontvangen; de vrije kunsten leren liefhebben en grondig kennen; voorbereiding op de plichten des levens en gewennen aan de beginselen van wellevendheid.
Kant (1724-1804) zag als doel van de opvoeding de jeugd voor te bereiden op het toekomstige bestaan als volwassene: ’met het oog op een mogelijke betere staat’.
D
e Franse filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) roept in Emile ou l’éducation op, de opvoeding aan te laten sluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van het kind en deze niet te richten op het toekomstige leven van volwassene.
De Zweedse, sterk door Nietzsche beïnvloede, pacifiste Ellen Key (1849-1926), proclameert in: Barnets arhundrade, in de Nederlandse vertaling: De eeuw van het kind, (de 20 e eeuw tot ‘de eeuw van het kind’ en verhief het natuurlijk-spontane gedrag van het kind tot norm.  

Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd jeugdigen een religieus besef bijgebracht. Het religieus-zedenkundige leesboek, met voorbeelden uit de Bijbelse geschiedenis, waarin de godsdienst wordt verheerlijkt vierde hoogtij.
De invoering van de onderwijswet van 1857, waarin naast vakken als lezen, schrijven, en rekenen ook geschiedenis, aardrijkskunde en zingen verplicht werd gesteld, markeerde de overgang naar een onderricht waarin gestreefd werd jeugdigen die kennis en vaardigheden bij te brengen die hen moest voorbereiden op de uitoefening van een beroep of ambacht. Bijgebracht werd wat nodig gevonden werd om het de jeugdige, wanneer deze de school verliet bij het bereiken van het tiende levensjaar, aan het einde van de leerplichtige leeftijd, zonder dat de gehele zesjarige schoolperiode was doorlopen, mogelijk te maken het tot loop- of fietsjongen of loswerkman, zoals dat toen heette, te kunnen brengen


2. Nationale en christelijke deugden
Omstreeks 1900 gaan volwassenen met een hang naar het orthodoxe calvinisme en liberalisme uit angst voor weer een periode van werkloosheid nationale en christelijke deugden bijbrengen.


a) Zelfbeheersing
A
an de Brinioschool in Hilversum laat de onderwijzer Jentje Johan Fokkes Kleefstra (1860-1929) sport beoefenen: voetballen, schaatsen, zwemmen, korfballen, wandelen. [2]
Toelichting: Sport was in het laatste kwart van de 19e eeuw ‘als vermaak’ uit Engeland overgewaaid. Het werd in de financieel betere gesitueerde lagen van de Nederlandse bevolking gezien als een a-politieke vorm van vrijetijdsbesteding voor jonge mannen.

Het doel was ‘de lange slungel die met de neus in de wind, een hoge boord onder de kin, een partij geleerdheid onder de arm, overal met zijn waanwijheid te koop loopt’ en ‘de nufjes, die reeds als dames behandeld willen worden, terwijl ze nog in de korte rokken zijn’, zich laten ontwikkelen tot ‘gezonde, krachtige, tevreden menschen. [3]
Vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw had zich een denken van de westerse wereld meester gemaakt waarin werd aangenomen dat door de doorgaande ontwikkeling van de mens zowel in zijn biologische staat als in zijn staat als maatschappelijk wezen, de gemeenschap zich vanzelf zou ingroeien tot een gemeenschap van weldenkende en weldoende mensen, waardoor sociale misstanden vanzelf zouden verdwijnen.

Dit denken had zich in het laatste decennium der negentiende eeuw ook in de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) gevormd. Woordvoerder hiervan was: Adriaan Henri Gerhard (1858-1948), een der oprichters van de SDAP. Gerhard genoot groot aanzien, zijn Sociaal Sprookje werd verschillende malen gedrukt en voorgelezen op vergade­ringen.[4]
Hij
had het boek: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, in het Nederlands vertaald laten verschijnen.[5]
Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919) was bioloog en aanhanger van een monistisch denken. Haeckel had in 1899 Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philosofie, laten verschijnen. [6]

Het boek werd een ongeëvenaard succes: er werd in honderden publicaties en tijdschriften over gepubliceerd, het werd uitgegeven in meer dan twintig talen en er werden drie miljoen exemplaren van verkocht.[7]
Haeckel was popularisator van een door de successen van de natuurwetenschappen gevormd denken waarin het organisch leven: mens, plant en dier, én het an-organisch leven: de menselijke geschiedenis, als één geheel werd gezien dat zich doorgaand zou ontwikkelen. Haeckel had zich laten inspireren door de Engelse bioloog Charles Darwin (1809-1882). Darwin had er in
The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life, op gewezen dat de natuur niet een voor eens en altijd vaststaand gebeuren is. [8]

Mogelijk gemaakt door de overweldigende hoeveelheid feitenmateriaal door de ontwikkeling van de paleontologie, de planten- en diergeografie en de geologie die hem ter beschikking stonden, was Darwin de eerste, die de historische methode in de biologie toepaste. Hij had gesteld dat alle tegenwoordig levende soorten van dieren en planten niet onveranderlijk zijn en dat de gehele tegenwoordige organische wereld, planten zowel als dieren en dus ook de mens, het product zijn van een ontwikkelingsproces, dat miljoenen jaren geduurd heeft. Door de z.g. natuurlijke selectie of teeltkeus had de organische wereld een doorgaande evolutie doorgemaakt waarbij die soort behouden blijft die het best aangepast was aan de omgeving en de omstandigheden, niet slechts wat de uiterlijke eigenschappen (soort) betreft, maar ook wat betreft de innerlijke hoedanigheden: het functioneren van het hart en de longen, de ontwikkeling van het zenuwstelsel en de zintuigen en de kracht der instincten. De zoöloog Alfred Russel Wallace (1923-1913) die uitvoerig onderzoek had gedaan in o.a. de Indische Archipel was onafhankelijk van Darwin tot dezelfde conclusie gekomen. Darwin en Wallace hadden hierover op 1 juli 1858 gezamenlijk een verklaring afgelegd voor de Linnean Society of Londen.
Darwin was tot zijn conclusie gekomen door van de Engelse geestelijke Thomas Robert Malthus (1766-1834). Malthus had in An Essay on the Principle of Population, as it affects the future improvement of society with remarks on the speculations of mr. godwin, m. condorcet, and other writers, dat voor het eerst verscheen onder zijn schuilnaam: J. Johnson, gesteld dat wanneer zich geen rampen of epidemieën voordeden, de omvang van de bevolking toenam als een meetkundige reeks: 1, 2, 4, 8, 16, 32, 64 enz., en de hoeveelheid voedingsmiddelen, onder de meest gunstige omstandigheden, toenam in een rekenkundige reeks: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 enz. waardoor er periodiek (elke 25 jaren) een periode was waarin de omvang van de bevolking twee keer zo groot was, dan de hoeveelheid beschikbare voedingsmiddelen.[9]
In deze periode van ‘overbevolking’ zou het zwakke deel van de bevolking overlijden en het sterke deel in leven blijven.[10]
Deze ‘demografische verelendungstheorie’ was onjuist. Wanneer in Engeland de omvang van de bevolking toenam steeg het aanbod van arbeidskrachten, daalde als gevolg hiervan de hoogte van het loon tot ver onder het bestaansminimum, en kwam een gedeelte van de bevolking om van de honger. Wanneer dan door overlijden de omvang van de bevolking weer was afgenomen, stegen de lonen weer.

Om de mensen, die de ‘domheid’ hadden arm te zijn, niet in verleiding te brengen om grote gezinnen te vormen stelde Malthus voor, geen armen-ondersteuning toe te staan. Hij meende dat het toch niet de besten waren, die arm waren en hun voortijdige dood zou dus geen verlies zijn voor de maatschappij. Letterlijk stelt hij in de eerste druk van zijn boek: "Wie niet in zijn bestaan kan voorzien, noch door hulp van zijn familie, noch door
derden, heeft absoluut geen recht op voedsel, hij is inderdaad op de wereld overbodig. . . . De natuur beveelt hem te gaan en aarzelt ook niet haar bevel uit te voeren."
Maakte Malthus het verdelingsprobleem van de welvaart: een gedeelte van de bevolking ontvangt een inkomen dat te laag is om van te leven, tot een rekenkundig probleem: de vermeerdering van bevolking en voedsel vindt ongelijkmatig plaats. Neo-Malthusianen in Nederland maakten het verdelingsprobleem van de welvaart tot een bevolkingsprobleem: er zijn meer mensen dan er werk is. Zij bepleitten het verkleinen van de omvang van de bevolking door een vrijwillige geboortebeperking. Dit was ook het doel van de in 1881 opgerichte Nieuw-Malthusiaanse Bond dat met de voorlichtingsbrochure ‘De middelen ter voorkoming van groote gezinnen’ en een zogenaamd ‘middelenboekje’ zich richtte op de beperking van geboorten.

b) Verantwoordelijkheidsbesef

De regering Pierson (1897-1901) laat jeugdigen die door de rechter zijn veroordeeld niet meer opsluiten, maar opvoeden in het eigen gezin. Voogdijraden kregen de taak de rechter te adviseren en gezinsvoogden, verenigd in de Pro Juventute verenigingen, de leiding van het gezin.
Rond de wisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat door een betere opvoeding een einde zou komen aan sociale misstanden.
[11]
Woordvoerder van dit sociaal-liberaal denken was de hoogleraar in de staathuishoudkunde en statistiek Adriaan Cort van der Linden (1846-1935). Cort van der Linden had in Richting en beleid der Liberale partij gesteld dat het de werklieden ontbrak aan matigheid, orde en spaarzaamheid, en dat ze daar zelf verantwoordelijk voor waren.[12]

c) Saamhorigheid
Aan de Humanitaire School in Laren laten de leerkrachten de jeugdigen elkaar helpen en samenwerken.[13]
Tussen 1896 en de Eerste Wereldoorlog had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat samenwerking, en wederzijdse hulp, de ontwikkeling naar een betere gemeenschap zou bevorderen.
[14]
Woordvoerder van dit Christen-anarchisme, of Humanitaire Idealisme of Tolstojanisme zoals het ook wel werd genoemd was de hoogleraar in de weefselleer Jacob (Koos) van Rees (1854-1924). Van Rees: een kleine man met een baardige profetenkop – als Tolstoi – met eigenaardig heldere dwepersogen, boven een donkergetinte, ruime cape’, . . . een mensenvriend, maar niet zonder heersersneigingen [15] had in zijn woonhuis in Laren enkele kamers beschikbaar gesteld voor het onderricht en voor huisvesting van de onderwijzers en sprong bij wanneer er een financieel tekort dreigde te ontstaan.
Hij had in Blaricum eerder een kolonie opgericht waaraan een einde was gekomen toen de plaatselijke bevolking de gebouwen van de kolonie vernielden uit woede van de gevolgen van de op 8 januari 1903 gehouden spoorwegstaking.
De Russische edelman Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910) was omstreeks 1900 plotseling met veel werken voor de dag gekomen. [16]
Tolstoj werd als één der indrukwekkendste en raadselachtigste verschijningen van de 19 e eeuw gezien die een enorme indruk maakte. Hij was de zoon van een der oudste grafelijke families in het tsarenrijk. Ze zouden in de veertiende eeuw met een schare van volgelingen uit het westen zijn gekomen, om zich in de Oekraïne te vestigen. Hun aanzien was gestegen en hun rijkdom toegenomen. Tolstoj erfde het landgoed Jasjana Poljana waar hij de kinderen van de boerenbevolking onderricht liet geven tijdens de wintermaanden wanneer er voor hen niet veel te doen was.

Aanhangers van Tolstoj (ook wel geschreven als Tolstoy) in Nederland lieten zich inspireren door de vorst, politicus, historicus en bioloog: Peter Kropotkin (1842-1921). Kropotkin was een man van de wetenschap.[17]
Kropotkin aanvaardde de evolutietheorie van Darwin, maar had kritiek op het door hem aangenomen selectiebeginsel waarin de strijd voor het voortbestaan: the struggle for life, en de strijd van de sterkste te overleven: the survival of the fittest de evolutie van levensvormen zou bevorderen. Kropotkin had erop gewezen dat in het tsaristisch Rusland, waar feodale en communale samenlevingsvormen domineerden en de vrijemarkteconomie nog een ondergeschikte rol vervulde, juist bepaalde vormen van samenwerking, en van wederzijdse hulp, de ontwikkeling van de gemeenschap hadden bevorderd.
[18]

d) Tevredenheid
De uitgever Eduard Benjamin Ter HorstJr. (1865-1905) laat voor jeugdigen verhalen schrijven over het dagelijkse huiselijk leven van een gezin en wandplaten maken met een illustratie van het dagelijkse leven van een handarbeider.[19]
In het laatste decennium der negentiende eeuw had zich een d
enken gevormd waarin een ieders plaats in het sociale leven werd gezien als door god gegeven.
Woordvoerder van dit orthodox-protestants denken was de hoogleraar in de theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam:
Abraham Kuyper (1837-1920), waar zijn woord een onbegrensd gezag genoot. Kuyper was in Maassluis geboren als zoon van een Hervormd predikant en ‘klokkenist der kleyne luyden’: ambachtslieden, kleine boeren, geschoolde arbeiders, winkeliers geworden. Hij had in 1880 in het door hem opgerichtte dagblad: De Dageraad, onder de titel Antirevolutionair ook in uw Huisgezin een serie van opstellen laten verschijnen over de betekenis van het gezin voor het maatschappelijk leven.[20]
 In het opstel In ons Huisgezin wortelt ons staatkundig leven, beschrijft Kuyper
het gezin te zien als ‘de wortel en de kiem waar heel de Staat uit opwast, niet volgens uitvinding der menschen, maar volgens het bestel van den levenden God’, waarin de vader ‘eene macht is, die bepaalt hoe het moet, en waaraan het kind zich heeft te onderwerpen’. [21]
Kuyper nam aan dat zo het besef zou ontstaan ‘van eerbied voor een boven ons staand gezag’, en het besef dat ‘de beslissing over de positie, waarin we geboren zouden worden, niet aan ons stond, maar aan een macht buiten ons’.[22]
In een opstel Handenarbeid had Kuyper opgeroepen arbeiders bij te brengen ‘met weinig tevreden leeren zijn’. [23]
Op een in 1891 gehouden congres, waar kopstukken uit de Anti-Revolutionaire Partij inleidingen hielden, had Kuyper de openingsrede gehouden: Het Sociale vraagstuk en de christelijke religie.[24] Hierin had hij de Sociale quaestie aan de orde gesteld: het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot. Kuyper had het opkomen van arbeiders voor verbetering van het lot veroordeeld als een dienst van Mamon, de aanwezige arbeiders opgeroepen af te zien van verbetering van het lot door hun in de plaats daarvan ‘het eeuwige leven’ in het vooruitzicht te stellen en ‘heerlijkheden na het aardse bestaan’, en er voor gewaarschuwd dat ‘een lotsverbetering in deze korte spanne tijds van ons tijdelijk aanzijn, wild en woest alle uitzicht op een heerlijkheid, die eeuwig duren zal, afsnijdt’.[25]
Kuyper had leidinggegeven aan een
afsplitsing van de Hervormde Kerk waaruit samen met andere groepen van gelovigen de Gereformeerde Kerken in Nederland waren ontstaan.
Kuyper, op 1 augustus 1901 ministerpresident geworden van het naar hem genoemde kabinet, had de in januari 1903 gehouden spoorwegstaking veroordeeld als een misdrijf: ‘misdrijf was het, om voor zoo gering doel zulk een beweging te ontketenen, misdrijf, om het spoorwegverkeer, eerste voorwaarde voor 's lands welvaart, stil te leggen, misdrijf, een van de belangrijkste organen, die de overheid tot uitoefening van haar taak noodig had, te verlammen. Dit misdrijf moest als zoodanig gequalificeerd en in het Wetboek van Strafrecht gebracht worden, te meer, daar het werd aanbevolen, geloofd en gepredikt. Ging men dit drijven niet te keer, dan zou de overheid ondergeschikt worden aan het bestuur van een federatie. Men mocht voorzichtig zijn, zoo waarschuwde Kuyper, het gevaar was nog niet geweken, het bestond nog.’ [26]

Kuypers’ oordeel werd in de in hetzelfde jaar door koningin Emma uitgesproken troonrede nog eens duidelijk herhaald: het was ‘eene misdadige woeling’.[27]
De uitgever TerHorstJr. werd in Groningen geboren als zoon van Eduard Benjamin TerHorst (1828-1896) en Anna Berendina Gerhards (1840-1865). Vader TerHorst was op zestienjarige leeftijd vanuit Twente naar Groningen verhuisd om te werken in de papier- en boekwinkel van zijn zwager: Jan Berends Wolters (1808-1860). Toen het echtpaar Wolters in 1860 overleed was vanwege het ontbreken van nakomelingen TerHorst eigenaar geworden van de papier- en boekwinkel, die hij op zijn beurt in 1894 had overgedaan aan zijn zoon.
TerHorstJr. was opgegroeid in een Nederlands hervormd gezin, maar aanhanger geworden van het orthodox-protestants denken van Kuyper. Hij hiervan kennsi gekregen door zijn omgang met de predikant S.D.van Veen (1856-1924) met wie hij een uitgebreide reis had gemaakt langs steden buiten Nederland om illustraties te verzamelen voor een uit te geven bijbel.
TerHorstJr.
had Hindricus Scheepstra (1859-1913) verzocht de verhalen te schrijven over het dagelijkse leven van een gezin, en zich hierbij laten bijstaan door Gerard Jan Ligthart (1859-1916).
Scheepstra was opgegroeid op het platteland van Drenthe en leraar geworden aan de Rijkskweekschool in Groningen. Hij was auteur van vele door de uitgever Wolters (ter Horst Sr. en Jr.) uitgegeven schoolboeken zoals: Natuurkennis voor de volksschool (1893), Schoolwandelingen (1893), Ambachten en bedrijven (1903) en samen met de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs in de eerste schooljaren (1899) waarvoor de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868) de illustraties had gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Ook was Scheepstra sinds jaren redacteur van De Schoolwereld, een door Wolters uitgegeven periodiek.
Ligthart was opgegroeid in de Amsterdamse volksbuurt: De Jordaan en na de lagere school niet aan het werk gegaan bij een kleine baas, wat gebruikelijk was onder zijn leeftijdsgenoten, maar kwekeling geworden, wat betekende dat hem aan een lagere school door de hoofdonderwijzer het vak geleerd werd van onderwijzer en dat hij in de avonduren verdere studie volgde.

Jan was geen kind om bij een kleine baas aan het werk te gaan én geen kind van wie de ouders of leerkrachten dachten dat het met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht.
Ligthart slaagde bij de tweede poging voor het examen van de opleiding die hem de bevoegdheid moest geven aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school. Hij kreeg in 1885 een aanstelling als hoofd van een school in de Tullinghstraat in Den Haag en werd lid van het bestuur van het in 1842 opgerichte Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) waarvan vooral hoofden van scholen en leraren uit het voortgezet onderwijs lid waren.
Het in 1842 opgerichte NOG fuseerde in 1946 met in 1874 opgerichte Bond van Nederlandse Onderwijzers (opgericht 1874). Hieruit ontstond de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV). Uit een fusie van de NOV met de Nederlandse Bond van Leerkrachten bij het Nijverheids Onderwijs (NBLNO) ontstond in 1966 de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP). De ABOP fuseerde in 1997 met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Het NGL was ontstaan uit een fusie van het Genootschap van Leraren, de Algemene Vereniging voor Middelbaar Onderwijs, de Christelijke Vereniging voor Middelbaar en Hoger Onderwijs en de Vereniging Sint-Bonaventura. Uit de fusie van de ABOP met het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) ontstond in 1997 de Algemene Onderwijs Bond (AOB).
In de door TerHorstJr. uitgegeven en door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalen wordt het dagelijkse bestaan beschreven van een gezin dat op het platteland een ruime vrijstaande comfortabele woning bewoont met een moeder die geen betaalde bezigheden buitenshuis verricht en een vader die de kost verdient als hoofdarbeider. Het is een gezin ‘waar van jongsaf Vader en Moeder met elkaar en met de kinderen omgaan, waar een beschaafde, welwillende toon heerscht, waar de ouders dag aan dag een levend voorbeeld geven van vriendelijkheid, inschikkelijkheid, opofferingsgezindheid, en niet alleen jegens elkander en de kinderen, ook jegens de dienstboden en de gasten’. [28]
In deze romantische verhalen waarin de bucolische idylle (het land en herdersleven) de boventoon voert staat het beschreven bestaan op het platteland in schril contrast met het feitelijke bestaan van de overgrote meerderheid van bevolking.
De omstandigheden waaronder de arbeiders op het platteland leefden waren erbarmelijk: volkomen verwaarloosd, dikwijls in lemen hutten, half onder, half boven de aarde gebouwd, verstoken van alle middelen van bestaan.
[29]
Het in de verhalen beschreven dagelijkse bestaan stond ook in schril contrast met het dagelijkse leven van de jeugdigen in de steden. Bij de volkstelling uit 1899 bleek dat in Nederland bijna een kwart van de bevolking (23%) in een eenkamerwoning gehuisvest was; dat percentage bedroeg voor de stad Rotterdam en de provincie Groningen 58%, voor de provincie Drenthe zelfs 62%.
In de meest beruchte buurten in Amsterdam, zoals de oude Jodenbuurt, Kattenburg en de Jordaan woonden duizenden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in klamme kelderwoningen, of op afgeschotte zolders, in eenkamerwoningen, vaak met drie of meer personen, of soms in betere woningen die een kamer, een keukentje en een alkoof hadden, en rug aan rug gebouwd waren. Deze woningen vormden naamloze stegen met bergplaatsen voor lompen of vispakhuizen, waar een ondraaglijke stank hing, waar ratten en wandluizen de nimmer ontbrekende gasten waren. Waar een waterleiding meestal ontbrak en dikwijls door een aantal gezinnen werd gedeeld. Privaten werden gedeeld met twee, vier, soms zelfs met zes of acht gezinnen of waar er zelfs maar één privaat was werd deze gedeeld door een hele steeg. Elk jaar overleden er duizenden arbeiders aan de gevreesde proletariërziekte: de tering, en de kindersterfte was er verschrikkelijk hoog. De moeders en de vaders werkten veelal in fabrieken en werkplaatsen of verdienden er de kost in de huisindustrie.
Dat Scheepstra zich door de uitgever moest laten bijstaan bij het schrijven door Ligthart hield verband met de achtergrond van Ligtharts maatschappelijke opvattingen: het gereformeerde geloof, waarvan Ligthart blijk had gegeven aanhanger te zijn. De gereformeerde predikant C.W. Coolsma (1877-1955) beschrijft Ligthart als een man die ‘door-en-door godsdienstig, innig vroom, kinderlijk vroom’ was.
[30]
De predikant Willem Banning (1888-1971) beschrijft hoe Ligthart’s latere publicaties over de religieuze achtergrond van zijn onderricht insloegen.
[31]
De uitgever Ter Horst Jr. had in het voorjaar van 1899 het periodiek: De schoolwereld. Weekblad van het lager onderwijs in Nederland en de koloniën, met M.J. Koenen (auteur van het Verklarend Woordenboek der Nederlandse Taal) en de onderwijzers W.K. Walstra en P.H. Mulder als redacteuren, en door Scheepstra werd geredigeerd, abrupt beëindigd. Drie maanden later was TerHorstJr. een man ‘van uitersten’ en ‘niet altijd vrij van een zekere grilligheid’
[32] met een nieuw periodiek gekomen dat hij als titel had gegeven: School en Leven en als ondertitel: Weekblad voor opvoeding en onderwijs in school en huisgezin en waarvan hij als redacteur had aangesteld Ligthart.
Het door Ligthart geschreven openingsartikel: Een woordje aan ’t slot, deed veel stof opwaaien: het had de lezers te veel doen denken aan een preek.
[33]
De onderwijzer Theo Thijssen (1879-1943), die enkele bijdragen aan School en Leven had geleverd, was in conflict gekomen met Ligthart. Thijssen had niet anders kunnen oordelen dan dat Ligthart zich had laten inpalmen door allerlei zedepredikers om hem heen.
Ook had de uitgever TerHorstJr. op door Scheepstra en Ligthart geschreven verhalenbundels Ligthart als auteur vermeld en Scheepstra als mede-auteur en de naam van Ligthart als mede-auteur vermeld op een heruitgave van een door Scheepstra en Walstra geschreven Handleiding voor het zaakonderwijs (een lijvig boekwerk met vier reeksen van wandplaten). De uitgever had de naam van de feitelijke auteur: Walstra onvermeld gelaten.
De wandplaten met een illustratie van een handarbeider die door Ter HorstJr. werden uitgegeven boden een beeld zoals Ligthart een arbeider beschrijft, n.l. als iemand ‘die zijn eentonig werk . . . zingende verricht en daarbij niet alleen onder zijn arbeid maar ook van zijn arbeid geniet’.
[34].
Een beeld zoals ook de predikant J.P. Hasebroek (1812-1896) arbeiders schetst: De arbeider leidt zijn eentonig en onafgewisseld leven met onveranderlijke tevredenheid. Ook al kunnen wij niet naar hem kijken zonder een opkomend gevoel van medelijden over zijn zware arbeid en armoedig bestaan, ik verzeker ik u dat hij ons daarvoor niet bedanken zou, omdat hij van al ons beklag niets zou begrijpen. Maar er is ook geen reden toe: de man heeft alles wat hij wenst. Zijn klok staat aan de hemel: hij gaat met de zon aan het werk en naar bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor het hardste roggebroed, en zijn lichaamssappen weten niets van het schadelijke van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met slaapbollen gevuld. Alle dagen heeft hij een lekker gastmaal: aardappelen door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na de arbeid.
[35]
Om de jeugd kennis bij te brengen van het dagelijkse leven van een handarbeider liet Ter HorstJr. wandplaten maken met een afbeelding van het dagelijks leven van een arbeider door de in de toenmalige plattelandsgemeente Groningen opgegroeide Cornelis Jetses (1873-1955). Jetses maakte de wandplaten naar voorbeeld van illustraties van de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868).[36]

e) Plichtsbesef  
In Ons Huis in de Amsterdamse volkswijk de Jordaan wordt jeugdigen de mogelijkheid geboden de kennis te vermeerderen. Er kan gebruik worden gemaakt van een bibliotheek en een leeszaal, deelgenomen worden aan een praatavond, aan een zondagavondbijeenkomst, een lezing of een voordracht worden gevolgd, een tentoonstelling worden bezocht, onderricht worden gevolgd in de Nederlandse taal, in koken, in kleding knippen, in kleding verstellen, in muziek maken, in toneel spelen.[37]
In het eerste decennium van de twintigste eeuw had zich onder middenstanders, ambtenaren, onderwijzers en intellectuelen een denken gevormd waarin werd aangenomen dat wanneer over voldoende algemene kennis beschikten vanzelf een einde zou komen aan hun sociale misstanden. Woordvoerder van dit een vrijzinnig-democratisch denken was Arnold (Nol) Polak Kerdijk (1846-1905). Kerdijk had privé-onderwijs gevolgd, rechten gestudeerd aan de Rijksuniversiteit van Utrecht, een proefschrift geschreven over de 'arbeiderskwestie' en in 1901 de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) opgericht.
Kerdijk had zich laten inspireren door het werk van E.C.Knappert (1860-1952). Knappert had eerder in Leiden in het Leidse volkshuis geopend aan werkloos geworden dienstmeisjes en andere vrouwelijke jeugdigen de mogelijkheid geboden onderricht te volgen in Nederland, in het herstellen van kleding, in verpleging, gelegenheid te maken van een bibliotheek, wandeltochten te maken, een zangkoor voor arbeiders en vakantiedagen voor de bezoekers.

Knappert had de Mulo gevolgd, de acte Frans gehaald en het diploma godsdienstonderwijzeres. In 1896 had ze de brochure De Arbeidskerk in Engeland van John Trevar vertaald en gepropageerd die een socialisme voorstond waarin aan intellectuelen de leiding werd toegedacht.

In 1915 werd ze directrice van de Amsterdamse School voor Maatschappelijk Werk. Toen Knappert in 1926 met pensioen ging had ze haar intrek genomen in een huisje op het terrein van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Bentveld.
Knappert had zich op haar beurt laten inspireren door het werk van de student Arnold Toynbee (1853-1884). Toynbee had in de Londense arbeiderswijk East-End een woning betrokken van waar uit hij de arbeiders kennis bijbracht, muziek voor hen maakte en in en voor de buurt werkzaam was, nadat de kwekeling Charles Lowder uit Oxford hem hierin voor was gegaan. Studenten en afgestudeerden die zich tot dit werk aangetrokken voelden namen plaats in buurtcommissies en besturen om verbeteringen door te voeren.
In Nederland waren socialistische studenten betrokken geweest bij de eerste pogingen om tot het Toynbee-werk te komen.
Na de dood van Arnold was ter nagedachtenis aan hem in 1884 door het dominees-echtpaar Barnett een hoofdkwartier opgericht: de Toynbee-Hall met een leeszaal, een ruimte waar sport beoefend kon worden, een ruimte waar studenten gedurende enige tijd konden wonen en slapen en met de mogelijkheid voor de bewoners uit de buurt elkaar te ontmoeten.

f) Werklust
Aan de Engendaalschool in Soest laten de leerkrachten jeugdigen in de schooltuin werken.[38]
In het eerste decennium der negentiende eeuw had zich onder bepaalde groepen van intellectuelen en kunstenaars een denken gevormd waarin werd aangenomen dat voor een ieder die wilde werken een gelukkig bestaan mogelijk was. Woordvoerder van dit humanitair-idealisme was de arts Frederik Willem van Eeden (1860-1932). Van Eeden: ‘een man die wel voor, maar niet met de massa voelde
[39], behoorde tot die groep van intellectuelen bij wie omstreeks 1900 productieve associaties (kolonies) zeer in trek waren. Ze hadden kritiek op het kapitalisme, en trachtten door het oprichten van communistische productieve associaties een aanvang te maken met een communistische maatschappij.[40]
Van Eeden had in 1898 in Bussum zijn productieve associatie: Walden opgericht. Hij nam aan dat er in West-Europa en Amerika geen plotselinge maatschappelijke verandering op komst was en had zijn plan ontworpen voor coöperatieve associaties binnen de bestaande maatschappij.
Zo schrijft Van Eeden aan Henri Borel (28 februari 1898): 'Als je me belooft te zwijgen, dan zal ik je vertellen wat er hier broeit. Ik heb allang mijn huis te groot gevonden en mijn leven te verkwistend. Ik verteer meer dan 6000 's jaars en ik weet niet waaraan. Dat opeten van wat anderen zo moeitevol voortbrengen, gaat mij verdrieten. Nu ga ik een stukje grond kopen, daarop een klein huis zetten, mijn huishouden bezuinigen en van mijn grond zien te halen wat er door overleg en werk van te halen is. Dan zal ik geld overhouden en daarvan wil ik laten leven wie met mij hetzelfde leven wil delen, maar die er nu niet toe in staat is, omdat hij zich niet vrij kan kopen van de maatschappij ( .. ) Een sober buitenleven, handenarbeid en studie. Geen geldmakerij meer, de band met het kapitaal zo klein mogelijk, de eigen voortbrenging zo groot mogelijk. Ik zal trachten grond machtig te worden. Vrij zonder hypotheek of schulden natuurlijk. We beginnen met de eenvoudigste woningen en langzaamaan.' [41]
Hoever de kolonie Walden echter buiten de realiteit van het leven stond, illustreert de kijk van een paar arbeidersjongens op deze zaak: 'In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we op een zondag er heen waren gelopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zoals dat toen genoemd werd, en z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar weer naar Amsterdam terug.[42]
Van Eeden stelde dat het onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten op een misvatting berustte: ‘Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen’.
[43]
Van Eeden nam het bestaan aan van drie standen: zij die het inkomen verkrijgen uit de opbrengst van geld: grondbezitters, aandeelhouders, renteniers; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij de overheid of uit het verrichten van arbeid als zelfstandige beroepsbeoefenaar: lakeien, ambtenaren, artsen, advocaten; zij die het inkomen verkrijgen uit het verrichten van arbeid in loondienst bij particulieren: fabrieksarbeiders, dagloners.
[44]
Van Eeden wees de georganiseerde strijd van de arbeiders te komen tot verbetering van de levensvoorwaarden en -omstandigheden af, wat hem er niet van weerhouden had zijn hele vermogen op het spel te zetten voor hulp aan de slachtoffers van de spoorwegstaking van 1903. Hij schreef in Waarvoor werkt gij, als enig juiste oplossing voor een antikapitalistische samenleving te zien een coöperatieve verbruiksvereniging: een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze.[45]
Van Eeden was bewonderaar van de Oosterse theosoof Abindranath Tagore (1861-1941) en enige tijd aanhanger van het denken van de in Groningen in een straatarm gezin geboren hoogleraar in de filosofie, en pre-fascist: G.J.P.J. Bolland (1854-1922). Van Eeden had in De Nieuwe Gids, waarvan hij redacteur was, geschreven dat de gedachten die hij had verwoord in zijn Redekunstige grondslag van verstandhouding, grote overeenkomst vertoonden met die van Bolland.
[46]
Van Eeden zou bij een andere gelegenheid spreken over ‘de vriendelijke, goedhartige en naïef-geniale professor.
[47]
Van Eeden richtte later de Bond van de koninklijken van geest op, waarmee hij zijn stempel wilde drukken op de cultuur en politiek van Europa,
De kolonie Walden ontwikkelde van een amateuristisch tuinbouwbedrijf zonder duidelijke reglementen tot een antikapitalistische commune, die niet anarchistisch werd genoemd maar in de praktijk wel uitging van gemeenschappelijke besluitvorming en vrijwillige beheersing van egoïsme. Het economisch zwaartepunt lag in latere jaren niet meer in land- of tuinbouw maar in enkele coöperatieve bedrijven, waarvan de bakkerij tot lang na de opheffing van Walden floreerde.
Van Eeden had zich laten inspireren door de Amerikaanse denker David Thoreau (1817-1862). Thoreau had van 1845 tot 1847 vertoefd in een boshut bij de Walden-vijver in de Amerikaanse staat Massachusetts en in 1854 zijn Walden, or Life in the woods laten verschijnen.
Van Eeden had het relaas van Thoreau waarin de door de schrijver nagestreefde vereenvoudiging van levensomstandigheden centraal stond, in het Nederlands vertaald en voorzien van een voorwoord laten verschijnen.
[48]

g) Naastenliefde
I
n Vledderveen (Gr.) laat de onderwijzer Hendrik Leonard Borgman (1880-1950) jeugdigen de verdeling van consumptiegoederen naspelen op een perceel dalgrond waar hiervoor een afbeelding was gemaakt van Nederland, Europa en Amerika. [49]
Borgman was opgegroeid in Eenrum (Gr). Hij had de opleiding tot onderwijzer gevolgd aan de Rijkskweekschool voor onderwijzers in Groningen. Borgman had zich laten inspireren door het denken van de predikant Bartholomeus (Bart) de Ligt (1883-1938). De Ligt behoorde tot die groep van christen-socialisten die aannamen dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een eerlijke verdeling van consumptiegoederen.
Deze volwassenen voelden zich niet thuis in de SDAP. Zij waren het weliswaar eens met de strijd van de SDAP tegen de reactionaire politiek van de kerken en de confessionele kabinetten, maar stonden afwijzend tegenover het culturele en geestelijke klimaat van de SDAP. In de SDAP werd het christelijk geloof afgewezen als zijnde in strijd met de uitkomsten van de natuur- en maatschappijwetenschappen én gezien als in strijd met de menselijke waardigheid doordat het mensen van strijd voor lotsverbetering afhoudt of deze althans in het licht van de eeuwigheid tot iets van ondergeschikte betekenis maakt.
[50]
De Ligt was enige tijd aanhanger van het orthodox-protestantse denken van de pre-fascist G.J.P.J. Bolland (1854-1922). Hij had zich in 1910 aangesloten bij de in 1907 opgerichte Bond van Christen-Socialisten (BVCS), ook wel Religieus Socialistisch Verbond genoemd.
[51]
Bij de BVCS sloten volwassenen zich aan uit anti-revolutionaire en christelijk historische kringen en volwassenen rond het christelijk weekblad Algemeen Welzijn die geloofden dat op een vreedzame wijze gekomen kon worden tot een betere verdeling van consumptiegoederen.
De Ligt had in het beginselprogramma voor de BVCS: God Uzelf Uw Naaste, opgeroepen het tweede gebod van Christus in het Mattheus-evangelie na te leven: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.
[52]

3. Democratische gezindheid

Na de Eerste Wereldoorlog gaan volwassenen met een samenhangende levens- en wereldbeschouwing en een hang naar theosofie, antroposofie of een op het christendom geïnspireerde religie uit angst voor een revolutie en weer een oorlog een democratische gezindheid bijbrengen.  

a) Respect voor een ieders godsdienstige en/of maatschappelijke overtuiging.


Naar aanleiding van een in 1917 door de regering ingesteld onderzoek
[53] besloot de leiding van de SDAP samen met het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) een Centrale voor Jeugdontwikkeling in te stellen met als taak voor de aangesloten jeugdigen ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren.[54]  
Het lid van het gemeentebestuur in Amsterdam voor de SDAP en wethouder voor het onderwijs: Eduard (Eliazer) Polak (1880-1962) volgde dit voorbeeld door voor de jeugdigen aan het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes in Amsterdam ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te laten organiseren. De confessionele regering, bestaande uit: Rooms Katholieke Staats Partij, Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie, volgde het voorbeeld van de SDAP en het NVV door in 1920 te komen met een Centrale Jeugdraad met als taak voor niet bij de SDAP of het NVV aangesloten jeugdigen ontwikkelings- en ontspanningsactiviteiten te organiseren.

b) Respect voor een ieders aanleg
De onderwijzer Berend Wouters laat aan de Pythagorasschool op het landgoed Eerde in Ommen de jeugdigen kiezen een activiteit te verrichten met de handen of een met ‘het hoofd’.[55]
Wouters was aanhanger van de Theosophical Society. Hij had zich op 10 mei 1903 onder nummer 23648 als lid laten inschrijven. De Theosophical Society was in 1875 opgericht door Helena Blavatsky (1831-1891) en enkele sympathisanten.
Blavatsky was geboren als Helena Petrowna von Hahn Rottenstern in de Oekraine in het financieel beter gesitueerde deel van de bevolking en gehuwd geweest met Nikofor Blavatsky. In de Theosophical Society had zich een denken gevormd waarin een maatschappelijke positie gezien werd als een zaak van aanleg. Het doel van de Theosofische Vereniging was te komen tot een sfeer van algehele broederschap zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. De Vereniging was een groot succes met vele vertakkingen over de wereld. In 1910 waren er bijna zevenhonderd loges (afdelingen), verdeeld over ruim zestien landen waaronder Nederland, met in totaal bijna 17.000 leden.

c) Respect voor een ieders geestelijke ontwikkeling.
Aan de Pallas Athene School in Amersfoort laat de onderwijzer Johann (Jo) Hermann Bolt (1883-1973) de jeugdigen onderricht volgen in groepjes die samengesteld zijn uit verschillende leerjaren.[56]
Bolt, opgegroeid in een gezin waarvan de ouders het Luthers geloof aanhingen, had zich op 26 maart 1915 onder nummer 58560 als lid laten inschrijven van de Theosofische Vereniging.
[57]
In de Theosophical Society had zich na de dood van Blavatsky een denken gevormd waarin een maatschappelijke positie gezien werd als een zaak van geestelijke ontwikkeling. Woordvoerder van dit denken was Annie (Wood) Besant (1847-1933). Besant had eerder een leidende functie binnen de Anglicaanse kerk. Zij had na de dood van Blavatsky de leiding van de Theosofische Vereniging overgenomen en in 1911 de jonge Indiër Jiddu Krishnamurtie (1895-1986) aangesteld als de nieuwe wereldleraar, de opvolger van Jezus. Om de jonge Indiër te ontmoeten kwamen op de jaarlijkse Sterkampen in Ommen tussen 1923 en 1930, vele duizenden aanhangers uit alle delen van de wereld bijeen.

d) Respect voor een ieders temperament
Aan de Vrije School in Den Haag laten de leerkrachten gelijkgestemde jeugdigen gezamenlijk onderricht volgen.[58]
De leerkrachten o.a. Daniel (Daan) Johan van Bemmelen (1899-1982), Emmy Smit, Elisabeth Mulder (1893-1968), Helene Bruinier-Drooglever Fortuyn (1874-1959), Pieter Jacobus de Haan (1891-1968), Max Leon Stibbe (1898-1973) waren allen aanhanger van het denken van Rudolph Joseph Lorenz Steiner (1861-1925). Steiner had gesteld dat een maatschappelijke positie een zaak was van temperament en dat dit bepaald was door invloeden vanuit de kosmos: zon, maan en sterren.
Steiner was enkele jaren lid van de Theosofische Vereniging
en in 1913 met een ‘eigen’ Antroposofisch Gesellschaft gekomen en had de leiding gekregen over de Freie Waldorfschule in Stuttgard, opgezet door Emil Mohlt (1878-1936) eigenaar van de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria,  om de arbeiders en de leiding nader tot elkaar te brengen.
Geïnspireerd door denkers uit de oudheid onderscheidde Steiner vier temperamenten: sanguinisch (opgewekt, vrolijk), flegmatisch (rustig, kalm), melancholisch (zwaarmoedig, somber) of cholerisch (opvliegend).
De Griekse wijsgeer Empedokles van Syracuse (490-435) had eerder gewezen op de aanwezigheid van vier onderling kwalitatief verschillende elementen die alle door zintuigelijke waarneming bekend zijn: de vaste aarde, het vloeibare water, de gasvormige lucht en het gloeiende verterende vuur; de Griekse wijsgeer Aristoteles van Stagira (384-322) had eerder gewezen op het bestaan in de kosmos van vier elementen: zon, maan, planeten en sterren; onder invloed van de vier elementen van Aristoteles had de Griekse arts Claudius Galenus (131-216) in het menselijk lichaam vier lichaamsvochten (humores) aangenomen: bloed (sanguis), slijm (flegma), zwarte gal (melancholia) en gele gal (cholera) van wier vermenging gezondheid, ziekte en verdere hoedanigheden afhingen; de Romeinse dichter en filosoof Titus Lucretius Carus (99 v. Chr. -55 v. Chr.) had eerder geschreven over de leer der temperamenten: sanguiniese, flegmatische, melancholiese en choleriese; de dichter, staatsman en natuurvorser Johann Wolfgang Von Goethe (1749-1832) had eerder de theorie ontwikkeld dat het leven van mens, plant en dier zich ontwikkelt onder de invloed van de in de kosmos voorkomende elementen: zon en maan.
[59]

e) Respect voor de leider
Aan de Hillegomschool in Amsterdam (Eerste Openbare Lagere School met Persoonlijkheidsonderwijs) laat de onderwijzer Leendert Groeneweg (1877-1950) de jeugdigen onderricht volgen zonder een vast omschreven leerplan, zonder een lesrooster en zonder vaste lesmethoden.[60]
Groeneweg had zich laten inspireren door het katholieke denken van Mathieu Hubert Joseph Schoenmaekers (1875-1944) [61] die in 1916 zijn ‘Beginselen der beeldende wiskunde’  had laten verschijnen.[62]
Schoenmaekers had het katholiek gymnasium gevolgd in Rolduc en de door de jezuïeten geleide opleiding tot priester in Rome. Hij had zich op enig moment afgekeerd van de roomse-kerk maar niet van het roomse-geloof: hij zag zich zelfs ‘katholieker dan de roomsche kerk, katholieker dan de paus’.
[63]
De van huis uit niet onbemiddelde Schoenmaekers had in Amsterdam aansluiting gezocht bij de kring van vrijzinnige christenen en vrijdenkers en in 1904 het tijdschrift Levensrecht opgericht: Maandschrift ter verbreiding der vrije ideeën, waaraan o.a. meewerkten Frederik van Eeden en Domela Nieuwenhuis. Schoenmaekers’ verzoek lid te kunnen worden van de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia vincit anymos', was hem geweigerd. Hij was korte tijd lid van de afdeling Amsterdam van de Theosofische Vereeniging onder lidmaatschapsnummer 1131, werd sympathisant van de antroposoof Rudolf Steiner, studeerde een jaar in Pennsylvania theologie en ging uiteindelijk in Laren (NH) wonen. In zijn Larense tijd had Schoenmaekers liet hij veel van zich horen: hij had contact met de daar wonende groep van kunstenaars, aangeduid met De Stijl, waaronder de schilder Piet Mondriaan (1872-1944), maar vermeed elke discussie met andersdenkenden. De schilder Mondriaan had lange tijd waardering voor zijn denkbeelden maar ergerde zich op den duur aan deze 'schoolmeester-paus'. De dichter Jan Greshoff beschrijft hem als iemand die beschikte over een meeslepend redenaarstalent, maar geen tegenspraak duldde.
[64]
Schoenmaekers huldigde een in katholieke kringen op de middeleeuwse gildeverhoudingen geïnspireerd corporatief denken.
Corporatisme is afgeleid van het Latijnse woord corpora dat lichamen betekent. De termen corporatisme en solidarisme die vrijwel dezelfde betekenis hebben horen thuis in het zgn. organische denken.

In deze denkwijze wordt de maatschappij opgevat als een organisme, d.w.z. alle klassen en groepen worden gezien als organen die ieder even onmisbaar zijn en zonder elkaar niet kunnen bestaan, maar zoals bij het menselijk lichaam het hoofd en de ledematen niet gezien worden als gelijkwaardig, wordt dit ook zo gezien in de maatschappij, ook hier zijn er maatschappelijke functies die niet gelijkwaardig zijn aan elkaar: er zijn leiders en er zijn volgelingen, al hebben diegenen die deze kijk hebben wel de neiging, voor zichzelf een plaats aan de top te reserveren. 

 

f) Respect voor de beste
Aan de Werkplaats Kinder Gemeenschap in Bilthoven laat Cornelis Boeke (1884-1954) bij alle werkzaamheden de jeugdigen uit hun midden de beste kiezen als leider. Boeke hing de gedachte aan dat een leidende positie in het maatschappelijk leven een zaak was van de beste te zijn.
Hij
had een opleiding gevolgd aan een technische hogeschool en enkele jaren zendingswerk verricht in Syrie. Boeke was lid van de Nederlandse Christen Studenten Vereniging (NCSV), de eerste stap van de jeugd uit het financieel goed gesitueerde deel van de bevolking zich aaneen te sluiten, en was lid van de Practisch Idealisten Associatie (PIA).
De PIA
was door de hoogleraar in de rechtswetenschap: J.J. van der Leeuw (1893-1934), toen hij nog student was, uit Londen in Nederland geïntroduceerd. Het was na de NCSV de tweede stap van de jeugd uit het financieel zeer goed gesitueerde deel van de bevolking zich aaneen te sluiten.[65]
De vader van Boeke was directeur van de HBS, de vader van Van der Leeuw was firmant van de Van Nelle fabriek, een fabriek van koffie, thee en tabak in Rotterdam, een ander was de neef en enige erfgenaam van een miljonair die lucifersfabrieken bezat, en weer een ander was directeur van de glasfabriek in Leerdam.

In de PIA waren geen leden die toekeken, allen waren medewerker, ieder was verantwoordelijk voor het werk.
[66]
Bij het toetreden tot de PIA moesten de leden een verklaring ondertekenen waarin ze beloofden af te zien van het najagen van eigen eer en voordeel.
[67]
Hij hing de gedachte aan dat een leidende positie in het maatschappelijk leven een zaak was van de beste te zijn en dat respect hiervoor verschillen in godsdienstige, levens- of politieke overtuiging zouden doen overbruggen.
Van der Leeuw had in zijn proefschrift Historisch-Idealistische Politiek opgeroepen een begin te maken met de opbouw van ‘een aristo-democratie’, een regeringsvorm waarbij op alle terreinen van het maatschappelijk leven ‘groepverbanden ‘gevormd zijn, waaruit ‘de beste’ gekozen worden als hoofd, die op hun beurt uit het midden de beste kiezen voor het bestuur van grotere gemeenschappen, totdat uiteindelijk door een trapsgewijze opklimming van de ‘waarlijk besten’ het hoofd van de algehele gemeenschap gekozen is.
[68]
Het doet allemaal wat pre-fascistisch aan: een sterk eenhoofdig gezag.
Van der Leeuw had tegenover het historisch-materialisme een historisch-idealisme gesteld: een geestelijke omwenteling die binnen in de mens diende plaats te vinden.
[69]
Diverse leden van de PIA werden lid van de Dienaren van De ster, een landelijke groep van jongeren, die de weg voor de wereldleraar Krisjnamurti moest voorbereiden. Velen bezochten de Sterkampen op het landgoed Eerde in Ommen waar ook elk jaar een kamp van de PIA plaatsvond. Van der Leeuw sloot zich later aan bij de Theosofische Vereniging, werd voorzitter van de Nederlandse Afdeling, en was nauw betrokken bij de zomerkampen rond Krishnamurti in Ommen.


4.Socialistische levenshouding
Omstreeks 1930 gaan volwassenen voor wie socialisme een zaak was van gezindheid uit angst voor een wijziging van het economisch stelsel een socialistische levenshouding bijbrengen.

Kameraadschap, gemeenschapszin, arbeidsvreugde

Aan de Quakerschool op het landgoed Eerde te Ommen wordt kameraadschap, gemeenschapszin en arbeidsvreugde bijgebracht.
In de SDAP had zich een denken gevormd waarin werd aangenomen dat het socialisme diende plaats te vinden in het eigen innerlijke ‘persoonlijke’ leven. Woordvoerder van dit personalistisch-socialisme zoals het wel werd genoemd, was: Jacobus (Koos) Jan Vorrink (1891-1955). Vorrink had de opleiding voor onderwijzer gevolgd aan de Rijkskweekschool in Haarlem, dezelfde school waarin Banning de opleiding had gevolgd, zij het enkele jaren lager. Hij was actief in de Kwekelingen Geheelonthoudersbond, in 1920 aangesteld als bezoldigd bestuurder van de AJC en in 1934 met behulp van de AJC-lobby, die alle afde­lin­gen had afgereisd, voorzitter geworden van de SDAP. Banning had de AJC omgevormd naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien bij de Sozialistische Arbeiter Jugend. De jeugd daar bezocht geen cafe’s, bioscopen of dancings - zij trokken op vrije dagen met hun mandolines de natuur in, gingen kamperen, beoefenden het volksdansen, zongen volksliederen en voerden stijlvolle dansen uit, waren afkerig van banaliteit, waren niet gekleed in ‘burgerlijke’ confectiepakjes met stijve boorden maar in manchesterkleding met open hemden.
Vorrink was het met de directeur van een clubhuis in Rotterdam geheel eens toen deze de volksjeugd had beoordeeld als geestelijk leeg en zedelijk laf: de geestelijke leegheid van de gemiddelde volksjongen (is) veel en groter dan wij vroeger ooit hadden gemeend en dat hij - alle onderwijs, museums, kerken, meetings enz. ten spijt – geheel en al buiten onze cultuur voortleeft, en: Nooit heeft een jongen het voor het gezag opgenomen, nooit heeft een doen blijken, dat hij een vernieling of andere overtreding afkeurde en meegewerkt om de schuldige op te sporen.. . . ’t is niets anders dan bangigheid om in een zaak te worden gemoeid.
[70]
In 1929 was verschenen: Der Sozialismus als Kultuurbewegung van de in Duitsland gevormde Belg: Hendrik de Man (1885-1953). Vorrink had het boekje van De Man zo belangrijk gevonden dat hij het zelf had vertaald en uitgegeven.
[71]
De Man had gesteld dat de daadwerkelijke verwezenlijking van het socialisme diende te gebeuren in het eigen leven en in de eigen levensgemeenschap.
[72]
Hij zag socialisme, in tegenstelling tot het arbeiderssocialisme dat van de economie uitging en een drastische verandering van het economisch stelsel beoogde, meer als een zaak van de psychologie, als een zaak van gezindheid.
De Man was op zijn beurt gegrepen door de gedachten van G.L. Radbruch (1878-1949). Radbruch zag als belangrijkste socialistische levenswaarden: ‘Kameradschaft, Gemeinsinn, Arbeitsfreude.
[73]

5. Samenvatting en slotbeschouwing.

Toen in het democratiseringsproces dat zich over de tweede helft van de 19 e en de eerste helft van de 20 e eeuw uitstrekte, de jeugd uit de volksklasse strijd ging voeren voor een gelijkberechtigde positie ten opzichte van de volwassenen gingen ouders, pedagogen en de overheid de jeugd een politiek-maatschappelijke kijk op mens en samenleving bijbrengen. Hierin was geen plaats voor rationalisme en intellectualisme.


[1] M. Bloch: Pleidooi voor de geschiedenis of GESCHIEDENIS ALS AMBACHT. Nijmegen 1989.


[2] Leerkrachten waren o.a. Jentje J. F. Kleefstra (1860-1929), Kleefstra, W.v.d. Jagt (klassieke talen), H.J. Boeken (klassieke talen), Z. Stokvis (Nederlands), K. van Damme (Frans), mej. Lohman (Duits), C. M. Borneman (Engels), B. Vreeken (wiskunde en boekhouden), C. J. H. Raad (wiskunde en tekenen), mej. A. Kleefstra (onderwijzeres), J. A. van Schooten (tekenen), mej. W. Bolland (Frans, Duits, Engels)


[3] Keefstra, J.J.: Wat maken wij van onze jongeren. In Studien in Volkskracht. Amsterdam 1905,


[4] A. H. Gerhard,: Een Sociaal Sprookje, Amsterdam 1914


[5] A. H. Gerhard: Ernst Haeckel over de tegenwoordigen stand van onze kennis van de oorsprong van het menselijk geslacht, Amsterdam 1899,


[6] E.H.P.H.Haeckel: Die Welträtsel. Gemeinverständliche Studiën über Monistische Philisofie


[7] De grote denkers der eeuwen, Ernst Haeckel en zijn monisme, Amsterdam, zj.


[8] C. Darwin: The origin of species of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London 1859.


[9] Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population. Londen 1798, Chapter I.


 

[10] Malthus, T.: An Essay on the Principle of Population. Londen 1798.


[11] A. Cort van der Linden,: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203


[12] A. Cort van der Linden,: Richting en Beleid der Liberale Partij. Groningen 1886, blz. 203


[13] Opgericht 1903, leerkrachten waren o.a.: Deutman-De Meijer, Marie Calisch, Annie van Hattum, Bertha Kofman, Cor Bruyn, Nelly Korver, Mina Telders, Betsy van Zutphen, Dirk Daalder, Johan Toot


[14] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[15] R. Jans:Tolstoi in Nederland. Bussum 1951.


[16] Geschiedenis van het Amsterdams studentenleven, 1932-1962. Gedenkboek in opdracht van den Illustrissimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium ter gelegenheid van het 330-jarig bestaan der Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1932, blz.629.


[17] Jans, R: Tolstoj en de Literaire kritiek 1900-1920, in: Tolstoj in Nederland, Bussum 1952.


[18] P. Kropotkin: Wederkeerig dienstbetoon, een factor der evolutie. Amsterdam 1904 (Mutual aid: a factor in evolution. 1902). Het verscheen voor het eerst in de Engelse taal.


[19] De uitgever bracht in 1902 voor het eerst de verhalen uit onder de titel: Dicht bij Huis, Groningen 1902. In 1904 volgde: Nog bij Moeder, Groningen 1904. Later werden de verhalen uitgebracht onder de titel: Het boek van Ot en Sien. Groningen 1906.


[20] A. Kuyper: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[21] A.Kuyper: In ons Huisgezin wortelt ons staatkundig leven, in: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam, 1880.


[22] A. Kuyper: In ons Huisgezin wortelt ons staatkundig leven, in: Antirevolutionair ook in uw Huisgezin. Amsterdam,1880.


[23]Kuyper, A.: Handenarbeid, Amsterdam 1889.


[24] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[25] A. Kuyper: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. Rede ter opening van het Sociaal-Congres op 9 November 1891.


[26] Ruter, A.J.C.: De spoorwegstakingen van 1903. Een spiegel der arbeidersbeweging in Nederland. Leiden 1935, blz. 484.


[27] Troonrede 1903.


[28] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


 

[29] H. Roland Holst-van der Schalk: De Sociale toestand der Arbeidersklasse omstreeks het begin van de twintigste eeuw, in: Kapitaal en Arbeid in Nederland, Dl II blz. 41, Nijmegen 1977. Opm: alleen de bevolking in de steen- en pannenbakkerijen langs de Gelderse rivieren hadden het mogelijk nog armer


[30] C. W. Coolsma: Jan Ligthart’s opvoedkundige beginselen. Bibliotheek voor bijbelsche opvoedkunde, vijftiende jaargang 1931, no 2.


[31] W. Banning: Terugblik op leven en strijd van althans een deel der generatie die idealistisch-jong was aan het begin der twintigste eeuw toegelicht aan de ontwikkeling één hunner. Amsterdam 1958.


[32] J. de Groot: E.B. ter Horst Jr. (1865-1905), Groningen 2004.


[33] J. Ligthart: Een woordje aan ‘t slot. In: School en Leven. Eerste jaargang, no.52.


[34] J. Ligthart: Vrijheid en discipline in de opvoeding. Baarn 1919.


[35] J. P. Hasebroek: De Zeeuwse arbeider. In: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen. ’s Gravenhage, 1841.


[36] Jetses voorzag ook het door de onderwijzer M.B.Hoogeveen (1863-1941) ontwikkelde Leesplankje van Hoogeveen, een plankje met daarop afbeeldingen met bijbehorende woorden, van afbeeldingen die ontleend waren aan de verhalen over Ot en Sien.


 

[37] M. Soree & M.Snepvangers: Ons Huis 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam. 1992.


[38] Opgericht in 1913, leerkrachten waren o.a.: L. van Mierop, J.M. Telders, mw. M. van der Es, mw. P. van der Knoop, mw. T van Mierop-Mulder, Felix Ortt.


[39] G. Stuiveling: Van Eeden, Tachtiger of Nieuwe-Gidser. In: Rekenschap. Amsterdam 1941.


[40] Geschiedenis van het Amsterdamsch Studentenleven 1632-1923.


[41] Van Eeden zette zijn hele vermogen op het spel om de slachtoffers van de spoorwegstaking van 1903 te helpen.


[42] J. Saks: De pionieren van Bussum


[43] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[44] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[45] F. van Eeden: Waarvoor werkt gij. Amsterdam 1899.


[46] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 229


[47] W. Otterspeer: Bolland een biografie,Amsterdam 1995, blz. 543,


[48] F. van Eeden: H. Thoreau, Walden or life in the woods. Londen 1908.


[49] H. L. Borgman: Het Vredesmaal. In School en leven. 18e jrg no.5, 28 september 1916; zie ook: School en Leven. 20e jrg. No. 7, 10 oktober 1918; K. Dilling: School en Tuin, in: School en leven, 18e jrg. no. 23, 23 augustus 1917; School en Leven, 20e jrg., nr7, okt. 1918; P.L. van EckJr. De wereldtuin te Vledderveen, in Volksontwikkeling, jrg. 2, nummer 6, 1922; Ph. Kohnstamm. Reisindrukken uit Vledderveen, in Pedagogische Studiën, jrg V, blz. 425, 1925; W. H. van der Ploeg. Twee eeuwen Stadskanaal. Den Haag 1977 blz. 123; H. Schuurman: De wereldtuin van meester H.L. Borgman, in: Vledderveen, jongste Groninger veenkolonie. Stadskanaal 2002.


[50] H. Noordegraaf: Het Christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging. Dec. 1986.


[51] Noordegraaf, H.: Het christensocialisme van Daan van der Zee. In: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging, december 1986


[52] B. de Ligt: God Uzelf Uw Naaste. 1912.


[53] Verslag van de staatscommissie tot onderzoek naar de ontwikkeling der jeugdige personen van 13-18 jaar. Ingesteld bij koninklijk Besluit van 18 juni 1917 No 58.


[54] Deze Centrale voor Jeugdontwikkeling werd in 1920 omgezet in een Centrale van Arbeidersjeugdverenigingen, verder bekend als Arbeiders Jeugd Centrale (AJC).


[55] Wouters, B: Evolutie in idealen voor opvoeding. In: Theosofia, jrg. XXVII, 10 janauari 1920.


[56] J. H. Bolt: De Nieuwe Mens, z.p.1923. Zie ook: Maar tegen de avond zal het licht zijn. In Theosofia, febr.1920, jrg XXVII.


[57] Zie ook C.J.J.Morsch: Met de moed van de hoop. Studies over de vernieuwing van opvoeding. onderwijs en maatschappij in Nederland in de periode tussen ± 1930 en 1984. Nijmegen 1984.


[58] C.H.Donker: De Vrije School te Den Haag, in: Pedagogische Studien, jrg V, blz 121 e.v. 1925.


[59] Goethe von, J. W.: Natuurwissenschaftliche Schriften. 1887-1919.


[60] L. Groeneweg: Scholen met losser klassenverband. In: Pedagogische Studien jrg.5, 1920, blz.299. Zie ook: Van Parreren: Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool. In: Persoonlijkheidsonderwijs. Gedenkboek voor L.Groeneweg, hoofd van de Hillegomschool te Amsterdam eerste openbare lager school met persoonlijkheidsonderwijs.


[61]L. Groeneweg: Scholen met losser klasseverband, in: Paedagogische Studien, jrg 5, blz 299, 1920


[62]M. H.J.: Schoenmaekers: Beginselen der beeldende wiskunde. Bussum 1916.


[63] M. H.J.: Schoenmaekers: Het wezen van het katholieke denken. In: Beginselen der beeldende wiskunde. Blz. 199 e.v. Bussum 1916.


[64] Zie J.Greshof in Het Vaderland 24-01-1957


[65] Harmsen G.: Blauwe en Rode Jeugd, blz. 241


[66]Leeuw, van der J.J.: De jongeren aan den opbouw, Den Haag, zj.


[67] Harmsen G.: Blauwe en Rode Jeugd, blz. 240


[68] Leeuw van der J. J.: Historisch-idealistische politiek. Proefschrift. 1920.

 


[69] Leeuw van der J.J.: Het Practisch Idealisme. Baarn 1922


[70] K. Vorrink: De komende nieuwe kultuur. Amsterdam 1925. Blz.4.


[71] K. Vorrink: Sosialisme als kultuurbeweging. Amsterdam 1928


[72] H. de Man: Der Sozialismus als Kultuurbewegung, Berlin 1929, blz.45.


[73] G. L. Radbruch: Der sozialistische Gemeinschaftgedanke. In: Kulturlehre des Sozialismus. Frankfurt am Main 1970, blz. 22.